Het was Kerstmis, en de marchesa Belloni bood bij gelegenheid van dit
feest aan hare pensionnaires aan: een boom in het salon, en een bal
daarna in de antieke eetzaal van Guercino. Bal te geven en boom was een
gewoonte van vele hôtelhouders, en de pensions, waar bal en boom niet
gegeven werden, waren bekend en werden om dezen inbreuk op de traditie
zeer gelaakt door de vreemdelingen. Er waren voorbeelden bekend van
zeer goede pensions, waar tal van reizigers--dames vooral--niet kwamen,
omdat er noch boom, noch bal was met Kerstmis.
De marchesa vond haar boom duur en haar bal ook niet goedkoop en gaarne
had zij eens het een of ander voorwendsel gevonden, om beiden weg te
goochelen, maar zij dorst niet: de reputatie van haar pension was
juist het wereldsche, het chique ervan: de table-d'hôte in de mooie
eetzaal, waar men toilet maakte, en dan met Kerstmis een schitterend
feest. En het was aardig te zien, hoe fel die dames allen waren op
hare rekening van den geheelen winter op den koop toe te krijgen een
prullig kerstcadeautje, en de gelegenheid om te dansen met vrij gebruik
van een orgeade en een koekje, een sandwich en een bouillon. De oude
knikkende maître-d'hôtel, Giuseppe, zag met minachting neêr op deze
feestelijkheid: hij herinnerde zich het gala zijner aartshertogelijke
avonden en vond het bal min, en de boom armoedig; de krukkende portier,
Antonio, gewend aan zijn betrekkelijk rustig leventje--een gast
afhalen of wegbrengen naar het station--,de post een paar keer per dag
rustigjes sorteeren, en verder wat lummelen in en om zijn loge en den
lift,--haatte het bal, om al de invités der pensionnaires--want ieder
mocht twee of drie invitaties doen--, om al het vermoeiende gedoe
met rijtuigen, als de genoodigden dan nog vlug in hun fiacre wisten
te stappen zonder hem zijn fooitje te geven. Om en bij Kerstmis was
de stemming tusschen de marchesa en haar beide eerste dignitarissen
dan ook verre van harmonisch, en een storm van bevel en vervloeking
hagelde deze dagen neêr op de ruggen der oude cameriera's, die, met
hare warme-waterketeltjes in de bevende handen, moeizaam de trappen
op en neêr krabbelden, en der jeugdige blanc-becs van kellners, die
in onbesuisden ijver tegen elkaâr in draafden en borden braken. En nu
dat het heele personeel aan het werk was gezet, zag men eerst hoe oud
de cameriera's waren, en hoe jong al de kellners, en kritizeerde men
als "shame and shocking," de zuinigheids-maatregel van de marchesa om
niets dan ruïnes en kinderen in dienst te nemen. De enkele gespierde
facchino, noodzakelijk om koffers te zeulen, maakte een onverwachte
figuur van mannelijken leeftijd en stevigheid. Maar vooral haatten de
gasten hunne marchesa om het groote aantal harer bedienden, nu, om en
bij Kerstmis, bedenkende, dat zij aan ieder een fooitje geven moesten.
Neen, men had niet geweten, dat er zooveel personeel was. Dat was toch
ook niet noodig! Als de marchesa voor al die oude vrouwen en kleine
jongentjes nu eens een paar flinke jonge meiden en knechts nam! En het
waren in de hoeken der gangen en aan tafel stille samenzweringen en
afspraken, hoeveel fooi men zoû geven: men wilde niet bederven, maar
toch bleef men den geheelen winter, en was éen lire dus te weinig, en
zoo weifelde men tusschen éen lire-vijf-en-twintig en éen lire-vijftig.
Maar toen men op de vingers telde, dat er wel vijf-en-twintig bedienden
waren en dat men dus bij de veertig lire kwijt was, vond men dat
schrikbarend veel en organizeerde men lijsten van inschrijving. Er
gingen twee lijsten rond, een van éen lire, en een van twaalf lire
per gast, voor het geheele personeel. Op die laatste lijst teekenden
sommigen, die een maand vroeger gekomen waren of van plan waren weg
te gaan, voor tien lire, en sommigen voor zes lire. Vijf lire werd
algemeen te weinig gevonden, en toen het bekend was, dat de groezelige
esthetische dames vijf lire wilden geven, werden zij aangekeken met de
diepste verachting.
Het waren groote emoties en groote drukten. Kerstmis naderde en men
stroomde naar de presepio's, die schilders in Palazzo Borghese hadden
opgesteld--een panorama van Jeruzalem; en de herders, de engelen,
de koningen, en Maria met het kindje in den stal met os en ezel.
Men hoorde in Ara-Coeli naar de predicatie der kleine meisjes en
jongentjes, die beurtelings op een estrade klommen en het verhaal
van de Geboorte deden: sommigen, verlegen een versje opzeggend,
voorgefluisterd door een angstige moeder; andere, meisjes vooral, met
Italiaansche tragiek en rollende oogen deklameerend als kleine actrices
en eindigend met een religieuze moraal. Om de predicaties luisterden
het volk en tallooze toeristen: een prettige geest heerschte in de
kerk, waar de jonge schelle kinderstemmetjes hoog-op oreerden; men
lachte luid om een gebaar en effect; en de ronddwalende geestelijken
hadden een zalvenden glimlach, omdat het zoo aardig en lief was. En in
de kapel van den Santo Bambino straalde de houten wonderpop van goud en
juweelen, en de dichte menigte verdrong zich er voor.
Alle gasten van Belloni kochten op de Piazza di Spagna hulsttakken
en versierden er hunne kamers mede, en sommigen, bijvoorbeeld de
baronin Von Rothkirch, richtten in haar eigen kamer een particulieren
Kerstboom op. Den avond vóor het groote feest ging een ieder deze
particuliere boomen bewonderen; liep men kamer in, kamer uit, en alle
pensionnaires, hoe ze anders soms ook kibbelden en intrigeerden tegen
elkaâr, hadden een welwillenden feestlach, en ontvingen iedereen. Men
was het er algemeen over eens, dat de baronin veel werk had gemaakt
en haar boom prachtig was, en haar slaapkamer aardig omgetooverd
in een boudoir; de bedden gedrapeerd tot divans, de waschtafels
verborgen, en de boom stralende van licht en goud. En de baronin,
wat sentimenteel gestemd op dezen avond, die haar veel aan Berlijn
en verloren huiselijkheid herinnerde, opende hare deuren wijd voor
iedereen, en prezenteerde zelfs de twee esthetische dames bonbons,
toen de marchesa ook glimlachend aan de deur verscheen, haar boezem,
omspannen in hemelsblauw satijn, en nog grootere kristallen dan anders
in de ooren. De kamer was vol; er waren de Van der Staals, Cornélie,
Rudyard, Urania Hope, andere in- en uitloopende gasten, zoodat men zich
niet verroeren kon, en op elkaâr gepakt stond en zat op de gedrapeerde
bedden van moeder en dochter. De marchesa voerde aan hare zijde
binnen een onbekend jongmensch: klein, smal, olijfbleek, met donkere
vif geestige schitteroogen, in rok, en met de vage en nette manieren
van een onverschilligen en moeden viveur; gedistingeerd, en toch
laatdunkend. En zij naderde fier de baronin, die hare vochtige oogen
telkens bevallig afwischte en stelde met arrogantie voor:
--Mijn neef, duca di San Stefano, principe di Forte-Braccio....
De algemeen bekende Italiaansche naam klonk van hare lippen expres
luid op in de volle, niet groote kamer en aller oogen gingen naar
den jongen man, die voor de baronin boog en toen vaag en ironisch de
kamer rondzag. Men had dien winter den neef van de marchesa nog niet
in het hôtel gezien, maar een ieder wist, dat de jonge hertog van
San Stefano, prins van Forte-Braccio, een neef was van de marchesa,
en een der reclames voor haar pension. En terwijl de prins met de
baronin en hare dochter sprak, staarde Urania Hope hem aan als een
wonderwezen uit een andere wereld. Zij had Cornélie's arm vastgegrepen
als voor een steun, als zoû zij bezwijmen bij den aanblik van zooveel
Italiaansche adelgrootheid. Zij vond hem heel mooi, heel voornaam:
klein en smal en bleek, met zijn oogen als karbonkelen, met zijn matte
gedistingeerdheid, en de witte orchidee in zijn knoopsgat. En dolgaarne
had zij de marchesa gevraagd haar in kennis te brengen met haar chiquen
neef, maar zij dorst niet, want zij dacht aan de tricotfabriek van haar
vader in Chicago.
Den volgenden avond was het feest van den boom en het bal. Het was
bekend, dat de neef van de marchesa ook dien avond zoû komen en het was
den geheelen dag een groote emotie. De prins kwam, nadat de prezentjes
van den boom waren afgehaakt en uitgedeeld, en in de zaal, waar het bal
nog niet begonnen was, maar de gasten reeds hier en daar zaten, deed
hij aan de zijde van zijn tante, de marchesa, een soort van intocht,
aller blikken zich richtend naar zijn hertogelijke en prinselijke
verschijning.
Cornélie wandelde met Duco van der Staal, die tot groote verwondering
van moeder en zusters zijn rok te voorschijn had gehaald en verschenen
was in den ruimen hall, en zij zagen beiden den zegetocht van la
Belloni en haar neef, en zij lachten om de dwepend opkijkende oogen
der Engelsche en Amerikaansche dames. Zij zetten zich,--Cornélie en
Duco--in den hall op twee stoelen, voor een groep van palmen, die een
der deuren van de zaal maskeerden, terwijl binnen het bal begon. Zij
praatten over de beelden in het Vaticaan, die zij een paar dagen te
voren gezien hadden, toen zij, als vlak aan hun ooren, een stem hoorden
praten, die zij herkenden als het te vergeefs zich in gefluister
verzachtende commando-orgaan van de marchesa. Verbaasd zagen zij om,
en bespeurden de verborgen deur met een breede reet opengekraakt, en
zagen door die reet ten deele de slanke hand en de zwarte mouw van
den prins, en een stuk blauwen boezem van Belloni, beiden gezeten op
een canapé in de zaal. Zij waren dus, gescheiden door de opengekraakte
deur, rug aan rug. Voor amuzement hoorden zij naar het Italiaansch
van de marchesa; wat de prins antwoordde, was zoo een zacht gelispel,
dat zij het niet verstonden. En van wat de marchesa zeide, hoorden
zij slechts enkele woorden en stukken van zinnen. Onwillekeurig
luisterden zij, toen zij den naam van Rudyard hoorden noemen, duidelijk
uitgesproken door de marchesa.
--En wie dan? vroeg de prins zacht.
--Een Engelsche miss, zei de marchesa. Miss Taylor, ze zit daar, in
dien hoek alleen.... Een simpel menschje.... Dan de baronin en haar
dochter.... Dan de Hollandsche; een gescheiden vrouw.... En dan de
mooie Amerikaansche.
--En die twee aardige Hollandsche meisjes? vroeg de prins.
De muziek boem-boemde luider op en Cornélie en Duco verstonden niets.
--En de gescheiden Hollandsche vrouw? vroeg de prins verder.
--Geen geld, antwoordde de marchesa kort.
--En de jonge baronesse?
--Geen geld, herhaalde Belloni.
--Dus niemand dan de kousenverkoopster? vroeg de prins moê.
La Belloni werd boos, maar Cornélie en Duco verstonden niet hare
afratelende zinnetjes: de muziek boem-boemde steeds op.
--... Ze is mooi, hoorden zij de marchesa zeggen. Ze is schat- en
schatrijk. Ze zoû in een eerste hôtel kunnen zijn, maar ze is hier,
omdat ze als jong en alleen reizend meisje aan mij gerecommandeerd is
en het hier gezelliger is. Ze heeft het groote salon voor zich en
betaalt vijftig lire per dag voor haar twee kamers. Ze ziet op niets.
Haar hout betaalt ze driemaal zoo duur als de anderen en ook voor den
wijn laat ik haar betalen.
--Ze verkoopt kousen, murmelde de prins onwillig.
--Onzin, sprak de marchesa. Bedenk, dat er op het oogenblik niemand
is. Verleden winter hadden wij rijke Engelsche lui van adel, met een
dochter, maar je vondt haar te lang. Je vindt altijd wat. Je moet niet
zoo moeilijk zijn.
--Ik vind die twee Hollandsche poppetjes aardig.
--Ze hebben geen geld. Je vindt altijd wat je niet vinden moet.
--Hoeveel heeft papa u beloofd, als u....
De muziek boemde op.
--... Zoû er niets toe doen.... Als Rudyard met haar praat.... Taylor is
gemakkelijk.... Miss Hope....
--Ik heb zooveel kousen niet noodig....
--... erg geestig. Als je niet wilt....
--... neen....
--... dan trek ik mij terug ... zal Rudyard zeggen.... Hoeveel?
--... Zestig à zeventig duizend: ik weet niet precies.
--... Urgent?
--Schulden zijn nooit urgent!
--Wil je?
--Goed dan. Maar ik verkoop me niet minder dan voor tien millioen....
En dan krijgt ... u....
Zij lachten beiden en weêr klonken de namen van Rudyard, Urania.
--Urania? vroeg hij.
--Urania ... antwoordde la Belloni. Die Amerikaantjes zijn handig. Denk
aan de gravin de Castellane, aan de hertogin van Marlborough; houden
die niet den naam van hun mannen hoog. Ze slaan een uitstekend figuur.
Ze worden genoemd in iedere modekroniek en altijd met waardeering.
--... goed dan. Ik ben moê van al die vergeefsche winters. Maar niet
minder dan tien millioen.
--Vijf....
--Neen, tien....
De prins en de marchesa waren opgestaan. Cornélie zag Duco aan. Duco
lachte.
--Ik begrijp ze niet goed, zeide hij. Het is natuurlijk een aardigheid.
Cornélie schrikte.
--Een aardigheid, dunkt u, meneer Van der Staal?
--Ja, ze maakten gekheid.
--Ik geloof van niet.
--Ik van wel.
--Heeft u menschenkennis?
--O neen, heelemaal niet.
--Ik doe wat op, langzamerhand. Ik geloof, dat Rome gevaarlijk kan zijn
en dat een marchesa-hôtelhoudster, een prins en een Jezuïet....
--Wat dan?
--Ook gevaarlijk kunnen zijn, zoo niet voor uw zusjes, omdat ze geen
geld hebben, dan toch voor Urania Hope....
--Ik geloof er niets van.... Het was alles gekheid. En het interesseert
me niet. Maar wat vindt u van den Eros van Praxiteles? O, dat vind ik
het goddelijkste beeld, dat ik ooit heb gezien. O, de Eros, de Eros...!
Dat is de liefde, de ware liefde; het niet anders kunnen, het fatale en
om vergeving smeekende van de liefde, voor het leed, dat hij aandoet....
--Heeft u ooit liefgehad?
--Neen. Ik heb geen menschenkennis en ik had nooit lief. U is zoo
gedecideerd altijd. Droomen zijn mooi, beelden zijn heerlijk en poëzie
is alles. De Eros is alles, van liefde. Zoo mooi als de Eros liefde is,
zoû ik nooit in werkelijkheid kunnen lief hebben.... Neen, menschen te
kennen interesseert mij niet, en een droom van Praxiteles, nog over in
een romp verminkt marmer, is edeler dan alles wat op de wereld liefde
zich noemt.
Zij fronste hare wenkbrauwen; zij zag somber.
--Laat ons in de balzaal gaan, zeide zij. Wij zitten hier zoo
alleen....