XIII.

Toen was het na eenige dagen, dat Cornélie idee kreeg het pension te

verlaten en op kamers te gaan wonen. Het hôtelleven stoorde haar in

hare opkomende gedachten, als een wind van ijdelheid, die telkens

schroeide over heel vage bloesems, en niettegenstaande een scheldvloed

van woorden van de marchesa, die haar verweet voor den geheelen winter

gehuurd te hebben, trok zij in de kamers, die zij na veel zoeken en

trappenklimmen, met Duco van der Staal had gevonden. Het was in de Via

dei Serpenti, vele trappen op, een suite van twee ruime, maar bijna

geheel ongemeubeleerde vertrekken: alleen het hoog noodige stond er,

en hoewel het uitzicht wijd over de huizenmassa's van Rome streek tot

de cirkelige ruïne van het Colosseum toe, waren de kamers van een

rulle ongezelligheid, van een naakte onbewoonbaarheid. Duco had ze

niet goed gevonden en zeide, dat hij er rilde, hoewel ze lagen op de

zonnezijde, maar er was iets in de stroefheid van dit verblijf, dat

Cornélie in hare nieuwe stemming harmonisch aandeed. Toen zij dien

dag scheidden, dacht hij van haar: wat is ze toch weinig artistiek;

en zij van hem: wat is hij onmodern! Zij zagen elkaâr in dagen niet

weêr, en Cornélie was geheel eenzaam, maar voelde hare eenzaamheid

niet, omdat zij een brochure schreef over den maatschappelijken

toestand der gescheiden vrouw. Dat idee was bij haar opgekomen door

enkele zinnen in een brochure over de Vrouwenbeweging, en in eens,

zonder veel te hebben nagedacht, schreef zij in impulsie na impulsie,

intuïtie na intuïtie, hare zinnen, stroef, koel, en klaar; schreef

zij in een epistolairen stijl, zonder kunst, maar met overtuiging en

ondervinding, als om meisjes te waarschuwen tegen te veel illuzie

voor het Huwelijk. Zij had hare kamers niet gezellig gemaakt; zij zat

daar, hoog in Rome, met haar blik over de daken tot het Colosseum

toe, te schrijven, te schrijven, zich verdiepende in haar leed, zich

gevende in hare weêrbarstige zinnen, bitter, maar den alsem harer

ziel gietende in hare brochure. Mevrouw Van der Staal en de meisjes,

die haar kwamen bezoeken, waren verbaasd, om haar slordig uitzien,

om haar rulle kamers, een stervend vuur in het haardje, geen bloem,

geen boeken, geen thee, en geen kussens, en toen zij na een kwartier

heengingen, voorgevende boodschappen te moeten doen, zagen zij, de

eindelooze trappen aftrippende elkaâr verbaasd aan, geheel in de war

en niets begrijpende van die herschepping: die van een interessant,

elegant vrouwtje, met om zich heen een waas van poëzie, een tragiek van

verleden,--in een "vrije vrouw", die verwoed schreef aan een brochure,

met bittere verwenschingen tegen de maatschappij. En toen Duco haar

na een week weêr opzocht, en een oogenblik bij haar kwam zitten,

bleef hij doodstil, stijfrecht op zijn stoel, zonder te spreken,

terwijl Cornélie hem het begin harer brochure voorlas. Hem roerde wat

hij er in schemeren zag, van eigen leed en ondervinding, maar iets

onharmonisch ergerde hem tusschen die slanke, lelieachtige vrouw,

met hare gebroken bewegingen, en de omgeving, waarin zij zich nu wèl

voelde, geheel verdiept in haar haat tegen de maatschappij, met name

de Haagsche, die haar vijandig was geworden, omdat zij niet met een

ploert, die haar mishandelde, was samengebleven. En terwijl zij las,

dacht Duco: zij zoû zoo niet schrijven, als zij niet alles uit eigen

leed naschreef. Waarom schept zij er niet een novelle uit...? Waarom

dat generalizeeren van persoonlijk verdriet, en waarom dat waarschuwend

stemgeluid.... Hij vond het niet mooi. Hij vond den klank van die stem

zoo hard, die waarheden zoo persoonlijk, die bitterheid onsympathiek

en die conventie-haat zoo klein. En toen zij hem iets vroeg, zei

hij niet veel, schudde vaag goedkeurend het hoofd, en bleef zitten,

ongemakkelijk strak. Hij wist niet wat te antwoorden, hij wist niet hoe

te bewonderen, hij vond haar onartistiek. En toch welde in hem groot

medelijden, toch zag hij hoe lief zij zoû zijn, en hoe edel vrouw,

als zij gevonden had de lijn van haar leven, en zich langs die lijn

harmonisch bewoog met de muziek van haar eigen beweging. Nu zag hij

haar gaan een verkeerden weg; een pad, door anderen haar met vingers

aangewezen, en niet ingeslagen uit eigen aandrang van ziel. En hij

voelde een diep medelijden voor haar. Hij, artist, maar vooral droomer,

zag soms scherp, tròts zijn droomen, tròts zijn soms alles omvattend

gevoel voor lijn en voor kleur en voor waas; hij, artist en droomer,

zag dikwijls als helderziend de emotie schemeren door het voordoen der

menschen, zag de ziel, als een licht door albast heen, en hij zag haar

eensklaps verloren, zoekende, dwalende; zoekende, zij wist zelve niet

wat; dwalende, zij wist zelve niet door welk labyrinth; ver van haar

lijn, haar levenslijn en richting van haar zielebeweging, die zij nog

nimmer had gevonden.

Zij zat opgewonden voor hem, zij had gelezen haar allerlaatste

bladzijden, met verhit gelaat, met klinkende stem, met een koorts

in heel haar wezen. Het was als wilde zij nu smijten die bladen

vol bitterheid voor de voeten harer Hollandsche zusteren, voor

de voeten van alle vrouwen. Hij, verloren in zijne bespiegeling,

weemoedig in zijn meêlij voor haar, had nauwlijks geluisterd, en

schudde vaag goedkeurend het hoofd. En eensklaps sprak zij over

zichzelve, en gaf ze zich geheel, vertelde zij haar leven: haar

Haagsche-jongemeisjes-bestaan, haar opvoeding om wat te schitteren, en

aardig en mooi te zijn, zonder éen ernstigen blik op haar toekomst,

alleen afwachtende een goed huwelijk, met een flirtation hier, en

een verliefdheidje daar, tot zij getrouwd was; een goed huwelijk in

haar kringetje; haar man eerste luitenant van de huzaren, een mooie

flinke jongen, goede notabele familie, een beetje geld,--op wien zij

verliefd was geworden om zijn mooie gezicht, en zijn flink figuur in

zijn uniform, die hem goed stond; die op haar verliefd was, zooals

hij op een ander meisje ook had kunnen worden, omdat zij een aardig

snoetje had: toen, de openbaring al dier allereerste dagen: de dadelijk

uitbarstende disharmonie hunner karakters. Zij, thuis verwend, fijn,

delicaat, fijngevoelig, maar egoïst fijngevoelig, maar prikkelbaar voor

haar eigen verwende ik-je; hij, niet meer hofmakerig, maar dadelijk

grofweg man met rechten hierop en rechten daarop, met een vloek nu en

een gedonder dan weêr; zij, zonder eenigen tact, zonder eenig geduld

nog te maken van hunne verongelukkende levens wat er misschien nog te

maken zoû zijn: nerveus, driftig, drift tegen grofheid in, wat zijn

ruwheid zoo oprazen deed, dat hij haar mishandelde, uitschold, sloeg,

schudde en kwakte tegen den muur aan....

Toen hare scheiding; hij eerst niet gewild; trots alles, tevreden

met een huis te hebben, en in dat huis een vrouw, wijfje van hèm,

mannetje, en niet willende weêr de ellende van op kamers wonen,

tot zij eenvoudig wegliep, naar hare ouders toe, de stad uit bij

vrienden, razende op de wet, zoo onrechtvaardig jegens vrouwen.... Hij

had eindelijk toegegeven, zich laten beschuldigen van overspel, wat

niet bezijden de waarheid was. Toen was zij vrij, maar zij stond als

alleen, aangekeken door al hare kennissen, niet willende toegeven aan

hun conventie-eisch van die soort van halve rouw, die een gescheiden

vrouw moest omgeven volgens hunne conventie-ideetjes, en dadelijk

terugkeerende tot haar vroeger jonge-meisjes-schitterbestaan. Maar

zij had gevoeld, dat dat niet wezen kon, niet om de kennissen en

niet om zichzelve: de kennissen, schuin naar haar kijkende, en zij,

walgende van de kennissen, van hun soirées en diners, tot zij zich

diep ongelukkig gevoeld had, eenzaam, verloren, zonder iets, zonder

iemand, en zij gevoeld had al den druk, die weegt op de gescheiden

vrouw. Diep in zich had zij wel eens gedacht, dat zij met veel geduld

en veel tact dien man nog had kunnen beheerschen, dat hij niet kwaad

was, alleen maar grof, dat zij toch wel nog van hem hield, ten minste

van zijn mooie gezicht en van zijn flinke lichaam. Liefde, dat was het

niet, maar had zij ooit over liefde gedacht, zooals zij die nu wel eens

voorgevoelde? En leefde niet bijna een ieder zoo-zoo maar, zich een

beetje schikkende naar wat hem gegeven werd? Maar die spijt bekende zij

nauwlijks zichzelve, bekende zij ook nu niet aan Duco, en wèl bekende

zij haar bitterheid, haar haat tegen haar man, tegen het huwelijk, de

conventie, de menschen, de wereld: tegen al de groote algemeenheden,

generalizeerend haar eigen gevoel tot éen vloek tegen het leven. Hij

hoorde haar aan, met medelijden. Hij voelde, dat er iets edels in haar

was, maar verstikt, van den beginne af. Hij vergaf haar, dat zij niet

artistiek was, maar het smartte hem, dat zij zich nooit gevonden had,

dat zij niet wist wat zij was, wiè zij was, hoe haar leven moest zijn,

en waar de lijn slingerde van haar leven, het eenige pad, dat zij gaan

moest, zooals ieder leven volgt éen pad. O, hoe vaak, als een mensch

zich maar gaan liet, als een bloem, als een vogel, als een wolk, als

een ster, die haar baan zoo gehoorzaam beschreef, zoû een mensch zijn

geluk en zijn leven wel vinden, als de bloem en de vogel ze vonden, als

de wolk weg dreef in de zon, en de ster haar hemelbaan volgde. Maar

hij zeide haar niets van zijn gedachten, wetende, dat zij vooral in

hare stemming van bitterheid ze niet begrijpen zoû, en er geen steun

aan grijpen kon, omdat ze haar te vaag zouden zijn, en te vreemd aan

haar eigen denken. Zij dacht aan zichzelve, maar zij dàcht, dat zij

dacht aan de Vrouwen, de Meisjes, en hare beweging naar de Toekomst.

De lijnen van de vrouwen.... Maar had iedere vrouw niet haar eigen

lijn? Alleen, hoe weinigen wisten haar, haar richting, haar pad, haar

levenslijn, haar meander in de toekomstschemering. En misschien, omdat

zij niet wisten voor zich, zochten zij allen te zamen nu een breed pad,

een hoofdweg, waarop zij voortgaan zouden met scharen, met dringende

menigte van vrouwen, met regimenten van vrouwen, met leuzen en vanen

en oorlogskreet, breed pad, paralel aan de beweging der mannen, tot

de paden zouden versmelten tot éen, tot de scharen der vrouwen zich

vermengen zouden met de scharen der mannen, met gelijke rechten en

levensbeweging....

Hij zeide haar niets. Zij merkte zijn zwijgen, en zag niet, hoeveel in

hem omging, hoe innig hij over haar dacht, hoe diep meêlij hij voor

haar voelde. Zij dacht, dat zij hem verveeld bad. En eensklaps, om

zich heen, zag zij de duisterende naakte kamer, het vuur uitgedoofd,

en zonk haar geestdrift, verkoelde haar koorts, vond zij slècht haar

brochure, zonder kracht, overtuiging. Hoe gaarne had zij een woord van

hem gehoord! Maar hij zat stil, hij scheen geen belang te stellen, hij

vond haar stijl zeker niet mooi. En zij voelde zich treurig, verlaten,

eenzaam, vervreemd van hem, en bitter om die vervreemding, zij voelde

zich klaar om te weenen, te snikken, en--vreemd--in haar bitterheid,

dacht zij aan hèm, haar man, met zijn mooie gezicht. En zij kon zich

niet houden: zij weende. Hij naderde haar, hij legde op haar schouder

zijn hand. Toen voelde zij iets, van wat er in hem omging, en dat zijn

zwijgen niet koude was. Zij zeide hem, dat zij dien avond niet alleén

zoû kunnen blijven, te rampzalig, te rampzalig.... Hij troostte haar;

zei, dat er veel goeds, veel waars in haar brochure was, dat hij geen

goed beoordeelaar was over zulke moderne kwesties; dat hij alleen maar

knap was als hij sprak over Italië; dat hij zoo weinig voelde voor

menschen, en zoo veel voor beelden; zoo weinig voor wat nieuw wordt

opgebouwd voor een volgende eeuw, en zoo veel voor wat in ruïnes lag en

restte uit vorige eeuwen. Hij zei het als vroeg hij verontschuldiging.

Zij glimlachte door hare tranen heen, maar herhaalde, dat zij niet

alleen kon blijven, en dat zij met hem meêging naar Belloni, dien

avond, naar zijn moeder en zusters. En zij gingen samen uit, zij

liepen samen om; en hij vertelde haar, om haar af te leiden, van eigen

gedachten, vertelde haar anecdoten van meesters uit de Renaissance. Zij

hoorde niet wat hij zeide, maar zijn stem was lief aan haar ooren. Hij

had zoo iets zachts in zijn onverschilligheid voor het moderne, dat

haar interesseerde: hij had zooveel kalmte, weldadig als balsem, in de

rust van zijn ziel, die zich liet gaan aan den goudenen draad van zijn

droomen--als was die draad zijn levensrichting,--zoo veel kalmte en

zachtheid, dat ook zij kalmer werd, en zachter, en glimlachend tot hem

opzag.

En hoe ver zij ook van elkaâr verwijderd waren, hij gaande langs

droomenlijn, zij verloren in een duisteren doolhof,--zij voelden

elkaâr toch naderen, voelden hunne zielen van verre toch naderen,

terwijl hunne lichamen zich naast elkaâr bewogen op een straat van

werkelijkheid, dwars door Rome in den avond. Hij stak zijn arm door den

hare, maar steunde haár, ondanks dat gebaar.

En toen zij Belloni naderden, dankte zij hem, zij wist niet precies

waarvoor: voor zijn blik, voor zijn stem, voor hunne wandeling, voor

den troost, dien zij onuitlegbaar, maar toch duidelijk, uit hem voelde

stralen, en zij was dien avond blijde met hem meê gegaan te zijn, en om

zich heen te voelen de afleiding van Belloni's table-d'hôte.

Maar des nachts, alleen, alleen in haar rulle kamers, kwam hare

rampzaligheid als een zwarte zee over haar heen, en, uitziende naar

het Colosseum--donker te raden boog in donkeren nacht--, snikte zij,

zich tot stervens toe voelende verzinken, wegspoelen, verlaten en

eenzaam, zoo hoog boven Rome, boven de daken, boven de flauwe lichtjes

der nachtstad, onder de wolken van den donkeren nacht, verzinken en

wegspoelen, als dreef zij, schipbreukeling op een oceaan, die de wereld

verdronk, en klagend opruischte tegen den onverbiddelijken hemel.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 17 / 67 题