Cornélie zag niemand meer dan Duco. Mevrouw Van der Staal had zich
met haar gebrouilleerd en wenschte niet, dat hare dochters meer met
Cornélie omgingen. Zelfs tusschen moeder en zoon was verkoeling.
Zij zag niemand meer dan Duco en een enkelen keer Urania Hope. Het
Amerikaansche meisje kwam dikwijls bij haar en vertelde haar van
Belloni: men sprak er veel over Cornélie en Duco en maakte commentaren
op hun omgang. Urania was blij zich verheven te achten boven die
praatjes van het hôtel, maar zij wilde Cornélie toch waarschuwen.
Er was in haar woorden iets eenvoudig spontaans van vriendschap,
dat Cornélie sympatisch aandeed. Als Cornélie echter vroeg naar den
prins, werd zij stilzwijgend, verlegen en wilde klaarblijkelijk
niet veel zeggen. Toen na het hofbal--waar de koningin waarlijk het
gepailletteerde brokaat had gedragen!--zocht Urania Cornélie weêr op en
bekende onder een kop thee, dat zij dien morgen den prins beloofd had
hem in zijne woning te komen bezoeken. Zij zeide dit eenvoudig weg, als
was het de natuurlijkste zaak ter wereld. Cornélie schrikte en vroeg
hoe zij zoo iets had kunnen beloven....
--Waarom niet? antwoordde Urania. Wat is daar aan? Ik ontvang zijn
visites.... waarom, als hij mij vraagt zijn kamers te komen zien,
--hij woont in het Palazzo Ruspoli--als hij mij een paar schilderijen
toonen wil, miniaturen, en antieke kant ... waarom zoû ik dan weigeren
te komen? Why should I make such a fuss about it? Ik sta boven zulke
kleingeestigheden. Wij, Amerikaansche meisjes, hebben een vrijen omgang
met onze heeren. En jijzelf? Je wandelt met Mr. Van der Staal, je
dineert en déjeuneert met hem, je maakt uitstapjes met hem, je komt in
zijn atelier....
--Ik ben getrouwd geweest, antwoordde Cornélie. Ik ben aan niemand
verantwoording schuldig. Jij hebt je ouders.... Wat je doen wilt is
onberaden en overmoedig.... Zeg mij, denkt de prins .... aan een
huwelijk?
--Als ik Roomsch word....
--En...?
--Ik denk van ja.... Ik heb geschreven naar Chicago, zeide zij
weifelend.
Zij sloot even haar mooie oogen en werd bleek, omdat de titel van
prinses-hertogin haar schemerde voor de oogen.
--Alleen.... begon zij.
--Wat...?
--Ik zal geen vroolijk leven hebben. De prins behoort tot de Zwarten.
Ze zijn altijd in rouw om den Paus. Er is in hun côterie bijna niets,
geen bals, geen feesten. Ik woû, dat als wij trouwden, hij meêging
naar Amerika. Hun kasteel in de Abruzzen is eenzaam en vervallen. Zijn
vader is heel trotsch, ongenaakbaar en stilzwijgend. Ik heb dat gehoord
van verschillende kanten. Wat moet ik doen, Cornélie? Ik hoû veel
van Gilio; Virgilio heet hij. En dan, weet je, de titel is een oude
Italiaansche titel: principe di Forte-Braccio, duca di San Stefano....
Maar zie je, dat is ook alles, alles. San Stefano is een gat. Daar
woont de papa. Ze verkoopen wijn en daar leven ze van. En olijfolie;
maar ze maken geen geld. Mijn vader fabriceert tricot, maar hij is
er meê rijk geworden. Veel familie-juweelen hebben ze niet. Ik heb
mijn informaties genomen.... Zijn nicht, de contessa di Rosavilla,
de hofdame van de koningin, is lief ... maar die zouden we officieel
niet zien. Ik zoû nergens naar toe kunnen gaan. Het lijkt me wel wat
vervelend....
Cornélie nam heftig het woord, vaarde uit en herhaalde hare frazes:
tegen het huwelijk in het algemeen en nu in het bizonder tegen dit
huwelijk, alleen om een titel. Urania beaamde het: het wàs alleen een
titel ... maar dan was het toch ook Gilio: hij was zoo lief en zij
hield van hem. Maar Cornélie geloofde er niets van, en zeide het haar
ronduit. Urania weende: zij wist niet wat zij doen zoû.
--En wanneer zoû je naar den prins gaan?
--Van avond....
--Ga niet.
--Neen, neen, je hebt gelijk, ik zal niet gaan.
--Verzeker je het mij?
--Ja, ja.
--Ga niet, Urania.
--Neen, ik zal niet gaan. You are a dear girl. Je hebt gelijk: ik zal
niet gaan. Ik zweer het je, ik zal niet gaan....