Den volgenden dag, toen Duco Cornélie in de osteria ontmoette, was zij
zeer opgewonden en vroolijk: zij deelde hem meê, dat zij reeds antwoord
had van het Vrouwenblad, waaraan zij een week geleden hare brochure
verzonden had, en dat haar werk was aangenomen en zelfs gehonoreerd
zoû worden. Zij was zoo fier haar eerste geld te zullen verdienen, dat
zij vroolijk was als een kind. Zij sprak niet over den vorigen avond,
scheen den prins en Urania vergeten, maar had behoefte exuberant te
praten.
Zij had allerlei groote plannen: reizen als journaliste, zich storten
in de beweging der steden, naloopen iedere actualiteit, zich laten
afvaardigen door een blad naar congressen en feesten. De enkele
guldens, die zij verdienen zoû, maakten haar al dronken van ijver, en
zij zoû veel willen verdienen en veel willen doen en geen vermoeienis
achten. Hij vond haar eenvoudig aanbiddelijk: in het halflicht der
osteria, aan het kleine tafeltje etende hare gnocchi, voor zich de
halve fiasco, waarin de gele landwijn bleekte, kreeg hare gewone loomte
eene nieuwe levendigheid, die hem verbaasde; kreeg haar croquis, rechts
half donker, links aangelicht door den straatschijn, een moderne
gratie van teekening, die hem aan Fransche teekenaars herinnerde: het
even bleeke gelaat met de fijne trekken, opgelicht door haar lach,
geschetst onder haar matelot, die diep in de oogen stond; het haar,
aangegoud, of donker schemerblond; de witte voile opgelicht en een waas
kreukende van boven; haar figuur, rank en gracieus in het eenvoudige
manteltje--losgeknoopt--en in hare blouse een ruikertje viooltjes
gestoken.
De manier, waarop zij zich inschonk, aan den cameriere--den
eenigen,--die hen goed kende, van iederen dag--familiaar minzaam
iets vroeg; de levendigheid, die hare loomte afwisselde, hare groote
plannen, hare blijde woorden--het schitterde hem alles tegen,
studentikoos en toch gedistingeerd, vrij en toch vrouwelijk, en vooral
gemakkelijk, zooals zij overal gemakkelijk was; met een tact van
assimilatie, die hem trof als een bizondere harmonie. Hij dacht aan
den vorigen avond, maar zij sprak er niet over. Hij dacht aan die
openbaring harer behaagzucht maar zij dacht aan geen coquetterie. Ze
was met hem nooit coquet. Ze zag tegen hem op, ze vond hem bizonder
en knap, hoewel niet van zijn tijd; zij had een eerbied voor zijn
zeggen en denken, en ze was zóo gewoon tegen hem, als een kameraad
tegen een anderen, een ouderen, een knapperen. Zij voelde voor hem een
innige vriendschap, iets onbeschrijflijks van samen-te-moeten-zijn,
samen-te-moeten-leven; of hunne lijnen één lijn zouden vormen. Het was
geen zustergevoel en het was geen passie, en vóor zich zag zij het geen
liefde, maar het was een groot gevoel van eerbiedige teederheid, van
opziend verlangen en van aanhankelijke vreugde hem te hebben ontmoet.
Zag zij hem niet meer, zij zoû hem missen als zij niet éen in haar
leven meer missen zoû. En dat hij niets voelde voor moderne kwesties,
vernederde hem niet in haar oog van jonge moderne strijdster, die haar
eerste vaan zoû zwaaien. Het kon haar ergeren voor een oogenblik, maar
het overwoog niet in hare waardeering.
En hij zag het, dat zij met hem zoo eenvoudig aanhankelijk was, zonder
behaagzucht. Toch zoû hij nooit vergeten, zooals zij gisteren met
den prins was geweest. Jalouzie had hij gevoeld en ook bij Urania
opgemerkt. Maar zijzelve had zeker gehandeld zoo spontaan naar hare
natuur, dat zij nu niet dacht aan dien avond, aan geen prins, aan geen
Urania, geen coquetterie, en geen mogelijke jalouzie van hun kant. Hij
betaalde--het was zijn beurt--en zij stonden op en zij nam vroolijk
zijn arm en zei, dat ze hem wilde verrassen. Zij wilde hem een pleizier
doen. Zij wilde hem iets geven, een mooi, een heel mooi souvenir. Zij
zoû aan dat souvenir willen besteden haar honorarium. Maar zij had het
nog niet ... wat kwam het er op aan! Zij zoû het immers krijgen.... En
zij wilde het hem geven.
Hij vroeg lachende wat het zoû zijn...? Zij riep een rijtuigje aan
en fluisterde den koetsier een adres in; hij verstond niet wat zij
zeide.... Wat zoû het zijn? Maar zij weigerde nog te zeggen.... De
vetturino reed hen het Borgo door naar den Tiber. Daar hield hij
stil voor een donker winkeltje van bric-à-brac, die tot op de straat
gestapeld lag.
--Cornélie...! riep hij nu, iets radende.
--Je engel van Lippo Memmi: ik koop hem voor je, stil....
Hij kreeg tranen in de oogen; zij traden binnen.
--Vraag hem hoeveel hij er voor hebben moet.
Hij was zoo aangedaan, dat hij niet spreken kon en Cornélie moest
vragen en dingen. Zij dong niet lang; zij kreeg het paneel voor
honderd-en-twintig lire.... Zelve droeg zij het in de victoria.
En zij reden naar zijn atelier. Zij torsten samen den engel de trappen
op, glimlachende, als torsten zij binnen zijn woning een rein geluk.
In het atelier zetten zij den engel op een stoel. Edel, met het ietwat
Mongoolsche type, de oogen lang amandelvormig, knielde de engel juist
neêr in den laatsten waai van zijn vlucht, en de gouden sjerp van zijn
goud-purperen mantel fladderde op, terwijl zijn lange wieken, hoog,
recht, trilden. Duco staarde naar zijn Memmi, vol dubbele emotie; om
den engel zelven en om hàar.... En natuurlijk weg breidde hij uit zijn
armen.
--Mag ik je danken, Cornélie?
En hij omhelsde haar, en zij gaf hem zijn zoen terug.