--Wat kan u die vreemde menschen schelen? vroeg hij.
Zij zaten in zijn atelier, mevrouw Van der Staal, Cornélie en de
meisjes, Annie en Emilie. Annie schonk thee en zij spraken over miss
Taylor en Urania.
--Ik ben voor u ook vreemd! antwoordde Cornélie.
--U is niet vreemd voor mij, voor ons.... Maar miss Taylor en Urania
kunnen mij niets schelen. Door ons leven dwalen honderde schim men: ik
zie ze niet en voel niet voor ze....
--En ik ben geen schim?
--Ik heb met u te veel gesproken in Borghese en op den Palatijn om u
een schim te vinden.
--Rudyard is een gevaarlijke schim, zeide Annie.
--Hij heeft geen vat op ons, antwoordde Duco.
Mevrouw Van der Staal zag Cornélie aan. Zij begreep dien blik en zeide
lachend:
--Neen, hij heeft geen vat op mij ook.... Toch, als ik aan
godsdienst--ik meen kerkelijken godsdienst--behoefte had, zoû ik liever
Roomsch-Katholiek willen zijn dan Hervormd. Maar nu....
Zij voltooide niet. Zij voelde zich veilig in dit atelier, in deze
zachte, bonte samenwemeling van mooie dingen, in hunne sympathie: zij
voelde zich met hen allen harmonisch: met het bevallige en wereldsche
van die ietwat oppervlakkige moeder en hare twee mooie meisjes: een
beetje poppig en vaag cosmopolitisch, vrij ijdel op de markiesjes,
waar ze meê dansten en fietsten; en met dier zoon, dien broêr, zoo
geheel verschillend van haar drieën en haar toch zichtbaar verwant
door een beweging, een gebaar, en een enkel woord. Ook trof het
Cornélie, dat zij elkaâr met liefde namen, zooals zij waren; Duco zijne
moeder en zusters met hare verhaaltjes over de prinsessen Colonna
en Odescalchi; mevrouw en de meisjes hem, met zijn oude jasje en
verwarde haren. En als hij begon te spreken, vooral te spreken over
Rome, als hij zijn droom gaf in woorden, in bijna boeke-zinnen, maar
zoo geleidelijk en natuurlijk vloeiende van zijne lippen, voelde
Cornélie zich harmonisch, voelde ze zich veilig, geïnteresseerd, en
verloor ze een weinig die zucht tot tegenspraak, die zijn artistieke
indolentie soms bij haar opwekte. En daarbij, zijne indolentie scheen
haar eensklaps maar schijnbaar, en misschien wel aanstellerij, want
hij toonde haar schetsen, aquarellen, geen enkele af, maar elke
aquarel levend van licht, van licht vooral, van alle licht van Italië:
de parelen zonsondergangen over het vloeiende emerald van Venetië;
Florence's torens droomvaag geteekend in theeroos-teedere luchten; het
forteresachtige Sienna zwartblauw in blauwenden maneschijn; oranje
zonnebranden achter Sint-Pieter, en vooral de ruïnes en in ieder licht:
het Forum in felle zon, de Palatijn in den avondschemer, het Colosseum
in den nacht geheimzinnig, en dan de Campagna: al het luchtgedroom
en lichtgewaas van de blijde en droeve Campagna, met zachtroze
mauve's, dauwende blauwen, opduisterend violet, of de brallende okers
van zonsondergangen als vuurwerk, en wolkuitwaaiïngen als purperen
fenixwieken. En toen Cornélie hem vroeg waarom niets was af, antwoordde
hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en
apotheozen, en op zijn papier werden ze water en verf, en vèrf, dat
was niet af te maken. En dan miste hij zelfvertrouwen. En dan liet hij
zijn luchten, zeide hij en teekende-na Byzantijnsche madonna's.
Toen hij zag, dat zijn aquarellen haar toch interesseerden, sprak hij
over zichzelven voort. Hoe hij eerst dweepte met de edele en naïve
Primitieven, met Giotto en vooral Lippo Memmi.... Hoe hij daarna, een
jaar in Parijs, gevonden had dat niets ging boven Forain: droogkoele
satyre in twee of drie lijnen; hoe zich toen, in den Louvre, Rubens aan
hem geopenbaard had: Rubens, wiens eigen talent en wiens eigen penseel
hij opspoorde tusschen al het nagedoe en leerwerk van al zijn talrijke
leerlingen, tot hij wist te zeggen, welk cherubijntje van Rubens
zelven was in een hemel vol cherubijnen, geschilderd door vier, vijf
discipelen.
En dan, zeide hij, dacht hij weken niet na over schilderkunst, en nam
hij geen penseel ter hand, en ging hij iederen dag naar het Vaticaan,
en verloor zich in de edele marmers.
Eens had hij een morgen lang zitten droomen voor den Eros, eens had hij
er een poëem gedroomd op heele zachte melodie van monotone begeleiding,
als een innige incantatie: thuis had hij gedicht en muziek willen
stellen op papier, maar had hij niet gekund. Nu kon hij Forain niet
meer zien, vond Rubens walgelijk en grof, maar was de Primitieven
getrouw gebleven.
--En stel nu, dat ik veel schilderde, en veel naar expozities zond? Zoû
ik gelukkiger zijn? Zoû ik voldoening voelen iets te hebben gedaan?
Ik geloof het niet. Soms maak ik een aquarel af, verkoop die, en kan
dan een maand bestaan zonder mama lastig te vallen. Geld kan mij niet
schelen. Roemzucht is mij heelemaal vreemd! Maar laat ons niet meer
over mij praten. Denkt u nog aan de toekomst en ... brood?
--Misschien, antwoordde zij, droef lachende, en om haar heen duisterde
donkerder het atelier, verzwijmden zacht-aan de silhouetten van zijn
moeder en zusters, die stil zaten, loom in gemakkelijke stoelen, en
weinig geïnteresseerd, en verschaduwde stil alle kleur. Maar ik ben zoo
zwak. U zegt, dat u geen artist is, en ik, ik ben geen apostel.
--Aan zijn leven richting geven, dàt is het moeilijke. Ieder leven
heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het
leven vervloeien in den dood, en wat is na den dood; en _die_ lijn is
moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden.
--Ik zie mijn lijn ook niet voor me....
--Weet u, er is een onrust over me gekomen. Mama, hoort u, er is
een onrust over me gekomen. Vroeger droomde ik in het Forum, ik was
gelukkig en dacht niet aan mijn lijn. Mama, denkt u aan uw lijn, en
denken de zusjes er aan?
De zusjes, in den donker, als poesjes in de diepe stoelen verzonken,
gichelden een beetje. Mama stond op.
--Beste Duco, je weet, ik kan je niet volgen. Ik bewonder Cornélie, dat
zij je aquarellen mooi kan vinden, en begrijpt, wàt je bedoelt met die
lijn. Mijn lijn is nu naar huis, want het is al heel laat....
--Dat is de lijn van de naaste seconde. Maar er is een onrust over mijn
lijn van dagen en weken hierna. Ik leef niet goed. Het Verleden is
heel mooi, en zoo rustig, omdat het geweest is. Maar ik heb die rust
verloren. Het Heden is wel heel klein. Maar de Toekomst. O, als we een
doel konden vinden! Voor de Toekomst....
Zij hoorden niet meer naar hem; zij gingen de donkere trappen af,
tastende.
--Brood? vroeg hij zich af.