Het diner was gonzend van stemmen; om de drie, vier lange tafels was
het vol; de marchesa zat aan het hoofd der middentafel. Nu en dan
wenkte zij ongeduldig Giuseppe, den ouden hofmeester, die een lepel had
laten vallen aan een aartshertogelijk hof, en de piepjonge kennertjes
draafden buiten adem rond. Cornélie vond, over haar gezeten, den
welwillenden dikken heer, dien de Duitsche dames Mr. Rudyard noemden,
en vóór haar couvert haar fiasco Genzano. Zij bedankte lachende, en
sprak met Mr. Rudyard, het gewone praatje: dat zij getoerd had dien
middag, de eerste kennismaking met Rome, het Forum, de Pincio. Zij
sprak met de Duitsche dames en met de Engelsche, die altijd zoo moê
was van het "sight-seeing", en de Duitsche, eene "Baronin", en de
dochter, "Baronesse", lachten met haar om de twee esthetischen, die
Cornélie dien morgen al in den salon had aangetroffen. Deze twee zaten
op eenigen afstand; lang en hoekig, groezelig van haar, in zonderling
uitgeknipte evening-dress, die borst en armen vertoonde, comfortabel
gedekt door een grauwen Jaeger-borstrok, waarover dan nog rustig-weg
snoeren van groote blauwe kralen hingen. Haar beider blik weidde over
de lange tafel, als beklaagden zij een ieder, die in Rome gekomen was
om kunst te leeren kennen, omdat zij beiden alleen wisten wat kunst
in Rome was. Zij lazen onder het eten, dat zij onsmakelijk, bijna met
de vingers, deden, in esthetische werken, de wenkbrauwen gefronst,
en nu en dan verstoord opkijkende, omdat men aan tafel praatte. Zij
vertoonden in hare waanwijsheid, hare onmogelijke manieren, en kleedij
van minder dan geen smaak, en daarbij nog groote aanstellerigheid,
types van reizende Engelsche dames, zooals men ze nergens anders
ontmoet dan in Italië. De kritiek over haar was aan tafel eenstemmig.
Ze kwamen iederen winter in het pension Belloni, en waschten aquarellen
in het Forum of op de Via Appia. En zij waren zóó opmerkelijk van
ongeziene oorspronkelijkheid, in hare hoekige groezeligheid, met de
avondjapon, de Jaegers, de blauwe snoeren, de esthetische werken,
en hare, vleesch uitrafelende, vingers, dat aller oogen steeds naar
haar toegingen, als onder een medusa-achtige suggestie. De jonge
barones, een type uit de Fliegende Blätter, geestig, vlug, met haar
rond Duitsche gezichtje en hoog geteekende wenkbrauwen, lachte met
Cornélie, en toonde haar in een schetsboek een vlugge krabbel, die
zij van de twee esthetische dames gemaakt had, toen Giuseppe eene
jonge dame leidde aan het einde van de tafel, waar Cornélie en
Rudyard over elkander zaten. Zij was klaarblijkelijk pas aangekomen,
groette met een "evening" in het rond, en ging ruischende zitten. Van
de esthetische dames af, gingen aller oogen naar deze nieuweling.
Men zag dadelijk, dat zij een Amerikaansche was, bijna te mooi, te
jong, om zoo maar alleen te reizen, met een glimlachend aplomb, of
zij thuis was, heel blank, heel mooie donkere oogen, tanden als een
reclame voor een dentiste, haar volle buste gegoten in mauve laken met
zilveren passement geheel gearabeskeerd, op haar zwaar uitgegolfde
haren een grooten mauve hoed met een cascade van zwarte struisveêren,
vastgehouden door een te groote gesp van strass. Bij iedere beweging
ruischte de zijde van haar onderrok, wuifden de pluimen, schitterde
het strass. En niettegenstaande deze opzichtigheid was zij als een
kind, misschien even twintig jaar, met een naïeven blik: zij richtte
dadelijk het woord tot Cornélie, tot Rudyard; zeide, dat zij moê was,
van Napels kwam, gisteren avond gedanst had bij prins Cibo, dat zij
heette Miss Urania Hope, dat haar vader woonde te Chicago, dat zij twee
broêrs had, die, trots het fortuin van papa werkten op een hoeve in de
Far West, maar dat zij als een bedorven kindje was grootgebracht door
haar vader, die echter wilde, dat zij op haar eigen kon staan, en haar
daarom alleen liet reizen, in de Oude Wereld, in "dear old Italy".
Zij vond het heerlijk te hooren, dat Cornélie ook alleen reisde, en
Rudyard plaagde de dames met haar nieuwe begrippen, maar de baronin en
de baronesse juichten toe. Miss Hope vatte dadelijk eene genegenheid
op voor hare Hollandsche medereizigster en wilde afspraken maken,
maar Cornélie, huiverig, weerde zacht af, zeide, dat zij het druk
had, studeeren in de muzea wilde. Zóó ernstig dus, vroeg Miss Hope
met eerbied, en de onderrok ruischte, de pluimen wuifden, het strass
schitterde. Zij maakte op Cornélie den indruk van eene bonte kapel,
die dartel en onbezonnen zich wel eens te pletter kon vliegen tegen
de serre-glazen van het nauwe leven. Zij voelde wel geen sympathie
voor dat mooie vreemde wezentje, dat er uitzag als een cocotte en een
kind tegelijk, maar zij voelde medelijden, waarom, wist zij niet. Na
den eten stelde Rudyard aan de beide Duitsche dames voor, een kleine
wandeling te maken. De jonge baronesse kwam naar Cornélie, vroeg of
zij meêging, om Rome te zien in den maneschijn, vlak bij, bij de villa
Medici. Zij was dankbaar voor dat vriendelijke woord, en ging even een
hoed opzetten, toen Miss Hope haar achterna liep.
--Blijf bij mij zitten in het salon....
--Ik ga wandelen met de baronin, antwoordde Cornélie.
--Die Duitsche dame?
--Ja.
--Is zij van adel?
--Ik vermoed van wel.
--Is er veel adel in dit pension? vroeg Miss Hope gretig.
Cornélie lachte.
--Ik weet het niet. Ik ben hier pas sedert van morgen.
--Ik geloof wel, dat er veel adel is. Ik heb gehoord, dat hier veel
adel was. Is u van adel?
--Geweest! lachte Cornélie. Maar ik heb mijn titel af moeten schaffen.
--Hoe jammer! riep Miss Hope uit. Adel is zoo lief. Weet u wat ik heb?
Een album met wapens, van allerlei geslachten, en een ander album
met staaltjes zij en brokaat van iedere baljapon van de koningin van
Italië.... Wil u het eens zien?
--Dolgaarne! lachte Cornélie. Maar nu moet ik mijn hoed opzetten.
Zij ging, zij kwam terug, een hoed op, een pélérine om: de Duitsche
dames en Rudyard wachtten reeds in de vestibule en vroegen waarom
zij lachte. Zij vertelde van het stalenalbum der baljaponnen van de
koningin, en het was een groote vroolijkheid.
--Wie is hij? vroeg zij aan de baronin, terwijl zij met deze voorging,
de Via Sistina door; de baronesse volgde met Rudyard.
Zij vond de baronin een charmante vrouw, maar haar trof in deze
Duitsche vrouw, uit militaire adelkringen, een koud cynischen blik op
het leven, niet bepaald eigen aan hare Berlijnsche omgeving.
--Ik weet het niet, antwoordde de baronin onverschillig. Wij reizen
veel. Wij hebben op het oogenblik geen huis in Berlijn. Wij willen
pleizier van onze reis hebben. Mr. Rudyard is heel aardig. Hij helpt
ons met allerlei: kaarten voor een mis van den Paus, introducties hier,
invitaties daar. Hij schijnt veel invloed te hebben. Wat kan het mij
schelen, wie en wat hij is. Else denkt ook zoo. Ik neem van hem aan,
wat hij ons geeft, en verder dring ik niet in hem door....
Zij liepen voort.
De baronin nam Cornélie's arm.
--Mijn beste kind, vind ons niet al te cynisch. Ik ken je bijna nog
niet, maar ik voel sympathie voor je. Zoo vreemd, niet waar, op reis,
in eens aan een table-d'hôte, bij een magere kip. Vind ons niet
slecht, niet cynisch. Ach, misschien zijn wij het. Men wordt zoo door
ons cosmopolitisch, plichtvrij, bandenloos leven: onedel, cynisch en
egoïst. Heel egoïst. Rudyard bewijst ons veel diensten. Waarom zoû ik
ze niet aannemen. Het kan mij niet schelen wat en wie hij is. Ik bind
mij niet aan hem.
Cornélie zag onwillekeurig om. In de bijna donkere straat zag zij
Rudyard en de jonge baronesse, bijna fluisterend en geheimzinnig.
--En denkt uw dochter ook zoo?
--O ja. Wij binden ons niet aan hem. Wij voelen niet eens sympathie
voor hem, met zijn pokdalig gezicht en zijn zwarte nagels. Wij nemen
alleen zijn introducties aan. Doe ook zoo. Of ... doe het niet. Het is
misschien edeler als je het niet doet. Ik, ik ben erg egoïst geworden,
door ons reizen. Wat kan het mij schelen....
De donkere straat scheen tot vertrouwen uit te lokken, en Cornélie
begreep iets van die cynische onverschilligheid, bizonder in eene
vrouw, opgevoed in enge begrippen van plichtmatigheid en moraal. Edel
was het niet; maar was het niet moêheid om het plagen van het leven?
Hoe dan ook, vaagweg begreep zij het: die onverschillige toon, dat
nonchalante schouderophalen....
En zij sloegen langs het Hôtel Hassler om, en naderden de villa Medici.
De volle maan vloot haar vloed uit van wit licht, en Rome lag in den
blauwen blankigen nachtgloed. Uit den vollen beker der fontein, onder
de zwarte steeneiken, wier loover de schilderij van Rome omvatte in een
ebben lijst, plaste, klaterend, het overvloedige water af....
--Rome moet wel mooi zijn, zei Cornélie zacht.
Rudyard en de baronesse waren ook nader gekomen, en hoorden Cornélie's
woorden.
--Rome _is_ mooi, zeide hij ernstig. En Rome is meer. Rome is een
groote troost voor velen.
In den blauwigen maannacht troffen zijne woorden haar. De stad scheen
mystiek aan te golven aan hare voeten. Zij zag hem aan: hij stond
voor haar, in zijn zwarte jas, zonder veel linnen: altijd een dikke
beleefde heer. Zijn stem was heel doordringend, met een rijken klank
van overtuiging. Zij zag hem lang aan, niet van zichzelve zeker en vaag
gevoelende een naderende suggestie, maar stil antipathiek.
Toen zeide hij nog na, als wilde hij haar niet te veel laten nadenken
over het woord, dat hij gesproken had:
--Een groote troost, voor velen ... omdat schoonheid troost....
En zij vond zijn laatste woord een esthetische banaliteit, maar hij had
het ook bedoeld, dat zij het zoo vinden zoû.