XI.

--Wat kan u die vreemde menschen schelen? vroeg hij.

Zij zaten in zijn atelier, mevrouw Van der Staal, Cornélie en de

meisjes, Annie en Emilie. Annie schonk thee en zij spraken over miss

Taylor en Urania.

--Ik ben voor u ook vreemd! antwoordde Cornélie.

--U is niet vreemd voor mij, voor ons.... Maar miss Taylor en Urania

kunnen mij niets schelen. Door ons leven dwalen honderde schim men: ik

zie ze niet en voel niet voor ze....

--En ik ben geen schim?

--Ik heb met u te veel gesproken in Borghese en op den Palatijn om u

een schim te vinden.

--Rudyard is een gevaarlijke schim, zeide Annie.

--Hij heeft geen vat op ons, antwoordde Duco.

Mevrouw Van der Staal zag Cornélie aan. Zij begreep dien blik en zeide

lachend:

--Neen, hij heeft geen vat op mij ook.... Toch, als ik aan

godsdienst--ik meen kerkelijken godsdienst--behoefte had, zoû ik liever

Roomsch-Katholiek willen zijn dan Hervormd. Maar nu....

Zij voltooide niet. Zij voelde zich veilig in dit atelier, in deze

zachte, bonte samenwemeling van mooie dingen, in hunne sympathie: zij

voelde zich met hen allen harmonisch: met het bevallige en wereldsche

van die ietwat oppervlakkige moeder en hare twee mooie meisjes: een

beetje poppig en vaag cosmopolitisch, vrij ijdel op de markiesjes,

waar ze meê dansten en fietsten; en met dier zoon, dien broêr, zoo

geheel verschillend van haar drieën en haar toch zichtbaar verwant

door een beweging, een gebaar, en een enkel woord. Ook trof het

Cornélie, dat zij elkaâr met liefde namen, zooals zij waren; Duco zijne

moeder en zusters met hare verhaaltjes over de prinsessen Colonna

en Odescalchi; mevrouw en de meisjes hem, met zijn oude jasje en

verwarde haren. En als hij begon te spreken, vooral te spreken over

Rome, als hij zijn droom gaf in woorden, in bijna boeke-zinnen, maar

zoo geleidelijk en natuurlijk vloeiende van zijne lippen, voelde

Cornélie zich harmonisch, voelde ze zich veilig, geïnteresseerd, en

verloor ze een weinig die zucht tot tegenspraak, die zijn artistieke

indolentie soms bij haar opwekte. En daarbij, zijne indolentie scheen

haar eensklaps maar schijnbaar, en misschien wel aanstellerij, want

hij toonde haar schetsen, aquarellen, geen enkele af, maar elke

aquarel levend van licht, van licht vooral, van alle licht van Italië:

de parelen zonsondergangen over het vloeiende emerald van Venetië;

Florence's torens droomvaag geteekend in theeroos-teedere luchten; het

forteresachtige Sienna zwartblauw in blauwenden maneschijn; oranje

zonnebranden achter Sint-Pieter, en vooral de ruïnes en in ieder licht:

het Forum in felle zon, de Palatijn in den avondschemer, het Colosseum

in den nacht geheimzinnig, en dan de Campagna: al het luchtgedroom

en lichtgewaas van de blijde en droeve Campagna, met zachtroze

mauve's, dauwende blauwen, opduisterend violet, of de brallende okers

van zonsondergangen als vuurwerk, en wolkuitwaaiïngen als purperen

fenixwieken. En toen Cornélie hem vroeg waarom niets was af, antwoordde

hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en

apotheozen, en op zijn papier werden ze water en verf, en vèrf, dat

was niet af te maken. En dan miste hij zelfvertrouwen. En dan liet hij

zijn luchten, zeide hij en teekende-na Byzantijnsche madonna's.

Toen hij zag, dat zijn aquarellen haar toch interesseerden, sprak hij

over zichzelven voort. Hoe hij eerst dweepte met de edele en naïve

Primitieven, met Giotto en vooral Lippo Memmi.... Hoe hij daarna, een

jaar in Parijs, gevonden had dat niets ging boven Forain: droogkoele

satyre in twee of drie lijnen; hoe zich toen, in den Louvre, Rubens aan

hem geopenbaard had: Rubens, wiens eigen talent en wiens eigen penseel

hij opspoorde tusschen al het nagedoe en leerwerk van al zijn talrijke

leerlingen, tot hij wist te zeggen, welk cherubijntje van Rubens

zelven was in een hemel vol cherubijnen, geschilderd door vier, vijf

discipelen.

En dan, zeide hij, dacht hij weken niet na over schilderkunst, en nam

hij geen penseel ter hand, en ging hij iederen dag naar het Vaticaan,

en verloor zich in de edele marmers.

Eens had hij een morgen lang zitten droomen voor den Eros, eens had hij

er een poëem gedroomd op heele zachte melodie van monotone begeleiding,

als een innige incantatie: thuis had hij gedicht en muziek willen

stellen op papier, maar had hij niet gekund. Nu kon hij Forain niet

meer zien, vond Rubens walgelijk en grof, maar was de Primitieven

getrouw gebleven.

--En stel nu, dat ik veel schilderde, en veel naar expozities zond? Zoû

ik gelukkiger zijn? Zoû ik voldoening voelen iets te hebben gedaan?

Ik geloof het niet. Soms maak ik een aquarel af, verkoop die, en kan

dan een maand bestaan zonder mama lastig te vallen. Geld kan mij niet

schelen. Roemzucht is mij heelemaal vreemd! Maar laat ons niet meer

over mij praten. Denkt u nog aan de toekomst en ... brood?

--Misschien, antwoordde zij, droef lachende, en om haar heen duisterde

donkerder het atelier, verzwijmden zacht-aan de silhouetten van zijn

moeder en zusters, die stil zaten, loom in gemakkelijke stoelen, en

weinig geïnteresseerd, en verschaduwde stil alle kleur. Maar ik ben zoo

zwak. U zegt, dat u geen artist is, en ik, ik ben geen apostel.

--Aan zijn leven richting geven, dàt is het moeilijke. Ieder leven

heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het

leven vervloeien in den dood, en wat is na den dood; en _die_ lijn is

moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden.

--Ik zie mijn lijn ook niet voor me....

--Weet u, er is een onrust over me gekomen. Mama, hoort u, er is

een onrust over me gekomen. Vroeger droomde ik in het Forum, ik was

gelukkig en dacht niet aan mijn lijn. Mama, denkt u aan uw lijn, en

denken de zusjes er aan?

De zusjes, in den donker, als poesjes in de diepe stoelen verzonken,

gichelden een beetje. Mama stond op.

--Beste Duco, je weet, ik kan je niet volgen. Ik bewonder Cornélie, dat

zij je aquarellen mooi kan vinden, en begrijpt, wàt je bedoelt met die

lijn. Mijn lijn is nu naar huis, want het is al heel laat....

--Dat is de lijn van de naaste seconde. Maar er is een onrust over mijn

lijn van dagen en weken hierna. Ik leef niet goed. Het Verleden is

heel mooi, en zoo rustig, omdat het geweest is. Maar ik heb die rust

verloren. Het Heden is wel heel klein. Maar de Toekomst. O, als we een

doel konden vinden! Voor de Toekomst....

Zij hoorden niet meer naar hem; zij gingen de donkere trappen af,

tastende.

--Brood? vroeg hij zich af.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 15 / 67 题