Toen was het na eenige dagen, dat Cornélie idee kreeg het pension te
verlaten en op kamers te gaan wonen. Het hôtelleven stoorde haar in
hare opkomende gedachten, als een wind van ijdelheid, die telkens
schroeide over heel vage bloesems, en niettegenstaande een scheldvloed
van woorden van de marchesa, die haar verweet voor den geheelen winter
gehuurd te hebben, trok zij in de kamers, die zij na veel zoeken en
trappenklimmen, met Duco van der Staal had gevonden. Het was in de Via
dei Serpenti, vele trappen op, een suite van twee ruime, maar bijna
geheel ongemeubeleerde vertrekken: alleen het hoog noodige stond er,
en hoewel het uitzicht wijd over de huizenmassa's van Rome streek tot
de cirkelige ruïne van het Colosseum toe, waren de kamers van een
rulle ongezelligheid, van een naakte onbewoonbaarheid. Duco had ze
niet goed gevonden en zeide, dat hij er rilde, hoewel ze lagen op de
zonnezijde, maar er was iets in de stroefheid van dit verblijf, dat
Cornélie in hare nieuwe stemming harmonisch aandeed. Toen zij dien
dag scheidden, dacht hij van haar: wat is ze toch weinig artistiek;
en zij van hem: wat is hij onmodern! Zij zagen elkaâr in dagen niet
weêr, en Cornélie was geheel eenzaam, maar voelde hare eenzaamheid
niet, omdat zij een brochure schreef over den maatschappelijken
toestand der gescheiden vrouw. Dat idee was bij haar opgekomen door
enkele zinnen in een brochure over de Vrouwenbeweging, en in eens,
zonder veel te hebben nagedacht, schreef zij in impulsie na impulsie,
intuïtie na intuïtie, hare zinnen, stroef, koel, en klaar; schreef
zij in een epistolairen stijl, zonder kunst, maar met overtuiging en
ondervinding, als om meisjes te waarschuwen tegen te veel illuzie
voor het Huwelijk. Zij had hare kamers niet gezellig gemaakt; zij zat
daar, hoog in Rome, met haar blik over de daken tot het Colosseum
toe, te schrijven, te schrijven, zich verdiepende in haar leed, zich
gevende in hare weêrbarstige zinnen, bitter, maar den alsem harer
ziel gietende in hare brochure. Mevrouw Van der Staal en de meisjes,
die haar kwamen bezoeken, waren verbaasd, om haar slordig uitzien,
om haar rulle kamers, een stervend vuur in het haardje, geen bloem,
geen boeken, geen thee, en geen kussens, en toen zij na een kwartier
heengingen, voorgevende boodschappen te moeten doen, zagen zij, de
eindelooze trappen aftrippende elkaâr verbaasd aan, geheel in de war
en niets begrijpende van die herschepping: die van een interessant,
elegant vrouwtje, met om zich heen een waas van poëzie, een tragiek van
verleden,--in een "vrije vrouw", die verwoed schreef aan een brochure,
met bittere verwenschingen tegen de maatschappij. En toen Duco haar
na een week weêr opzocht, en een oogenblik bij haar kwam zitten,
bleef hij doodstil, stijfrecht op zijn stoel, zonder te spreken,
terwijl Cornélie hem het begin harer brochure voorlas. Hem roerde wat
hij er in schemeren zag, van eigen leed en ondervinding, maar iets
onharmonisch ergerde hem tusschen die slanke, lelieachtige vrouw,
met hare gebroken bewegingen, en de omgeving, waarin zij zich nu wèl
voelde, geheel verdiept in haar haat tegen de maatschappij, met name
de Haagsche, die haar vijandig was geworden, omdat zij niet met een
ploert, die haar mishandelde, was samengebleven. En terwijl zij las,
dacht Duco: zij zoû zoo niet schrijven, als zij niet alles uit eigen
leed naschreef. Waarom schept zij er niet een novelle uit...? Waarom
dat generalizeeren van persoonlijk verdriet, en waarom dat waarschuwend
stemgeluid.... Hij vond het niet mooi. Hij vond den klank van die stem
zoo hard, die waarheden zoo persoonlijk, die bitterheid onsympathiek
en die conventie-haat zoo klein. En toen zij hem iets vroeg, zei
hij niet veel, schudde vaag goedkeurend het hoofd, en bleef zitten,
ongemakkelijk strak. Hij wist niet wat te antwoorden, hij wist niet hoe
te bewonderen, hij vond haar onartistiek. En toch welde in hem groot
medelijden, toch zag hij hoe lief zij zoû zijn, en hoe edel vrouw,
als zij gevonden had de lijn van haar leven, en zich langs die lijn
harmonisch bewoog met de muziek van haar eigen beweging. Nu zag hij
haar gaan een verkeerden weg; een pad, door anderen haar met vingers
aangewezen, en niet ingeslagen uit eigen aandrang van ziel. En hij
voelde een diep medelijden voor haar. Hij, artist, maar vooral droomer,
zag soms scherp, tròts zijn droomen, tròts zijn soms alles omvattend
gevoel voor lijn en voor kleur en voor waas; hij, artist en droomer,
zag dikwijls als helderziend de emotie schemeren door het voordoen der
menschen, zag de ziel, als een licht door albast heen, en hij zag haar
eensklaps verloren, zoekende, dwalende; zoekende, zij wist zelve niet
wat; dwalende, zij wist zelve niet door welk labyrinth; ver van haar
lijn, haar levenslijn en richting van haar zielebeweging, die zij nog
nimmer had gevonden.
Zij zat opgewonden voor hem, zij had gelezen haar allerlaatste
bladzijden, met verhit gelaat, met klinkende stem, met een koorts
in heel haar wezen. Het was als wilde zij nu smijten die bladen
vol bitterheid voor de voeten harer Hollandsche zusteren, voor
de voeten van alle vrouwen. Hij, verloren in zijne bespiegeling,
weemoedig in zijn meêlij voor haar, had nauwlijks geluisterd, en
schudde vaag goedkeurend het hoofd. En eensklaps sprak zij over
zichzelve, en gaf ze zich geheel, vertelde zij haar leven: haar
Haagsche-jongemeisjes-bestaan, haar opvoeding om wat te schitteren, en
aardig en mooi te zijn, zonder éen ernstigen blik op haar toekomst,
alleen afwachtende een goed huwelijk, met een flirtation hier, en
een verliefdheidje daar, tot zij getrouwd was; een goed huwelijk in
haar kringetje; haar man eerste luitenant van de huzaren, een mooie
flinke jongen, goede notabele familie, een beetje geld,--op wien zij
verliefd was geworden om zijn mooie gezicht, en zijn flink figuur in
zijn uniform, die hem goed stond; die op haar verliefd was, zooals
hij op een ander meisje ook had kunnen worden, omdat zij een aardig
snoetje had: toen, de openbaring al dier allereerste dagen: de dadelijk
uitbarstende disharmonie hunner karakters. Zij, thuis verwend, fijn,
delicaat, fijngevoelig, maar egoïst fijngevoelig, maar prikkelbaar voor
haar eigen verwende ik-je; hij, niet meer hofmakerig, maar dadelijk
grofweg man met rechten hierop en rechten daarop, met een vloek nu en
een gedonder dan weêr; zij, zonder eenigen tact, zonder eenig geduld
nog te maken van hunne verongelukkende levens wat er misschien nog te
maken zoû zijn: nerveus, driftig, drift tegen grofheid in, wat zijn
ruwheid zoo oprazen deed, dat hij haar mishandelde, uitschold, sloeg,
schudde en kwakte tegen den muur aan....
Toen hare scheiding; hij eerst niet gewild; trots alles, tevreden
met een huis te hebben, en in dat huis een vrouw, wijfje van hèm,
mannetje, en niet willende weêr de ellende van op kamers wonen,
tot zij eenvoudig wegliep, naar hare ouders toe, de stad uit bij
vrienden, razende op de wet, zoo onrechtvaardig jegens vrouwen.... Hij
had eindelijk toegegeven, zich laten beschuldigen van overspel, wat
niet bezijden de waarheid was. Toen was zij vrij, maar zij stond als
alleen, aangekeken door al hare kennissen, niet willende toegeven aan
hun conventie-eisch van die soort van halve rouw, die een gescheiden
vrouw moest omgeven volgens hunne conventie-ideetjes, en dadelijk
terugkeerende tot haar vroeger jonge-meisjes-schitterbestaan. Maar
zij had gevoeld, dat dat niet wezen kon, niet om de kennissen en
niet om zichzelve: de kennissen, schuin naar haar kijkende, en zij,
walgende van de kennissen, van hun soirées en diners, tot zij zich
diep ongelukkig gevoeld had, eenzaam, verloren, zonder iets, zonder
iemand, en zij gevoeld had al den druk, die weegt op de gescheiden
vrouw. Diep in zich had zij wel eens gedacht, dat zij met veel geduld
en veel tact dien man nog had kunnen beheerschen, dat hij niet kwaad
was, alleen maar grof, dat zij toch wel nog van hem hield, ten minste
van zijn mooie gezicht en van zijn flinke lichaam. Liefde, dat was het
niet, maar had zij ooit over liefde gedacht, zooals zij die nu wel eens
voorgevoelde? En leefde niet bijna een ieder zoo-zoo maar, zich een
beetje schikkende naar wat hem gegeven werd? Maar die spijt bekende zij
nauwlijks zichzelve, bekende zij ook nu niet aan Duco, en wèl bekende
zij haar bitterheid, haar haat tegen haar man, tegen het huwelijk, de
conventie, de menschen, de wereld: tegen al de groote algemeenheden,
generalizeerend haar eigen gevoel tot éen vloek tegen het leven. Hij
hoorde haar aan, met medelijden. Hij voelde, dat er iets edels in haar
was, maar verstikt, van den beginne af. Hij vergaf haar, dat zij niet
artistiek was, maar het smartte hem, dat zij zich nooit gevonden had,
dat zij niet wist wat zij was, wiè zij was, hoe haar leven moest zijn,
en waar de lijn slingerde van haar leven, het eenige pad, dat zij gaan
moest, zooals ieder leven volgt éen pad. O, hoe vaak, als een mensch
zich maar gaan liet, als een bloem, als een vogel, als een wolk, als
een ster, die haar baan zoo gehoorzaam beschreef, zoû een mensch zijn
geluk en zijn leven wel vinden, als de bloem en de vogel ze vonden, als
de wolk weg dreef in de zon, en de ster haar hemelbaan volgde. Maar
hij zeide haar niets van zijn gedachten, wetende, dat zij vooral in
hare stemming van bitterheid ze niet begrijpen zoû, en er geen steun
aan grijpen kon, omdat ze haar te vaag zouden zijn, en te vreemd aan
haar eigen denken. Zij dacht aan zichzelve, maar zij dàcht, dat zij
dacht aan de Vrouwen, de Meisjes, en hare beweging naar de Toekomst.
De lijnen van de vrouwen.... Maar had iedere vrouw niet haar eigen
lijn? Alleen, hoe weinigen wisten haar, haar richting, haar pad, haar
levenslijn, haar meander in de toekomstschemering. En misschien, omdat
zij niet wisten voor zich, zochten zij allen te zamen nu een breed pad,
een hoofdweg, waarop zij voortgaan zouden met scharen, met dringende
menigte van vrouwen, met regimenten van vrouwen, met leuzen en vanen
en oorlogskreet, breed pad, paralel aan de beweging der mannen, tot
de paden zouden versmelten tot éen, tot de scharen der vrouwen zich
vermengen zouden met de scharen der mannen, met gelijke rechten en
levensbeweging....
Hij zeide haar niets. Zij merkte zijn zwijgen, en zag niet, hoeveel in
hem omging, hoe innig hij over haar dacht, hoe diep meêlij hij voor
haar voelde. Zij dacht, dat zij hem verveeld bad. En eensklaps, om
zich heen, zag zij de duisterende naakte kamer, het vuur uitgedoofd,
en zonk haar geestdrift, verkoelde haar koorts, vond zij slècht haar
brochure, zonder kracht, overtuiging. Hoe gaarne had zij een woord van
hem gehoord! Maar hij zat stil, hij scheen geen belang te stellen, hij
vond haar stijl zeker niet mooi. En zij voelde zich treurig, verlaten,
eenzaam, vervreemd van hem, en bitter om die vervreemding, zij voelde
zich klaar om te weenen, te snikken, en--vreemd--in haar bitterheid,
dacht zij aan hèm, haar man, met zijn mooie gezicht. En zij kon zich
niet houden: zij weende. Hij naderde haar, hij legde op haar schouder
zijn hand. Toen voelde zij iets, van wat er in hem omging, en dat zijn
zwijgen niet koude was. Zij zeide hem, dat zij dien avond niet alleén
zoû kunnen blijven, te rampzalig, te rampzalig.... Hij troostte haar;
zei, dat er veel goeds, veel waars in haar brochure was, dat hij geen
goed beoordeelaar was over zulke moderne kwesties; dat hij alleen maar
knap was als hij sprak over Italië; dat hij zoo weinig voelde voor
menschen, en zoo veel voor beelden; zoo weinig voor wat nieuw wordt
opgebouwd voor een volgende eeuw, en zoo veel voor wat in ruïnes lag en
restte uit vorige eeuwen. Hij zei het als vroeg hij verontschuldiging.
Zij glimlachte door hare tranen heen, maar herhaalde, dat zij niet
alleen kon blijven, en dat zij met hem meêging naar Belloni, dien
avond, naar zijn moeder en zusters. En zij gingen samen uit, zij
liepen samen om; en hij vertelde haar, om haar af te leiden, van eigen
gedachten, vertelde haar anecdoten van meesters uit de Renaissance. Zij
hoorde niet wat hij zeide, maar zijn stem was lief aan haar ooren. Hij
had zoo iets zachts in zijn onverschilligheid voor het moderne, dat
haar interesseerde: hij had zooveel kalmte, weldadig als balsem, in de
rust van zijn ziel, die zich liet gaan aan den goudenen draad van zijn
droomen--als was die draad zijn levensrichting,--zoo veel kalmte en
zachtheid, dat ook zij kalmer werd, en zachter, en glimlachend tot hem
opzag.
En hoe ver zij ook van elkaâr verwijderd waren, hij gaande langs
droomenlijn, zij verloren in een duisteren doolhof,--zij voelden
elkaâr toch naderen, voelden hunne zielen van verre toch naderen,
terwijl hunne lichamen zich naast elkaâr bewogen op een straat van
werkelijkheid, dwars door Rome in den avond. Hij stak zijn arm door den
hare, maar steunde haár, ondanks dat gebaar.
En toen zij Belloni naderden, dankte zij hem, zij wist niet precies
waarvoor: voor zijn blik, voor zijn stem, voor hunne wandeling, voor
den troost, dien zij onuitlegbaar, maar toch duidelijk, uit hem voelde
stralen, en zij was dien avond blijde met hem meê gegaan te zijn, en om
zich heen te voelen de afleiding van Belloni's table-d'hôte.
Maar des nachts, alleen, alleen in haar rulle kamers, kwam hare
rampzaligheid als een zwarte zee over haar heen, en, uitziende naar
het Colosseum--donker te raden boog in donkeren nacht--, snikte zij,
zich tot stervens toe voelende verzinken, wegspoelen, verlaten en
eenzaam, zoo hoog boven Rome, boven de daken, boven de flauwe lichtjes
der nachtstad, onder de wolken van den donkeren nacht, verzinken en
wegspoelen, als dreef zij, schipbreukeling op een oceaan, die de wereld
verdronk, en klagend opruischte tegen den onverbiddelijken hemel.