Zij had na het lunch een victoria genomen, en een toer gemaakt door
Rome, als een eerste kennismaking met de stad, waarnaar zij zoo
verlangd had. Die eerste indruk was haar een groote teleurstelling
geweest. Hare frissche verbeelding, hare lectuur, zelfs hare
fotografieën, in Florence gekocht en met de liefde van een pas
beginnend toerist bestudeerd, hadden haar al een illuzie gegeven van
een stad uit een ideale oudheid, een ideale Renaissance, en zij had
vergeten, dat, vooral in Rome, het leven meêdoogenloos is voortgegaan,
en de tijden er niet in gebouwen en ruïnes opstaan als afzonderlijke
perioden, maar iedere periode door dagen en jaren verbonden is aan de
volgende, nauw aaneengeschakeld.
Zoo had zij den koepel van Sint-Pieter klein kunnen vinden; het Corso
nauw; de zuil van Trajanus, een zuil als een andere; en het Forum had
zij niet gezien terwijl zij er langs reed, en bij den Palatijn had zij
aan geen enkelen keizer kunnen denken.
En zij was nu thuis en moê, en rustte uit en dacht na, weemoedig en
toch genietende van hare vage gedachten, van de stilte rondom haar
heen, in het groote huis, waar de meeste pensionnaires nog niet
teruggekeerd waren. Zij dacht aan Den Haag, aan hare groote familie,
vader, moeder, broers en zusters, die zij vaarwel gezegd had voor
geruimen tijd, om te reizen. Haar vader, gepensionneerd kolonel van
de huzaren, zonder groot fortuin, had haar niets kunnen meegeven voor
haar gril, zooals hij zeide, en zij had zich dien gril, van een nieuw
leven te beginnen, niet kunnen inwilligen zonder een klein legaat, dat
zij reeds jaren geleden van een peettante geërfd had. Zij was blij
eenigszins onafhankelijk te zijn, hoewel zij voelde het egoïsme van die
onafhankelijkheid....
Maar wat had zij voor haar kring kunnen doen, na het éclat van hare
scheiding? Zij was zwak--egoïst--; zij wist het; maar zij had een slag
gehad, waaronder zij eerst gedacht had te zullen bezwijken. En toen
zij toch leefde, had zij bijéen geschraapt haar beetje energie, en zich
gezegd, dat zij niet kon blijven bestaan in hetzelfde kringetje van
hare zusters en vriendinnetjes, en had zij haar leven gedwongen een
anderen kant uit te gaan. Zij had steeds den tact bezeten van een oude
japon een schijnbaar nieuw toilet te arrangeeren, een hoed van verleden
jaar te herscheppen tot een nieuwerwetschen hoed, en zoo had zij ook nu
gedaan met haar verstrooid en ellendig leven, verwaaid en gebroken: zij
had bij elkaâr gezocht, als met een zuinigheid, wat nog over was en nog
goed, en van die overblijfselen had zij zich een nieuw bestaan gemaakt.
Maar dit nieuwe leven kon niet ademen in de oude atmosfeer, was er
doelloos, vreemd, en zij had het weten te dwingen een andere richting
uit, trots allen weêrstand van familie en kennissen. Misschien had zij
dit niet zoo vermocht, als zij niet zoo gebroken was geweest. Misschien
had zij die energie niet zoo gevoeld als zij maar een beetje geleden
had. Zij had hare kracht en zij had hare zwakte; zij was zeer geheel,
en zij was toch zeer verscheiden en deze complexiteit was misschien
geweest de redding voor hare jeugd.
Daarbij, zij wàs heel jong; drie-en-twintig; en op dien leeftijd is
er een onbewuste levenskracht, trots alle schijnbare zwakte. En hare
tegenstrijdigheden vormden haar evenwicht, zoodat zij niet overhelde
naar den afgrond.... Dat alles ging als wolkjes vaag door haar heen,
niet met het concieze van woorden, maar met de nevels van moê gedroom.
Zooals zij daar lag, zag zij er niet uit of zij ooit die kracht van
nieuwe richting aan haar leven geven, beoefend had. Een bleeke tengere
vrouw, rank, met gebroken bewegingen, liggende op een langen stoel, in
haar niet geheel meer frisschen peignoir, waarvan het rose verbleekt,
de kant verkreukeld was. En toch was er die poëzie van haarzelve om
haar heen, trots die moede oogen, de slappe lijnen van haar kleed,
trots de pensionkamer, met het vlug in elkaâr gezette comfort, dat
meer tact was dan werkelijkheid en in iederen koffer geborgen kon
worden. Zij had in haar broze figuur, in haar bleeke, meer fijne
dan mooie trekken, zij had om zich heen als een halo, de poëzie van
zichzelve, als een atmosfeer, die zij onbewust om zich heen straalde,
die uitging van haar oogen over de dingen, waarop zij staarde, uit
hare vingers over de dingen, waarover zij streek. Voor wie haar niet
sympathiek waren, was die atmosfeer het ongewone, het excentrieke, het
niet-Haagsche-vrouwtjesachtige, dat men haar dan verweet. Voor wie
haar sympathiek waren, was dat iets van talent, iets van ziel, iets
bizonders, dat bijna genie, maar ontzenuwd scheen, en groote bekoring
gaf, en veel deed denken, en veel beloofde: misschien te veel om te
houden. En deze vrouw was het kind van haren tijd maar vooral van hare
omgeving, en daarom zoo weinig af: strijdigheid tegen strijdigheid, in
evenwicht van tegenstrijdigheden, dat haar ondergang kon zijn, of haar
behoud, maar in elk geval haar noodlot.
Zij voelde zich eenzaam in Italië. Zij had weken gewoond in Florence,
en zij had er een rijk leven pogen te leven van kunst en verleden. Dan
vergat zij wel veel van zichzelve, maar voelde zich toch eenzaam. Zij
was twee weken in Sienna geweest, maar Sienna had haar beklemd: de
sombere straten, de doodsche paleizen, en zij had gesmacht naar Rome.
Maar zij had Rome dien middag nog niet gevonden. En al voelde zij
zich moê, zij voelde zich vooral eenzaam, doodeenzaam en nutteloos op
een groote wereld, in een groote stad, een stad, waar men het groote
en nuttelooze, en eeuwenwijde, misschien zóó voelt als nergens. Zij
voelde zich als een kleine atoom van leed, als een mier, een insect,
lam getrapt, half verpletterd, tusschen de inmense koepelingen van
Rome, die zij buiten ried.
En hare hand dwaalde ijdel over hare lectuur, die zij, zoo nauwgezet
van geweten, bij zich op een tafeltje gestapeld had: eenige vertaalde
klassieken: Ovidius, Tacitus, en dan Dante, Petrarca, Tasso. Het
schemerde in hare kamer, het was geen licht om te lezen, zij was
te weifelend om te bellen voor een lamp; een kilte dreef door haar
kamertje, nu de zon geheel onder was, en zij had vergeten te laten
stoken dien eersten dag. Wijd was de eenzaamheid om haar heen, pijn
deed haar heur leed, haar ziel verlangde naar een ziel, maar haar
mond naar een zoen, haar armen naar hèm, eenmaal haar man, en zich
omwentelend in hare kussens, vroeg zij, uit het diepst van zichzelve,
wringend de handen:
--O God, zèg mij wat ik doen moet!