Er was eene verkoeling gekomen tusschen mevrouw Van der Staal en
Cornélie, en Cornélie kwam 's avonds niet meer dineeren bij Belloni.
In weken zag zij mevrouw en de meisjes niet meer, maar zag zij Duco
iederen dag. Zij waren, trots hun essentieel verschil van karakter, zoo
zeer gewend aan hun samenzijn, dat zij elkaâr misten zoo zij elkaâr éen
dag niet gezien hadden, en zij waren langzamerhand als natuurlijkweg
er toe gekomen iederen dag met elkaâr te déjeuneeren en te dineeren:
's ochtends in de osteria, 's middags in het een of ander kleine café,
meestal heel eenvoudig. Om niet te behoeven af te rekenen, betaalde
Duco den eenen keer en Cornélie den anderen. Meestal hadden zij veel
te praten; hij leerde haar Rome, leidde haar na het lunch rond door
kerken en muzea, en, onder zijne leiding, begon zij te begrijpen,
begon zij te waardeeren en mooi te vinden. Onbewust suggereerde hij
haar eenige zijner ideeën: schilderkunst was haar heel moeilijk, maar
sculptuur begreep zij veel sneller. En zij begon hem niet alleen maar
"morbide" te vinden; zij zag tegen hem op, hij sprak eenvoudig weg
tegen haar als van zijn hoog standpunt van sentiment en kennis en
begrijpen, over heel hooge dingen, die zij als jong meisje, als jonge
vrouw later, nooit had gezien in het edele licht van verheerlijking,
dat hij voor haar liet opgaan, als de eerste glans van een dageraad;
nieuwe dag, waarin zij nieuwe dingen des levens aanschouwde, geschapen
uit het edelste van kunstenaarsziel. Hij betreurde het, dat hij haar
Giotto niet kon laten zien in Santa Croce te Florence, de Primitieven
in de Uffizie, en dat hij haar dadelijk moest Rome leeren, maar
hij leidde haar in al het exuberante kunstleven van de Pauselijke
Renaissance, tot zij het, onder zijn woorden, meêleefde een enkele
intense seconde, en Michelangelo, Rafaël, voor haar uitstonden,
levende ook. Hij dacht, na zoo een dag: zij is toch niet zoo heelemaal
onartistiek, en zij dacht aan hem met eerbied, ook als de suggestie
verbroken was, en zij nadacht, en, eigenlijk heel diep in zich, niet
meer zoo goed begreep als dien morgen, omdat haar ontbrak de liefde
voor die dingen. Maar toch bleef er 's avonds dan nog zooveel glans van
kleur en verleden dwarrelen voor hare oogen, dat haar brochure haar dof
scheen, dat de Vrouwenbeweging haar niet interesseerde, en dat Urania
Hope haar niet schelen kon.
Hij bekende zich, dat hij zijn rust geheel verloren had, dat Cornélie
voor hem stond in zijn gepeins, tusschen hem en zijn antieke
tryptieken; dat zijn leven, eenzaam, zonder kennissen, naïef en
eenvoudig, tevreden met te dwalen in en buiten Rome, met te lezen,
te droomen, en nu en dan wat te schilderen, geheel veranderd was in
gewoonte en lijn, nu de lijn van zijn leven haar levenslijn gekruist
had en zij samen éen weg schenen te gaan; hij wist, eigenlijk niet
waarom. Liefde kon hij niet noemen het gevoel, dat hem tot haar
aantròk.... En maar heel vaag, heel diep in zich, onbewust, vermoedde
hij, altijd onuitgesproken, en zelfs onuitgedacht, dat het de lijn van
haar lichaam was, bijna iets Byzantijnsch; de tengerte der gestalte,
de lange armen, de gebroken lelie-lijn van die vrouw van leed, met
de melancholie in haar grauwe oogen, waarover de bijna te lange
wimpers schaduwden; dat het was de adel van haar hand, klein en lief
voor een groote vrouw; dat het een beweging was van haar hals, als
van buigenden stengel, of zwaan, die moê was, en omzag naar achteren.
Hij had nooit veel vrouwen ontmoet, en die hij ontmoet had, waren
hem steeds heel gewoon geweest, maar zij was hem oneigenlijk, in de
contradicties van haar karakter, in het vage en ongrijpbare ervan,
in al de halftinten, die aan zijn oog, toch gewend aan halftint,
ontsnapten.... Hoe was zij?... Een vrouw in een boek, een heldin in
een gedicht, had hij steeds gezien in haar karakter. Hoe was zij, een
levende vrouw, vleesch en bloed?! Zij was niet artistiek, en zij was
niet onartistiek; zij had geen energie, en zij miste toch geen energie,
zij was niet zeer ontwikkeld, en toch schreef zij, na impulsie en
uit intuïtie, een brochure over een der modernste kwestie's en zij
werkte er aan, en zij schreef ze af, en het werd een geschrift, niet
slechter dan anderen. Zij had ruimte van denken, hatende kleinheid van
côterie, zich, na haar leed, niet meer thuis voelende in haar Haagsch
cirkeltje, en hier in Rome luisterde zij op een bal, achter een deur
naar wat onnoozele intrigue,--nauwelijks intrigue, dacht hij--en was
zij gegaan naar Urania Hope, om zich te mengen in de verwarde arabesken
van kleinere levens, zonder belang, van menschen, die hij minachtte
om hun gemis aan lijn, aan kleur, aan droom, aan waas, aan alles, wat
hem levensdierbaar was en voor hem het leven maakte.... Hoe was zij?
Hij begreep haar niet. Maar hàre arabesk was hem van belang. Zij miste
geen lijn: geen kunstlijn en geen levenslijn; zij bewoog zich in den
droom harer eigen vaagheid voor zijn turende oogen, en zij schemerde
op uit het waas, uit den schemer van zijn atelier-atmosfeer, en stond
als fantoom voor zijn oogen. Hij kon dat geen liefde noemen, maar zij
was hem dierbaar als eene openbaring, die zich telkens met geheim
dichtsluierde. En zijn leven van eenzamen dwaler was wel veranderd, maar
zij had in zijn leven geen onharmonische gewoonte gebracht: hij hield
van te eten in een klein café of osteria, met het volk van Rome om zich
heen, en zij deed dat met hem meê gemakkelijk en eenvoudig, niet vies
doende, maar gezellig, harmonisch, met een groot gemak van zich voegen
en met even veel natuurlijke gratie, als zij 's avonds dineerde aan
Belloni's table-d'hôte. Dat alles, het weêrspel van oneigenlijkheid,
van tegenstrijdigheid, dat levend vizioen van vaagheid, dat ontastbare
van hare eigenlijkheid, dat zich verschuilen van haar ziel, dat
samensmelten harer essence's, was hem eene bekoring geworden:--een
onrust, een behoefte, een nervoziteit in zijn leven, anders zoo rustig,
klein tevreden en kalm--maar bekoring vooral, onmisbare bekoring van
iederen dag.
En zonder zich te storen aan wat men er van denken kon, aan wat mevrouw
Van der Staal er van dacht, gingen zij soms een dag samen naar Tivoli,
wandelden een anderen dag van Castel-Gandolfo tot Albano, en reden naar
het meer van Nemi, en ontbeten op een antiek kapiteel--als tafel--in de
villa Sforza-Cesarini. Zij rustten te samen in de schaduw der boomen,
zij bewonderden de camelia's, zagen zwijgend naar de glasklaarte van
het Nemi-meer,--spiegel van Diana---en reden over Frascati terug. In
het rijtuig waren zij stil, en hij dacht er over, glimlachend, hoe men
overal hen had aangezien dien dag voor man en vrouw. Zij ook dacht
aan hun toenemende intimiteit, en dacht tevens, dat zij nooit meer
trouwen zoû. En zij dacht aan haar man en vergeleek hem bij Duco. Zoo
jong in zijn gezicht, maar de oogen vol diepte, vol ziel, vol droom,
zijn stem zoo geleidelijk, wat hij zeide zoo knap, zoo welwetend, en
dan zijn kalmte, zijn naïveteit, zijn gemis aan drift, of zijn zenuwen
alleen zich gevormd hadden tot het voelen van kalmte van kunst, in het
droomwaas van zijn leven. En zij bekende zich, daar in dat rijtuig
naast hem--rondom hen heen de zacht glooiende heuvelen, wegpaarschend
in den avond, voor hen uit het verglanzende mauve-achtige roze van
een nauwlijks goudenen zonsondergang,--dat hij haar dierbaar was om
die kalmte, om dat gemis aan drift, die naïveteit, en dat welwetende:
klare stem uit droomschemer opklinkend--en dat zij gelukkig was naast
hem te zitten, te hooren die stem, en bij toeval te voelen zijn
hand ... gelukkig, dat haar levenslijn de zijne gekruist had, en de
lijnen beiden een pad schenen te vormen, naar het opschemerende, naar
het iederen dag meer en meer opklarende, van hun dichtstbijzijnde
toekomst....