Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de
gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het
huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de
oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór
de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche
villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia;
het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere
antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan:
ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension
had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen
te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen,
behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men
er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauwlijks te
boven ging, was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere
andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol:
de reizigers kwamen reeds in October--die het vroegst in den season
kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen,
bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar
Napels af te zakken.
Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan
Cornélie de Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence
geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat
zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan
het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het
plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van
de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen
en met de tong--om haar aandacht te trekken--kreeg zij hare "lieve
Italiaansche sensatie", zooals zij dacht en was blij in Rome te zijn.
Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het
instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk
herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni en wenkte hem, en
glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit
en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien--vroeg of zij
prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de
victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare
koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij
met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te
worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe,
terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met
even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij
zag links en rechts om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen
maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het
nieuwe Palazzo Piombino--waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was--en
toen hield hij stil, en een knoopenjongentje kwam naar haar toe. Hij
bracht haar in den salon: een donker vertrek; in het midden een tafel
vol tijdschriften, gerangschikt in een regelmatigen, nog ongelezen
cirkel; twee dames, klaarblijkelijk Engelsch, en van het esthetische
genre--groezelige haren, lossige blouses,--zaten, in een hoek, in haar
Baedekers te studeeren, voor zij uit gingen. Cornélie boog even het
hoofd, maar ontving geen groet terug; zij nam het niet kwalijk, al
bekend met Albionsche reismanieren. Zij zette zich aan tafel en nam den
Romeinschen "Herald" op, het blad, dat om de veertien dagen verschijnt
en waaruit men leert, alles wat er die weken te doen is in Rome, en nú
vroeg een der dames haar, uit haar hoek, agressief:
--I beg your pardon, maar zal u, als-u-blieft den Herald niet naar uw
kamer meênemen?
Cornélie richtte heel hoog en kwijnend haar hoofd in de richting op
waar de dames zaten, zag vaag over hare groezelige hoofden heen, zeide
niets en blikte weêr terug in den Herald, en zij vond zich zeer bereisd
en glimlachte inwendig, omdat zij wist hoe men deed tegen dit genre van
Engelsche dames.
De marchesa trad binnen, en verwelkomde Cornélie in het Italiaansch,
in het Fransch. Zij was een groote dikke matrone, vulgair dik; haar
ampelen boezem omspande een zijden kuras of spencer, dat glom op de
naden en barstte onder de armen: haar grijze frizuur gaf haar iets
van een leeuw; de groote geel en blauw gebistreerde oogen sperden een
blik open, onnatuurlijk van bella-donna; in hare ooren regenboogden
ontzaglijke kristallen, en naamlooze eêlgesteenten waren aan hare dikke
vette vingertjes gerist. Zij sprak heel vlug, en Cornélie vond hare
frazen even gezellig huiselijk als de verwelkomst van den krukkenden
portier op het stationsplein. Zij liet zich door de marchesa geleiden
naar den lift, en steeg met haar in: de hydraulische lift, een
getraliede kooi, opgaande langs de trappen, steeg plechtig en bleef
eensklaps roerloos, tusschen tweede en derde verdieping.
--Derde verdieping! riep de marchesa naar omlaag.
--Non c'è aqua! riep het knoopenjongentje kalm terug, daarmeê willende
beweren, dat--hetgeen heel natuurlijk scheen,--er geen water genoeg
was om den lift in beweging te stellen.
De marchesa schreeuwde schel eenige bevelen; twee facchino's liepen
aan, heeschen zich met het ijverig doende knoopenjongentje aan den
kabel van den lift, en met schokjes steeg de kooi hooger en hooger en
bereikte eindelijk, bijna, de derde étage.
--Nog iets hooger! beval de marchesa. Maar hoe de facchino's hunne
spieren spanden, de lift bleef roerloos.
--Wij kunnen er wel uit! zei de marchesa. Wacht even.
Met een grooten stap, die haar enorme witte kuit zien liet, stapte
zij op de étage, glimlachte en reikte de hand aan Cornélie, die hare
gymnastiek navolgde.
--Wij zijn er! zuchtte de marchesa met een glimlach van voldoening.
Hier is uw kamer.
Zij opende een deur en liet een kamer zien. Hoewel het buiten een dag
van helle zon was, was de kamer als een kelder kil en vochtig.
--Marchesa, zei Cornélie dadelijk. Ik heb u geschreven om twee kamers
op het Zuiden.
--O ja? vroeg de marchesa argeloos en naïf. Ik herinnerde het me heusch
niet meer. Ja, dat is zoo een idee van de vreemdelingen: kamers op het
Zuiden.... Dit is heusch een mooie kamer.
--Het spijt mij, maar ik kan deze niet nemen, marchesa.
La Belloni bromde een beetje, ging door den corridor en opende een
ander vertrek.
--En deze kamer, signora.... Wat dunkt u hiervan....
--Is dit het Zuiden?
--Bijna.
--Ik moet het volle Zuiden hebben.
--Dit is op het Westen: u ziet uit uw raam hier de prachtigste
zonsondergangen.
--Ik moet bepaald een kamer op het Zuiden hebben, marchesa.
--Ook heb ik allerliefste vertrekjes op het Oosten: u heeft daar de
beelderigste zonsopgangen.
--Neen, marchesa....
--Heeft u geen gevoel voor natuurschoon?
--Een klein beetje, maar nog meer voor mijn gezondheid.
--Ik slaap wel op het Noorden.
--U is een Italiaansche en er gewend aan, marchesa.
--Het spijt mij wel, maar ik heb geen kamers op het Zuiden.
--Dan spijt het mij ook, marchesa, maar dan zal ik ergens anders zoeken.
Cornélie wendde zich af, als om weg te gaan. De keuze van een kamer is
soms de keuze van een leven....
De marchesa vatte haar hand en glimlachte. Zij had niet meer haar
koelen toon, maar haar stem was als balsem.
--Davvero, het is zoo een idee van vreemdelingen: kamers op het Zuiden!
Maar ik heb er nog twee hokjes. Hier....
En zij opende snel twee deuren: twee kleine gezellige zonnige
pijpelaadjes, uit de open ramen een hoog en wijd luchtgezicht over de
lagere straten en daken heen, en, blauwe dom, in de verte, Sint-Pieter.
--Het zijn mijn eenige kamers nog op het Zuiden, klaagde de marchesa.
--Deze wil ik gaarne hebben, marchesa....
--Zestien lire, glimlachte la Belloni.
--Tien, zooals u geschreven had.
--Ik zoû er twee personen in kunnen logeeren.
--Ik blijf--als het mij bevalt--den heelen winter.
--U is dapper! riep de marchesa eensklaps uit met haar liefste stem,
stem van overwonnene. U krijgt de kamers, voor twaalf lire. Laten
wij er niet verder over spreken. De kamers zijn van u. U is een
Hollandsche? Wij hebben nog een Hollandsche familie; een mama met twee
dochters en een zoon. Wil u naast ze zitten aan tafel?
--Neen, zet mij liever ergens anders; ik hoû niet van landgenooten op
reis....
De marchesa liet Cornélie alleen. Zij zag uit het raam, gedachteloos,
blij in Rome te zijn, met even den weemoed van het onbekende, dat
gebeuren ging. Er werd geklopt, hare koffers werden binnengebracht.
Zij zag, dat het elf uur was en begon uit te pakken. Haar eene kamer
was een klein zitkamertje, als een vogelkooi in de lucht, ziende over
Rome heen. Zij schikte zelve de meubels anders, drapeerde de verschoten
chaise-longue met een lap uit de Abruzzen en bevestigde eenige
portretten en fotografieën met punaises in den kalkwand, gebroken
door ruwe fresco-arabesken. En zij lachte om den rand van purperen,
pijldoorstoken harten, die het frescovak van den wand omgaf.
Zij werkte een uur en hare zitkamer was geschikt: een eigen home met
een paar eigen lappen, een schut zoo, een tafeltje zus: kussens op de
chaise-longue, boeken bij de hand. Toen zij klaar was en zitten ging
en om zich heen zag, voelde zij zich plotseling zeer eenzaam. Zij
dacht aan Den Haag, aan wat zij er achterliet. Maar zij wilde niet
denken, nam haar Baedeker en bestudeerde het Vaticaan. Zij kon er
niet hare gedachten bijhouden en nam Hare's "Walks in Rome" ter hand.
Een bel luidde. Zij was moê, voelde zich nerveus, zag in den spiegel,
zag hare haren uit den krul, haar blouse-hemd vuil van steenkool en
stof, ontsloot een tweeden koffer en verkleedde zich. Terwijl zij zich
frizeerde, schreide zij, snikte zij. De tweede bel luidde en na zich
gepoeierd te hebben ging zij naar beneden.
Zij dacht laat te zijn, maar er was niemand in de eetzaal en zij
moest wachten voor zij bediend werd. Zij beloofde zich voortaan niet
zoo dadelijk te komen. Sommige locataires keken naar binnen door de
geopende deur, zagen, dat er nog niemand aan tafel zat dan éene nieuwe
dame, en verdwenen weêr.
Cornélie zag om zich rond en wachtte af.
De eetzaal was de antieke eetzaal van het oude villino-gedeelte met een
plafond van Guercino. De kellners drentelden wat rond. Een oude grijze
hofmeester zag met een verren blik over de tafel, of alles in orde was.
Hij werd ongeduldig, omdat niemand kwam en beval, dat men Cornélie
de macaroni diende. Het viel Cornélie op, dat hij ook met het been
trok, evenals de portier. Maar de kellners waren heel jong, nauwlijks
zestien, achttien jaar en zonder het gewone kellner-aplomb.
Een dikke heer, levendig, gewichtig, pokdalig, slecht geschoren, in een
kale zwarte jas, zonder veel linnen te toonen, kwam binnen, wreef zich
in de handen, zette zich op zijn plaats, tegenover Cornélie.
Hij groette beleefd en at ook van de macaroni.
En het scheen een sein te zijn, dat men ging eten, want tal van
locataires, meestal dames, kwamen nu binnen, zetten zich en namen van
de macaroni, die de jonge kellners ronddienden onder toezicht van den
grijzen hofmeester. Cornélie glimlachte om het amuzante dier reistypes
en toen zij, onwillekeurig, naar den pokdaligen heer over zich zag,
bespeurde zij, dat hij ook glimlachte.
Hij haastte zich zijn beetje tomatensaus nog met brood te eten, boog
zich een weinig over de tafel en fluisterde bijna in het Fransch:
--Het is amuzant, niet waar?
Cornélie trok de wenkbrauwen op.
--Hoe meent u?
--Een cosmopolitisch gezelschap....
--O ja....
--U is een Hollandsche?
--Hoe weet u?
--Ik zag uw naam in het vreemdelingenboek, en daarachter: la Haye....
--Het is waar....
--Er zijn hier nog meer Hollandsche dames, daar zitten zij ... ze zijn
charmant.
Cornélie vroeg een ordinairen wijn aan den hofmeester.
--Die wijn is niet goed, zei de dikke heer, levendig. Ik heb hier
Genzano,--en hij wees op zijn fiasco. Ik betaal een klein kurkegeld en
drink mijn eigen wijn.
De hofmeester zette haar half fleschje voor Cornélie: dat was gratis
begrepen in haar pension.
Ik zal u, als u wilt, het adres geven van mijn wijn: Via della Croce
61....
Cornélie bedankte. De meer dan gewone gemakkelijkheid, levendigheid van
den pokdaligen heer vermaakten haar.
--U ziet naar den hofmeester, vroeg hij.
--U let goed op, glimlachte zij.
--Een type, onze hofmeester, Giuseppe. Hij was vroeger hofmeester in
het paleis van een Oostenrijkschen aartshertog. Hij heeft, ik weet niet
wat gedaan. Gestolen misschien. Of brutaal geweest. Of een lepel laten
vallen. Hij is gedegringoleerd. Hij is nu maar in ons pension Belloni.
Maar wat een waardigheid....
Hij boog zich voorover.
--De marchesa is zuinig. Al de bedienden hier zijn òf oud, of héél
jong. Dat betaalt minder.
Hij boog tot twee Duitsche dames: moeder en dochter, die waren
binnengekomen en naast hem plaats namen.
--Ik heb voor u de permissie, die ik u beloofd heb: om het palazzo
Rospigliosi te zien; de Aurora van Guido Reni, sprak hij in het Duitsch.
--Is dan de prins terug?
--Neen, de prins is in Parijs. Het paleis is niet te zien, behalve voor
u.
Hij boog galant.
De Duitsche dames riepen uit hoe lief hij was, hoe hij toch alles kon
doen, op alles iets vinden. Hoeveel moeite hadden zij niet gedaan om
den portier van Rospigliosi om te koopen. Het was haar niet gelukt.
Een mager Engelsch dametje had plaats genomen naast Cornélie.
--En voor u, miss Taylor, heb ik een kaart voor een vroegmis in de
eigen kapel van Zijne Heiligheid....
Miss Taylor straalde van genot.
--Is u weêr aan het sight-seeing geweest? ging de pokdalige heer voort.
--Ja, muzeum Kircher, zeide miss Taylor; maar ik ben nu doodmoê.... It
was most exquisite.
--Ik schrijf u voor vanmiddag thuis te blijven, miss Taylor, en uit te
rusten.
--Ik heb een afspraak om naar den Aventijn te gaan....
--U mag niet. U is moê. Iederen dag ziet u er slechter uit en wordt
u magerder. Rome is te vermoeiend voor u. U moet rust nemen, anders
krijgt u niet de kaart voor de vroegmis.
De Duitsche dames lachten. Miss Taylor beloofde, gestreeld, zalig. Zij
zag naar den pokdaligen heer, of zij van hem het woord der wijsheid
moest vernemen.
Het déjeuner was afgeloopen: de biefstuk, de pudding, de droge vijgjes.
Cornélie stond op.
--Mag ik u even inschenken, uit mijn flesch? vroeg de dikke heer.
Proeft u eens mijn wijn. Vindt u dien goed? Dan bestel ik, in de Via
della Croce, een fiasco voor u....
Cornélie wilde niet weigeren. Zij dronk. De wijn was heerlijk zuiver.
Zij dacht, dat het goed zoû zijn in Rome een zuiveren wijn te drinken
en terwijl zij zoo dacht, scheen de dikke heer haar snelle denken te
lezen.
--Het is goed, zeide hij; als u in Rome, waar het leven vermoeiend is,
een versterkenden wijn drinkt.
Cornélie beaamde het.
--Dit is Genzano, van twee-vijf-en-zeventig lire de fiasco. U doet
daar lang meê, de wijn bederft niet. Ik bestel u dus een fiasco.
Hij boog in het rond tegenover de dames en vertrok.
De Duitsche dames bogen tegen Cornélie.
--Altijd zoo minzaam, die Mr. Rudyard....
--Wat zoû hij zijn, dacht Cornélie. Fransch, Duitsch, Engelsch,
Amerikaansch?