II.

Zij had na het lunch een victoria genomen, en een toer gemaakt door

Rome, als een eerste kennismaking met de stad, waarnaar zij zoo

verlangd had. Die eerste indruk was haar een groote teleurstelling

geweest. Hare frissche verbeelding, hare lectuur, zelfs hare

fotografieën, in Florence gekocht en met de liefde van een pas

beginnend toerist bestudeerd, hadden haar al een illuzie gegeven van

een stad uit een ideale oudheid, een ideale Renaissance, en zij had

vergeten, dat, vooral in Rome, het leven meêdoogenloos is voortgegaan,

en de tijden er niet in gebouwen en ruïnes opstaan als afzonderlijke

perioden, maar iedere periode door dagen en jaren verbonden is aan de

volgende, nauw aaneengeschakeld.

Zoo had zij den koepel van Sint-Pieter klein kunnen vinden; het Corso

nauw; de zuil van Trajanus, een zuil als een andere; en het Forum had

zij niet gezien terwijl zij er langs reed, en bij den Palatijn had zij

aan geen enkelen keizer kunnen denken.

En zij was nu thuis en moê, en rustte uit en dacht na, weemoedig en

toch genietende van hare vage gedachten, van de stilte rondom haar

heen, in het groote huis, waar de meeste pensionnaires nog niet

teruggekeerd waren. Zij dacht aan Den Haag, aan hare groote familie,

vader, moeder, broers en zusters, die zij vaarwel gezegd had voor

geruimen tijd, om te reizen. Haar vader, gepensionneerd kolonel van

de huzaren, zonder groot fortuin, had haar niets kunnen meegeven voor

haar gril, zooals hij zeide, en zij had zich dien gril, van een nieuw

leven te beginnen, niet kunnen inwilligen zonder een klein legaat, dat

zij reeds jaren geleden van een peettante geërfd had. Zij was blij

eenigszins onafhankelijk te zijn, hoewel zij voelde het egoïsme van die

onafhankelijkheid....

Maar wat had zij voor haar kring kunnen doen, na het éclat van hare

scheiding? Zij was zwak--egoïst--; zij wist het; maar zij had een slag

gehad, waaronder zij eerst gedacht had te zullen bezwijken. En toen

zij toch leefde, had zij bijéen geschraapt haar beetje energie, en zich

gezegd, dat zij niet kon blijven bestaan in hetzelfde kringetje van

hare zusters en vriendinnetjes, en had zij haar leven gedwongen een

anderen kant uit te gaan. Zij had steeds den tact bezeten van een oude

japon een schijnbaar nieuw toilet te arrangeeren, een hoed van verleden

jaar te herscheppen tot een nieuwerwetschen hoed, en zoo had zij ook nu

gedaan met haar verstrooid en ellendig leven, verwaaid en gebroken: zij

had bij elkaâr gezocht, als met een zuinigheid, wat nog over was en nog

goed, en van die overblijfselen had zij zich een nieuw bestaan gemaakt.

Maar dit nieuwe leven kon niet ademen in de oude atmosfeer, was er

doelloos, vreemd, en zij had het weten te dwingen een andere richting

uit, trots allen weêrstand van familie en kennissen. Misschien had zij

dit niet zoo vermocht, als zij niet zoo gebroken was geweest. Misschien

had zij die energie niet zoo gevoeld als zij maar een beetje geleden

had. Zij had hare kracht en zij had hare zwakte; zij was zeer geheel,

en zij was toch zeer verscheiden en deze complexiteit was misschien

geweest de redding voor hare jeugd.

Daarbij, zij wàs heel jong; drie-en-twintig; en op dien leeftijd is

er een onbewuste levenskracht, trots alle schijnbare zwakte. En hare

tegenstrijdigheden vormden haar evenwicht, zoodat zij niet overhelde

naar den afgrond.... Dat alles ging als wolkjes vaag door haar heen,

niet met het concieze van woorden, maar met de nevels van moê gedroom.

Zooals zij daar lag, zag zij er niet uit of zij ooit die kracht van

nieuwe richting aan haar leven geven, beoefend had. Een bleeke tengere

vrouw, rank, met gebroken bewegingen, liggende op een langen stoel, in

haar niet geheel meer frisschen peignoir, waarvan het rose verbleekt,

de kant verkreukeld was. En toch was er die poëzie van haarzelve om

haar heen, trots die moede oogen, de slappe lijnen van haar kleed,

trots de pensionkamer, met het vlug in elkaâr gezette comfort, dat

meer tact was dan werkelijkheid en in iederen koffer geborgen kon

worden. Zij had in haar broze figuur, in haar bleeke, meer fijne

dan mooie trekken, zij had om zich heen als een halo, de poëzie van

zichzelve, als een atmosfeer, die zij onbewust om zich heen straalde,

die uitging van haar oogen over de dingen, waarop zij staarde, uit

hare vingers over de dingen, waarover zij streek. Voor wie haar niet

sympathiek waren, was die atmosfeer het ongewone, het excentrieke, het

niet-Haagsche-vrouwtjesachtige, dat men haar dan verweet. Voor wie

haar sympathiek waren, was dat iets van talent, iets van ziel, iets

bizonders, dat bijna genie, maar ontzenuwd scheen, en groote bekoring

gaf, en veel deed denken, en veel beloofde: misschien te veel om te

houden. En deze vrouw was het kind van haren tijd maar vooral van hare

omgeving, en daarom zoo weinig af: strijdigheid tegen strijdigheid, in

evenwicht van tegenstrijdigheden, dat haar ondergang kon zijn, of haar

behoud, maar in elk geval haar noodlot.

Zij voelde zich eenzaam in Italië. Zij had weken gewoond in Florence,

en zij had er een rijk leven pogen te leven van kunst en verleden. Dan

vergat zij wel veel van zichzelve, maar voelde zich toch eenzaam. Zij

was twee weken in Sienna geweest, maar Sienna had haar beklemd: de

sombere straten, de doodsche paleizen, en zij had gesmacht naar Rome.

Maar zij had Rome dien middag nog niet gevonden. En al voelde zij

zich moê, zij voelde zich vooral eenzaam, doodeenzaam en nutteloos op

een groote wereld, in een groote stad, een stad, waar men het groote

en nuttelooze, en eeuwenwijde, misschien zóó voelt als nergens. Zij

voelde zich als een kleine atoom van leed, als een mier, een insect,

lam getrapt, half verpletterd, tusschen de inmense koepelingen van

Rome, die zij buiten ried.

En hare hand dwaalde ijdel over hare lectuur, die zij, zoo nauwgezet

van geweten, bij zich op een tafeltje gestapeld had: eenige vertaalde

klassieken: Ovidius, Tacitus, en dan Dante, Petrarca, Tasso. Het

schemerde in hare kamer, het was geen licht om te lezen, zij was

te weifelend om te bellen voor een lamp; een kilte dreef door haar

kamertje, nu de zon geheel onder was, en zij had vergeten te laten

stoken dien eersten dag. Wijd was de eenzaamheid om haar heen, pijn

deed haar heur leed, haar ziel verlangde naar een ziel, maar haar

mond naar een zoen, haar armen naar hèm, eenmaal haar man, en zich

omwentelend in hare kussens, vroeg zij, uit het diepst van zichzelve,

wringend de handen:

--O God, zèg mij wat ik doen moet!

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 6 / 67 题