IX.

Het was Kerstmis, en de marchesa Belloni bood bij gelegenheid van dit

feest aan hare pensionnaires aan: een boom in het salon, en een bal

daarna in de antieke eetzaal van Guercino. Bal te geven en boom was een

gewoonte van vele hôtelhouders, en de pensions, waar bal en boom niet

gegeven werden, waren bekend en werden om dezen inbreuk op de traditie

zeer gelaakt door de vreemdelingen. Er waren voorbeelden bekend van

zeer goede pensions, waar tal van reizigers--dames vooral--niet kwamen,

omdat er noch boom, noch bal was met Kerstmis.

De marchesa vond haar boom duur en haar bal ook niet goedkoop en gaarne

had zij eens het een of ander voorwendsel gevonden, om beiden weg te

goochelen, maar zij dorst niet: de reputatie van haar pension was

juist het wereldsche, het chique ervan: de table-d'hôte in de mooie

eetzaal, waar men toilet maakte, en dan met Kerstmis een schitterend

feest. En het was aardig te zien, hoe fel die dames allen waren op

hare rekening van den geheelen winter op den koop toe te krijgen een

prullig kerstcadeautje, en de gelegenheid om te dansen met vrij gebruik

van een orgeade en een koekje, een sandwich en een bouillon. De oude

knikkende maître-d'hôtel, Giuseppe, zag met minachting neêr op deze

feestelijkheid: hij herinnerde zich het gala zijner aartshertogelijke

avonden en vond het bal min, en de boom armoedig; de krukkende portier,

Antonio, gewend aan zijn betrekkelijk rustig leventje--een gast

afhalen of wegbrengen naar het station--,de post een paar keer per dag

rustigjes sorteeren, en verder wat lummelen in en om zijn loge en den

lift,--haatte het bal, om al de invités der pensionnaires--want ieder

mocht twee of drie invitaties doen--, om al het vermoeiende gedoe

met rijtuigen, als de genoodigden dan nog vlug in hun fiacre wisten

te stappen zonder hem zijn fooitje te geven. Om en bij Kerstmis was

de stemming tusschen de marchesa en haar beide eerste dignitarissen

dan ook verre van harmonisch, en een storm van bevel en vervloeking

hagelde deze dagen neêr op de ruggen der oude cameriera's, die, met

hare warme-waterketeltjes in de bevende handen, moeizaam de trappen

op en neêr krabbelden, en der jeugdige blanc-becs van kellners, die

in onbesuisden ijver tegen elkaâr in draafden en borden braken. En nu

dat het heele personeel aan het werk was gezet, zag men eerst hoe oud

de cameriera's waren, en hoe jong al de kellners, en kritizeerde men

als "shame and shocking," de zuinigheids-maatregel van de marchesa om

niets dan ruïnes en kinderen in dienst te nemen. De enkele gespierde

facchino, noodzakelijk om koffers te zeulen, maakte een onverwachte

figuur van mannelijken leeftijd en stevigheid. Maar vooral haatten de

gasten hunne marchesa om het groote aantal harer bedienden, nu, om en

bij Kerstmis, bedenkende, dat zij aan ieder een fooitje geven moesten.

Neen, men had niet geweten, dat er zooveel personeel was. Dat was toch

ook niet noodig! Als de marchesa voor al die oude vrouwen en kleine

jongentjes nu eens een paar flinke jonge meiden en knechts nam! En het

waren in de hoeken der gangen en aan tafel stille samenzweringen en

afspraken, hoeveel fooi men zoû geven: men wilde niet bederven, maar

toch bleef men den geheelen winter, en was éen lire dus te weinig, en

zoo weifelde men tusschen éen lire-vijf-en-twintig en éen lire-vijftig.

Maar toen men op de vingers telde, dat er wel vijf-en-twintig bedienden

waren en dat men dus bij de veertig lire kwijt was, vond men dat

schrikbarend veel en organizeerde men lijsten van inschrijving. Er

gingen twee lijsten rond, een van éen lire, en een van twaalf lire

per gast, voor het geheele personeel. Op die laatste lijst teekenden

sommigen, die een maand vroeger gekomen waren of van plan waren weg

te gaan, voor tien lire, en sommigen voor zes lire. Vijf lire werd

algemeen te weinig gevonden, en toen het bekend was, dat de groezelige

esthetische dames vijf lire wilden geven, werden zij aangekeken met de

diepste verachting.

Het waren groote emoties en groote drukten. Kerstmis naderde en men

stroomde naar de presepio's, die schilders in Palazzo Borghese hadden

opgesteld--een panorama van Jeruzalem; en de herders, de engelen,

de koningen, en Maria met het kindje in den stal met os en ezel.

Men hoorde in Ara-Coeli naar de predicatie der kleine meisjes en

jongentjes, die beurtelings op een estrade klommen en het verhaal

van de Geboorte deden: sommigen, verlegen een versje opzeggend,

voorgefluisterd door een angstige moeder; andere, meisjes vooral, met

Italiaansche tragiek en rollende oogen deklameerend als kleine actrices

en eindigend met een religieuze moraal. Om de predicaties luisterden

het volk en tallooze toeristen: een prettige geest heerschte in de

kerk, waar de jonge schelle kinderstemmetjes hoog-op oreerden; men

lachte luid om een gebaar en effect; en de ronddwalende geestelijken

hadden een zalvenden glimlach, omdat het zoo aardig en lief was. En in

de kapel van den Santo Bambino straalde de houten wonderpop van goud en

juweelen, en de dichte menigte verdrong zich er voor.

Alle gasten van Belloni kochten op de Piazza di Spagna hulsttakken

en versierden er hunne kamers mede, en sommigen, bijvoorbeeld de

baronin Von Rothkirch, richtten in haar eigen kamer een particulieren

Kerstboom op. Den avond vóor het groote feest ging een ieder deze

particuliere boomen bewonderen; liep men kamer in, kamer uit, en alle

pensionnaires, hoe ze anders soms ook kibbelden en intrigeerden tegen

elkaâr, hadden een welwillenden feestlach, en ontvingen iedereen. Men

was het er algemeen over eens, dat de baronin veel werk had gemaakt

en haar boom prachtig was, en haar slaapkamer aardig omgetooverd

in een boudoir; de bedden gedrapeerd tot divans, de waschtafels

verborgen, en de boom stralende van licht en goud. En de baronin,

wat sentimenteel gestemd op dezen avond, die haar veel aan Berlijn

en verloren huiselijkheid herinnerde, opende hare deuren wijd voor

iedereen, en prezenteerde zelfs de twee esthetische dames bonbons,

toen de marchesa ook glimlachend aan de deur verscheen, haar boezem,

omspannen in hemelsblauw satijn, en nog grootere kristallen dan anders

in de ooren. De kamer was vol; er waren de Van der Staals, Cornélie,

Rudyard, Urania Hope, andere in- en uitloopende gasten, zoodat men zich

niet verroeren kon, en op elkaâr gepakt stond en zat op de gedrapeerde

bedden van moeder en dochter. De marchesa voerde aan hare zijde

binnen een onbekend jongmensch: klein, smal, olijfbleek, met donkere

vif geestige schitteroogen, in rok, en met de vage en nette manieren

van een onverschilligen en moeden viveur; gedistingeerd, en toch

laatdunkend. En zij naderde fier de baronin, die hare vochtige oogen

telkens bevallig afwischte en stelde met arrogantie voor:

--Mijn neef, duca di San Stefano, principe di Forte-Braccio....

De algemeen bekende Italiaansche naam klonk van hare lippen expres

luid op in de volle, niet groote kamer en aller oogen gingen naar

den jongen man, die voor de baronin boog en toen vaag en ironisch de

kamer rondzag. Men had dien winter den neef van de marchesa nog niet

in het hôtel gezien, maar een ieder wist, dat de jonge hertog van

San Stefano, prins van Forte-Braccio, een neef was van de marchesa,

en een der reclames voor haar pension. En terwijl de prins met de

baronin en hare dochter sprak, staarde Urania Hope hem aan als een

wonderwezen uit een andere wereld. Zij had Cornélie's arm vastgegrepen

als voor een steun, als zoû zij bezwijmen bij den aanblik van zooveel

Italiaansche adelgrootheid. Zij vond hem heel mooi, heel voornaam:

klein en smal en bleek, met zijn oogen als karbonkelen, met zijn matte

gedistingeerdheid, en de witte orchidee in zijn knoopsgat. En dolgaarne

had zij de marchesa gevraagd haar in kennis te brengen met haar chiquen

neef, maar zij dorst niet, want zij dacht aan de tricotfabriek van haar

vader in Chicago.

Den volgenden avond was het feest van den boom en het bal. Het was

bekend, dat de neef van de marchesa ook dien avond zoû komen en het was

den geheelen dag een groote emotie. De prins kwam, nadat de prezentjes

van den boom waren afgehaakt en uitgedeeld, en in de zaal, waar het bal

nog niet begonnen was, maar de gasten reeds hier en daar zaten, deed

hij aan de zijde van zijn tante, de marchesa, een soort van intocht,

aller blikken zich richtend naar zijn hertogelijke en prinselijke

verschijning.

Cornélie wandelde met Duco van der Staal, die tot groote verwondering

van moeder en zusters zijn rok te voorschijn had gehaald en verschenen

was in den ruimen hall, en zij zagen beiden den zegetocht van la

Belloni en haar neef, en zij lachten om de dwepend opkijkende oogen

der Engelsche en Amerikaansche dames. Zij zetten zich,--Cornélie en

Duco--in den hall op twee stoelen, voor een groep van palmen, die een

der deuren van de zaal maskeerden, terwijl binnen het bal begon. Zij

praatten over de beelden in het Vaticaan, die zij een paar dagen te

voren gezien hadden, toen zij, als vlak aan hun ooren, een stem hoorden

praten, die zij herkenden als het te vergeefs zich in gefluister

verzachtende commando-orgaan van de marchesa. Verbaasd zagen zij om,

en bespeurden de verborgen deur met een breede reet opengekraakt, en

zagen door die reet ten deele de slanke hand en de zwarte mouw van

den prins, en een stuk blauwen boezem van Belloni, beiden gezeten op

een canapé in de zaal. Zij waren dus, gescheiden door de opengekraakte

deur, rug aan rug. Voor amuzement hoorden zij naar het Italiaansch

van de marchesa; wat de prins antwoordde, was zoo een zacht gelispel,

dat zij het niet verstonden. En van wat de marchesa zeide, hoorden

zij slechts enkele woorden en stukken van zinnen. Onwillekeurig

luisterden zij, toen zij den naam van Rudyard hoorden noemen, duidelijk

uitgesproken door de marchesa.

--En wie dan? vroeg de prins zacht.

--Een Engelsche miss, zei de marchesa. Miss Taylor, ze zit daar, in

dien hoek alleen.... Een simpel menschje.... Dan de baronin en haar

dochter.... Dan de Hollandsche; een gescheiden vrouw.... En dan de

mooie Amerikaansche.

--En die twee aardige Hollandsche meisjes? vroeg de prins.

De muziek boem-boemde luider op en Cornélie en Duco verstonden niets.

--En de gescheiden Hollandsche vrouw? vroeg de prins verder.

--Geen geld, antwoordde de marchesa kort.

--En de jonge baronesse?

--Geen geld, herhaalde Belloni.

--Dus niemand dan de kousenverkoopster? vroeg de prins moê.

La Belloni werd boos, maar Cornélie en Duco verstonden niet hare

afratelende zinnetjes: de muziek boem-boemde steeds op.

--... Ze is mooi, hoorden zij de marchesa zeggen. Ze is schat- en

schatrijk. Ze zoû in een eerste hôtel kunnen zijn, maar ze is hier,

omdat ze als jong en alleen reizend meisje aan mij gerecommandeerd is

en het hier gezelliger is. Ze heeft het groote salon voor zich en

betaalt vijftig lire per dag voor haar twee kamers. Ze ziet op niets.

Haar hout betaalt ze driemaal zoo duur als de anderen en ook voor den

wijn laat ik haar betalen.

--Ze verkoopt kousen, murmelde de prins onwillig.

--Onzin, sprak de marchesa. Bedenk, dat er op het oogenblik niemand

is. Verleden winter hadden wij rijke Engelsche lui van adel, met een

dochter, maar je vondt haar te lang. Je vindt altijd wat. Je moet niet

zoo moeilijk zijn.

--Ik vind die twee Hollandsche poppetjes aardig.

--Ze hebben geen geld. Je vindt altijd wat je niet vinden moet.

--Hoeveel heeft papa u beloofd, als u....

De muziek boemde op.

--... Zoû er niets toe doen.... Als Rudyard met haar praat.... Taylor is

gemakkelijk.... Miss Hope....

--Ik heb zooveel kousen niet noodig....

--... erg geestig. Als je niet wilt....

--... neen....

--... dan trek ik mij terug ... zal Rudyard zeggen.... Hoeveel?

--... Zestig à zeventig duizend: ik weet niet precies.

--... Urgent?

--Schulden zijn nooit urgent!

--Wil je?

--Goed dan. Maar ik verkoop me niet minder dan voor tien millioen....

En dan krijgt ... u....

Zij lachten beiden en weêr klonken de namen van Rudyard, Urania.

--Urania? vroeg hij.

--Urania ... antwoordde la Belloni. Die Amerikaantjes zijn handig. Denk

aan de gravin de Castellane, aan de hertogin van Marlborough; houden

die niet den naam van hun mannen hoog. Ze slaan een uitstekend figuur.

Ze worden genoemd in iedere modekroniek en altijd met waardeering.

--... goed dan. Ik ben moê van al die vergeefsche winters. Maar niet

minder dan tien millioen.

--Vijf....

--Neen, tien....

De prins en de marchesa waren opgestaan. Cornélie zag Duco aan. Duco

lachte.

--Ik begrijp ze niet goed, zeide hij. Het is natuurlijk een aardigheid.

Cornélie schrikte.

--Een aardigheid, dunkt u, meneer Van der Staal?

--Ja, ze maakten gekheid.

--Ik geloof van niet.

--Ik van wel.

--Heeft u menschenkennis?

--O neen, heelemaal niet.

--Ik doe wat op, langzamerhand. Ik geloof, dat Rome gevaarlijk kan zijn

en dat een marchesa-hôtelhoudster, een prins en een Jezuïet....

--Wat dan?

--Ook gevaarlijk kunnen zijn, zoo niet voor uw zusjes, omdat ze geen

geld hebben, dan toch voor Urania Hope....

--Ik geloof er niets van.... Het was alles gekheid. En het interesseert

me niet. Maar wat vindt u van den Eros van Praxiteles? O, dat vind ik

het goddelijkste beeld, dat ik ooit heb gezien. O, de Eros, de Eros...!

Dat is de liefde, de ware liefde; het niet anders kunnen, het fatale en

om vergeving smeekende van de liefde, voor het leed, dat hij aandoet....

--Heeft u ooit liefgehad?

--Neen. Ik heb geen menschenkennis en ik had nooit lief. U is zoo

gedecideerd altijd. Droomen zijn mooi, beelden zijn heerlijk en poëzie

is alles. De Eros is alles, van liefde. Zoo mooi als de Eros liefde is,

zoû ik nooit in werkelijkheid kunnen lief hebben.... Neen, menschen te

kennen interesseert mij niet, en een droom van Praxiteles, nog over in

een romp verminkt marmer, is edeler dan alles wat op de wereld liefde

zich noemt.

Zij fronste hare wenkbrauwen; zij zag somber.

--Laat ons in de balzaal gaan, zeide zij. Wij zitten hier zoo

alleen....

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 13 / 67 题