In de Via del Babuino had Duco van der Staal een groot hol atelier
gehuurd, drie trappen hoog, kil van het Noorden. Hier schilderde hij,
boetseerde hij, studeerde hij, hier sleepte hij bij elkaâr alles wat
hij voor moois en antieks kon krijgen in de winkeltjes langs den
Tiber of op de Mercato dei Fiori. Dat was hem een hartstocht: te
zoeken door Rome naar een oud stuk tryptiek of een antiek fragment
beeldhouwkunst. Zoo was zijn atelier niet gebleven de groote, kille,
holle werkplaats, die van ijverige en ernstige studie getuigt, maar het
was geworden een asyl van vaagkleurig verleden en oude kunst, muzeum
voor zijn droomenden geest. Als kind, als jongen had hij reeds in zich
die passie voor antiquiteit voelen ontwikkelen, kon hij snuffelen bij
een ouden jood, leerde hij schacheren als zijn beurs niet vol was,
en verzamelde hij eerst prullen, later, langzamerhand, voorwerpen van
kunst- en geldswaarde. En hij had er alles voor over: het was zijn
eenige ondeugd: hij verdeed er al zijn zakgeld aan, en later, zonder
voorbehoud, het beetje, dat hij verdiende. Want soms, een enkelen keer,
voltooide hij iets en verkocht het. Maar meestal was hij te ontevreden
met zichzelven om te voltooien, en was zijn nederig idee, dat alles
geschapen was, en dat _zijn_ kunst nutteloos was.
Dit idee verlamde hem soms voor maanden, zonder dat het hem ongelukkig
maakte. Als hij wat geld had, om van te blijven leven--en zijne
behoeften waren uiterst gering--, voelde hij zich rijk, en was
gelukkig in zijn atelier, of dwaalde, gelukkig, door Rome. Zijn lang,
onverschillig, mager en slank lichaam was dan gestoken in zijn oudste
pak, dat, zonder aanstellerij, een slordig sporthemd en een das als
een touwtje zien liet; en een hoed zonder kleur, en verregend van
vorm, was zijn liefste hoofddeksel. Zijne moeder en zusters vonden hem
meestal ontoonbaar, maar hadden het opgegeven hem te metamorfozeeren in
den eleganten zoon en broêr, dien zij zoo gaarne in de salons hunner
Romeinsche kennissen hadden gebracht. Blij te ademen de atmosfeer van
Rome, dwaalde hij uren door de ruïnes, en zag hij,--verblindend vizioen
van droomzuilen,--etherische tempels, paleizen van marmer transparant
oprijzen in een trillenden zonnelichtschemer, en de volgens hun
Baedeker naspeurende touristen, die dezen langen, mageren jongen man,
onverschillig gezeten op het fondament van den tempel van Saturnus,
voorbijgingen, hadden nooit willen gelooven aan zijne illuzies
van architectuur: harmonisch opgaande lijnen, bekroond door een
standbeeldentheorie met edel en goddelijk gebaar, hoog in den blauwen
hemel.
Hij, hij zag ze voor zich. Hij richtte de schachten der zuilen omhoog,
hij flûteerde de strenge Dorische zuil, hij boog week het Ionisch
kapiteelkussen rond, en liet bladeren-uit de Corinthische akanth; en
de tempels zuilden in een oogwenk op; de basilica's boogden als met
toover omhoog, de statuen gebaarden blank tegen het ongrijpbare diep
van de lucht, en de Via Sacra leefde. Hij, hij vond dat mooi, hij
leefde zijn droom, zijn Verleden. Het was of hij voorbestaan had in
Rome antiek, en de moderne huizen, het modern Capitool, en zij allen,
het graf van zijn Forum omgevelend, zag hij voor zijn oogen niet. Uren
kon hij zoo zitten, of dwalen, of weêr neêrzitten en gelukkig zijn. In
de intensiteit van zijn verbeelding riep hij de historie op, wolkte
ze uit het verleden hoog, eerst als een damp, een tooverwaas, waaruit
weldra de figuren duidelijk traden, tegen den marmeren achtergrond van
oud Rome aan. De reusachtige drama's speelden voor zijne droomende
oogen af als op een ideaal tooneel, dat zich van het Forum uitstrekte
naar de wazige zonneblauwtes van de Campagna; met coulissen, die zich
verloren in de diepte van de lucht. Het Romeinsche leven gebaarde er
zich, met een armbeweging uit een toga, een dichtregel van Horatius,
een plotseling vizioen van een keizermoord of een gladiatorenspel in de
arena. En plotseling ook verbleekte het beeld, en zag hij de ruïnes, de
ruïnes alleen, als de tastbare schaduw zijner onwezenlijke illuzie: zag
hij de ruïnes, zooals zij waren, verbruind en vergrauwd, opgegeten van
oudheid, verbrokkeld, gemarteld, met mokers verminkt, tot maar ènkele
zuilen nog optrilden en droegen een bevende architraaf, die dreigde
ineen te storten. En het bruin en het grauw was zoo edel rijk aangegoud
door vegen van zon, de ruïnes waren zoo heerlijk mooi van afbrokkeling,
zoo weemoedvol in hare onbewuste toevalligheid van stukkende lijnen,
van barstende bogen en verminkte sculptuur, dat het was of hijzelve,
na zijn luchtvizioen van stralende droomarchitectuur, ze met een hand
van artist gemarteld had en verminkt, zoo had barsten laten, en beven,
en trillen, om het weemoedige na-mooi ervan. Dan werden zijne oogen
hem vochtig, dan was hem zijn hart te vol, dan liep hij weg, door den
Titusboog langs het Colosseum, den boog van Constantijn door, door, en
hij haastte zich langs het Lateraan, naar de Via Appia en de Campagna,
en zijne stekende oogen dronken het blauw van de verre Albaansche
bergen in, als zoû dat ze genezen van te veel gestaar en gedroom....
Hij vond noch in zijne moeder, noch in zijne beide zusters een
element, dat sympathiek was aan zijne excentrieke neigingen, en na
dien eenen vriend, die gestorven was, had hij nooit een anderen
gevonden en was hij altijd als door eene voorbeschikking, die hem
geen sympathie ontmoeten liet, eenzaam geweest in zichzelven en om
zich heen. Maar hij had zijne eenzaamheid zoo dicht bevolkt met
zijne droomen, dat hij er zich nooit ongelukkig om gevoeld had, en
zooals hij hield van alleen dwalen door ruïnes en langs buitenwegen,
was hem ook lief de intimiteit van zijn eenzaam atelier, met de
zoovele stille silhouetten op een oud stuk tryptiek, op tapijtwerk
of op de vele dicht bij elkaâr bevestigde schetsen, allen rondom hem
heen, allen met de bekoring van hunne lijnen en kleuren, allen met
het stille gebaar van hun beweging en emotie, en samensmeltend in
schemering van hoeken en schaduw van antiek kabinet. En daartusschen
leefde zijn porcelein en brons en oud-zilver, en straalde-uit dof het
getaande goudborduursel van een kerkelijk gewaad, en stonden bruin,
gezellig gereid, de oude leêren banden van boeken, waaruit, geopend
in zijne handen, ook opstegen en wolkten-op de vele figuren, levend
hun liefde en smart in die getemperde bruinen en rooden en gouden
der geluidelooze atelier-atmosfeer. Zoo was zijn eenvoudig leven,
zonder veel twijfel aan zich, omdat hij niet veel van zich eischte,
en zonder de melancholie van modern artist, omdat hij gelukkig was in
zijn mijmering. Nooit had hij, trots zijn hôtelbestaan met moeder en
zusters--hij sliep en hij at bij Belloni--veel menschen ontmoet, zich
met vreemdelingen bezig gehouden, van nature een beetje schuw voor
toeristen met Baedekers, voor Engelsche dames in korte rokken, met
haar steeds zelfde uitroepjes van gelijkmatige bewondering, en geheel
en al zich onmogelijk voelende in den kring--half Italiaansch, half
cosmopolitisch--van zijne vrij wereldsche moeder en elegante zusjes,
die met Italiaansche prinsjes en jonge hertogen dansten en fietsen.
En nu dat hij Cornélie de Retz had ontmoet, moest hij zich bekennen,
dat hij weinig menschenkennis had en nooit had kennen denken aan de
wezenlijkheid van zoo een vrouw--nog wel in een boek--maar niet in
werkelijkheid. Haar uiterlijk al,--het bleeke, het gebroken bevallige,
het moede, had hem verbaasd--, en hare woorden verbaasden hem nog meer:
het besliste en toch weifelende, het artistieke en toch pogende meê
te spreken in haar tijd: tijd, dien hij nog niet artistiek had kunnen
inzien, dwepende als hij deed met Rome en Verleden. En hare woorden
verbaasden hem, sympathiek als hem de klank ervan was, en geërgerd als
hij dikwijls werd, door dat dikwijls bittere, snijdende, en dan weêr
matte en moedelooze, tot hij over ze dacht en weêr dacht, tot hij ze
peinzende weêr klinken hoorde van haar eigen lippen af, tot zij meêdeed
tusschen de koppen en torsen van zijn atelier, en voor hem opdoomde in
het weeke lelieachtige van hare geziene werkelijkheid, te midden der
pre-rafaëlitische stijfte van lijnen, en Byzantijnsche goudkleuren der
engelen en der madonna's op doek en wandtapijt.
In zijn ziel was nooit liefde geweest en hij had liefde altijd
beschouwd als verbeelding en poëzie. In zijn leven was nooit meer
geweest dan de natuurlijke drang zijner viriliteit en het gewone
amouretje met een model. En zijn ideeën over liefde wiegelden in een
te wijd en onwezenlijk evenwicht, zonder overgang en graadverschil,
tusschen een vrouw, die zich voor enkele lires naakt toonde, en
Laura; tusschen het verlangen naar een mooi lichaam en het dwepen met
Beatrice, tusschen het vleesch en de droom. Aan eene ontmoeting van
gelijksoortige zielen had hij nooit gedacht; naar sympathie, naar
liefde in den vol bloesemenden zin van het woord en zijn idee, nooit
verlangd. En dat hij over Cornélie de Retz nu dacht, en veel dacht,
begreep hij niet in zich. Over een vrouw in een gedicht, had hij wel
eens dagen, een week, gepeinsd, gedroomd; over een vrouw in het leven
nog nooit.
En dat hij, geërgerd door sommige harer woorden, haar toch staan zag
met haar lelielijn tegen zijn Byzantijnsche tryptieken, als een fantoom
in zijn droomers-eenzaamheid, maakte hem bijna bang, omdat hij er zijn
rust door verloren had.