De eerste dagen in Rome vermoeiden Cornélie zeer. Zij deed te veel,
als een ieder, die pas in Rome is; zij wilde de geheele stad in
eens omhelzen, en de afstanden, schoon met rijtuig afgelegd, de
eindelooze galerijen der muzea braken haar van vermoeidheid. Daarbij
ondervond zij telkens teleurstellingen, in schilderijen, in beelden,
in gebouwen. Eerst dorst zij zich die teleurstellingen niet bekennen,
maar op een middag, doodmoê, na een smartelijke teleurstelling in de
Sixtijnsche kapel, bekende zij het zich. Alles wat zij zag en reeds
kende van studie, was haar eene teleurstelling. Toen nam zij een
besluit vooreerst niets meer te gaan zien. En na hare vermoeiende dagen
van 's morgens-uit, 's middags-uit, was het een wellust zich aan
den onbewusten stroom der dagen over te geven. Zij bleef 's morgens
thuis, in een peignoir, in haar gezellig hoog vogelkooitje van een
zitkamer, schreef brieven, droomde wat, de armen om het hoofd gebogen,
las in Ovidius, in Petrarca, hoorde naar een paar straatmuzikanten,
die, met trillende tenorstemmen, bij het snerpend gejammer van hun
guitaren, de stille straat vervulden met een snikkenden hartstocht van
muziek. Aan het lunch vond zij, dat zij het getroffen had met haar
pension, met haar hoekje aan tafel: de baronin Von Rothkirch, met hare
onverschillige aristocratische neêrbuigendheid tegen Rudyard, vond
zij interessant, omdat zij zag hoe reizen iemand rukken kan uit het
cirkeltje van côterie-begrip. De jonge baronesse, die zich niets van
het leven aantrok en maar schilderde en maar schetste, interesseerde
haar in haar gefluister met Rudyard, dat zij niet begreep. Miss Hope
was zoo naïef, zoo kinderlijk dol, dat Cornélie niet inzag hoe de oude
Hope, de rijke tricot-fabrikant daar ginds in Chicago, dit kind maar
alleen liet reizen met haar al te ruim maandgeld en haar totaal gemis
aan wereld- en menschenkennis; en Rudyard zelve, hoewel zij soms afschuw
van hem had, boeide haar ondanks dien afschuw. Hoewel zij dus in geen
van die tafelgenooten gevonden had diepere vriendschap, waren het
menschen om haar heen, met wie zij spreken kon, en de tafelconversatie
was een afleiding in haar eenzaamheid van den geheelen dag.
Want 's middags ging zij deze dagen van moêheid en teleurstelling
alleen een kleine wandeling maken in het Corso, of op den Pincio,
keerde dan thuis, zette zelve haar thee in haar zilveren trekpotje, en
droomde bij het houtvuur, in den donker, tot zij zich kleeden moest
voor het diner.
En de goed verlichte eetzaal met het plafond van Guercino was vroolijk.
Het pension was vol: de marchesa sliep in de badkamer en had hare eigen
kamer afgestaan. Een gegons van stemmen ruischte aan tafel, de kellners
draafden, lepels en vorken klakkerden. De melancholieke stemming van
zoovele table-d'hôtes was hier niet. Men kende elkaâr, en de drukte van
Rome's leven, de zuurstof van Rome's lucht, scheen een levendigheid
te geven aan gebaar en gesprekken. In die levendigheid vielen de twee
groezelige esthetische dames op door haar onveranderlijke houding:
altijd de evening-dress, de Jaegers, de kralen, de lectuur in het dikke
boek; de booze blik omdat er gesproken werd.
En na, het eten zat men in het salon, in den hall, maakte kennis hier,
daar, en sprak men over Rome, Rome, Rome.... Een groote agitatie
was steeds om de muziek in de verschillende kerken: men raadpleegde
den Herald, men vroeg Rudyard, die alles wist, omringde hem en hij
glimlachte, dik en beleefd, en deelde kaartjes uit en zeide de
dagen, de uren, waarop er een gewichtige dienst plaats greep in die
en die kerk. Aan Engelsche dames, niet op de hoogte, gaf hij nu en
dan, terloops, inlichtingen omtrent de ingewikkelde formaliteiten
en hierarchieën van den Katholieken eeredienst: hij vertelde welke
nationaliteiten de verschillende kleuren der seminaristen aanwezen,
die men 's middags bij troepen op den Pincio ontmoette, starende naar
Sint-Pieter, in extaze om Sint-Pieter, machtig symbool van hunnen
machtigen godsdienst; hij vertelde wat het onderscheid was tusschen
een kerk en een baziliek; hij vertelde intimiteiten uit het leven van
Leo XIII. De wijze, waarop hij over dit alles sprak, had iets boeiend
insinueerends: de Engelsche dames, gretig op informatie, hingen aan
zijne lippen, vonden hem allerliefst, vroegen hem duizend détails.
Deze dagen waren dus rust voor Cornélie. Zij bekwam van hare
vermoeidheid, zij werd onverschillig om Rome. Maar zij dacht niet
aan eerder weggaan. Of zij hier was of ergens anders, het was het
zelfde: zij moest ergens zijn. Daarbij, het pension was goed, hare
tafelgenooten gezellig, vroolijk. Zij las niet meer "Hare's Walks
through Rome," en niet meer de Metamorfozen van Ovidius, maar zij las
Ariadne over van Ouida. Zij vond het boek niet zoo mooi meer, als
zij het drie jaar geleden gevonden had in Den Haag, en las nu niets
meer. Maar zij amuzeerde zich met de dames Von Rothkirch een geheelen
avond over de cachetverzameling en het stalenalbum van Miss Hope. Hoe
die Amerikanen toch tuk waren op adel en vorstelijkheid. De baronin,
goedig, drukte in het album haar wapen af. En de stalen werden zeer
bewonderd, goudbrokaat, zilverzware zij, tulle met loovers. Miss Hope
vertelde hoe zij er aan kwam: een van de kameniers van de koningin
kende zij, doordat deze vroeger gediend had bij eene Amerikaansche
en tegen een hoogen prijs wist die kamenier haar nu de stalen te
bezorgen: een kostbaar lapje, opgeraapt als de koningin paste,
soms zelfs afgeknipt van een breeden naad. Het kind was trotscher
op hare verzameling staaltjes dan een Italiaansche prins op zijn
schilderijen, zeide de baronin Von Rothkirch. Maar niettegenstaande
die belachelijkheid, die ijdelheid, werd het mooie Amerikaansche meisje
Cornélie sympathiek om het spontane en eerlijke van haar natuur. Zij
zag er 's avonds allerliefst uit, in een zwarte gedecolleteerde japon
of in een blouse van roze chiffon. Trouwens, het was iederen avond
iets anders. Het was een kaleidoscoop van toiletten, van blouses, van
juweelen. Door de ruïnes van het Forum wandelde zij in een tailorpak
van bijna wit laken, met oranje zij gevoerd, en hare witte kanten
onderrok tipte luchtig over de grondvesten van de Basilica, Julia of
den tempel van Vesta. Hare druk opgemaakte hoeden gaven kleurvlekjes
van de Avenue de l'Opéra of Regentstreet midden in den tragischen
ernst van het Colosseum of in de paleisruïnes van den Palatijn. De
jonge baronesse plaagde haar met haar oranje zijden voering, zoo in
toon met het Forum; met hare hoeden, zoo in toon met den ernst van een
Christenmartelplaats, maar zij werd nooit boos. 't Is toch een lieve
hoed! antwoordde zij met haar Yankee-accent, dat hare mooie tanden
telkens goed liet zien, maar haar mondje opensperde, of zij hazelnooten
kraakte. En het kind genoot, genoot van de "baronin" en de "baronesse,"
genoot van te zijn in een pension, gehouden door een vervallen
Italiaansche markiezin. En zoodra zij den grijzen leeuwenkop van de
marchesa Belloni in het oog kreeg, verliet zij de anderen, vloog zij op
haar toe--mevrouw Von Rothkirch zeide, omdat een markiezin meer is dan
een barones--trok la Belloni meê in een hoekje en behield haar daar als
monopolie, zoo mogelijk den geheelen avond. Rudyard voegde zich dan bij
haar beiden, de marchesa en miss Hope, en Cornélie, dit ziende, vroeg
zich weêr af, wat Rudyard was, wie hij was, en wat hij wilde. Maar het
interesseerde de baronin niet, die pas een kaartje gekregen had voor
een mis in de Pauselijke kapel, en de jonge baronesse zeide alleen,
dat hij aardig vertellen kon, legenden van Heiligen, om haar enkele
schilderijen te verklaren in Doria en Corsini.