XIV.

Toch kwam er een kalmte in Cornélie nu hare brochure geschreven was.

Zij pakte hare koffers uit, arrangeerde hare kamers wat gezelliger,

en, rustiger, schreef zij de brochure over en verbeterde onder het

overschrijven haar stijl, en zelfs haar gedachten. Als zij des morgens

gewerkt had, lunchte zij meestal in een kleine osteria en ontmoette

daar bijna altijd Duco van der Staal, en at met hem aan éen tafeltje.

Meestal dineerde zij bij Belloni, bij de Van der Staals, om wat

afleiding te hebben voor haar avond. De marchesa had haar eerst niet

gegroet, al duldde zij haar aan de table-d'hôte, voor drie lire per

avond, maar langzamerhand groette zij weêr Cornélie, met een zuurzoet

lachje, want zij had de beide kamertjes al voordeeliger weêr verhuurd.

En Cornélie, in hare kalmere stemming, vond het eene gezelligheid zich

's avonds te kleeden, naar Belloni te gaan, mevrouw Van der Staal en

de meisjes te zien, verhaaltjes van haar te hooren over de salons van

Rome, en een blik te weiden over de lange tafels. En zij zag, dat de

gasten alweêr anderen waren, als met een kaleidoskoop van vluchtige

menschen. Rudyard was verdwenen, met een schuld aan de marchesa, en

niemand wist waarheen. De Rothkirchen waren naar Griekenland gegaan,

maar Urania Hope was er nog steeds en zat naast de marchesa Belloni, en

aan hare andere zijde de neef: de prins van Forte-Braccio, hertog van

San Stefano, die geregeld bij Belloni dineerde. En Cornélie zag, dat

het was als eene samenzwering: de marchesa en de prins, die de kleine

ijdele Amerikaansche van beide zijden bestookten. Een volgenden dag

zag Cornélie aan de tafel van de marchesa twee monsignori zitten in

druk gesprek met Urania, terwijl de marchesa en de prins toeknikten.

Alle gasten spraken er over, aller oogen zagen die kant uit, allen

bespiedden de manoeuvre en vermaakten zich met dien roman.

Alleen Cornélie lachte er niet om; zij had Urania willen waarschuwen,

voor de marchesa, den prins en de monsignori, die Rudyards plaats

innamen, maar vooral waarschuwen voor het Huwelijk, al was het met een

prins-hertog. En zich opwindende, sprak zij met mevrouw en de meisjes,

herhaalde zij hare brochure-zinnen, gloeide, rood-òp, haar jonge haat

tegen de maatschappij en de wereld en de menschen.

Het diner was afgeloopen; druk pratende nog ging zij met de Van der

Staals mevrouw en de meisjes en Duco--naar het salon, zette zich in

een hoek, vervolgde haar gesprek, vaarde uit tot mevrouw, die haar

tegensprak, tot zij eensklaps een dikke dame--de meisjes hadden haar al

bijgenaamd: het satijnen fregat--glimlachend naar hen toe zagen komen

en zeggen al van verre:

--I beg your pardon, maar ik woû u iets zeggen.... Kijk, ik kom al

sedert tien jaren geregeld iederen winter bij Belloni, van November tot

na Paschen, en dan zit ik iederen avond, nà het diner--maar ook alleen

maar nà het diner--in _dezen_ hoek, aan _deze_ tafel, op _deze_ plaats.

Neemt u me dus niet kwalijk, maar ik zoû ook nu gaarne mijn plaats weêr

innemen....

En het "satijnen fregat" glimlachte lieftallig, maar toen de Van

der Staals en Cornélie op rezen in stomme verbazing, liet zij zich

ruischende ploffen op de canapé, deinde even op en neêr op de veeren,

zette haar haakwerk op de tafel met een gebaar of ze een Engelsche vlag

plantte op een kolonie, en zeide met haar lieftalligsten glimlach;

--Very much obliged, I thank you very much.

Duco schaterde het uit, de meisjes gichelden, maar het "satijnen

fregat" knikte hen goedmoedig toe. En nog niet goed beseffende,

verbaasd, maar vroolijk, zetten zij zich in een anderen hoek, de

meisjes met een onuitbluschbaar gegichel. De twee esthetische dames,

met de evening-dress en de Jaegers, die aan de middentafel zaten te

lezen, sloegen tegelijkertijd hare twee boeken dicht, en stonden op en

gingen verontwaardigd heen, omdat men in het salon lachte en praatte.

--It is a shame! zeiden zij hard op, en rechthoekig, verwaten en

groezelig draaiden zij de deur uit.

--Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen....

Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen

zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit

misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel...?

Steeds bracht hij Cornélie des avonds naar de Via dei Serpenti. Zij

wandelden dan langzaam door de stille verlaten straten. Soms was het

laat, maar soms was het dadelijk nà het diner, en dan wandelden zij

nog het Corso in, dan vroeg hij haar meestal nog wat te gaan zitten

bij Aragno. Zij deed dit, en samen gebruikten zij een kop koffie, in

de vroolijkheid van het verlichte café, kijkende naar de avonddrukte

op straat. Zij spraken dan weinig, afgeleid door de voorbijgangers en

de bezoekers van het café, maar zij vonden het beiden een gezellig

oogenblik, en voelden zich één met elkaâr. Duco dacht klaarblijkelijk

niet na over het liberale van hun doen, maar Cornélie dacht aan

mevrouw Van der Staal, en dat zij het niet goed zoû keuren en niet zoû

toestemmen in een harer dochters: 's avonds alleen met een heer te

zitten in een café. En Cornélie dacht ook aan Den Haag en glimlachte

bij de gedachte aan hare Haagsche kennissen. En zij zag naar Duco....

Rustig zat hij, tevreden met haar samen te zitten, en hij dronk zijn

koffie, en zei nu en dan een woord en wees haar op een type of op

een mooie vrouw, die voorbijging.... Op een avond, na het diner,

stelde hij voor allen te gaan naar de ruïnes: de maan scheen, dat

was wondermooi. Maar mevrouw was bang voor malaria, de meisjes voor

roovers; en zij gingen alleen, Duco en Cornélie. De straten waren heel

eenzaam, het Colosseum rees dreigend op als een zwarte forteres in den

nacht, maar zij gingen er binnen, en door de open bogen scheen het

maanlichte blauw van den nacht: in de ronde put van de arena, ter eene

zijde zwart, schaduw, stroomde ter andere de stroom van maneschijn

binnen, als een witte vloed, als een waterval, en het was als spookte

de nacht, als spookte het Colosseum en het geheele verleden van Rome:

keizers, gladiatoren en martelaars; schaduwen slopen om als kruipende

wilde beesten, een lichtvlak was als een naakte vrouw, en de galerijen

schenen te ruischen van menigte.... En toch was er niets en waren zij

eenzaam, Duco en Cornélie, in de diepte der hooge reuze-ruïne, half in

schaduw en half in licht, en hoewel zij niet bang was, was zij onder

den indruk van het ontzaglijk gespook des verledens, en schoof bij

hem nader en klemde zijn arm, en voelde zich klein, heel klein. Hij

drukte even haar hand, met zijn eenvoudige gemakkelijkheid, als om

haar gerust te stellen. En de nacht beklemde haar, het spook benauwde

haar, de maan scheen te duizelen hoog in de lucht en zich reusachtig

uit te breiden en rond te draaien als een zilveren wiel. Hij zeide

niets, hij was in zijn droom, hij zag het verleden voor zich.... En

zwijgend gingen zij heen, en hij voerde haar door den boog van Titus

het Forum binnen. Links rezen de ruïnes der keizerpaleizen, en om hen

heen stonden de zwarte brokkelingen op, wezen de enkele zuilen omhoog

en stroomde de blanke mane-stroom neêr, als een spookzee uit de lucht.

Zij ontmoetten niemand, maar zij was bang en klemde vaster zijn arm.

Toen zij even gingen zitten op een stuk fondament, huiverde zij van de

kilte. Hij schrikte, zeide, dat zij op moest passen geen koû te vatten,

en zij gingen verder en verlieten het Forum. Hij bracht haar thuis,

en alleen ging zij de trappen op, een lucifer afstekende om wat licht

te hebben in het duistere trappenhuis. In haar kamer bevroedde zij,

dat het gevaarlijk was 's avonds in de ruïnes te dwalen. Zij dacht hoe

weinig Duco gesproken had, niet denkende aan gevaar, verloren in zijn

nachtelijken droom, turende in het ontzaglijk gespook.... Waarom ...

was hij niet alleen gegaan? Waarom had hij haar meêgevraagd? Zij sliep

in, na een chaos van warrelende gedachte: de prins en Urania; de dikke

satijnen dame, en het Colosseum en de martelaren, en Duco en mevrouw

Van der Staal.... Zijn moeder was zoo gewoon, zijn zusjes lief maar

banaal, en hij ... zoo vreemd! Zoo eenvoudig, zoo zonder voordoen, zich

zoo gevende als hij was; en daarom zoo vreemd.... Onmogelijk zoû hij

zijn in Den Haag, onder haar kennissen.... Zij glimlachte als zij dacht

aan wat hij gezegd had, en hoè hij dat gezegd had en hoe hij lustig kon

zwijgen, minuten lang, een glimlach om zijn mond, als dacht hij aan

iets moois....

Maar Urania moest zij waarschuwen.

En moê sliep zij in.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 18 / 67 题