Er was echter zooveel vaagheid geweest in Urania's verzekering, dat
Cornélie zich ongerust voelde en er Duco dien avond, in den restaurant,
waar zij elkaâr ontmoetten, over sprak. Maar hij stelde geen belang,
niet in Urania, niet in wat zij deed, of niet doen zoû, en hij haalde
onverschillig zijn schouders op. Zij echter was stil en afgetrokken
en hoorde niet naar wat hij zeide: een zijpaneel van een tryptiek,
gedecideerd van Lippo Memmi, dat hij ontdekt had in een winkeltje aan
den Tiber: de engel van de Annonciatie, bijna zoo mooi als die van de
Uffizie, neêrgeknield in den waai nog van het laatste zijner vlucht,
en de lelietak in de handen. Maar de koopman vroeg er tweehonderd lire
voor en hij wilde maar vijftig geven. En toch, de koopman had den naam
van Memmi niet genoemd: hij vermoedde niet, dat de engel van Memmi
was....
Cornélie had niet geluisterd en plotseling sprak zij:
--Ik ga naar het Palazzo Ruspoli....
Hij zag verbaasd op.
--Waarom?
--Om naar miss Hope te vragen.
Hij was stom van verbazing en bleef haar met open mond aanzien.
--Als zij er niet is.... hernam Cornélie; dan is het goed. Is zij er
... is zij toch gegaan, dan vraag ik haar dringend te spreken....
Hij wist niet wat te zeggen, hij vond haar inval zoo vreemd, zoo
excentriek, zoo nuttelooze arabesk om te kruisen arabesken van
onbeduidende, onverschillige menschen, dat hij geen woorden wist te
vinden. Cornélie zag op haar horloge.
--Het is over half negen. Gaat zij toch, dan gaat zij omstreeks dezen
tijd.
Zij wenkte den kellner en betaalde. En zij knoopte haar manteltje dicht
en stond op. Hij volgde haar.
--Cornélie, begon hij, is het niet vreemd wat je wilt doen. Je zal er
allerlei last meê krijgen.
--Als men altijd tegen wat last opzag, zoû niemand eens een goede daad
doen.
Zij wandelden stilzwijgend door, hij boos aan hare zijde. Zij spraken
niet: hij vond het eenvoudig dol wat zij wilde: zij vond hem flauw
Urania niet te willen beschermen. Zij dacht aan hare brochure, aan de
Vrouwen, en zij wilde Urania beschermen voor het Huwelijk, en voor dien
prins. En zij wandelden door het Corso, naar het Palazzo Ruspoli. Hij
werd zenuwachtig, wilde haar nog eenmaal weêrhouden, maar zij vroeg al
aan den suisse:
--Is de signore principe thuis?
De man zag haar argwanend aan.
--Neen, sprak hij kort.
--Ik vermoed van wel. Zoo ja, vraag dan of miss Hope bij zijne
Excellentie is. Miss Hope was niet thuis; ik vermoed, dat zij van avond
den prins komt bezoeken en ik moet haar dringend spreken ... over iets,
dat geen uitstel lijdt. Hier ... la signora De Retz....
Zij reikte haar kaartje over. Zij sprak met zooveel aplomb, zij stelde
het bezoek van Urania voor met zooveel rust en eenvoud, alsof het
iederen avond voorkwam, dat Amerikaansche meisjes Italiaansche prinsen
bezochten, en alsof zij niets anders dacht, dan dat de suisse die
gewoonte wel wist. De man werd er door uit het veld geslagen, boog, nam
het kaartje aan en verwijderde zich. Cornélie en Duco wachtten in den
portiek.
Hij bewonderde haar om hare kalmte. Hij vond het wel excentriek wat zij
deed, maar zij deed hare excentriciteit met eene zekerheid, die haar
weêr in een ander licht bescheen. Zoû hij haar dan nooit begrijpen, zoû
hij nooit iets tasten, en zeker weten, in het wisselen en ontastbare
van die vaagheid van haarzelve? Hij had nooit die enkele woorden zoo
tot dien suisse kunnen zeggen. Hoe had zij dien tact gevonden, dien
hoog-ernstigen toon tegen dien impozanten deurwachter met zijn stok
en zijn steek! Zij deed het even gemakkelijk als zij, met familiare
minzaamheid, hun eenvoudig diner bestelde aan den kellner in hun kleine
restauratie.... De suise kwam terug.
--Miss Hope en zijne Excellentie verzoeken u boven te willen komen....
Zij zag Duco glimlachend aan, zegevierend, geamuzeerd om zijne
verwarring.
--Ga je meê?
--Wel neen, stotterde hij. Ik zal hier wel op je wachten.
Zij volgde een lakei de trappen op. Familieportretten hingen in den
breeden corridor. De deur van het salon stond open. De prins kwam haar
tegemoet.
--Vergeef mij, prins, sprak zij kalm en strekte de hand uit: zijn oogen
waren klein als dichtgeknepen karbonkels, hij was wit van woede, maar
hij bedwong zich en drukte even zijn lippen op de hand, die zij uitstak.
--Vergeef mij, ging zij voort. Ik heb miss Hope dringend te spreken....
Zij trad in het salon; Urania was daar, blozende, verlegen.
--U begrijpt, glimlachte Cornélie; ik had u niet durven storen, als
het niet voor een zaak van gewicht was. Een zaak tusschen vrouwen ...
maar toch van gewicht! schertste zij en de prins zeide iets terug,
zoetsappig galant. Mag ik miss Hope even alleen spreken?
De prins zag haar aan. Hij vermoedde in haar: antipathie, en meer, een
vijand. Maar hij boog, met zijn zoetsappigen glimlach en zei, dat hij
de dames even alleen liet. Hij trok zich terug in een andere kamer.
--Cornélie, wat is er? vroeg Urania gejaagd. Zij greep Cornélie bij
beide handen en zag haar angstig aan.
--Er is niets, sprak Cornélie streng. Ik heb je over niets te spreken.
Ik vermoedde alleen en ik was zeker, dat je je belofte niet zoû houden.
Ik woû zekerheid hebben, of je hier was.... Waarom ben je gekomen?
Urania begon te weenen.
--Huil niet! fluisterde Cornélie meêdoogenloos. In godsnaam huil niet.
Wat je gedaan hebt is zoo onbezonnen mogelijk....
--Ik weet het ... bekende Urania zenuwachtig, hare tranen drogend.
--Waarom deed je het dan?
--Ik kon het niet laten.
--Alleen, met hem, hier, 's avonds...! Een bekend mauvais sujet....
--Ik weet het!
--Wat zie je in hem?
--Ik hoû van hem....
--Je wil hem alleen trouwen om zijn titel. Om zijn titel compromitteer
je je. Wat, als hij je van avond niet respecteert als zijn aanstaande
vrouw? Wat als hij je dwingt zijn maîtresse te zijn?
--Cornélie ... stil...!
--Je bent een kind, een onbezonnen kind. En je vader laat je alleen
reizen. Om "dear old Italy" te zien.... Je bent Amerikaansch,
liberaal: goed; flink op je eigen om de wereld door te trekken: goed,
maar je bent nog geen vrouw, je bent een kind!
--Cornélie....
--Ga met me meê; zeg, dat je met me meêgaat. Om een dringende reden. Of
neen ... zeg liever niets. Blijf. Maar ik blijf ook....
--Ja, blijf jij ook....
--We zullen hem roepen.
--Ja.
Cornélie belde, een lakei verscheen.
--Zeg zijne Excellentie, dat wij hem wachten. De man ging. Na een
pooze kwam de prins binnen. Hij was nog nooit in zijn eigen huis
zoo behandeld geworden. Hij ziedde van woede, maar hij bleef zeer
hoffelijk, en uiterlijk kalm.
--Is de gewichtige zaak afgehandeld? vroeg hij met zijn kleine oogen en
huichelglimlach.
--Ja, dank u zeer voor uw discretie ons even alleen te laten! sprak
Cornélie. Nu ik miss Hope gesproken heb, ben ik gerust gesteld omtrent
haar opinie.... O, u zoû gaarne weten, waarover wij hebben gesproken!?
De prins trok de wenkbrauwen op. Cornélie had coquet gesproken, met
haar vinger gedreigd, geglimlacht, en de prins zag haar aan, en zag
eensklaps, dat zij mooi was. Niet met de treffende schoonheid en
frischheid van Urania Hope, maar met een complexere aantrekkelijkheid:
die van een getrouwde vrouw, gescheiden, maar heel jong, die van
een vrouw, eind'eeuwsch, met een lichte perversiteit in hare diep
grauwe oogen, werkende onder heel lange wimpers, die van een vrouw,
bizonder gracieus in de gebroken lijnen van haar moede, loome,
morbide bevalligheid: een vrouw, die het leven kende, een vrouw,
die hem--hij was er zeker van--doorzag; die hem--antipathiek--toch
toesprak met coquetterie om hem te behagen, te winnen, onbewust, uit
louter perverse vrouwelijkheid. Hij zag haar mooi en pervers, en hij
bewonderde haar, gevoelig voor verschillende types van vrouwen. Hij
vond haar eensklaps mooier en niet zoo banaal als Urania, en veel meer
gedistingeerd, en niet zoo naïef gevoelig voor zijn titel, iets wat
hij zoo mal in Urania vond. Hij was eensklaps op zijn gemak met haar,
zijn woede zakte: hij vond het aardig twee mooie vrouwen bij zich te
hebben in plaats van éene, en hij schertste terug, zei, dat hij van
nieuwsgierigheid brandde, aan de deur geluisterd had, maar helaas,
niets had opgevangen.... Cornélie lachte vroolijk, coquetteerde terug,
en zag op haar horloge. Zij sprak iets van weggaan, maar zette zich
tegelijkertijd neêr, knoopte haar mantel los en zei tot den prins:
--Ik heb zoo veel gehoord van uw miniaturen; nu ik in de gelegenheid
ben: màg ik ze zien?
De prins was bereid, bekoord door haar blik, door haar stem, éen vuur,
éen vlam in een oogenblik.
--Maar ... sprak Cornélie. Mijn cavalier wacht buiten in den portiek.
Hij wilde niet boven komen, hij kent u niet.... Het is meneer Van der
Staal.
De prins zag haar lachende aan. Hij wist de praatjes van Belloni. Hij
twijfelde geen oogenblik aan een liaison tusschen Van der Staal en
signora De Retz. Hij wist, dat zij zich stoorden aan niets. En Cornélie
werd hem zeer sympathiek.
--Maar ik zal dadelijk den heer Van der Staal laten vragen om boven te
komen.
--Hij wacht in den portiek, zei Cornélie. Hij zal niet willen....
--Ik zal zelve gaan, sprak de prins, levendig en gedienstig.
Hij ging. De dames bleven achter. Cornélie trok haar mantel uit; maar
zij hield haar hoed op, omdat hare haren in de war zouden zijn. Zij zag
in den spiegel.
--Heb je je poeier bij je? vroeg zij Urania.
Urania haalde haar ivoren doosje uit den zak en gaf het aan Cornélie.
En terwijl Cornélie zich even poeierde, zag Urania hare vriendin
aan, en begreep niet. Zij herinnerde zich den ernstigen indruk, dien
Cornélie dadelijk op haar gemaakt had, studeerende Rome ... later
schrijvende een brochure over de Vrouwenkwestie, en de toestand der
gescheiden vrouw.... Toen haar waarschuwingen tegen het Huwelijk en
tegen den prins. En nu zag zij haar eensklaps als allerliefst wufte
vrouw, onweêrstaanbaar bekoorlijk, meer betooverend nog dan werkelijk
schoon, vol behaagzucht in de diepte van haar grauwe oogen, die op en
neêr glansden onder de kruivende wimpers, eenvoudig gekleed in een
donker zijden blouse en een laken rok, maar met zooveel distinctie
en toch coquetterie, zooveel voornaamheid en toch broze lijn van
bevalligheid, dat zij haar nauwlijks meer herkende....
Maar de prins was binnengekomen en voerde Duco meê, onwillig, nerveus,
niet wetende wat was voorgevallen, niet begrijpende, hoe Cornélie had
gehandeld. Hij zag haar rustig zitten, glimlachend en hem dadelijk
verklarend, dat de prins haar zijn miniaturen zoû toonen.
Duco zei ronduit, dat hij niet om miniaturen gaf. De prins vermoedde
om zijn boozen toon, dat hij jaloersch was. En dit vermoeden prikkelde
den prins, om Cornélie het hof te maken. En hij deed als toonde hij
de miniaturen alleen aan haàr, als toonde hij haàr zijne kanten.
Zij bewonderde vooral de kanten, en frommelde ze met hare fijne
vingers. Zij vroeg hem te verhalen van zijne grootmoeders, die die
kanten gedragen hadden. Hadden zij avonturen gehad? Hij vertelde er
een, dat haar zeer lachen deed: hij vertelde een paar anecdoten na,
levendig, opvlammende onder haar blik, en zij lachte. In de atmosfeer
van dat groote salon, bureau van den prins--zijn schrijftafel stond
er--de kaarsen op, bloemen gezet om Urania, begon iets te tintelen
van perverse vroolijkheid en luchtigen lust om te leven. Maar alleen
tusschen Cornélie en den prins. Urania was stil geworden, en Duco zei
geen woord. Ook hem was Cornélie eene openbaring. Zoo had hij haar
nooit gezien--niet op het kerstbal, aan de table-d'hôte niet, in zijn
atelier niet, niet op hun uitstapjes, en in hun restauratie. Was zij
éene vrouw, of tien vrouwen?
En hij bekende zich, dat hij haar liefhad, meer lief met iedere
openbaring, meer lief met iedere vrouw, die hij in haar zag, als
een facet, dat zij weêr liet glanzen. Maar spreken kon hij niet,
meêschertsen kon hij niet, vreemd in die atmosfeer, vreemd in dat
element van zooveel luchtigen levenslust, om niets dan doellooze
woorden, als parelde het Fransch en het Italiaansch, dat zij door
elkaâr spraken, als glinsterde hun scherts als klatergoud, en
regenboogden hunne equivoque woordspelingen.... De prins betreurde het,
dat zijn thee niet meer was te drinken, maar hij liet champagne komen.
Hij vond zijn avond ten eenen deele mislukt voor zijne plannen--want
bang Urania te verliezen, had hij Urania willen dwingen; want ziende
hare weifeling, had hij vast besloten tot het onherstelbare--maar zijn
natuur was zoo weinig ernstig--hij zoû trouwen meer om zijn vader en
de marchesa Belloni, dan om zichzelven;--hij leefde even pleizierig
met schulden en zonder vrouw, dan hij mèt een vrouw en millioenen zoû
doen--dat hij dien mislukten avond alleramuzantst begon te vinden, dat
hij er in zichzelven om lachen moest, als hij dacht aan de marchesa
zijne tante, aan zijn vader: aan hunne machinaties, die geen vat op
Urania hadden, omdat een aardige coquette vrouw niet gewild had.
Waarom wilde zij niet, dacht hij, inschenkende de schuimende Monopole,
morsende over de kelken; waarom stelt zij zich tusschen mij en die
Amerikaansche kousenverkoopster? Zoekt zijzelve een titel in Italië?
Maar het kon hem verder niet schelen: hij vond de indringster aardig,
mooi, heel mooi, coquet, verleidelijk, betooverend. Hij bemoeide zich
met haar. Hij verwaarloosde Urania. Hij schonk nauwlijks haar glas
vol. En toen het eindelijk laat was en Cornélie opstond en in haar arm
Urania's arm trok en den prins aanzag met een blik van triumf, dien zij
beiden begrepen tusschen elkaâr, fluisterde hij aan haar oor:
--Ik dank u innig voor uw bezoek in mijn nederige woning: u heeft mij
_overwonnen: ik geef mij gewonnen_....
De woorden schenen maar toespeling op hun scherts, op hun woordenstrijd
om niets, maar tusschen henbeiden--den prins en Cornélie--klonken zij
vol bedoeling en hij zag in haar oog de zege glimlachen....
Hij bleef alleen in zijn kamer en schonk zich het laatste in van de
champagne. En hij sprak luid, het glas aan zijne lippen:
--O, che occhi! Che belli occhi...! Che belli occhi...!!