XVII.

Er was eene verkoeling gekomen tusschen mevrouw Van der Staal en

Cornélie, en Cornélie kwam 's avonds niet meer dineeren bij Belloni.

In weken zag zij mevrouw en de meisjes niet meer, maar zag zij Duco

iederen dag. Zij waren, trots hun essentieel verschil van karakter, zoo

zeer gewend aan hun samenzijn, dat zij elkaâr misten zoo zij elkaâr éen

dag niet gezien hadden, en zij waren langzamerhand als natuurlijkweg

er toe gekomen iederen dag met elkaâr te déjeuneeren en te dineeren:

's ochtends in de osteria, 's middags in het een of ander kleine café,

meestal heel eenvoudig. Om niet te behoeven af te rekenen, betaalde

Duco den eenen keer en Cornélie den anderen. Meestal hadden zij veel

te praten; hij leerde haar Rome, leidde haar na het lunch rond door

kerken en muzea, en, onder zijne leiding, begon zij te begrijpen,

begon zij te waardeeren en mooi te vinden. Onbewust suggereerde hij

haar eenige zijner ideeën: schilderkunst was haar heel moeilijk, maar

sculptuur begreep zij veel sneller. En zij begon hem niet alleen maar

"morbide" te vinden; zij zag tegen hem op, hij sprak eenvoudig weg

tegen haar als van zijn hoog standpunt van sentiment en kennis en

begrijpen, over heel hooge dingen, die zij als jong meisje, als jonge

vrouw later, nooit had gezien in het edele licht van verheerlijking,

dat hij voor haar liet opgaan, als de eerste glans van een dageraad;

nieuwe dag, waarin zij nieuwe dingen des levens aanschouwde, geschapen

uit het edelste van kunstenaarsziel. Hij betreurde het, dat hij haar

Giotto niet kon laten zien in Santa Croce te Florence, de Primitieven

in de Uffizie, en dat hij haar dadelijk moest Rome leeren, maar

hij leidde haar in al het exuberante kunstleven van de Pauselijke

Renaissance, tot zij het, onder zijn woorden, meêleefde een enkele

intense seconde, en Michelangelo, Rafaël, voor haar uitstonden,

levende ook. Hij dacht, na zoo een dag: zij is toch niet zoo heelemaal

onartistiek, en zij dacht aan hem met eerbied, ook als de suggestie

verbroken was, en zij nadacht, en, eigenlijk heel diep in zich, niet

meer zoo goed begreep als dien morgen, omdat haar ontbrak de liefde

voor die dingen. Maar toch bleef er 's avonds dan nog zooveel glans van

kleur en verleden dwarrelen voor hare oogen, dat haar brochure haar dof

scheen, dat de Vrouwenbeweging haar niet interesseerde, en dat Urania

Hope haar niet schelen kon.

Hij bekende zich, dat hij zijn rust geheel verloren had, dat Cornélie

voor hem stond in zijn gepeins, tusschen hem en zijn antieke

tryptieken; dat zijn leven, eenzaam, zonder kennissen, naïef en

eenvoudig, tevreden met te dwalen in en buiten Rome, met te lezen,

te droomen, en nu en dan wat te schilderen, geheel veranderd was in

gewoonte en lijn, nu de lijn van zijn leven haar levenslijn gekruist

had en zij samen éen weg schenen te gaan; hij wist, eigenlijk niet

waarom. Liefde kon hij niet noemen het gevoel, dat hem tot haar

aantròk.... En maar heel vaag, heel diep in zich, onbewust, vermoedde

hij, altijd onuitgesproken, en zelfs onuitgedacht, dat het de lijn van

haar lichaam was, bijna iets Byzantijnsch; de tengerte der gestalte,

de lange armen, de gebroken lelie-lijn van die vrouw van leed, met

de melancholie in haar grauwe oogen, waarover de bijna te lange

wimpers schaduwden; dat het was de adel van haar hand, klein en lief

voor een groote vrouw; dat het een beweging was van haar hals, als

van buigenden stengel, of zwaan, die moê was, en omzag naar achteren.

Hij had nooit veel vrouwen ontmoet, en die hij ontmoet had, waren

hem steeds heel gewoon geweest, maar zij was hem oneigenlijk, in de

contradicties van haar karakter, in het vage en ongrijpbare ervan,

in al de halftinten, die aan zijn oog, toch gewend aan halftint,

ontsnapten.... Hoe was zij?... Een vrouw in een boek, een heldin in

een gedicht, had hij steeds gezien in haar karakter. Hoe was zij, een

levende vrouw, vleesch en bloed?! Zij was niet artistiek, en zij was

niet onartistiek; zij had geen energie, en zij miste toch geen energie,

zij was niet zeer ontwikkeld, en toch schreef zij, na impulsie en

uit intuïtie, een brochure over een der modernste kwestie's en zij

werkte er aan, en zij schreef ze af, en het werd een geschrift, niet

slechter dan anderen. Zij had ruimte van denken, hatende kleinheid van

côterie, zich, na haar leed, niet meer thuis voelende in haar Haagsch

cirkeltje, en hier in Rome luisterde zij op een bal, achter een deur

naar wat onnoozele intrigue,--nauwelijks intrigue, dacht hij--en was

zij gegaan naar Urania Hope, om zich te mengen in de verwarde arabesken

van kleinere levens, zonder belang, van menschen, die hij minachtte

om hun gemis aan lijn, aan kleur, aan droom, aan waas, aan alles, wat

hem levensdierbaar was en voor hem het leven maakte.... Hoe was zij?

Hij begreep haar niet. Maar hàre arabesk was hem van belang. Zij miste

geen lijn: geen kunstlijn en geen levenslijn; zij bewoog zich in den

droom harer eigen vaagheid voor zijn turende oogen, en zij schemerde

op uit het waas, uit den schemer van zijn atelier-atmosfeer, en stond

als fantoom voor zijn oogen. Hij kon dat geen liefde noemen, maar zij

was hem dierbaar als eene openbaring, die zich telkens met geheim

dichtsluierde. En zijn leven van eenzamen dwaler was wel veranderd, maar

zij had in zijn leven geen onharmonische gewoonte gebracht: hij hield

van te eten in een klein café of osteria, met het volk van Rome om zich

heen, en zij deed dat met hem meê gemakkelijk en eenvoudig, niet vies

doende, maar gezellig, harmonisch, met een groot gemak van zich voegen

en met even veel natuurlijke gratie, als zij 's avonds dineerde aan

Belloni's table-d'hôte. Dat alles, het weêrspel van oneigenlijkheid,

van tegenstrijdigheid, dat levend vizioen van vaagheid, dat ontastbare

van hare eigenlijkheid, dat zich verschuilen van haar ziel, dat

samensmelten harer essence's, was hem eene bekoring geworden:--een

onrust, een behoefte, een nervoziteit in zijn leven, anders zoo rustig,

klein tevreden en kalm--maar bekoring vooral, onmisbare bekoring van

iederen dag.

En zonder zich te storen aan wat men er van denken kon, aan wat mevrouw

Van der Staal er van dacht, gingen zij soms een dag samen naar Tivoli,

wandelden een anderen dag van Castel-Gandolfo tot Albano, en reden naar

het meer van Nemi, en ontbeten op een antiek kapiteel--als tafel--in de

villa Sforza-Cesarini. Zij rustten te samen in de schaduw der boomen,

zij bewonderden de camelia's, zagen zwijgend naar de glasklaarte van

het Nemi-meer,--spiegel van Diana---en reden over Frascati terug. In

het rijtuig waren zij stil, en hij dacht er over, glimlachend, hoe men

overal hen had aangezien dien dag voor man en vrouw. Zij ook dacht

aan hun toenemende intimiteit, en dacht tevens, dat zij nooit meer

trouwen zoû. En zij dacht aan haar man en vergeleek hem bij Duco. Zoo

jong in zijn gezicht, maar de oogen vol diepte, vol ziel, vol droom,

zijn stem zoo geleidelijk, wat hij zeide zoo knap, zoo welwetend, en

dan zijn kalmte, zijn naïveteit, zijn gemis aan drift, of zijn zenuwen

alleen zich gevormd hadden tot het voelen van kalmte van kunst, in het

droomwaas van zijn leven. En zij bekende zich, daar in dat rijtuig

naast hem--rondom hen heen de zacht glooiende heuvelen, wegpaarschend

in den avond, voor hen uit het verglanzende mauve-achtige roze van

een nauwlijks goudenen zonsondergang,--dat hij haar dierbaar was om

die kalmte, om dat gemis aan drift, die naïveteit, en dat welwetende:

klare stem uit droomschemer opklinkend--en dat zij gelukkig was naast

hem te zitten, te hooren die stem, en bij toeval te voelen zijn

hand ... gelukkig, dat haar levenslijn de zijne gekruist had, en de

lijnen beiden een pad schenen te vormen, naar het opschemerende, naar

het iederen dag meer en meer opklarende, van hun dichtstbijzijnde

toekomst....

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 21 / 67 题