XX.

Den volgenden dag, toen Duco Cornélie in de osteria ontmoette, was zij

zeer opgewonden en vroolijk: zij deelde hem meê, dat zij reeds antwoord

had van het Vrouwenblad, waaraan zij een week geleden hare brochure

verzonden had, en dat haar werk was aangenomen en zelfs gehonoreerd

zoû worden. Zij was zoo fier haar eerste geld te zullen verdienen, dat

zij vroolijk was als een kind. Zij sprak niet over den vorigen avond,

scheen den prins en Urania vergeten, maar had behoefte exuberant te

praten.

Zij had allerlei groote plannen: reizen als journaliste, zich storten

in de beweging der steden, naloopen iedere actualiteit, zich laten

afvaardigen door een blad naar congressen en feesten. De enkele

guldens, die zij verdienen zoû, maakten haar al dronken van ijver, en

zij zoû veel willen verdienen en veel willen doen en geen vermoeienis

achten. Hij vond haar eenvoudig aanbiddelijk: in het halflicht der

osteria, aan het kleine tafeltje etende hare gnocchi, voor zich de

halve fiasco, waarin de gele landwijn bleekte, kreeg hare gewone loomte

eene nieuwe levendigheid, die hem verbaasde; kreeg haar croquis, rechts

half donker, links aangelicht door den straatschijn, een moderne

gratie van teekening, die hem aan Fransche teekenaars herinnerde: het

even bleeke gelaat met de fijne trekken, opgelicht door haar lach,

geschetst onder haar matelot, die diep in de oogen stond; het haar,

aangegoud, of donker schemerblond; de witte voile opgelicht en een waas

kreukende van boven; haar figuur, rank en gracieus in het eenvoudige

manteltje--losgeknoopt--en in hare blouse een ruikertje viooltjes

gestoken.

De manier, waarop zij zich inschonk, aan den cameriere--den

eenigen,--die hen goed kende, van iederen dag--familiaar minzaam

iets vroeg; de levendigheid, die hare loomte afwisselde, hare groote

plannen, hare blijde woorden--het schitterde hem alles tegen,

studentikoos en toch gedistingeerd, vrij en toch vrouwelijk, en vooral

gemakkelijk, zooals zij overal gemakkelijk was; met een tact van

assimilatie, die hem trof als een bizondere harmonie. Hij dacht aan

den vorigen avond, maar zij sprak er niet over. Hij dacht aan die

openbaring harer behaagzucht maar zij dacht aan geen coquetterie. Ze

was met hem nooit coquet. Ze zag tegen hem op, ze vond hem bizonder

en knap, hoewel niet van zijn tijd; zij had een eerbied voor zijn

zeggen en denken, en ze was zóo gewoon tegen hem, als een kameraad

tegen een anderen, een ouderen, een knapperen. Zij voelde voor hem een

innige vriendschap, iets onbeschrijflijks van samen-te-moeten-zijn,

samen-te-moeten-leven; of hunne lijnen één lijn zouden vormen. Het was

geen zustergevoel en het was geen passie, en vóor zich zag zij het geen

liefde, maar het was een groot gevoel van eerbiedige teederheid, van

opziend verlangen en van aanhankelijke vreugde hem te hebben ontmoet.

Zag zij hem niet meer, zij zoû hem missen als zij niet éen in haar

leven meer missen zoû. En dat hij niets voelde voor moderne kwesties,

vernederde hem niet in haar oog van jonge moderne strijdster, die haar

eerste vaan zoû zwaaien. Het kon haar ergeren voor een oogenblik, maar

het overwoog niet in hare waardeering.

En hij zag het, dat zij met hem zoo eenvoudig aanhankelijk was, zonder

behaagzucht. Toch zoû hij nooit vergeten, zooals zij gisteren met

den prins was geweest. Jalouzie had hij gevoeld en ook bij Urania

opgemerkt. Maar zijzelve had zeker gehandeld zoo spontaan naar hare

natuur, dat zij nu niet dacht aan dien avond, aan geen prins, aan geen

Urania, geen coquetterie, en geen mogelijke jalouzie van hun kant. Hij

betaalde--het was zijn beurt--en zij stonden op en zij nam vroolijk

zijn arm en zei, dat ze hem wilde verrassen. Zij wilde hem een pleizier

doen. Zij wilde hem iets geven, een mooi, een heel mooi souvenir. Zij

zoû aan dat souvenir willen besteden haar honorarium. Maar zij had het

nog niet ... wat kwam het er op aan! Zij zoû het immers krijgen.... En

zij wilde het hem geven.

Hij vroeg lachende wat het zoû zijn...? Zij riep een rijtuigje aan

en fluisterde den koetsier een adres in; hij verstond niet wat zij

zeide.... Wat zoû het zijn? Maar zij weigerde nog te zeggen.... De

vetturino reed hen het Borgo door naar den Tiber. Daar hield hij

stil voor een donker winkeltje van bric-à-brac, die tot op de straat

gestapeld lag.

--Cornélie...! riep hij nu, iets radende.

--Je engel van Lippo Memmi: ik koop hem voor je, stil....

Hij kreeg tranen in de oogen; zij traden binnen.

--Vraag hem hoeveel hij er voor hebben moet.

Hij was zoo aangedaan, dat hij niet spreken kon en Cornélie moest

vragen en dingen. Zij dong niet lang; zij kreeg het paneel voor

honderd-en-twintig lire.... Zelve droeg zij het in de victoria.

En zij reden naar zijn atelier. Zij torsten samen den engel de trappen

op, glimlachende, als torsten zij binnen zijn woning een rein geluk.

In het atelier zetten zij den engel op een stoel. Edel, met het ietwat

Mongoolsche type, de oogen lang amandelvormig, knielde de engel juist

neêr in den laatsten waai van zijn vlucht, en de gouden sjerp van zijn

goud-purperen mantel fladderde op, terwijl zijn lange wieken, hoog,

recht, trilden. Duco staarde naar zijn Memmi, vol dubbele emotie; om

den engel zelven en om hàar.... En natuurlijk weg breidde hij uit zijn

armen.

--Mag ik je danken, Cornélie?

En hij omhelsde haar, en zij gaf hem zijn zoen terug.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 24 / 67 题