XII.

Op een morgen, dat Cornélie thuis bleef, zag zij hare lectuur na, die

in hare kamer verspreid lag. En zij vond, dat het voor haar nutteloos

was, Ovidius te lezen, om enkele Romeinsche zeden te bestudeeren,

waarvan sommige haar verschrikt en geschokt hadden; zij vond, dat Dante

en Petrarca te moeilijk waren om Italiaansch te bestudeeren, terwijl

het genoeg was een paar woorden op te vangen om zich verstaanbaar te

maken in een winkel of tegen de bedienden; zij vond de Wandelingen van

Hare een te vermoeiende gids, omdat ieder steentje van Rome haar nu

niet zóó belang inboezemde als het klaarblijkelijk Hare had gedaan.

Toen bekende zij zich, dat zij nooit Italië, nooit Rome zóo zoû kunnen

zien als Duco van der Staal deed. Zij zag nooit het licht van luchten

en gedrijf van wolken als zij het gezien had in zijn onvoltooide

waterverfstudies. Zij zag nooit de ruïnes verheerlijkt als hij het

deed in zijn urenlang gedroom in Forum en op Palatijn. Een schilderij

zag zij alleen maar met het oog van een leek; voor een Byzantijnsche

madonna voelde zij niets. Zij hield wel van beelden; maar innig

liefhebben een romp verminkt marmer, als hij den Eros liefhad, leek

haar ziekelijk ... en toch het ware gevoel om den Eros te zien. Niet

ziekelijk, dacht zij toen ... maar "morbide": het woord, hoewel zij er

zelve om glimlachte, gaf haar beter hare opinie weêr. Niet ziekelijk,

maar morbide. En een olijf vond zij een boom, die op een wilg leek,

terwijl Duco haar gezegd had, dat een olijf den mooisten boom was van

de wereld.

Zij was het niet met hem eens, noch wat die olijf, noch wat den

Eros aanging en toch voelde zij, dat hij gelijk had van een zeker

geheimzinnig standpunt, waarop zij zich niet stellen kon, omdat het was

als een mystieke heuvel, te midden van onoverschrijdbare tooverkringen:

kringen, die hij doorging als gevoelsferen, die de hare niet waren,

zooals de heuvel haar was een onbekende troon van gevoel en van

uitzicht. Zij was het niet met hem eens en toch was zij overtuigd

van zijn beter recht, zijn beteren blik, zijn edeler inzicht, zijn

dieper gevoel; en was zij zeker, dat haar wijze van Italië-zien--in

de teleurstelling van hare illuzie--, in het grauwe licht eener

toenemende onverschilligheid--niet edel was en niet goed; en wist zij,

dat de schoonheid van Italië haar ontsnapte; terwijl ze hem was als

een tastbaar en omhelsbaar vizioen. En zij ruimde Ovidius, Petrarca en

Hare's gidsboek op, en sloot ze in haar koffer, en nam er uit de romans

en brochures, dat jaar verschenen over de vrouwenbeweging in Holland.

Zij stelde belang in het vraagstuk en zij vond er zich moderner om

dan Duco, die haar eensklaps toescheen van een verleden tijd. Niet

modern. Niet modern. Zij herhaalde het woord met wellust en voelde zich

eensklaps krachtiger. Modern te zijn, zoû haar kracht zijn. Een enkel

woord van Duco had haar zeer getroffen: die uitroep: O, als wij een

doel konden vinden! Ons leven heeft een lijn, een pad, dat het gaan

moet.... Modern zijn, was dat geen lijn; oplossing vinden van modern

vraagstuk, was dat geen doel? Hij, hij had gelijk, op zijn standpunt,

vanwaar hij Italië zag, maar was geheel Italië niet een verleden, een

droom, tenminste dàt Italië, dat Duco zag, droomparadijs van kunst

alleen? Het kon niet goed zijn, zoo te staan en zoo te zien, en zoo

te droomen. Het Heden was er: aan de grauwe kimmen daverde naderend

een storm en de moderne vraagstukken flikkerden op als weêrlicht. Was

het dat niet, waar zij voor leven moest? Zij voelde voor de Vrouw, zij

voelde voor het Meisje: zij was zelve het Meisje geweest, opgevoed

alleen met salon-educatie, om te schitteren, als mooi en bevallig,

en dan wel te trouwen. En zij was mooi geweest, en bevallig, zij had

geschitterd en was getrouwd, en nu was zij drie-en-twintig, gescheiden

van dien man, die eens haar eenige doel was geweest, en, haar terwille,

het doel harer ouders: nu was zij alleen, verloren, wanhopig en

stervens-troosteloos: zij had niets om zich aan vast te klemmen, zij

leed. Zij had hem nog lief, hem, een ploert, een ellendeling; en zij

had gedacht al heel flink te zijn: te gaan reizen, om kunst, naar

Italië. Maar zij begreep geen kunst, zij voelde niet Italië. O, hoe zag

zij het in, na die gesprekken, gewisseld met Duco: dat zij kunst nooit

begrijpen zoû, al had zij vroeger wat geteekend, al had zij vroeger in

haar boudoir een biscuitgroep gehad naar Canova: Amor en Psyche: zoo

lief voor een jong meisje. En hoe zeker wist zij nu, dat zij Italië

niet begrijpen zoû, omdat zij een olijfboom niet zoo heel mooi vond, en

de lucht van de Campagna nooit gezien had als een waaiende fenix-vlerk.

Neen, Italië zoû nooit haar levenstroost zijn....

Maar wat dan? Veel had zij doorgemaakt, maar zij leefde en was heel

jong. En op nieuw, bij den aanblik dier brochures, den aanblik van dien

roman, kwam het verlangen in haar ziel op: modern zijn, modern zijn! En

doen aan de moderne problemen. Leven voor de toekomst! Leven voor de

Vrouw, voor het Meisje....

Zij dorst niet diep in zich zien, vreezende te weifelen. Leven voor de

Toekomst.... Het scheidde haar iets meer van Duco, dat nieuwe ideaal.

Kon haar dat schelen, had zij hem lief? Neen, zij dacht van niet. Zij

had haar man lief gehad en wilde niet dadelijk verlieven op den eersten

den besten aardigen jongen, dien zij bij toeval in Rome ontmoette....

En zij las de brochures. Over de Vrouwenkwestie en de Liefde. Toen

dacht zij aan haar man, toen aan Duco. En moê liet zij de brochure

vallen, en dacht hoe treurig het was. De menschen, de vrouwen, de

meisjes. Zij, vrouw, jonge vrouw, doellooze vrouw, hoe treurig zij was

in het leven. En Duco, hij was gelukkig? Maar toch zocht hij de lijn

van zijn leven, toch zag hij uit naar zijn doel. Een nieuwe onrust was

in hem gekomen. En zij schreide een beetje, en wrong zich, onrustig,

in hare kussens, en klampte haar handen, en bad, onbewust, en tot wie,

wist zij niet:

--O God, zèg mij, wat wij moeten doen!

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 16 / 67 题