Op een morgen, dat Cornélie thuis bleef, zag zij hare lectuur na, die
in hare kamer verspreid lag. En zij vond, dat het voor haar nutteloos
was, Ovidius te lezen, om enkele Romeinsche zeden te bestudeeren,
waarvan sommige haar verschrikt en geschokt hadden; zij vond, dat Dante
en Petrarca te moeilijk waren om Italiaansch te bestudeeren, terwijl
het genoeg was een paar woorden op te vangen om zich verstaanbaar te
maken in een winkel of tegen de bedienden; zij vond de Wandelingen van
Hare een te vermoeiende gids, omdat ieder steentje van Rome haar nu
niet zóó belang inboezemde als het klaarblijkelijk Hare had gedaan.
Toen bekende zij zich, dat zij nooit Italië, nooit Rome zóo zoû kunnen
zien als Duco van der Staal deed. Zij zag nooit het licht van luchten
en gedrijf van wolken als zij het gezien had in zijn onvoltooide
waterverfstudies. Zij zag nooit de ruïnes verheerlijkt als hij het
deed in zijn urenlang gedroom in Forum en op Palatijn. Een schilderij
zag zij alleen maar met het oog van een leek; voor een Byzantijnsche
madonna voelde zij niets. Zij hield wel van beelden; maar innig
liefhebben een romp verminkt marmer, als hij den Eros liefhad, leek
haar ziekelijk ... en toch het ware gevoel om den Eros te zien. Niet
ziekelijk, dacht zij toen ... maar "morbide": het woord, hoewel zij er
zelve om glimlachte, gaf haar beter hare opinie weêr. Niet ziekelijk,
maar morbide. En een olijf vond zij een boom, die op een wilg leek,
terwijl Duco haar gezegd had, dat een olijf den mooisten boom was van
de wereld.
Zij was het niet met hem eens, noch wat die olijf, noch wat den
Eros aanging en toch voelde zij, dat hij gelijk had van een zeker
geheimzinnig standpunt, waarop zij zich niet stellen kon, omdat het was
als een mystieke heuvel, te midden van onoverschrijdbare tooverkringen:
kringen, die hij doorging als gevoelsferen, die de hare niet waren,
zooals de heuvel haar was een onbekende troon van gevoel en van
uitzicht. Zij was het niet met hem eens en toch was zij overtuigd
van zijn beter recht, zijn beteren blik, zijn edeler inzicht, zijn
dieper gevoel; en was zij zeker, dat haar wijze van Italië-zien--in
de teleurstelling van hare illuzie--, in het grauwe licht eener
toenemende onverschilligheid--niet edel was en niet goed; en wist zij,
dat de schoonheid van Italië haar ontsnapte; terwijl ze hem was als
een tastbaar en omhelsbaar vizioen. En zij ruimde Ovidius, Petrarca en
Hare's gidsboek op, en sloot ze in haar koffer, en nam er uit de romans
en brochures, dat jaar verschenen over de vrouwenbeweging in Holland.
Zij stelde belang in het vraagstuk en zij vond er zich moderner om
dan Duco, die haar eensklaps toescheen van een verleden tijd. Niet
modern. Niet modern. Zij herhaalde het woord met wellust en voelde zich
eensklaps krachtiger. Modern te zijn, zoû haar kracht zijn. Een enkel
woord van Duco had haar zeer getroffen: die uitroep: O, als wij een
doel konden vinden! Ons leven heeft een lijn, een pad, dat het gaan
moet.... Modern zijn, was dat geen lijn; oplossing vinden van modern
vraagstuk, was dat geen doel? Hij, hij had gelijk, op zijn standpunt,
vanwaar hij Italië zag, maar was geheel Italië niet een verleden, een
droom, tenminste dàt Italië, dat Duco zag, droomparadijs van kunst
alleen? Het kon niet goed zijn, zoo te staan en zoo te zien, en zoo
te droomen. Het Heden was er: aan de grauwe kimmen daverde naderend
een storm en de moderne vraagstukken flikkerden op als weêrlicht. Was
het dat niet, waar zij voor leven moest? Zij voelde voor de Vrouw, zij
voelde voor het Meisje: zij was zelve het Meisje geweest, opgevoed
alleen met salon-educatie, om te schitteren, als mooi en bevallig,
en dan wel te trouwen. En zij was mooi geweest, en bevallig, zij had
geschitterd en was getrouwd, en nu was zij drie-en-twintig, gescheiden
van dien man, die eens haar eenige doel was geweest, en, haar terwille,
het doel harer ouders: nu was zij alleen, verloren, wanhopig en
stervens-troosteloos: zij had niets om zich aan vast te klemmen, zij
leed. Zij had hem nog lief, hem, een ploert, een ellendeling; en zij
had gedacht al heel flink te zijn: te gaan reizen, om kunst, naar
Italië. Maar zij begreep geen kunst, zij voelde niet Italië. O, hoe zag
zij het in, na die gesprekken, gewisseld met Duco: dat zij kunst nooit
begrijpen zoû, al had zij vroeger wat geteekend, al had zij vroeger in
haar boudoir een biscuitgroep gehad naar Canova: Amor en Psyche: zoo
lief voor een jong meisje. En hoe zeker wist zij nu, dat zij Italië
niet begrijpen zoû, omdat zij een olijfboom niet zoo heel mooi vond, en
de lucht van de Campagna nooit gezien had als een waaiende fenix-vlerk.
Neen, Italië zoû nooit haar levenstroost zijn....
Maar wat dan? Veel had zij doorgemaakt, maar zij leefde en was heel
jong. En op nieuw, bij den aanblik dier brochures, den aanblik van dien
roman, kwam het verlangen in haar ziel op: modern zijn, modern zijn! En
doen aan de moderne problemen. Leven voor de toekomst! Leven voor de
Vrouw, voor het Meisje....
Zij dorst niet diep in zich zien, vreezende te weifelen. Leven voor de
Toekomst.... Het scheidde haar iets meer van Duco, dat nieuwe ideaal.
Kon haar dat schelen, had zij hem lief? Neen, zij dacht van niet. Zij
had haar man lief gehad en wilde niet dadelijk verlieven op den eersten
den besten aardigen jongen, dien zij bij toeval in Rome ontmoette....
En zij las de brochures. Over de Vrouwenkwestie en de Liefde. Toen
dacht zij aan haar man, toen aan Duco. En moê liet zij de brochure
vallen, en dacht hoe treurig het was. De menschen, de vrouwen, de
meisjes. Zij, vrouw, jonge vrouw, doellooze vrouw, hoe treurig zij was
in het leven. En Duco, hij was gelukkig? Maar toch zocht hij de lijn
van zijn leven, toch zag hij uit naar zijn doel. Een nieuwe onrust was
in hem gekomen. En zij schreide een beetje, en wrong zich, onrustig,
in hare kussens, en klampte haar handen, en bad, onbewust, en tot wie,
wist zij niet:
--O God, zèg mij, wat wij moeten doen!