Toch kwam er een kalmte in Cornélie nu hare brochure geschreven was.
Zij pakte hare koffers uit, arrangeerde hare kamers wat gezelliger,
en, rustiger, schreef zij de brochure over en verbeterde onder het
overschrijven haar stijl, en zelfs haar gedachten. Als zij des morgens
gewerkt had, lunchte zij meestal in een kleine osteria en ontmoette
daar bijna altijd Duco van der Staal, en at met hem aan éen tafeltje.
Meestal dineerde zij bij Belloni, bij de Van der Staals, om wat
afleiding te hebben voor haar avond. De marchesa had haar eerst niet
gegroet, al duldde zij haar aan de table-d'hôte, voor drie lire per
avond, maar langzamerhand groette zij weêr Cornélie, met een zuurzoet
lachje, want zij had de beide kamertjes al voordeeliger weêr verhuurd.
En Cornélie, in hare kalmere stemming, vond het eene gezelligheid zich
's avonds te kleeden, naar Belloni te gaan, mevrouw Van der Staal en
de meisjes te zien, verhaaltjes van haar te hooren over de salons van
Rome, en een blik te weiden over de lange tafels. En zij zag, dat de
gasten alweêr anderen waren, als met een kaleidoskoop van vluchtige
menschen. Rudyard was verdwenen, met een schuld aan de marchesa, en
niemand wist waarheen. De Rothkirchen waren naar Griekenland gegaan,
maar Urania Hope was er nog steeds en zat naast de marchesa Belloni, en
aan hare andere zijde de neef: de prins van Forte-Braccio, hertog van
San Stefano, die geregeld bij Belloni dineerde. En Cornélie zag, dat
het was als eene samenzwering: de marchesa en de prins, die de kleine
ijdele Amerikaansche van beide zijden bestookten. Een volgenden dag
zag Cornélie aan de tafel van de marchesa twee monsignori zitten in
druk gesprek met Urania, terwijl de marchesa en de prins toeknikten.
Alle gasten spraken er over, aller oogen zagen die kant uit, allen
bespiedden de manoeuvre en vermaakten zich met dien roman.
Alleen Cornélie lachte er niet om; zij had Urania willen waarschuwen,
voor de marchesa, den prins en de monsignori, die Rudyards plaats
innamen, maar vooral waarschuwen voor het Huwelijk, al was het met een
prins-hertog. En zich opwindende, sprak zij met mevrouw en de meisjes,
herhaalde zij hare brochure-zinnen, gloeide, rood-òp, haar jonge haat
tegen de maatschappij en de wereld en de menschen.
Het diner was afgeloopen; druk pratende nog ging zij met de Van der
Staals mevrouw en de meisjes en Duco--naar het salon, zette zich in
een hoek, vervolgde haar gesprek, vaarde uit tot mevrouw, die haar
tegensprak, tot zij eensklaps een dikke dame--de meisjes hadden haar al
bijgenaamd: het satijnen fregat--glimlachend naar hen toe zagen komen
en zeggen al van verre:
--I beg your pardon, maar ik woû u iets zeggen.... Kijk, ik kom al
sedert tien jaren geregeld iederen winter bij Belloni, van November tot
na Paschen, en dan zit ik iederen avond, nà het diner--maar ook alleen
maar nà het diner--in _dezen_ hoek, aan _deze_ tafel, op _deze_ plaats.
Neemt u me dus niet kwalijk, maar ik zoû ook nu gaarne mijn plaats weêr
innemen....
En het "satijnen fregat" glimlachte lieftallig, maar toen de Van
der Staals en Cornélie op rezen in stomme verbazing, liet zij zich
ruischende ploffen op de canapé, deinde even op en neêr op de veeren,
zette haar haakwerk op de tafel met een gebaar of ze een Engelsche vlag
plantte op een kolonie, en zeide met haar lieftalligsten glimlach;
--Very much obliged, I thank you very much.
Duco schaterde het uit, de meisjes gichelden, maar het "satijnen
fregat" knikte hen goedmoedig toe. En nog niet goed beseffende,
verbaasd, maar vroolijk, zetten zij zich in een anderen hoek, de
meisjes met een onuitbluschbaar gegichel. De twee esthetische dames,
met de evening-dress en de Jaegers, die aan de middentafel zaten te
lezen, sloegen tegelijkertijd hare twee boeken dicht, en stonden op en
gingen verontwaardigd heen, omdat men in het salon lachte en praatte.
--It is a shame! zeiden zij hard op, en rechthoekig, verwaten en
groezelig draaiden zij de deur uit.
--Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen....
Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen
zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit
misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel...?
Steeds bracht hij Cornélie des avonds naar de Via dei Serpenti. Zij
wandelden dan langzaam door de stille verlaten straten. Soms was het
laat, maar soms was het dadelijk nà het diner, en dan wandelden zij
nog het Corso in, dan vroeg hij haar meestal nog wat te gaan zitten
bij Aragno. Zij deed dit, en samen gebruikten zij een kop koffie, in
de vroolijkheid van het verlichte café, kijkende naar de avonddrukte
op straat. Zij spraken dan weinig, afgeleid door de voorbijgangers en
de bezoekers van het café, maar zij vonden het beiden een gezellig
oogenblik, en voelden zich één met elkaâr. Duco dacht klaarblijkelijk
niet na over het liberale van hun doen, maar Cornélie dacht aan
mevrouw Van der Staal, en dat zij het niet goed zoû keuren en niet zoû
toestemmen in een harer dochters: 's avonds alleen met een heer te
zitten in een café. En Cornélie dacht ook aan Den Haag en glimlachte
bij de gedachte aan hare Haagsche kennissen. En zij zag naar Duco....
Rustig zat hij, tevreden met haar samen te zitten, en hij dronk zijn
koffie, en zei nu en dan een woord en wees haar op een type of op
een mooie vrouw, die voorbijging.... Op een avond, na het diner,
stelde hij voor allen te gaan naar de ruïnes: de maan scheen, dat
was wondermooi. Maar mevrouw was bang voor malaria, de meisjes voor
roovers; en zij gingen alleen, Duco en Cornélie. De straten waren heel
eenzaam, het Colosseum rees dreigend op als een zwarte forteres in den
nacht, maar zij gingen er binnen, en door de open bogen scheen het
maanlichte blauw van den nacht: in de ronde put van de arena, ter eene
zijde zwart, schaduw, stroomde ter andere de stroom van maneschijn
binnen, als een witte vloed, als een waterval, en het was als spookte
de nacht, als spookte het Colosseum en het geheele verleden van Rome:
keizers, gladiatoren en martelaars; schaduwen slopen om als kruipende
wilde beesten, een lichtvlak was als een naakte vrouw, en de galerijen
schenen te ruischen van menigte.... En toch was er niets en waren zij
eenzaam, Duco en Cornélie, in de diepte der hooge reuze-ruïne, half in
schaduw en half in licht, en hoewel zij niet bang was, was zij onder
den indruk van het ontzaglijk gespook des verledens, en schoof bij
hem nader en klemde zijn arm, en voelde zich klein, heel klein. Hij
drukte even haar hand, met zijn eenvoudige gemakkelijkheid, als om
haar gerust te stellen. En de nacht beklemde haar, het spook benauwde
haar, de maan scheen te duizelen hoog in de lucht en zich reusachtig
uit te breiden en rond te draaien als een zilveren wiel. Hij zeide
niets, hij was in zijn droom, hij zag het verleden voor zich.... En
zwijgend gingen zij heen, en hij voerde haar door den boog van Titus
het Forum binnen. Links rezen de ruïnes der keizerpaleizen, en om hen
heen stonden de zwarte brokkelingen op, wezen de enkele zuilen omhoog
en stroomde de blanke mane-stroom neêr, als een spookzee uit de lucht.
Zij ontmoetten niemand, maar zij was bang en klemde vaster zijn arm.
Toen zij even gingen zitten op een stuk fondament, huiverde zij van de
kilte. Hij schrikte, zeide, dat zij op moest passen geen koû te vatten,
en zij gingen verder en verlieten het Forum. Hij bracht haar thuis,
en alleen ging zij de trappen op, een lucifer afstekende om wat licht
te hebben in het duistere trappenhuis. In haar kamer bevroedde zij,
dat het gevaarlijk was 's avonds in de ruïnes te dwalen. Zij dacht hoe
weinig Duco gesproken had, niet denkende aan gevaar, verloren in zijn
nachtelijken droom, turende in het ontzaglijk gespook.... Waarom ...
was hij niet alleen gegaan? Waarom had hij haar meêgevraagd? Zij sliep
in, na een chaos van warrelende gedachte: de prins en Urania; de dikke
satijnen dame, en het Colosseum en de martelaren, en Duco en mevrouw
Van der Staal.... Zijn moeder was zoo gewoon, zijn zusjes lief maar
banaal, en hij ... zoo vreemd! Zoo eenvoudig, zoo zonder voordoen, zich
zoo gevende als hij was; en daarom zoo vreemd.... Onmogelijk zoû hij
zijn in Den Haag, onder haar kennissen.... Zij glimlachte als zij dacht
aan wat hij gezegd had, en hoè hij dat gezegd had en hoe hij lustig kon
zwijgen, minuten lang, een glimlach om zijn mond, als dacht hij aan
iets moois....
Maar Urania moest zij waarschuwen.
En moê sliep zij in.