XIX.

Er was echter zooveel vaagheid geweest in Urania's verzekering, dat

Cornélie zich ongerust voelde en er Duco dien avond, in den restaurant,

waar zij elkaâr ontmoetten, over sprak. Maar hij stelde geen belang,

niet in Urania, niet in wat zij deed, of niet doen zoû, en hij haalde

onverschillig zijn schouders op. Zij echter was stil en afgetrokken

en hoorde niet naar wat hij zeide: een zijpaneel van een tryptiek,

gedecideerd van Lippo Memmi, dat hij ontdekt had in een winkeltje aan

den Tiber: de engel van de Annonciatie, bijna zoo mooi als die van de

Uffizie, neêrgeknield in den waai nog van het laatste zijner vlucht,

en de lelietak in de handen. Maar de koopman vroeg er tweehonderd lire

voor en hij wilde maar vijftig geven. En toch, de koopman had den naam

van Memmi niet genoemd: hij vermoedde niet, dat de engel van Memmi

was....

Cornélie had niet geluisterd en plotseling sprak zij:

--Ik ga naar het Palazzo Ruspoli....

Hij zag verbaasd op.

--Waarom?

--Om naar miss Hope te vragen.

Hij was stom van verbazing en bleef haar met open mond aanzien.

--Als zij er niet is.... hernam Cornélie; dan is het goed. Is zij er

... is zij toch gegaan, dan vraag ik haar dringend te spreken....

Hij wist niet wat te zeggen, hij vond haar inval zoo vreemd, zoo

excentriek, zoo nuttelooze arabesk om te kruisen arabesken van

onbeduidende, onverschillige menschen, dat hij geen woorden wist te

vinden. Cornélie zag op haar horloge.

--Het is over half negen. Gaat zij toch, dan gaat zij omstreeks dezen

tijd.

Zij wenkte den kellner en betaalde. En zij knoopte haar manteltje dicht

en stond op. Hij volgde haar.

--Cornélie, begon hij, is het niet vreemd wat je wilt doen. Je zal er

allerlei last meê krijgen.

--Als men altijd tegen wat last opzag, zoû niemand eens een goede daad

doen.

Zij wandelden stilzwijgend door, hij boos aan hare zijde. Zij spraken

niet: hij vond het eenvoudig dol wat zij wilde: zij vond hem flauw

Urania niet te willen beschermen. Zij dacht aan hare brochure, aan de

Vrouwen, en zij wilde Urania beschermen voor het Huwelijk, en voor dien

prins. En zij wandelden door het Corso, naar het Palazzo Ruspoli. Hij

werd zenuwachtig, wilde haar nog eenmaal weêrhouden, maar zij vroeg al

aan den suisse:

--Is de signore principe thuis?

De man zag haar argwanend aan.

--Neen, sprak hij kort.

--Ik vermoed van wel. Zoo ja, vraag dan of miss Hope bij zijne

Excellentie is. Miss Hope was niet thuis; ik vermoed, dat zij van avond

den prins komt bezoeken en ik moet haar dringend spreken ... over iets,

dat geen uitstel lijdt. Hier ... la signora De Retz....

Zij reikte haar kaartje over. Zij sprak met zooveel aplomb, zij stelde

het bezoek van Urania voor met zooveel rust en eenvoud, alsof het

iederen avond voorkwam, dat Amerikaansche meisjes Italiaansche prinsen

bezochten, en alsof zij niets anders dacht, dan dat de suisse die

gewoonte wel wist. De man werd er door uit het veld geslagen, boog, nam

het kaartje aan en verwijderde zich. Cornélie en Duco wachtten in den

portiek.

Hij bewonderde haar om hare kalmte. Hij vond het wel excentriek wat zij

deed, maar zij deed hare excentriciteit met eene zekerheid, die haar

weêr in een ander licht bescheen. Zoû hij haar dan nooit begrijpen, zoû

hij nooit iets tasten, en zeker weten, in het wisselen en ontastbare

van die vaagheid van haarzelve? Hij had nooit die enkele woorden zoo

tot dien suisse kunnen zeggen. Hoe had zij dien tact gevonden, dien

hoog-ernstigen toon tegen dien impozanten deurwachter met zijn stok

en zijn steek! Zij deed het even gemakkelijk als zij, met familiare

minzaamheid, hun eenvoudig diner bestelde aan den kellner in hun kleine

restauratie.... De suise kwam terug.

--Miss Hope en zijne Excellentie verzoeken u boven te willen komen....

Zij zag Duco glimlachend aan, zegevierend, geamuzeerd om zijne

verwarring.

--Ga je meê?

--Wel neen, stotterde hij. Ik zal hier wel op je wachten.

Zij volgde een lakei de trappen op. Familieportretten hingen in den

breeden corridor. De deur van het salon stond open. De prins kwam haar

tegemoet.

--Vergeef mij, prins, sprak zij kalm en strekte de hand uit: zijn oogen

waren klein als dichtgeknepen karbonkels, hij was wit van woede, maar

hij bedwong zich en drukte even zijn lippen op de hand, die zij uitstak.

--Vergeef mij, ging zij voort. Ik heb miss Hope dringend te spreken....

Zij trad in het salon; Urania was daar, blozende, verlegen.

--U begrijpt, glimlachte Cornélie; ik had u niet durven storen, als

het niet voor een zaak van gewicht was. Een zaak tusschen vrouwen ...

maar toch van gewicht! schertste zij en de prins zeide iets terug,

zoetsappig galant. Mag ik miss Hope even alleen spreken?

De prins zag haar aan. Hij vermoedde in haar: antipathie, en meer, een

vijand. Maar hij boog, met zijn zoetsappigen glimlach en zei, dat hij

de dames even alleen liet. Hij trok zich terug in een andere kamer.

--Cornélie, wat is er? vroeg Urania gejaagd. Zij greep Cornélie bij

beide handen en zag haar angstig aan.

--Er is niets, sprak Cornélie streng. Ik heb je over niets te spreken.

Ik vermoedde alleen en ik was zeker, dat je je belofte niet zoû houden.

Ik woû zekerheid hebben, of je hier was.... Waarom ben je gekomen?

Urania begon te weenen.

--Huil niet! fluisterde Cornélie meêdoogenloos. In godsnaam huil niet.

Wat je gedaan hebt is zoo onbezonnen mogelijk....

--Ik weet het ... bekende Urania zenuwachtig, hare tranen drogend.

--Waarom deed je het dan?

--Ik kon het niet laten.

--Alleen, met hem, hier, 's avonds...! Een bekend mauvais sujet....

--Ik weet het!

--Wat zie je in hem?

--Ik hoû van hem....

--Je wil hem alleen trouwen om zijn titel. Om zijn titel compromitteer

je je. Wat, als hij je van avond niet respecteert als zijn aanstaande

vrouw? Wat als hij je dwingt zijn maîtresse te zijn?

--Cornélie ... stil...!

--Je bent een kind, een onbezonnen kind. En je vader laat je alleen

reizen. Om "dear old Italy" te zien.... Je bent Amerikaansch,

liberaal: goed; flink op je eigen om de wereld door te trekken: goed,

maar je bent nog geen vrouw, je bent een kind!

--Cornélie....

--Ga met me meê; zeg, dat je met me meêgaat. Om een dringende reden. Of

neen ... zeg liever niets. Blijf. Maar ik blijf ook....

--Ja, blijf jij ook....

--We zullen hem roepen.

--Ja.

Cornélie belde, een lakei verscheen.

--Zeg zijne Excellentie, dat wij hem wachten. De man ging. Na een

pooze kwam de prins binnen. Hij was nog nooit in zijn eigen huis

zoo behandeld geworden. Hij ziedde van woede, maar hij bleef zeer

hoffelijk, en uiterlijk kalm.

--Is de gewichtige zaak afgehandeld? vroeg hij met zijn kleine oogen en

huichelglimlach.

--Ja, dank u zeer voor uw discretie ons even alleen te laten! sprak

Cornélie. Nu ik miss Hope gesproken heb, ben ik gerust gesteld omtrent

haar opinie.... O, u zoû gaarne weten, waarover wij hebben gesproken!?

De prins trok de wenkbrauwen op. Cornélie had coquet gesproken, met

haar vinger gedreigd, geglimlacht, en de prins zag haar aan, en zag

eensklaps, dat zij mooi was. Niet met de treffende schoonheid en

frischheid van Urania Hope, maar met een complexere aantrekkelijkheid:

die van een getrouwde vrouw, gescheiden, maar heel jong, die van

een vrouw, eind'eeuwsch, met een lichte perversiteit in hare diep

grauwe oogen, werkende onder heel lange wimpers, die van een vrouw,

bizonder gracieus in de gebroken lijnen van haar moede, loome,

morbide bevalligheid: een vrouw, die het leven kende, een vrouw,

die hem--hij was er zeker van--doorzag; die hem--antipathiek--toch

toesprak met coquetterie om hem te behagen, te winnen, onbewust, uit

louter perverse vrouwelijkheid. Hij zag haar mooi en pervers, en hij

bewonderde haar, gevoelig voor verschillende types van vrouwen. Hij

vond haar eensklaps mooier en niet zoo banaal als Urania, en veel meer

gedistingeerd, en niet zoo naïef gevoelig voor zijn titel, iets wat

hij zoo mal in Urania vond. Hij was eensklaps op zijn gemak met haar,

zijn woede zakte: hij vond het aardig twee mooie vrouwen bij zich te

hebben in plaats van éene, en hij schertste terug, zei, dat hij van

nieuwsgierigheid brandde, aan de deur geluisterd had, maar helaas,

niets had opgevangen.... Cornélie lachte vroolijk, coquetteerde terug,

en zag op haar horloge. Zij sprak iets van weggaan, maar zette zich

tegelijkertijd neêr, knoopte haar mantel los en zei tot den prins:

--Ik heb zoo veel gehoord van uw miniaturen; nu ik in de gelegenheid

ben: màg ik ze zien?

De prins was bereid, bekoord door haar blik, door haar stem, éen vuur,

éen vlam in een oogenblik.

--Maar ... sprak Cornélie. Mijn cavalier wacht buiten in den portiek.

Hij wilde niet boven komen, hij kent u niet.... Het is meneer Van der

Staal.

De prins zag haar lachende aan. Hij wist de praatjes van Belloni. Hij

twijfelde geen oogenblik aan een liaison tusschen Van der Staal en

signora De Retz. Hij wist, dat zij zich stoorden aan niets. En Cornélie

werd hem zeer sympathiek.

--Maar ik zal dadelijk den heer Van der Staal laten vragen om boven te

komen.

--Hij wacht in den portiek, zei Cornélie. Hij zal niet willen....

--Ik zal zelve gaan, sprak de prins, levendig en gedienstig.

Hij ging. De dames bleven achter. Cornélie trok haar mantel uit; maar

zij hield haar hoed op, omdat hare haren in de war zouden zijn. Zij zag

in den spiegel.

--Heb je je poeier bij je? vroeg zij Urania.

Urania haalde haar ivoren doosje uit den zak en gaf het aan Cornélie.

En terwijl Cornélie zich even poeierde, zag Urania hare vriendin

aan, en begreep niet. Zij herinnerde zich den ernstigen indruk, dien

Cornélie dadelijk op haar gemaakt had, studeerende Rome ... later

schrijvende een brochure over de Vrouwenkwestie, en de toestand der

gescheiden vrouw.... Toen haar waarschuwingen tegen het Huwelijk en

tegen den prins. En nu zag zij haar eensklaps als allerliefst wufte

vrouw, onweêrstaanbaar bekoorlijk, meer betooverend nog dan werkelijk

schoon, vol behaagzucht in de diepte van haar grauwe oogen, die op en

neêr glansden onder de kruivende wimpers, eenvoudig gekleed in een

donker zijden blouse en een laken rok, maar met zooveel distinctie

en toch coquetterie, zooveel voornaamheid en toch broze lijn van

bevalligheid, dat zij haar nauwlijks meer herkende....

Maar de prins was binnengekomen en voerde Duco meê, onwillig, nerveus,

niet wetende wat was voorgevallen, niet begrijpende, hoe Cornélie had

gehandeld. Hij zag haar rustig zitten, glimlachend en hem dadelijk

verklarend, dat de prins haar zijn miniaturen zoû toonen.

Duco zei ronduit, dat hij niet om miniaturen gaf. De prins vermoedde

om zijn boozen toon, dat hij jaloersch was. En dit vermoeden prikkelde

den prins, om Cornélie het hof te maken. En hij deed als toonde hij

de miniaturen alleen aan haàr, als toonde hij haàr zijne kanten.

Zij bewonderde vooral de kanten, en frommelde ze met hare fijne

vingers. Zij vroeg hem te verhalen van zijne grootmoeders, die die

kanten gedragen hadden. Hadden zij avonturen gehad? Hij vertelde er

een, dat haar zeer lachen deed: hij vertelde een paar anecdoten na,

levendig, opvlammende onder haar blik, en zij lachte. In de atmosfeer

van dat groote salon, bureau van den prins--zijn schrijftafel stond

er--de kaarsen op, bloemen gezet om Urania, begon iets te tintelen

van perverse vroolijkheid en luchtigen lust om te leven. Maar alleen

tusschen Cornélie en den prins. Urania was stil geworden, en Duco zei

geen woord. Ook hem was Cornélie eene openbaring. Zoo had hij haar

nooit gezien--niet op het kerstbal, aan de table-d'hôte niet, in zijn

atelier niet, niet op hun uitstapjes, en in hun restauratie. Was zij

éene vrouw, of tien vrouwen?

En hij bekende zich, dat hij haar liefhad, meer lief met iedere

openbaring, meer lief met iedere vrouw, die hij in haar zag, als

een facet, dat zij weêr liet glanzen. Maar spreken kon hij niet,

meêschertsen kon hij niet, vreemd in die atmosfeer, vreemd in dat

element van zooveel luchtigen levenslust, om niets dan doellooze

woorden, als parelde het Fransch en het Italiaansch, dat zij door

elkaâr spraken, als glinsterde hun scherts als klatergoud, en

regenboogden hunne equivoque woordspelingen.... De prins betreurde het,

dat zijn thee niet meer was te drinken, maar hij liet champagne komen.

Hij vond zijn avond ten eenen deele mislukt voor zijne plannen--want

bang Urania te verliezen, had hij Urania willen dwingen; want ziende

hare weifeling, had hij vast besloten tot het onherstelbare--maar zijn

natuur was zoo weinig ernstig--hij zoû trouwen meer om zijn vader en

de marchesa Belloni, dan om zichzelven;--hij leefde even pleizierig

met schulden en zonder vrouw, dan hij mèt een vrouw en millioenen zoû

doen--dat hij dien mislukten avond alleramuzantst begon te vinden, dat

hij er in zichzelven om lachen moest, als hij dacht aan de marchesa

zijne tante, aan zijn vader: aan hunne machinaties, die geen vat op

Urania hadden, omdat een aardige coquette vrouw niet gewild had.

Waarom wilde zij niet, dacht hij, inschenkende de schuimende Monopole,

morsende over de kelken; waarom stelt zij zich tusschen mij en die

Amerikaansche kousenverkoopster? Zoekt zijzelve een titel in Italië?

Maar het kon hem verder niet schelen: hij vond de indringster aardig,

mooi, heel mooi, coquet, verleidelijk, betooverend. Hij bemoeide zich

met haar. Hij verwaarloosde Urania. Hij schonk nauwlijks haar glas

vol. En toen het eindelijk laat was en Cornélie opstond en in haar arm

Urania's arm trok en den prins aanzag met een blik van triumf, dien zij

beiden begrepen tusschen elkaâr, fluisterde hij aan haar oor:

--Ik dank u innig voor uw bezoek in mijn nederige woning: u heeft mij

_overwonnen: ik geef mij gewonnen_....

De woorden schenen maar toespeling op hun scherts, op hun woordenstrijd

om niets, maar tusschen henbeiden--den prins en Cornélie--klonken zij

vol bedoeling en hij zag in haar oog de zege glimlachen....

Hij bleef alleen in zijn kamer en schonk zich het laatste in van de

champagne. En hij sprak luid, het glas aan zijne lippen:

--O, che occhi! Che belli occhi...! Che belli occhi...!!

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 23 / 67 题