Wat Cornélie voorgedacht had over mevrouw Van der Staals opinie omtrent
haar omgang met Duco, werd bewaarheid: mevrouw sprak ernstig met haar,
zeggende, dat zij, zoo voortgaande, zich comprometteeren zoû, en
voegde er tevens aan toe, dat zij ook met Duco in dien geest gesproken
had. Maar Cornélie antwoordde vrij hoog, en nonchalant, beweerde, dat
zij, na zich steeds aan conventie gestoord te hebben, en toch diep
ongelukkig te zijn geworden, zich voortaan niet meer aan conventie
stoorde, en dat zij Duco's conversatie op prijs stelde zonder zich
te laten weêrhouden door wat "men" dacht en vond. En dan, vroeg zij
mevrouw Van der Staal, wie was "men"? Hun drie, vier kennissen in
Belloni? Wie kende haar anders? Waar kwam zij verder? Wat deerde haar
Den Haag? En zij lachte schamper, uit de hoogte afwerende de argumenten
van mevrouw Van der Staal. Het gaf tusschen haar eene verkoeling:
zij kwam dien avond niet bij Belloni dineeren, gekrenkt in hare
prikkelbare overfijngevoeligheid. Den volgenden dag, Duco ontmoetende
aan hun tafeltje in de osteria, vroeg zij, wat hij dacht van zijn
moeders berisping. Hij glimlachte vaag, de wenkbrauwen opgetrokken,
klaarblijkelijk niet beseffende de middelmaat-waarheid der woorden
zijner moeder, zeggende: dat dat zoo ideeën waren van mama, natuurlijk
heel goed en gangbaar in den cirkel, waarin mama en de zusjes leefden,
maar waarin hij zich niet verdiepte, waaraan hij zich niet stoorde,
tenzij Cornélie vond, dat mama gelijk had. En Cornélie vaarde schamper
uit, haalde hare schouders op, vroeg terwille van wie en wat zij
zich zouden laten weêrhouden in hun vriendschappelijken omgang. Zij
bestelden samen een halve fiasco, en zij aten lang en gezellig, als
twee kameraden, als twee studenten. Hij zeide, dat hij had nagedacht
over hare brochure; hij sprak,--om haar lief te zijn--over den
toestand der moderne vrouw, over het huwelijk, over de meisjes. Zij
laakte de opvoeding, die mevrouw Van der Staal aan zijn zusjes gaf, de
luchtige schitter-educatie en dat eeuwige uitgaan en zoeken naar een
man. Zij sprak uit ondervinding, zeide zij. Dien dag wandelden zij de
Via Appia op, en gingen in de Catacomben, geleid door een Trappist.
Daarna namen zij een rijtuigje, reden naar Rome terug en dronken thee
bij Ramazotti, den banketbakker. Toen Cornélie thuis kwam, voelde zij
zich pleizierig en luchtig en vroolijk. Zij ging niet meer uit, stookte
met veel hout haar vuur op voor den avond, die kil werd, en soupeerde
alleen met wat brood en gelei, om niet uit te gaan voor haar diner.
In haar peignoir, de handen om het hoofd gebogen, tuurde zij in het
aardig brandende hout, en liet den avond over zich glijden. Zij was
tevreden met haar leven, zoo vrij, los van alles, en iedereen. Zij had
een beetje geld, zij kon zoo blijven leven. Vele behoeften had zij
niet. Haar leven op kamers, in kleine restauraties kostte niet veel.
Toiletten had zij niet noodig. Zij voelde zich tevreden. Duco was een
prettige vriend; wat zoû zij eenzaam zijn zonder hem. Alleen, een doel
moest haar leven krijgen.... Wat? Wat? De vrouwenbeweging...? Maar hoe,
in den vreemde? Er aan te arbeiden was zoo moeilijk.... Hare brochure
nu zoû zij zenden aan een nieuw blad voor vrouwen, pas opgericht.
Maar dan? Zij was nu eenmaal niet in Holland, en zij wilde niet naar
Holland: en toch, daar zoû ze zeker gemakkelijker werkzaam zijn, van
gedachte wisselen met anderen. Maar hier in Rome.... Een luiheid kwam
over haar, in de loomte van haar gezellige kamer. Want Duco had haar
geholpen haar zitkamer te arrangeeren. Hij was toch een ontwikkelde
jongen, al was hij niet modern. Wat wist hij veel van geschiedenis, van
Italië, wat vertelde hij aardig. Zooals hij haar Italië verklaarde,
vond zij Italië toch wel interessant.
Maar hij was alleen niet modern. Voor de politiek van Italië had hij
geen oog, niet voor den strijd tusschen Quirinaal en Vaticaan; niet
voor het anarchisme, dat er den kop opstak in Milaan, niet voor de
woelingen in Sicilië.... Een doel; zoo moeilijk een doel.... En in hare
avondloomheid na een prettigen dag, voelde zij het gemis van een doel
niet, smaakte zij de zachte wellust hare gedachten te laten glijden
met de lome avonduren meê, in een egoïsme van welbehagen. Zij zag naar
de bladen harer brochure, verspreid op hare groote schrijftafel: een
tafel om aan te werken: ze lagen geel in het licht van hare werklamp:
ze waren allen nog niet overgeschreven, maar zij had nu geen lust: zij
wierp een blok in het haardje, en het vuur rookte en vlamde op. Zoo
gezellig in het buitenland, dat stoken met blokken hout.... En zij
dacht aan haar man. Soms miste zij hem. Zoû zij hem niet hebben kunnen
leiden met een beetje tact en geduld? Hij was toch heel aardig geweest
in den tijd van hun engagement. Hij was ruw, maar hij was niet kwaad.
Hij vloekte wel eens tegen haar, maar misschien had hij het niet zoo
kwaad gemeend. Hij walste heerlijk, hij draaide je zoo stevig meê....
Hij was een mooie jongen, en, ze bekende zich, ze was verliefd op hem,
alleen om zijn mooie gezicht, zijn mooie lijf. Hij had iets in zijn
oogen en mond gehad, dat zij niet had kunnen weêrstaan. Als hij sprak,
had zij naar zijn mond moeten kijken. Enfin, het was nu voorbij....
Het Haagsche leven was toch misschien te eentonig geweest voor hare
natuur. Zij hield van reizen, van nieuwe menschen zien, van nieuwe
gedachten in zich ontwikkelen, en ze had nooit kunnen vastgroeien
in haar côterie-tje. En nu was zij vrij, los van alle banden, van
alle menschen. Als mevrouw Van der Staal boos was, wat kon het haar
schelen.... En Duco, hij was toch wèl modern, een beetje, in zijne
onverschilligheid omtrent conventie. Of was het alleen artisticiteit
in hem; of was het hèm, als on-modern man, onverschillig, zooals het
haar, moderne vrouw, was? Een man kon zich meer veroorloven. Een man
comprometteerde zich zoo gauw niet. Moderne vrouw.... Zij herhaalde
het trotsch. Iets fiers stak op in hare loomheid. Zij richtte zich,
rekkende-uit hare armen, zag in den spiegel haar slanke figuur,
haar fijne gezichtje, een beetje bleek, de oogen groot, en grauw en
glansend, onder opvallend lange wimpers; haar donker-blonde haren in
een losse verwarde wrong; haar gebroken lelie-lijn heel bevallig in de
frommelplooien van haar ouden peignoir, bleek roze en verschoten. Waar
was haar pad? Zij voelde zich niet alleen werkster en streefster, zij
voelde zich zoo complex; zij voelde zich vrouw ook, zij voelde veel
vrouwelijkheid in zich, als een loomte, die haar werkkracht verlammen
zoû. En zij dwaalde de kamer door, besluiteloos naar bed te gaan, en,
starende in de gloei-asch van het uitgebrande vuur, dacht zij aan haar
toekomst, aan wat en hoe zij worden zoû, en hoe en waar zij gaan zoû,
langs welke arabesk des levens, wendende door welke wouden, krullende
door welke dreven, kruisende welke andere arabesken, van welke andere
zoekende zielen?