CICERO _de Invent._

Ik verzogt hem voords zijn woord te willen houden, en mij zijne

_Bibliotheek_ nog eens even te willen toonen; 't welk hij bereidwillig

aangenoomen hebbende, met ons in een fraaije lichte en lugtige kamer

tradt, doch alles gelijk met den grond. Hier zag ik een groot aantal

boeken, meest alle in de Latijnsche Taal, behalven eene afzonderlijke

Collectie in de Grieksche en Oostersche Taalen, alle nieuwe drukken en

meest in Octavo formaat; folianten en quartijnen, zag ik slegts zeer

weinige; en zeide daarop:

Dit verschilt ook veel van de inrichting der Boekvertrekken in de XVIII.

eeuw; want toen hadt men boeken, die men naauwlijks draagen kon.

_De Wijsgeer._ Ja, dit is ons veel gemakkelijker; wij verdeelen liever

een werk in veele handelbaare deelen; dan zulke lompe stukken te moeten

torsschen: daarom schijnen 'er ook veele boeken te zijn; doch 'er zijn

in de daad maar weinige, zeer voornaame werken, maar die in veele

deelen gesplitst zijn. Bijvoorbeeld; daar staat al wat ons van de

Hebreen naagebleeven is; wij leezen al die boeken thands zeer gemeenzaam

in hun eigen taal: gelijk ge ziet, 't is alles Hebreeuwsch; want wij

zijn in de Oostersche Taal- en oudkunde, aanmerkelijk toegenoomen. Hier

is een Latijnsche vertaaling derzelve.

Ik zag hier en daar dit werk eens in, doch herkende sommige zeer bekende

plaatsen, naauwlijks; door de groote veranderingen, die eenige woorden

ondergaan hadden, en bleef een wijl in stille verwondering staan, welke

de wijsgeer echter afbrak, met mij de werken van HOMERUS te toonen, als

ook die van ORPHEUS en LINUS, welke vóór een eeuw, gelijk hij zeide,

ontdekt en nu geheel volledig, bij elkander gedrukt waren, als ook de

vermiste _Decaden van_ LIVIUS; ook vond ik 'er verscheiden aucteuren

der oudheid, dien men slegts bij naam kent, en voor verloorene,

_deperditi_ houdt, geheel volledig, of ten minsten fragmenten derzelve.

Bijvoorbeeld; het Tooneelspel, _de Reis_ genoemd, van JULIUS CÆSAR;

eenigen zijner Brieven aan CICERO en deszelfs verhandeling betijteld:

_Anti Cato_; eenige fragmenten van Dichtstukken van Keizer AUGUSTUS; de

klagten over den dood van _Julius Cæsar_, door MARCUS ANTONIUS; eenige

fragmenten van PYTHAGORAS, PHERECYDES, HECATÆUS en andere verloorene

Grieksche en oude Latijnsche Dichters, in één woord verscheide andere

vermiste Schriften, te lange om hier optenoemen.

Ik vroeg voords den eigenaar waar zijne Nederlandsche Aucteuren stonden?

hij wees mij dezelven terstond. Het eerste werk dat mij in 't oog viel,

was JACOBI CATZII _Opera omnia poetica, cum notis variorum_. Ik nam

'er greetig een deel uit, de text was Hollandsch met een Latijnsche

vertaaling, 'er tegen over en met Latijnsche aanteekeningen voorzien,

die ik zeer wonderlijk en eenigen geheel tegen den zin des Dichters

vond. Bijvoorbeeld, bij de uitdrukking _deuzig brein_, vond ik dezen

noot, _deuzig, olim apud belgas nomen Epidemiæ, constructum e voce

gallica deux, duo, et Belgica, ziek, morbosus; velut dicetur deux ziek,

id est in duas partes morbi affectum cerebrum, scilicet in occipitem et

sincipitem._[6]. Ik moest lagchen over deze geleerdheid, en verzeekerde

mijnen geleerden vriend, dat deze commentator in eene groote dwaaling

vervallen was.

[6] Dat is: _Deuzig was eertijds de naam van een volksziekte, het

woord is samengesteld uit het Fransche woord, _deux_ twee, en het

Hollansche _ziek_, als of men wilde zeggen, _deux ziek brein_, dat

is een brein dat aan weêrszijden, in 't voor- en agterhoofds

gedeelte, door ziekte aangetast is._

_De Wijsgeer._ Men houdt hem anders nog al voor den besten; hij heeft

ook den ouden VONDEL, en eenige andere Dichters uitgegeeven; maar hier

moet ik u een werk toonen, dat het kruis onzer hedendaagsche geleerden

en Taal onderzoekers is; zie daar, over dit boek zijn nu bereids al

twintig werken geschreeven, en nog begrijpen wij alles niet.

Ik nam het met vlijt aan, en dacht eerst dat het Hebreeuwsch ware; want

ik vond den tijtel aldus gesteld: E. WOLFFI _Dominæ eruditissimæ_,

[Hebreeuws: tav resh sameh] _Cor civicum, ad optimas codices restituta,

cum lectionibus variantis et notis perpetuis_, Irkutskoi MMCX.[7]

[7] E. WOLFF, SARA BURGERHART, na de beste uitgaven, met verschillende

leezingen en doorgaande nooten verrykt, gedrukt te _Irkutskoi_

2110.

Wel nu, dacht ik, dat ziet 'er al heel raar uit! ik bladerde dit werk

eens door, maar vond dat de geleerde Commentator het allermeest met

de brieven van Broeder _Benjamin_, want het was de _Sara Burgerhart_,

van Mejuffrouw de WOLFF, verlegen geweest was; deze waren zo duidelijk

verklaard, dat ik 'er geen woord van begrijpen kon. Nu zeide ik, dat is

mij te geleerd!

Maar welke boeken staan daar;

_De Wijsgeer._ Dat zijn de _Opera Rassavi_, (_Rousseau_) en _Voltarii_,

(_Voltaire_,) doch van de laatste zijn slegts fragmenten overgebleeven;

gindsch staat, _Klopstocki_, _Messiah_, deze is thands een _auctor

classicus_, en wordt veel tot onderwijs in het oud germaansch gebezigd;

wij houden ook veele oude wijsgeeren van vóór dertien eeuwen, nog in

groote waarde en voornaamlijk studeeren wij nog in de _Opera Mosche

Ben Mendel_,[8] en het _carmen Philosophicum aureum Alexandri Pope,

quod Homo dictum est_.[9] Dit wordt thands ten grondslag der Zedelijke

Wijsbegeerte gelegen; Maar goede vriend! neem mij niet kwaalijk, gelieft

ge nog eenigen tijd u hier in de boeken te vermaaken, 't zal mij lief

zijn; maar mijn tijd is verscheenen; alzo de balon op zijn' tijd

afvliegt en naar geen Passagiers wagt.

[8] MOZES MENDELSZOON.

[9] POPES; _Proeven van den Mensch_.

Ik nam deze waarschouwing voor een heusche vermaaning aan, dat het onze

tijd werdt om afscheid te neemen, 't welk ik dan ook deed, naa den

Wijsgeer goede reis gewenscht te hebben. Ik was naauwlijks met mijn'

Leidsman, dien ik verzogt had mij nu bij een' Boekverkooper te willen

geleiden, weder op weg, of ik had terstond mijn oog op sommige winkels

welke wij voorbij gingen, en waarin ik niet dan zeer eenvouwige

kleederen, en Huisgeraaden ten toon gesteld zag. Waar zijn toch, vroeg

ik, al die kostbaare _Galanterie_- en _Parfum_-winkels, die voor dertien

eeuwen, zo rijk onze meeste koopsteeden versierden?

_Geleider._ _Galanterie_-winkels! wat waren dat? Wij verstaan dat woord

in 't geheel niet meer; wat is dat toch _Galanterie_? Wat is _Parfum_?

_Ik._ Ja! als ge die woorden niet meer verstaat, is 't zeer moeilijk

'er u den waaren zin van te verklaaren; maar men verstondt 'er, onder

verscheidene andere beteekenissen, in dien tijd, ook onder die

kleinigheeden van nagemaakt goud en zilver, welke de _petit maitres_;

_Jonge Heeren en Dames du Ton_, gebruiken, om zig bevallig voor te doen,

_Horologien_, kettingen tot dezelve, _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en

wat al niet meer!

_Geleider._ In oprechtheid, ik verstaa geen enkel woord, van 't gene

gij daar noemt; maar ik zal 'er het, onlangs, in Japan uitgekomen,

_Glossarium Linguæ Gallicæ antiquæ_, eens over nazien; want ik denk dat

al deze woorden over oud en vergeeten Fransch zijn.--Maar dat kan ik u

intusschen wel zeggen, dat wij zulke winkels niet hebben; onze zoonen

koopen boeken, en onze dochters lijwaaten en lakenen, om zich eene

dekking in guur weder te bezorgen.

_Ik._ Wel! Wel! Man; wat is dat alles veranderd! is hier alles dan zo

verarmd?

_Geleider._ Verarmd! Wel neen! die genoeg bezit, kan men, dunkt mij,

niet arm noemen; wij bezitten overvloed van alles, wat tot het leven

noodig is. Weet ge niet, wat JUVENALIS, aan 't einde van zijn XIV.

Schimpdicht, hier over zegt: _zoo 't mogt gebeuren, dat mij iemand

vroeg: Hoe veel is 'er dan tot leeven genoeg? Ik zal hem antwoorden:

drank voor den dorst, spijs voor den honger, brand en klederen voor de

koude, en 't geen u, ô Epicuur! in uw klein tuintjen, en u, ô Socrates!

weleer in uw huishouding vergenoegd heeft; Nooit heeft de natuur, ons

iets anders dan de wijsheid geleerd._[10].

[10] _------ ------ ------ Mensura tamen quæ

Sufficiat census, si quis me consulat, edam;

In quantum sitis, atque fames & frigora poscunt,

Quantum Epicure tibi parvis suffecit in hortis

Quantum Socratici ceperunt ante penates.

Nunquam aliud natura, aliud sapientia dicit._

_Ik._ Maar hoe toch wordt dan het onderscheid van staat in de kleeding

gezien!

_Geleider._ Hoe meent ge dat? woudt ge dan dat de deugdzaamsten zig door

hun kleed onderscheideden?

Hier zweeg ik, en hoeste; wijl ik bemerkte dat deze onnoozele mensch

niets van den hoogen of laagen rang der klederen wist; ik liet dus dat

punt steeken en wende ons gesprek tot iets anders, door te vraagen of 't

hier de gewoonte onder de Wijsgeeren ware, van op den grond te slaapen;

wijl ik in de wooning van dien, welken wij bezogt hadden, niets dat naar

een bed geleek gezien hadde.

_Geleider._ Zonder twijfel slaapen wij op den grond; wij leggen ons

tegen den rusttijd slegts op den grond neder; want ge hebt immers

gezien, dat onze vloeren alle met hout belegd zijn, en dan hebben wij

een mat tot dekking, en een omgerolde mat tot hoofdkussen; is dat dan

anders tot uwent?

_Ik._ Wel zeeker, Ja! wij liggen des nagts op dons van zwaanen, of

andere zeer zagte vederen; maar ik geloof ook dat wij aan deze

weekelijke levenswijze veel de verzwakking van ons gestel te danken

hebben.--Inmiddels waren wij voor den winkel van den Boekverkooper

genaderd; waar door ons gesprek afgebroken werdt, en mijn geleidsman

mij verzogt binnen te treeden. De Boekverkooper, die, met een bonte muts

op 't hoofd, en eenen langen baard en zwarte mantel, zeer veel naar een'

Joodschen Rabbi geleek, was in zijn' winkel bezig met eenige boeken in

te pakken; alles zag daar nog al zo uit, als vóór dertien eeuwen de

gewoonte bereids geweest was. Ik vroeg, naa hem gegroet te hebben, om

eenige nieuwe Rijmwerken te mogen zien; wijl ik dagt, na de ondervinding

in mijnen tijd, daarvan de meeste voorhanden te zullen vinden; maar hij

betuigde mij niet te weeten wat ik met rijmwerken meende; wel, zeide ik,

zulke boeken wier regels op 't einde dezelfde klanken hebben, gelijk

als _klaagen_, _schraagen_ enz. De man begon daarop zo te lagchen, dat

ik 'er kregel over werd, en vroeg of hij mij voor den gek hielde? Hij

antwoorde daar weder op? Wel vriend! dat zoude ik u haast vraagen, wie

heeft van zijn leven van zulke raare boeken gehoord, als waar gij van

spreekt. Hoe kan 't in een gezond menschen verstand vallen, geen regels

te willen schrijven, dan die juist gelijkluidende of klinkende woorden

op 't eind hebben; als men dan, bijvoorbeeld, van een huis spreekende,

eens _gevel_ op 't einde van een' regel hadde, hoe zoude men 'er dan

toch mede staan, om den gelijkluidenden regel te vinden?

_Ik._ Wel hoe; dan zoude men dien zin zo wenden, dat men, bijvoorbeeld,

_hevel_ op 't eind van den regel kreeg.

_De Boekverkooper._ Maar, hoe is dat toch mensch mooglijk, deze beide

zaaken laaten zig immers onmooglijk samenvoegen!

_Ik._ Ja, dat kan ik u ook zo oogenbliklijk niet verklaaren; want dat is

juist het verhevenste deel der Rijmkunst; 't zij genoeg, dat men dat

vinden kan, en die schijn onmooglijkheid moogelijk maaken. Ja, dat 'er

zulke Versenmaakers tot onzent wel eer geweest zijn, die hunne regels

zodanig konden doen rijmen, dat men niet eens merkte dat zij eenigen

dwang in hunne denkbeelden daardoor leeden; doch, voegde ik 'er bij,

dat is ook de hoogste top der rijmkunst, en dan geeft het rijm een

alleraangenaamste zoetvloeijendheid en welklank aan de Dichtregelen,

immers op deze wijze tracht men tot onzent de les van HORATIUS in acht

te neemen: _Non satis est pulchra esse Poemata dulcia sunto_.[11]

[11] _In arte Poetica._

_Een Dicht moet niet slegts schoon, maar ook zoetvloeijend weezen._

Terwijl wij hier nog over twisteden, kwam 'er een eerwaardig grijsaart,

bijna even eens gekleed als de Wijsgeer, die nu reeds met den luchtbal

op reis was, den winkel binnen. Op zijn inkomst toonden de Boekverkooper

en mijn Geleider een grooten eerbied; zij ontdekten zig het hoofd, en de

Boekverkooper maakte een' zetel gereed, en deedt hem, met tekenen van

den grootsten eerbied, nevens zig zitten; Hoe hebt ge 't Vader? vroeg de

Boekverkooper hem. Zeer wel, kind! dank zij den geever der gezondheid;

zeide de grijsaart; en vervolgde, ik wenschte het onlangs uitgekomen

werk over de Staatsonlusten in Nederland, in de XVIIIe. eeuw eens te

mogen zien? Ik heb gehoord dat ge die boeken onlangs ontfangen hebt.

De Boekverkooper reikte hem daarop een welgebonden octavo boek toe, 't

welk hij met aandacht, doch zuchtend, doorbladerde. Terwijl hij hierin

zag, verzocht ik mede zodanig een _exemplaar_ eens te mogen zien; met

een greetige hand ontfing ik het terstond, en zag dat de Tijtel was

_Hollandia agonisans restaurata, sive Historia rerum, in foederatis

provinciis, seculo decimo octavo, gestarum, auctore Ha-ki-ung Chinense.

Cum figuris æneis. Pekingiis, impensis La-chi-to-ang societatis

Litterariæ Typographi Ao. MMCL.[12] Ik zag dit werk met graagte door,

en stond versteld over de zonderlinge aaneenschakeling van sommige

voorvallen, wier samenhang in de XVIIIe. eeuw zo verborgen scheen.

Ik bezag ook de plaaten; maar die waren dan wonderlijk, gedeeltelijk

na waarheid, en gedeeltelijk, geheel mis en tegen de _Costume_,

bijvoorbeeld: ik zag 'er een voorval te dier tijd op den _Dam_ te

_Amsterdam_ gebeurd; het Stadhuis was nog al redenlijk wel getroffen,

doch het stondt ter plaatse, waar de vischmarkt behoorde te weezen,

en men hadt 'er dicht nevens een breed water verbeeld, waar in groote

scheepen voeren; de klederdragten waren geheel door elkander verward;

onder anderen waren 'er beeldjens in, die waarlijk klugtig 'er uit

zagen, te weeten: met breed gepande rokken, nieuwmodische engelsche

vesten; maar tevens met kraagen en knevels voorzien. Terwijl ik dit

met aandacht bezag, rees de Grijsaart op, zeggende het boek te zullen

behouden en mede neemen; vaartwel mijn kinderen, zeide hij voords tegen

den Boekverkooper en mijnen Geleider en werdt met dezelfde betooningen

van eerbied weder uitgeleid.--Ik vroeg, naa hij vertrokken was, aan den

Boekverkooper, wat de prijs van dit boek ware? Acht stuivers, Vriend!

was zijn antwoord, 't komt wat hoog om de veele plaaten.--Ik meende dat

ik hem niet wel verstaan had, en vroeg nog eens; _acht stuivers!?_

[12] Dat is: _Het zieltogend Holland hersteld, of Geschiedverhaal

van het gene in de Vereenigde Nederlanden in de XVIIIe eeuw

voorgevallen is, door Ha-ki-ung van China, met koperen plaaten,

gedrukt te Peking, op kosten van La-chi-to-ang, gewoon drukker van

het Letterkundig Genootschap aldaar_ Ao. 2150.

_De Boekverkooper._ Ja zeeker, ik kan het waarlijk niet minder laaten;

't zijn al vaste prijzen die op dat nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt

het achter den Tijtel gedrukt vinden.

_Ik._ Nu ik heb 'er geen woord tegen, Vriend! maar sta zelfs zeer

verwonderd over den laagen prijs van zodanig een werk, en dat van zo

verre landen komt.--Ik voldeed hem daarop terstond, stak het boek bij

mij, en vroeg naar meerdere nieuwigheeden; hij toonde mij voords eenige

van de nieuwst uitgekomen werken, en verhandelingen de _Wijsbegeerte_,

_Natuurkunde_ en laatste _Geschiedenissen_ betreffende, doch zij waren

alle zeer duister voor mij, door de menigvuldige nieuwe naamen van

Menschen, Landen, Kunsten en Kunstwerktuigen, dat ik 'er geen' regel uit

begrijpen kon; alhoewel ze anders, waar geen naamen dezer zaaken voor

kwamen, in goed zuiver Latijn geschreeven waren.

Ik bedankte den Boekverkooper voor het gezicht, en haaste mij om mijn

afscheid te neemen; wijl ik mijnen Geleidsman zeer veel te vraagen had:

wij waren ook naauwlijks buiten deur, of ik vroeg hem terstond, of die

eerwaardige persoon, die in den Boekwinkel was, de vader van den

Boekverkooper ware.

_Geleider._ Neen! maar hij is ons aller Vader. Dit was nu de Vader van

Nederland.

_Ik._ Wat is dat te zeggen?--Dat begrijp ik niet!

_Geleider._ Ja, dat kunt ge ook onmooglijk raaden; maar hoor, vóór

twaalf of dertien eeuwen noemde men die lieden die het oppergezag in

handen hadden, en de Staaten bestuurden _Keizers_, _Koningen_, _Vorsten_

enz. maar die naamen zijn thands hier in onbruik geraakt, men noemt dien

thands _Vaders_. Bijvoorbeeld _Vaders der Nederlanderen_, _der Britten_,

_der Kaffers_ enz. volgends het gezegde van XENOPHON; een goed Vorst

verschilt niets van een' goeden Vader.[13]

[13] [Grieks: houden diaphezei archôn agathos agatho patros.]

BOURSAULT geeft den Koningen, op dien grond, ook deze gewigtige

les, in zijn fraai Tooneelstuk _Esope à la Cour_.

_Sans etre conquerant, un Roi peut etre auguste.

Pour aller à la gloire il suffit d'etre juste.

Dans le sein de la paix faites de toutes parts,

Dispenser la justice & fleurir les beaux arts.

Proteger votre peuple autant qu'il vous revere,

C'est en etre, Seigneur! le veritable Pere;

Et Pere de son peuple est un titre plus grand

Que ne le fut jamais celui de Conquerant._

_Ik._ Was dit dan zo veel als een Vorst! nu, daar zag hij 'er evenwel

niet na uit. Een Vorst zou immers niet alleen bij een' Boekverkooper

inloopen, en daar een boek vraagen, en met zig neemen.

_Geleider._ Wel! waarom niet? Het was immers met den wil des eigenaars?

_Ik._ Nu, ja, daar heb ik niets tegen, maar! evenwel een Koning pleeg

een groote Hofhouding, en steeds een' stoet gewapende wachten rond om

zig te hebben, ten einde zijn gezag te doen eerbiedigen, en zijn persoon

te bewaaren.

_Geleider._ Wel ja; maar ge moet dezen tijd niet bij de achttiende eeuw

vergelijken. Onze Landsvaderen houden geen' stoet van Dienaars, zijn

nooit omringd van gewapende lieden. Dit alles kon goed en noodig zijn,

in die tijden toen het _Monarchomachismus_ nog in den smaak was. Thands

is 'er geen de minste reden, om den eersten uitvoerer der wetten uit den

weg te ruimen, en 'er is daarom ook geen vrees voor zulke wandaaden, en

daar deze geen plaats heeft, zouden immers al die voorbehoedselen

overbodig zijn.

_Ik._ Met dat al hebt ge dan toch een Opperbestuurer, een soort van

Koning, die eindelijk in een willekeurig regeerer zou kunnen ontaarten,

en dus geen vrijheid.

_Geleider._ Vrijheid! weet ge dat woord wel te bepaalen; _eene

Vrijheid_, althands gelijk CICERO die bepaalt, bezitten wij volkomen,

immers, _wat is_, zegt hij, _Vrijheid? De magt om te leeven gelijk men

wil; maar wie anders leeft waarlijk na zijn' wil, dan hij, die het goede

opvolgt, die zijn' pligt doet, wiens levenswijze doordacht en berekend

is._[14]

[14] _Quid est, libertas? Potestas vivendi, ut velis. Quis igitur vivit

ut vult, nisi qui recta sequitur, qui gaudet officio, cui vivendi

via considerata atque provisa est._

Parad. V. Cap. I.

_Ik._ Wordt 'er dan thands hier geen land- en zeemagt onderhouden?

Heeft men hier geen _Sterkten_, _Muuren_, _Schanssen_, _Poorten_; weet

men van geen' Oorlog of Krijgskunst?

_Geleider._ Waar toe toch zouden wij ons scheiden van onze landgenooten,

en waarom zouden wij krijgslieden voeden, waar niet te oorlogen valt;

wie zou ons daartoe noodzaaken? Geheel Europa is in evenwigt; want elk

heeft genoeg aan zijne eigene bezittingen; al onze nabuuren worden op

dezelfde wijze, gelijk wij, na wijze wetten bestuurd, hoe toch zoude

't hen in gedachten komen, om juist hun land te willen verlaaten, en

tegen alle recht in 't onze te dringen; neen! dat was wat anders, in de

tijden van Goud- en Staat-zugt; in die eeuwen toen men even eerst uit de

barbaarsche tijden ontlook.--Maar in verre afgelegene, en nog kortlings

beschaafde landen, gelijk _Groenland_, _Canada_, _Siberien_ en ten

zuiden op de kust van _Magellaan_ en in _Nieuw Zeeland_, daar is de

krijskunst thands nog in bloei; want van deze volken kan men met PLATO

zeggen: _dat God hen de helft van hun verstand benoomen heeft, ten einde

zij minder de hardheid en het onaangenaame van hunnen staat zouden

gevoelen_.[15]

[15] PLATO de Rep. Lib. 3.

_Ik._ Wel nu, dat laat zig hooren; maar zijn 'er thands op den

aardbodem volstrekt geene Landen, die door Koningen, oppermagtig,

beheerscht worden?

_Geleider._ Ja, dat zijn juist dezelfde Landen waarin nog steden

bemuurd, vlooten bemand en krijgsvolk gehouden wordt; Staaten die

nu eerst sedert een eeuw beschaafd zijn geworden; bijvoorbeeld de

_Patagoniërs_, de _Zuidlanders_ en diergelijke volken, hebben nog zulke

oppermagtige Koningen.

_Ik._ Zo! zo!--Maar zeg mij toch eens hoe is 't mooglijk, dat de

Boekverkooper mij dit werk zo zeer goedkoop kon laaten?

_Geleider._ Wel, dat is juist zo zeer goedkoop niet; want sedert wij ons

van al het volstrekt onnoodige onthouden, en weinig of geen' Koophandel

drijven, is het geld sterk onder ons, en veelen onzer nabuuren

verminderd, en hooger in prijs gesteegen: een stuiver is nu bijkans zo

veel waardig als vóór dertien eeuwen tien; en men kan thands voor acht

stuivers al vrij veel koopen. Daar bij komt nog, dat, door het groot

vertier van boeken, de menigte den winst aanbrengt.

_Ik._ Is 'er dan zeeker, thands zo groot een trek in boeken?

_Geleider._ Dat kunt ge ligtelijk naagaan, daar 'er thands ieder mensch

op valt; oud en jong leest even vlijtig.

_Ik._ Maar de smaak viel vóór dertien eeuwen veel op Paarden en

Rijdtuigen, zijn die thands zo zeer niet meer getrokken?

_Geleider._ Paarden en Rijdtuigen! waren dat liefhebberijen? thands

dankt men den Hemel, voor den zegen te genieten, van zijn voeten tot

zijn' wil te hebben; wij beklaagen nu die lieden, die genoodzaakt zijn,

zig van beesten te laaten trekken; want het zijn meest stoköude,

kreupele of zieke menschen; en daar gebruiken wij meest al ezels toe,

dat gaat zacht en stil in zijn werk; gelijk ge daar gindsch ziet, die

vrouw welke daar in dien wagen rijdt is verlamd, en waarlijk een

voorwerp van beklag. Maar een kabinet van ezels, neen! dat houden onze

liefhebbers niet naa. 'Er worden egter wel Paarden gebruikt, zelfs door

gezonde lieden; maar dat gebeurt alleen ingevalle men naar plaatsen

reizen moet, die te ver om te beloopen, en te dicht bij, om met den

Balon te bevliegen, zijn.

_Ik._ 'Er is hier ook zo een zindelijkheid en stilte langs den weg, dat

het mij ook al verwonderd heeft, hoe dat in zo een volkrijk oord plaats

kan hebben; want, om u de waarheid te zeggen, in vroegere eeuwen,

kon men geen straat in een drukke koopstad betreeden, zonder bespat,

bemorst, gestooten en door het schrikkelijk geweld der rijdtuigen over

de steenen bedwelmd, en half zinneloos te worden; menschen en beesten

krielden toen daar zo verward onder een, dat men iemand ter vlugts

willende groeten, dikwijls aan een tusschen rennend paard zijn' eerbied

bewees.

_Geleider._ Dat moet al zeer zonderling geweest zijn!

_Ik._ Zijn wij nu op weg naar den Kunstkenner? ik ben zeer verlangende,

iets over de hedendaagsche _æsthetica_ te verneemen.

_Geleider._ Ik heb u juist op den weg tot een groot liefhebber en kenner

der oudheid en fraaije kunsten gebragt, ik hoop slegts dat hij tot

zijnent zal zijn; want hij reist veel. Zie daar gindsch zijn wooning

reeds.

_Ik._ Maar hoe kan 't toch mooglijk zijn, dat 'er nog zo groot een

aftrek in boeken is; daar toch de Geleerdheid en oeffeningen van schoone

kunsten en weetenschappen altijd alleen gebloeid hebben in landen, waar

veel koophandel en rijkdom gevonden werden?

_Geleider._ Gij spreekt hier zeekerlijk van zulk eene geleerdheid,

welke de ondersteuning van vermoogende lieden behoeft; deze is bij

ons thands ook niet zeer in gebruik: Maar, behalven dat moet ge deze

onze zeden niet bij de aloude vergelijken. In de achttiende eeuw,

bijvoorbeeld, zag men een' berg van overtolligheeden voor behoeften aan;

dezen berg heeft men sedert al langzamerhand geslegt en bevonden, dat,

bijvoorbeeld, tot gezond voedsel, geen uitheemsche moeijelijk bereide

spijzen; tot dekking geen bont gecouleurd, verzilverd of verguld, kleed,

en tot wooning geen hardsteenen Paleis noodig ware; men is tot deze

zonderlinge ontdekking gekomen, door dien het gebrek aan geld, waar door

men zig die middelen moest verschaffen, zo algemeen werdt, dat alle

handel begon te verminderen, en elk volk langzamerhand het overtollige

agterwegen liet. Dit langzamerhand verminderen der noodelooze zaaken,

was van dat gevolg, dat men hier te lande, allengskens het gevaar der

zee voorziende, hoogten begon optewerpen, waarop zig eenige van de eerst

in levenswijze verminderde lieden ter neder sloegen, de aarde begonnen

te bebouwen, en hunne weinige behoeften uit den schoot der aarde

dubbelvouwdig ontfingen. Dit voorbeeld werdt allengs door de overige

inwooners, die het gevaar van overstrooming voorzagen, gevolgd, en men

begon zig weinig aan het gevaar der zwakke dijken te steuren; wijl

men toch voorbehoedselen gemaakt hadde, om de zee eenen doortocht te

bezorgen; 't welk ook weldra het verwagt uitwerksel hadt, zo dat, bij

herhaalde geweldige stormen de dijken wel eindelijk geheel weggeslagen

werden, maar de zee zig terstond in den voor haar bereiden weg ontlaste,

en de heuvelbewooners, zig thands vrij gezonder, en zeekerer zonder

eenige vrees voor hun weleer geduchten vijandigen vriend, of

vriendelijken vijand, bevinden.[16]

[16] _Idem Protector et Hostis._

_Ik._ Zoo dat zo is, dan kan ik mij niet voorstellen, welke van onze

oude kunsten thands bij u nog in gebruik zouden zijn; want de kunsten

worden uit den schoot der weelde gebooren, en door rijkdom gevoed.

_Geleider._ 'Er zijn echter nog veelen bij ons aanweezig, bijvoorbeeld;

de Tekenende kunsten, de Toonkunst, de Boekdrukkunst en meer andere, die

ge bij den Kunstkenner, wiens wooning wij naderen, beter zult leeren

kennen, dan ik u die opnoemen kan.

_Ik._ De Bouwkunst toch schijnt niet meer in den smaak te zijn.

_Geleider._ Ten minsten niet die Bouwkunst van de eeuwen der weelde en

pragt; 'er is echter thands nog wel een bouwkunst, die enkel het nuttige

beoogt, aanweezig, en elk ontfangt daarin het onderwijs in zijne jeugd;

want dit moet ik 'er bijvoegen, elk is thands meestal zijn eigen

Bouwmeester, Kleerenmaaker, Landbouwer, enz. Dit geeft ons geen klein

gemak, en houdt elk in eene gezonde werkzaamheid; al wat de geleerdheid

en beoefening der letteren aangaat, wordt door elk voor uitspanning en

vermaaks wille geoefend.

_Ik._ 'Er schijnt toch nog geld bij u in gebruik te zijn; want dat

blijkt uit onze ontmoeting bij den Boekverkooper.

_Geleider._ Wel zonder twijfel, is 'er nog geld in gebruik; want 'er

wordt ook nog handel gedreeven; maar, doordien wij oneindig minder

behoeften hebben, en de hoogstnoodige zaaken, zonder geld, en alleen

door arbeid, te verkrijgen zijn, heeft men het zo onontbeerlijk niet

noodig, als in voorige eeuwen; dat maakt dat iemand, welke thands een

weinig meer gelds dan anderen bezit, 'er niet veel meer vermogen op

anderen door bekomt; alzo men 't geld thands meer voor een liefhebberij,

dan voor een behoefte aanziet, en elk van die liefhebberij wel zo veel

bekomen kan, dat hij geenen anderen daarom behoeft te vlijen, of te

dienen; want ik moet zeggen, dat wij thands, door onze behoeften zo

ongemeen te verminderen, waarlijk het middel gevonden hebben, om gerust,

vrolijk, zonder zorg, haat, afgunst of nijd, overweldiging of dwang, te

leeven. Wat toch zou men elkander benijden? Wij hebben allen wooning,

voedsel en deksel, en worden allen even eens in de kennis van geleerde

en andere zaaken op geleid; want in het Letterschool alhier, zendt de

geheele stad zijn kinderen; die daar allen dezelfde lessen ontfangen, en

het Zedeschool wordt door de bejaarden dagelijks bezocht; ja ik kan 'er

bijvoegen, dat wij de woorden _afgunst_, _nijd_, _bedrog_, _diefstal_,

en van alle ondeugden, die de overvloed en weelde geteeld hebben, in

onze taal, niet eens regt kunnen overbrengen, en daarom de Latijnsche

benaamingen dier zaaken, als 't eens voorkomt dat wij die in oude

geschiedenissen moeten gebruiken, genoodzaakt zijn, bij omschrijving te

moeten noemen; bijvoorbeeld deze plaats van JUVENALIS:

_Cantabit vacuus coram Latrone viator._[17]

[17] _De schaamle Reiziger, zal voor den Roover zingen._

Zouden wij niet verstaan, zoo onze uitleggers dit woord _Latro_ niet

uit de oudheidkunde opgehelderd, en aldus omschreeven hadden; _Homo

cujus crimen erat aliquid a viatoribus, absque eorum voluntate, vi

sumere._[18] Op deze wijze kunnen wij ons nog eenig denkbeeld van deze

bij ons onbekende zaak maaken.

[18] Dat is: _Een man wiens misdaad bestondt, in iets van de Reizigers,

tegen hunnen wil, te neemen._

_Ik._ Maar heb ik u niet van schoolen hooren spreeken? O, geleid mij

toch ook eens in deze uwe Leerplaatsen der jeugd en des ouderdoms.

_Geleider._ Ik zal gaarne, zodra wij den Kunstkenner verlaaten; maar zie

daar zijn wooning reeds.

Wij gingen, zonder door eenige afsluiting belet te worden, in

dit weder zeer eenvouwig en hutsgewijze ingerichte verblijf des

Kunstkenners binnen, en vernamen daar van zijn vrouw, dat hij zo even

op 't land gegaan was, om te melken; maar zij verzocht ons echter

allervriendelijkst, zo lang te willen vertoeven, tot heur man terug

gekomen zoude zijn; tevens zeggende, dat zij ons terstond eenige spijs

zoude voorzetten; want dat zij begreep, dat wij nog geen middagmaal

gedaan hadden; ik stond verzet over de groote gastvrijheid en

vriendelijkheid dezer vrouwe, en wilde dankzeggen; maar dit was reeds

te laat, wijl zij bereids met een schotel versche melk, boter, brood,

kaas, en eenige vruchten aan kwam draagen; wij gebruikten ook daadelijk

iets daarvan, althands in mijne mijmerende verrukking, meende ik 'er

iets van te smaaken; en juist dit onthaal gaf mij gelegenheid, om de

frisheid en zindelijkheid dezer spijze te roemen, zeggende dat ik

geloofde dat het vleesch dier beesten, welke zo een zoete melk gaven,

mede niet onsmaakelijk zoude zijn?

_De Vrouw._ Vleesch van leevendige beesten, Vriend!

_Ik._ Neen, goede vrouw! van doode? slagt men hier dan geen vee?

Mijn Geleidsman hielp mij spoedig uit den droom; zeggende: neen vriend!

niemand zou thands eenig beest willen dooden, veel minder het vleesch

der dieren eeten. Wij dooden geene andere dieren, dan die ons

beschadigen; doch derzelver aart is, door eene meer gezellige

bijwooning, aanmerkelijk minder wild geworden, en zo veel als in een tam

ras ontaart; zo hebben wij thands, in Africa bijvoorbeeld, Leeuwkatten,

welke de gestalte van een' Leeuw hebben, en echter voor huisdieren

gebruikt en door den mensch tot huisselijke diensten gebezigd worden.

Wij dooden alleen alsdan het tamme vee, wanneer hetzelve zodanig

toeneemt, dat het toch geen bekwaam voedsel zoude kunnen aantreffen; dat

toch zeldzaam voorvalt, alzo de jaarlijksche overstroomingen veel vee

weg neemen; echter wij eeten die, uit noodzaaklijkheid gedoode, dieren

niet; daar voor zouden wij een' afschuw hebben.

_Ik._ Maar, waar blijft dan toch al dat vee van schaapen, verkens,

ossen, koeijen en veele andere leevende schepselen die men tot voedsel

pleeg te gebruiken.

_Geleider._ Daarvan zijn ten deele veele soorten, althands die welke ons

geen nut kunnen doen, geheel onder ons vergeeten, en wat de kudden van

tam vee betreft, daar weeten wij, geduurende hun leven, schoonen dienst

van te trekken, en gebruiken hunne vellen, als zij gestorven zijn, tot

kleeding.

_De Vrouw._ Heden ja, zouden wij die goede beesten vermoorden, en dan

nog verslinden; wel foei! zij doen ons immers geen leed, en wat hebben

zij toch dierbaarer dan hun leven, dit immers hebben wij hun niet

gegeeven; zouden wij hen dat ontneemen!

_Ik._ Goede vrouw, gij spreekt met veel reden; egter in mijn land

begrijpt men deze zaak nog geheel anders; de overoude gewoonte heeft

aldaar het slagten en eeten van dieren zo gewoon doen worden, dat de

tederste en medelijdendste menschen het vleesch van hunne vermoorde

medeschepselen tot een smaaklijk voedsel bezigen: juist niet uit een

beginsel van wreedheid; maar uit een voortgeplant begrip dat alle

schepselen om des menschen wille, hun aanzijn bekomen, en dat de

redenlooze dieren geen gevoel van hun bestaan hebben.--

Geduurende dit ons gesprek, kwam de man binnen, en verwelkomde

mij in zijne wooning, mij met de inneemendste vriendelijkheid

betuigende, dat het hem leed deede een' reiziger zo lang naar zijn

komst te hebben moeten ophouden; allereenvouwigst was zijn kleeding;

de beenen en het hoofd bloot, en een schapenvel om de leden geslagen, en

om den midden toegegord. Hoe zeer mij het voorkomen van dien Kunstkenner

ook verwonderde, konde ik echter niet naalaaten eene gunstige

vooringenoomenheid ten opzichte van zijne kennis voor hem te gevoelen,

daar zijn leevendig en doordringend uitzicht mij de vlugheid van zijnen

geest, ondanks zijne geheel eenvouwige kleeding, verraade. Ik begon dan

aldus mijn gesprek: goede vriend, ik heb van mijn' Leidsman vernoomen,

dat ge een groot liefhebber der schoone kunsten en weetenschappen zijt

en ook veele liefhebberijen van dien aart bezit; zoude 't u ook beletten

als ik mij daarover een poosjen met u onderhielde? Mijne liefhebberij is

mede, bij uitzondering, op de _æsthetica_ gevallen; zo dat ik wel eenige

bijzonderheeden daarover wenschte te verneemen, te weeten: hoedanig

dezelve in dit land waar in ik zo veele en groote verscheidenheid met de

zeden mijnes lands bespeure, beoefend wordt? Hebt ge hier geen teken- of

schilder-academiën?

_De Kunstkenner._ Och neen! vriend, die zijn voorlang al uit het gebruik

geraakt; want men bevondt dat op dezelve weinig vorderingen gemaakt

werden; alzo in de laatste jaaren, dat zij nog onder ons in zwang

gingen, de smaak in de schilderkunst ten eenemaal begon te veranderen;

want in plaats dat men eerst gewoon was, gestadig naakte beelden te

tekenen, ten einde tafereelen uit de oudheid te kunnen voorstellen, 't

welk ook zeer noodig was, in die eeuwen, toen men de vergaderhuizen der

Christenen overal met Tafereelen, verbeeldende voorvallen uit het Oude

en Nieuwe Testament, versierde, worden deze thands niet sterk meer

gezogt; daar wij alle denkbeeldige Tafereelen misachten; wijl 'er geen

waarheid in plaats kan hebben, zo dat ze, door telkens, in het een

of ander deel, tegen de Costume te zondigen, een' verkeerden indruk

in de beschouwers dier verdichte tafereelen maaken. Wij tekenen het

menschbeeld zeekerlijk wel af; waartoe wij daaglijks gelegenheid hebben,

daar wij, althands des zomers, meestal half naakt en slegts met eenig

beestenvel om den midden gegord gaan; doch wij houden ons niet bepaald

bij 't menschbeeld alleen op; maar neemen de natuur in heur geheel ten

voorbeeld, zo dat wij ons even zeer toeleggen, op het naauwkeurig

navolgen van boomen, beesten, wolken, water, enz. als van menschen; daar

bij komt nog, dat wij de tekenende kunsten meest bezigen, om tafereelen

van afgelegene oorden en voorvallen, onder ons en andere volken, te

vereeuwigen, zo dat 'er geen aanmerklijk voorval gebeurt, of 'er wordt

opzettelijk een' Schilder of Tekenaar bij gevraagd, om het zelve na het

leven aftebeelden; ten einde de afwezenden en den naakomeling, met geen

verdichte schetsen, voor waare afbeeldingen, te misleiden.

_Ik._ Maar dan kunt ge ook niet anders, dan voorbereide plegtigheeden en

gebeurtenissen die men voorzien kan, afbeelden.

_De Kunstkenner._ Somtijds geeven ons de Tekenaars ook wel schetsen van

gebeurtenissen, waar bij zij gevallig tegenwoordig zijn geweest, en die

zijn ons even aangenaam; maar geheel verdichte stukken bevallen ons

niet; wij hebben liever geene afbeelding dan eene geheel verdichte.

_Ik._ Ik heb toch zo even bij een' Boekverkooper prenten in een boek

gezien van geschiedenissen die in de XVIIIe. eeuw gebeurd zijn en waarin

de Costume, na mijn gedagte, zeekerlijk ook niet juist getroffen was.

_De Kunstkenner._ Dat zal mogelijk een boek geweest zijn, dat uit zeer

ver afgelegen en nog zo niet beschaafde landen, hier verkogt wordt.

_Ik._ Ja, 't was te _Peking_ gedrukt.

_De Kunstkenner._ Wel, dat wilde ik ook zeggen; men is daar nog aan

veele oude gewoonten te zeer gehecht, om dien smaak geheel te kunnen

verlaaten; maar hier gebeurt het alleen nog maar tot oefening van den

geest voor de leerlingen, en dan laaten wij hen niet meer dan enkele

schetsen maaken; ten einde te kunnen zien, in hoe verre zij de

geschiedenissen en de gewoonten der oude volken, na onze meening, wel

getroffen hebben; doch nooit wordt dit hun werk gemeen gemaakt of

verkocht.

_Ik._ Ja, in mijn land heeft men 'er juist ook niet veel mede op;

doch of de oorzaak van die onverschilligheid voor 't ordonneeren van

ontwerpen uit de Geschiedenissen, uit een gebrek aan kunde in dezelve,

en van oefening van het verdichtend vermoogen, ontstaat, dan of de reden

die gij 'er voor opgeeft, bij ons mede de oorzaak van het verval in

dezen is, wil ik niet bepaalen.

_De Kunstkenner._ Wij zijn juist ook door het groot verval in de kunst

tot onzen nieuwen smaak overgehaald; want in de laatste jaaren van het

verval der aloude Kunstoefening hier te lande, verborgen de Schilders

hunne onkunde en armoede van geest, onder het masker van _eene edele

eenvouwigheid_, waar in zij _het wezen der schoonheid_ stelden; dat, wat

de stelling aanbelangt, juist niet valsch was; want het is opmerkelijk,

na maate de Practische oefening der kunst verminderde begon de

Theoretische ongemeen in wijsgeerige kragt te bloeijen; zo dat eindelijk

hij, die geen' vinger goed tekenen konde, echter over de twee uuren

lang, tot verbaazing der toehoorers, kon redeneeren, over de wijze op

welke een vinger, zoude die schoon zijn, getekend behoorde te worden;

van waar denkt ge dat deze bekwaame onbekwaamheid en kundige onkunde

ontstondt; een door mij dikwijls door en door bestudeerd schrijver,

die over het verval der kunst in de negentiende eeuw, een uitvoerig

werk samengesteld heeft, dat nu nog onlangs met veel aantekeningen,

te _Cusco_ in _Peru_, herdrukt is, geeft 'er deze reden van: men hadt

de voorbereidselen tot de beoefening der kunst in dien tijd te zeer

vermeerderd; zo dat de leerling, eer hij de tekenpen of 't penceel

in de hand kreeg, eerst een _Cursus_ in de _Philosophie_, _Physica_,

_natuurlijke Historie_, en inzonderheid in de _Anatomie_ van het

menschelijke lighaam, moest doen; om eerst als 't ware vooraf te leeren,

hoe hij de zaaken bij de naauwkeurige beschouwing der natuur, naaderhand

zoude bevinden; dit nam hem dus een al te grooten tijd weg, om zig op

het bestudeeren der natuur zelve toeteleggen; en versmoorde de vinding

in den geest der leerlingen; zo dat zij niet bekwaam werden, iets zelve

te ordonneeren, of met smaak te plaatsen. Dit niet kunnende, gebruikten

zij hunne geleerdheid, om hunne tijdgenooten te overtuigen, dat hunne

voorgangers, die rijk geordonneerde tafereelen geleverd hadden, het

waare schoon niet gekend hadden, en men bewees eindelijk, dat dit schoon

in eene de natuuroverstijgende uitdrukking bestonde. Als zij, om slegts

een voorbeeld van dien smaak te geeven, den slag van _Alexander_ tegen

_Porus_ wilden verbeelden, tekenden ze slegts twee strijdende Helden

te paard, en deze moesten, op grond der edele eenvouwigheids leer,

de beide heirlegers, met hunne opperhoofden, voorstellen; want zij

redeneerden dus: _Alexander_ en _Porus_ waren beide krijgshelden;

wij hebben nu krijgshelden van beide hun legers verbeeld, of wij dien

nu nog duizendmaalen vermenigvuldigden, zouden wij toch niet anders

dan krijgshelden 'er van kunnen maaken, en wij gingen te zeer af

van het edele eenvouwige, en zouden onze tafereelen te veel, buiten

noodzaaklijkheid, overlaaden; 'er was te dier tijde nog een oude, doch

merkwaardige, afbeelding van dien slag, door een zeer voornaam meester,

in weezen, deze was rijk in beelden, verheven in uitdrukking en

verstandig in ordonnantie; hier ging men geweldig op los, wijzende

geduurig met den vinger op dit tafereel, daar was dit beeld niet wel

gesteld, hier was deze arm niet mooglijk zo te houden; weder elders

tekende de _deltois_ te zwak. Gindsch was de _pronator_, daar weder

de _supinator_ niet in behoorlijke werking geplaatst; hier hadt de

Schilder de munnikskap spier te breed, weder elders de _pectorales_

te zwak aangeduid. Daar weder hadt men op de Paarden veel te zeggen;

terwijl het eenvouwig schoon afbeeldsel dier Schilderhelden wel een

bataille van _gevilde menschen_ geleek; want men hadt zeer angstig

het doortekenen van het geringste spiertjen, dat slegts even onder

de opperhuid zichtbaar kon zijn, waargenomen, en was zelfs, om de kunde

in de _anatomie_ te toonen, zo verre gegaan, dat men, als door een

doorschijnende huid, ook de verborgen deelen des lighaams aanwees. Dit

alles hebbe ik, gelijk ik gezegd hebbe, in een' schrijver van de XIXe.

eeuw, die over 't verval der kunst schreef, met verwondering, geleezen.

_Ik._ Is 't mooglijk, is de kunst zo zeer boven de navolging der natuur

gesteegen?

_De Kunstkenner._ ô Ja, en die ging in alle uitbeeldende kunsten over:

zelfs de Tooneelspelkunstenaar hieldt het voor schande de eenvouwige

natuur na te bootsen. Hij wrong zijn lighaam doorgaands, immers als ik

dien schrijver gelooven mag, in zulke wonderlijke bogten, dat hij,

althands in sommige hevige rollen, eer een serpent dan een mensch

geleek. De toejuiching, die daar opvolgde, heeft zelfs veelen hals

en beenen doen breeken; want de lighaamen konden die schrikkelijke

verdraaijingen niet weder staan. 'Er moest ook, te dier tijde, volgends

dien schrijver, altijd een Ledenzetter op het tooneel bij de hand zijn,

om de verminkte kunstenaars terstond te kunnen verbinden.

De Tooneel dichters gaven ook niet weinig aanleiding tot dit verminken

der kunst en der kunstenaars, daar hun gewrochten mede characters

voorstelden die verre boven de natuur getrokken waren; zo dat de

navolgende kunstenaar niet anders kon doen dan de natuur overschreiden,

zoude hij zijn' rol maar even lijdelijk uitvoeren; men bragt de

schriklijkste tafereelen der lijdende menschheid en de ondenkbaarste

ellenden op het tooneel; dit ging zo ver, dat men dezelve niet meer,

door den gewoonen toon der spraak, kon afbeelden; men moest dus de stem

mede geheel boven de natuur verheffen, en zingende uitdrukken, 't geen

men spreekende geen behoorlijke kragt kon geeven; dit kunt ge denken dat

het natuurlijke der voorstelling nog meer verminderde; dit alles werdt

nogthands op _æsthetische_ gronden in dien tijd verdedigd; immers

zodanig redeneert die schrijver van de XIXe. eeuw over deze zaak;

men bragt den aanschouwer de ijsselijkste voorvallen voor oogen; men

vertoonde 'er vrouwen en kinderen, die in onderaardsche gevangenissen

van honger en gebrek, verkwijnden; en eindelijk, onder het zingen van

eenige aria's, stierven. Beroemde Mannen der deftige Oudheid voerde men

integendeel weder zeer luchtig ten Tooneele, daar men onder anderen,

aloude vermaarde Helden te samen dansende, en bij wijze van een Ballet,

liet strijden; terwijl de overwonnene in een soort van dans, welken men

toen _Hornpijp_ noemde, op de vlucht huppelde.

_Ik._ Maar, gij spreekt daar van zingen, hoe is 't toch eindelijk met de

muziek gegaan? Hier van zal die schrijver ook wel gewaagen. Bij ons is

die kunst thands op een' trap van hoogte die haar met sterke afneeming

dreigt.

_De Kunstkenner._ Zij is ook, volgends dien schrijver, mede op zulk een'

trap in de achttiende eeuw hier te lande geweest; in de negentiende

begon ze tevens met alle kunsten ongemeen te verbasteren; want zij, eene

kunst zijnde, die slegts van het wisselziek gebruik in den tijd pleeg

aftehangen, moest men telkens iets nieuws in dezelve uitvinden, om den

verflaauwenden lust weder te prikkelen en de zatheid in graagte te

veranderen; naa dat men dan eerst de voor ieder aangenaame _Harmonie_,

waarin men het schoon der Toonkunst pleeg te stellen, doch waarvan men

nu zat was geworden, in eene onbegrijpelijk vlugge behandeling der speel

instrumenten, of in eene de uiterste grenzen der mooglijkheid naderende

hoogte in de stem en plotslijke daaling derzelve, gezogt hadde, begon

men eindelijk in het laatst der XIXe eeuw ook dat zat te worden en

men ging een' geheel anderen, en tegenstrijdigen, weg in; men maakte

elkander diets, dat het geen men weleer welluidend gevonden hadde, juist

onwelluidend ware en omgekeerd, zo dat men zig nu toelag op de kunst der

_Kakophonie_ of kwalijkluidenheid. Deze werdt nu alom de smaak, en men

hoorde in de Concerten niet anders dan gillen, krassen, gieren, zo dat

veelen, wier natuur niet zeer lijdelijk was, dit wangeluid niet konden

uitstaan. 'Er kwamen van alle oorden, virtuosen, in deze _Antimelodia_

uitmuntende, aan, elk trachte zo veel mooglijk, zo door de stem als

speel instrumenten, een gevoel van onwelluidenheid in 't gehoor

optewekken; men hieldt dit, op wijsgeerige gronden, die men 'er voor

opgaf, voor eene schoonheid; doch ook deze smaak duurde niet lang, maar

sloeg weldra weder tot het geheel tegen gestelde over; de _Harmonie_

werdt nu weder ten sterksten behartigd; maar men zocht het nieuwe in

het uitdrukken van zaaken, welke door geen klanken kunnen uitgedrukt

worden; deze dwaasheid ging zo verre, dat men eindelijk de Vaderlandsche

Historie, in eenige achtereenvolgende muziekstukken, door geluiden,

trachte uittedrukken; kortom, dit werdt mede welhaast weder oud. Thands

wordt de toonkunst, immers hier te lande, slegts bij weinigen geoefend;

want men vindt hier weinig nuttigheid in oogenbliklijk vervliegende en

niets in de ziel naalaatende klanken; maar de Kaffers zijn heden zeer

verre in de muziek; alle de kunstnaamen zo van Instrumenten, als van

muziek, die eerst Italiaansch of Fransch, waren, zijn nu Hottentotsch;

want deze natie is thands op den hoogsten trap van weelde en

beschaaving; maar zij is in lange nog niet in wijsgeerigen smaak

verlicht geworden.

Men legt 'er zig thands op toe om nieuwe instrumenten te vervaardigen en

uittedenken; want heden hebben wij geen enkel instrument van de XVIIIe.

eeuw meer in gebruik, ook is 'er in de muziektekens, of nooten, een

groote verandering voorgevallen; wij kunnen die der voorige eeuwen

volstrekt niet meer verstaan; schoon 'er enkele groote geleerden

gevonden worden, die meenen dat zij 'er nog al wat van weeten; immers is

'er onlangs een werk uitgekomen, _de Musica proavia, sive de veterum

musicis organis_, dat is: _van de Toonkunst onzer voorouderen of van

de speeltuigen der ouden_, daarin is de beschrijving der oude muziek

instrumenten, gelijk ook een of twee voorbeelden van de nooten onzer

voorvaderen, met veel geleerdheid en studie bijeengebragt; ik moet dit

boek u eens laaten zien; wijl wij toch over dit onderwerp handelen.

Hij ging in een naabij zijnde vertrekjen, en kwam met dit boek terug,

toonende mij het zelve. Ik zag dat het door een Hottentots geleerden

zeer omstandig in de Latijnsche taal geschreeven was, en herkende

ook een of twee muziekstukjens, welke egter zeer gebrekkig, en, met

uitlaating en wonderlijke stelling van eenige nooten, die allen naauw

kenbaar waren, gesneden waren. Zo veel zag ik echter, dat een der

zangstukjens het choor uit de _Belle Arsene_, _Thriomphez_, enz. en het

andere de vois van _Jaapjen staa stil_ was; de aanmerkingen van dien

geleerden Kaffer, waren bij uitstek uitgebreid, en men hadt 'er de toen

in gebruik zijnde muziek- en speel- instrumenten bij vergeleeken, en ook

in plaat gebragt. Onder dezen zag ik 'er een welks maaksel mij zo vreemd

en wonderlijk voorkwam, dat ik niet naalaaten kon, den Kunstkenner te

vraagen, of hij mij zulk een instrument niet eens in wezen zou kunnen

toonen? ô Ja, was zijn antwoord; dat instrument heet _Gom Gom_, en is nu

zo veel als onze fluit, ik kan u zelfs wel eens het geluid van dezelve

doen hooren; hij ging daarop weder heen, kwam met het wonderbaarlijk

maaksel zelve ook weldra voor den dag, en begon 'er op te blaasen;

maar maakte een voor mij zo erbarmelijk geluid, even of 'er eenige

jonge honden tjankten, dat ik hem voor zijne beleefdheid bedankte,

voorgeevende nog iets over 't een en ander met hem te willen spreeken.

_De Kunstkenner._ De _Gom-Gom_ schijnt u toch niet zeer te bevallen?

_Ik._ Wel, wat zal ik u zeggen! Ja of neen, 't is ongewoonte! en elk

landaart, ja bijkans elk mensch schijnt voor de gewaarwording des

geluids, anders _georganiseerd_ te zijn. Ik wende voords, zo schielijk

mij mooglijk was, het gesprek, zeggende: maar zeg mij toch eens, hoe

komt het, dat al de boeken die ik nog gezien heb, in vreemde gewesten

gedrukt zijn, worden hier geen boeken gedrukt?

_De Kunstkenner._ Weinig of geen! want schoon de geheele waereld thands

bijna boeken maakt, worden 'er in alle landen maar zeer weinige gedrukt,

en echter hebben wij overvloed van boeken; ook gaan 'er jaaren mêe

heen, eer een aucteur zijn werk voor de pers gereed gemaakt heeft; zij

arbeiden zeer langzaam, en volgen dan nog de les van HORATIUS: _nonum

prematur in annum_, laatende hun werk negen jaaren stil liggen; dat

verschilt veel bij ons, vóór dertien eeuwen, toen 'er duizenden

daaglijks opgezet, en binnen weinig dagen afgewerkt, en ter waereld

ingezonden werden; althands die aucteur, waarvan ik u zo even sprak,

verhaalt dat 'er in het laatst van de achttiende eeuw, in Duitschland

alleen, meer dan duizend aucteurs te gelijk aan den arbeid waren, en dat

de overige landen, en inzonderheid Nederland, maar de handen vol werks

hadden, om deze duitsche producten, in hunne moedertaal, somtijds geheel

tegen den waaren zin des schrijvers overtegieten, en geheel misvormd, in

hun taal te doen verschijnen.--

Ik zuchte hier eens, en dacht vriend! uw schrijver heeft het zeer wel,

en na waarheid verhaald.--Thands is dat vertaalen en verminken niet

noodig; want daar alles in het latijn geschreeven wordt, en elk die

taal leert, kan elk mensch, het werk van de verstäfgelegene schrijvers,

in al deszelfs kragt, en zo als het uit hun pen gevloeid is, leezen

en verstaan, zo dat wij nu na gelang meer en beter doordagte boeken

ontfangen, dan in die tijden; want elk is origineel, en legt zig op

zijne eigene navorschingen toe.

Ja, ging hij voord, ik vermaak mij menigmaal met dien ouden schrijver;

want hij verhaalt dan klugtige dingen, die in het laatst der achttiende

eeuw, in de letter waereld, en althands in den Boekhandel, voorvielen.

Begrijp eens, men gaf eindelijk naauwlijks vier of zes regels op een

blad; en al de waarde der boeken bestondt eindelijk daarin, dat zij op

het keurigst fijnst papier, en met overschoon gesneden letters, gedrukt

waren; want zo zeer was in 't begin der XIXe. eeuw de smaak reeds

vervallen, dat men niet vroeg _wat nut eenig boek behelsde_, maar _met

wat letter, en op welk papier 't gedrukt ware_? ook werden 'er daaglijks

in de nieuwspapieren de belagchelijkste advertentiën aangekondigd,

verscheide Boekverkoopers schreeuwden in de nieuwspapieren, als

kwakzalvers op de markt: _Hier moet ge weezen! Is 'er iets dat in een

Christelijk Huisgezin onontbeerlijk is, het is dit of dat werk, dat voor

zo veel te bekomen is_, of _daar in deze tijden, elk mensch niet leeven

kan, zonder eenige kennis, van vreemde landen te hebben, zo is die

of die Boekhandelaar teraade geworden, deze of die Reisbeschrijving

uittegeeven_, eindelijk ging 't zo ver dat dit hevig dringend noodigen

krachteloos geworden zijnde, men ten laatsten de menschen met geweld de

boeken opdrong, en in huis wierp, en op 't eind des jaars de reekening

'er van dwong te betaalen; ja de boeknegotie werdt, op 't laatst, van

eene bedelaarij een rooverij; maar toen begon 't geldgebrek ook algemeen

toe te neemen, en wij geraakten allengskens in de gesteldheid waarin wij

ons thands bevinden.

_Ik._ Maar zijn 'er thands geen geleerden, die de werken van andere

schrijvers beoordeelen; het fraaije daarin aanwijzen, en het gebrekkige

berispen?

_De Kunstkenner._ Waartoe zou dit toch dienen?

_Ik._ Wel, om den bekwaamen schrijveren aantemoedigen, en den

onbekwaamen te leeren.

_De Kunstkenner._ Maar wie zou dat toch beslissend durven onderneemen;

die zoude zig dan immers voor den bekwaamsten moeten houden?

_Ik._ Ja; maar zo een werk zoude juist niet door één' schrijver alleen

vervaardigd moeten worden: men neemt in zo een geval, een geheel

gezelschap geleerden, die elk voor het vak, waarin hij door geleerd is,

oordeelen; althands zo gaat het bij ons.

_De Kunstkenner._ Kunnen de lieden tot uwent dan zelve niet verstaan of

beoordeelen, wat zij leezen? Dat moeten wel botte lieden zijn, die

noodig hebben, dat anderen hun zeggen, _wat ge daar nu leest is goed;

maar wat ge daar leest deugt niet_. Zij kunnen dit immers zelve wel

zien.

_Ik._ Neen vriend! daar scheelt 't hem juist aan; de groote hoop van

leezers weeten tot onzent niet of 't geen zij leezen, gezond menschen

verstand bevatte, ten zij, dat ze dat door gezag van anderen hooren

bevestigen.

_De Kunstkenner._ En zoo 't geen de beoordeelaar verwijst nu eens den

leezer redenlijk wel bevalt, of zelfs fraai voorkomt, hoe dan? Moeten de

leezers zig dan toch aan 't oordeel van die Beoordeelaars onderwerpen?

Is dat mooglijk zo een wet tot uwent?

_Ik._ Wel neen! Elks oordeel is vrij, en de berispte schrijver wreekt

zig ook niet zelden, vrij hevig; maar wordt dan weder zo fel, door de

Beoordeelaars beantwoord, dat hij somtijds zijn' goeden naam en

Kunstroem in de samenleeving verliest.

_De Kunstkenner._ En zorgen de openbaare wetten, daar niet voor, dat de

eene burger, den ander niet zodanig onteeren kan?

_Ik._ Voorzeeker, 'er zijn goede wetten tegen hoon dien men elkander

aandoet; maar dan moet de hooner bekend zijn.

_De Kunstkenner._ Wel, die is dan immers bekend; ja zelfs algemeen door

den druk bekend?

_Ik._ Wel neen, die Beoordeelaars maaken zig niet bekend.

_De Kunstkenner._ Maaken die zig niet bekend! durven ze dan mooglijk

niet voor hun oordeel openbaar uitkomen?

_Ik._ Men zegt niet gaarne iemand zo openbaar de waarheid; immers men is

'er niet gaarne voor bekend; want somtijds berispt men wel persoonen op

't allerhevigst, waarmede men daaglijks als vriend omgaat.

_De Kunstkenner._ Wat zegt ge daar! Neen; dank zij den schenker van alle

verstand, dit gebruik is bij ons niet bekend; niemand mag iets zonder

zijn' naam uitgeeven, en niemand verlangt het ook te doen; want elk

mag hier spreeken en schrijven gelijk hij denkt; en dat kan ook onder

ons plaats hebben; want niemand denkt iets dat hij niet zou durven

zeggen, en in plaats van eens anders werken te berispen, schrijven

onze geleerden zelve; wanneer 'er, bijvoorbeeld, eens een of ander

werk uitkomt; dat, na 't oordeel van een' of anderen geleerden, te

onvolmaakt, te zwak, of te gebrekkig is, wel! dan houdt die zig niet

op, met het zelve te berispen, maar schrijft over dat zelfde onderwerp,

terstond, na zijn bevatting, een ander werk, en maakt zelfs in 't geheel

geen gewag, van den anderen schrijver; dan besluit de leezer zelve, wat

beter is, en dat dan ook beter is, heeft den meesten aftrek, zo gaat het

althands bij ons daarmede; wel dat moeten bij u dan wel nijdige en

verwaande geleerden zijn.

_Ik._ Neen, dat ontstaat bij ons niet altijd uit nijd of verwaandheid;

maar om dat de uitgeevers dezer Beoordeelingen nog al wat meer aan de

schrijvers derzelve, als voor ander Boekwerk kunnen geeven; om dat

'er zeekerlijk altijd goeden aftrek van is; inzonderheid als ze wat

steekelig zijn. Dit noodzaakt ook den Boekverkooper, om zodanige boeken

liever dan andere werken te onderneemen; want als zo een geschrift eens

in den smaak komt, en als 't maar in 't begin wat hevig geschreeven is,

kan dat niet missen; wel nu, dan heeft de Boekverkooper 'er een zekere

vastigheid aan, waar op hij jaarlijks reekenen en staat maaken kan; want

't meeste wat bij ons in den Boekhandel gebeurt, geschiedt _lucri ergo_.

_De Kunstkenner._ Dan mag men tot uwent, met recht, het _auri sacra

fames, quid non mortalia pectora cogis_, over dien handel, uitroepen.

Schrijven dan de aucteurs tot uwent om geld?--Wel heden, dat moet al

wonderlijk toegaan! Moet dan hun geest juist vaardig zijn, als de maag

leeg is?

_Ik._ Wel dan juist studeert men met het beste gevolg.

Maar ik ben verwonderd geweest, dat de Boekverkooper wiens winkel ik

bezogt, niet eens van rijmwerken of rijmen wist? Zijn 'er dan geen

Poëeten meer hier te lande?

_De Kunstkenner._ Ja, ik begrijp 't zeer wel, wat ge met rijmen en

rijmwerken bedoelt, meent ge niet die werken, welker regels zo veel

als met dezelfde letters eindigen. Ja, Ja, ik verstaa u wel. O, dat is

geheel uit den smaak: ik wil wel gelooven, dat de Boekverkooper dien

niet kende; men moet al vrij gestudeerd hebben, om daar een denkbeeld

van te maaken, en ge moet denken, die lieden welke de boeken verkoopen,

zijn juist allen geen geleerden of _antiquarii_. Neen; zoo 'er al eens

een Poëet onder ons opstaat, dat in geene jaaren gebeurt; want iemand

die geen natuurlijke geschiktheid tot groote verbeeldingskragt heeft,

schrijft geen Dichtwerken; nu dan, als 't al eens gebeurt, dan schrijft

zo een Dichter na de maat die zijn hartstocht of verrukking hem aan de

hand geeft; doch het gebeurt zeer zelden; hij moet dan ook daar bij de

nooten stellen, welke dienen moeten om zijne gedichten wel, en in zijn

gevoel, te leezen; want al onze Poëzij is met zekere muziek verzeld, en

wordt gezongen. Gelijk ook bij de Grieken en Romeinen gebeurde, anders

zoude ons de cadans, die 'er in plaats heeft, ontslippen, of in een lang

gedicht, wel dra verveelen.

Ik twijfel echter of ge mijne meening wel vat; want ge moet 'er u zeeker

geen juist denkbeeld van kunnen maaken, als aan 't Rijm te zeer gewoon

zijnde. Deze soort van Gedichten als bij ons nog enkel voorkomen,

konden ook vóór veele eeuwen, en in een land als 't uwe, waar nog veel

behoeften zijn, niet ontstaan; 't is bekend wat HORATIUS, in zijn

Dichtkunst, daar reeds over gezegd heeft. _Wanneer de Goudzucht eens een

volk ingenoomen heeft, kan geen onsterflijk dicht meer uit hun

voortkomen_.[19]

[19] _-- Ad hæc, animos aerugo & cura peculi

Quum semel imbuerit, speramus carmina fingi

Posse linenda cedro & levi servanda cupresso?_

_De arte Poetica._

_Ik._ Men zal toch zeekerlijk wel sierlijk bewerkte Redevoeringen onder

u kennen?

_De Kunstkenner._ Ja, men doet zeekerlijk thands dikwijls openbaare

Redevoeringen; want 'er is weeklijks een bijeenkomst in de hooge en

laagere zedeschool, waarin bekwaame Redenaars de beoefening der deugd,

en de gevolgen van ondeugd, krachtig voordraagen en aanprijzen.

Dit geschiedt, of bij wijze van Redevoeringen, of bij wijze van

samenspraaken, even als de aloude Tooneelspellen; want ons laagere

zedeschool is ook tevens ons Tooneel; doch ik weet niet, dat de

Redenaars daartoe zekere kunstregelen volgen: zij spreeken 't geene bij

hun opkomt, en zo als eene gezonde _Logica_ voorschrijft; want zij

zoeken hunne toehoorers niet met schijn te misleiden.

_Ik._ Beoefent men dan de Redeneerkunst, of _Rhetorica_ niet meer;

bijvoorbeeld leert men niet, hoe men zijn reden opsieren en bevallig

voordraagen moet, en hoe de gebaarden, bij de uitspraak, te maaken zijn?

_De Kunstkenner._ Neen! om dat deel der _Rhetorica_ denken wij niet.

Men weet door de _Logica_ immers wel, als men iets wil voordraagen, dat

men 't een niet voor 't ander, of verward, of verkeerd, of met oneigene

woorden doen moet; en wat de gebaarden betreft, die worden door de

natuur zelve geleerd; wij zien niet eens gaarne veel gebaarden op den

Redeneerstoel maaken; alzo die den aandacht veel te veel afwenden.

_Ik._ Gij hebt daarin zeeker geen ongelijk; maar ik bedoel juist geene

openbaare Redevoeringen; maar wel bijzondere voorleezingen, gelijk tot

mijnent veel plaats hebben; men komt tot onzent niet bij elkander, of

men leest iets voor, of doet een kleine Redevoering, over 't een of

ander onderwerp; althands in zulke gezelschappen, waar niet _geömberd_

wordt.

_De Kunstkenner._ _Geömberd?_ wat is dat?

't Berouwde mij, dat ik mij dat woord had laaten ontvallen; want ik wist

niet, hoe ik dezen goeden man, met mooglijkheid, eenig denkbeeld van 't

_à l'hombre_ spel zou kunnen geeven; ik moest toch wat antwoorden, en

zeide:

Ik zal u zeggen, _à l'hombre_ of _Ombren_, in de wandeling, is een spel

dat men zittende met elkander speelt, en bestaat in het op de tafel

werpen, van beschilderde blaadjens papier, sommigen derzelve zijn met

heele monstreuse beelden beschilderd, met twee hoofden, vier armen, en

twee buiken; deze beelden zijn uit de oude en nieuwere tijden ontleend,

althands men heeft ze naamen uit de gewijde en fabel geschiedenissen

gegeeven; bijvoorbeeld: Koning DAVID en HECTOR, CHARLEMAGNE en HELENA;

PENTHAMEE en LUCRETIA, onder anderen is 'er een beeld bij, dat heet

CIPRI ROMAN; maar ik kan u betuigen, dat zelfs de ervaarendste

_omberaar_, tot heden, nog niet weet wat dat beduidt; de overige

blaadjens zijn met _ruiten_ of met _klaverblaadjens_, of met _hartjens_,

of met een figuur in de gedaante van een _schupjen_ betekent, en

_schoppen_ genoemd; nu, om dan voorttegaan, als men dan aan elk wat van

die blaadjens in de handen gegeeven heeft, dan begint men ze na vervolg

neder te werpen, en aan het eene blaadjen meer waarde gegeeven zijnde,

dan aan het ander, dan is het gevolg, dat hij die de meestwaardige

kaarten in handen gekreegen heeft, overwinnen moet, en al de andere die

nedergelegen worden, naar zig kan haalen.

_De Kunstkenner._ En wat gebeurt 'er dan verder?

_Ik._ Wel! dan is het spel uit, en men geeft elkander geld.

_De Kunstkenner._ Geld! Ik meende dat ge zo even zeidet, dat het een

spel ware?

_Ik._ Wel ja! ja, een spel; maar men speelt om geld.

_De Kunstkenner._ Zo! heet men dan al wat tot uwent om geld gedaan

wordt, _speelen_? Nu zo, dat is iets anders: als de Bakker dan brood

bakt, speelt hij dan?

_Ik._ Wel neen! zo moet ge 't niet begrijpen? De Bakker geeft voor geld

zijne waaren, die hij, om ze in staat te stellen van gebruikt te worden,

bewerken moet; men noemt zulke ruilingen van goed voor geld, geen spel;

maar als men elkander iets geeft, uit hoofde van een, vermaakshalven,

ingebeelde schuld, dan noemen wij dat speelen.

_De Kunstkenner._ Nu begrijp ik u, dan is 't alles maar _vermaakshalven_

zo uitgedagt, men zal dan zeekerlijk, als men ophoudt met speelen,

elkander 't geld weêrom geeven!

_Ik._ (Verlegen met 's mans botheid van begrip) Wel zeeker niet! daar

zou de winnaar wel degelijk tegen hebben: begrijp dat sommige speelers,

geduurende het spel al vrij wat omzetten; veel verliezen of veel winnen

kunnen, na dat de speel prijs onder hen hooger of minder is bepaald,

en de fatsoenlijkste lieden stellen dien prijs zo hoog mooglijk is;

want, na maate men grover speelt, wordt men vermoogender gehouden;

bijvoorbeeld, zoo ik 't geld na uwe waarde schat, dat is driemaal

zo min dan 't bij ons geschat wordt, dan gebeurt het dikwijls dat de

middenclasse, die wij den Burger noemen, somtijds op een' avond een

veertig stuivers wint of verliest, welke men veel naauwkeuriger betaalt,

dan zulke schulden waarvoor men zijne waarde genooten heeft; want dit

heeten wij _schulden van eer_, en het gebeurt dikwijls dat de bakker

en slagter, voor hunne geleverde waaren, niets ontfangen; terwijl men

driemaal zo veel als zij te vorderen hebben, om niet, en uit hoofde van

die ingebeelde Eerschulden, aan elkander betaalt.

_De Kunstkenner._ Maar mij dunkt, dit strijdt tegen alle recht. Zorgen

daar dan de wetten van uw land niet tegen?

_Ik._ Ja, dat doen zij voorzeeker; zo dra iemand, bijvoorbeeld, bij ons

niets meer heeft om te betaalen, verliest hij zijne vrijheid, en wordt,

op kosten zijner schuldeischers, in de gevangenis onderhouden.

_De Kunstkenner._ Zo, dan zal hij daar met eenig algemeen nuttig werk,

iets verdienen, waarvan hij eindelijk zijn schuld voldoen, en zig weder

vrijmaaken kan.

_Ik._ Neen! och neen! daar toe is in die gevangenissen geen de minste

gelegenheid.

_De Kunstkenner._ Ei zie, dat is dan dunkt mij eene zeldzaame gewoonte.

Ik bevat juist nog niet, wat voordeel de schuldeischer daar bij hebben

kan; doch, wat zal men zeggen, men kan zo oppervlakkig niet over de

gewoonten en zeden van een vreemd land oordeelen.--Maar dat kan ik u

echter berichten, dat het hier geheel anders toegaat; want 't is bij

ons zo eene groote schande meer te verteeren, dan men vermoogend is te

betaalen, dat het slegts in veele jaaren enkel eens gebeurt, en dan nog

geschiedt dit ongeluk niet door zulke zonderlinge ingebeelde schulden

als het spel; maar door onvoorziene rampen, en in die gevallen treedt

de geheele streek, waar zo een ongelukkige woont, toe; elk geeft een

beuzeling en hier mede is de verarmde persoon gered, en niemand lijdt

'er eenige schaade bij. Zoo 'er al iemand het 'er op toe wilde leggen,

om, voorbedagt, anderen te benaadeelen, zoude hij dit onmooglijk uit

kunnen voeren; want men zoude hem daarin niet toegeeven; daar het bij

ons eene gewoonte is, om, zonder geld of ruiling, niemand iets van 't

onze aftestaan, 't geen ook niet behoeft, daar elk van zijnen grond zijn

bestaan vinden kan.

_Ik._ Nu, dat is ook geheel iets anders, als in landen waar veel

Koophandel gedreeven wordt; want daar moet ook veel _credit_ gegeeven

worden; daar zijn de meeste bezittingen denkbeeldig; immers een koopman

moet ten minsten tweemaal zo veel credit dan vermoogen hebben; maar hebt

ge dan hier geenerleije spellen?

_De Kunstkenner._ Ja wel; maar men speelt slegts voor vermaak en

gezondheid: wij hebben verscheiden bal-kaats- en lighaamsoefenende

spellen; maar nooit denken wij om elkander geld aftewinnen. 't Spel is

immers geen kostwinning? Maar, daar wij van 't spel spreeken, moet ik u

eens even iets laaten zien, waar over hier zeer sterk onder de geleerden

getwist wordt: sommigen houden het voor een spel, en anderen weder

voor afgodsbeelden der ouden, en wel van sommige half beschaafde, half

onbeschaafde volken, die men zegt dat in de XVIIIe. eeuw in 't hart van

Europa gewoond hebben.

Hij vertoonde mij daarop een doos, waarin, onder andere niets

beduidende snuisserijen, ook beeldjens van dieren van goud, zilver, en

met Juweelen omzet, lagen, als Elephantjens, Penningjens, Lammetjens,

Kruisjens, Sterretjens en andere kleinigheeden, welke ik weldra voor

Ridderordes erkende. Terwijl ondertusschen de Kunstkenner voortging,

dus te redeneeren: zou 'er aan die prulletjens nog al wat gelegen zijn,

dunkt u? Ik heb al in den wil geweest, om ze mijn kinderen te geeven, om

mede te speelen; maar als 't waar is, dat het oude afgoden zijn, is 't

nog al der moeite waardig om ze te bewaaren.

Ik zeide daarop dat het juist geen afgoden waren; maar dat 'er echter

bij mij te lande nog groote eer aan beweezen wierde, en dat iemand die

zo een Lammetjen, Kruisjen, of Penningjen mogt draagen, al vrij wat

aanmerklijks ten dienste des lands moest verricht hebben, ten minsten

dat zijn voorouders een' aanmerkelijken dienst aan 't land moesten

gedaan hebben.

_De Kunstkenner._ Wel is 't mooglijk! Nu dat is toch ook al raar; dan

zijn 't zo veel als tekens, om iets te kunnen onthouden; zo? Dan was

't zeeker om dat men die groote daaden anders vergeeten zou, als men

ze zich niet door zo een figuurtjen herinnerde; wel nu, dan zal ik ze

bewaaren: moogelijk is dit Elephantjen dan ter gedagtenis dat iemand die

beesten 't eerst ontdekt heeft; dit Lammetjen zal dan voor iemand die

het gebruik der wol verbeterd, en dat Sterretjen mooglijk voor iemand

die een nieuwe Planeet ontdekt hadt, geschikt geweest zijn; zo, nu zal

ik ze wel trouw bewaaren.

_Ik._ Goede vriend! neen, 't is 'er juist zo niet mede gelegen, als ge

wel meent; want deze figuurtjens werden veeltijds door lieden gedraagen

die noch van natuurlijke Historie, noch van Koophandel of Sterrekunde

iets wisten; hun herkomst is ook van een gantsch anderen aart; doch ik

kan u verzeekeren, dat ze meestal voor krijgsverdiensten door de Vorsten

gegeeven werden, en die ze droeg was zeekerlijk bij 't gemeen in groote

achting, al ware hij ook nog zo bot; maar ze zijn toch aan goud, zilver

en juweelen veel waardig.

_De Kunstkenner._ O, als 't anders niet is, dan zal ik ze maar aan mijn'

kleinen jongen geeven; want goud, zilver en juweelen zijn bij ons zaaken

van zeer weinig waardij.--

Ik stond zeer verwonderd over de koelheid waarmede de Kunstkenner deze

kleinoodiën behandelde, en besloot mijn bezoek met deze woorden:

inmiddels danke ik u wel zeer voor uwen vriendelijken ontfangst, in

hoope dat ik u toch niet van noodiger bezigheeden afgehouden zal hebben:

ik wilde nu nog gaarne eens een Regeerings persoon gaan bezoeken; zoo

'er hier kort bij een mogt woonen; want behalven dien Vader des lands,

zullen 'er immers zeekerlijk ook nog wel andere Regenten zijn.

_De Kunstkenner._ Voorzeeker, maar ge zult ze thands niet tot hunnent

vinden; want ze zullen allen ter schoole zijn.

_Ik._ Ter schoole! Regenten gaan bij u nog school? waar gelijkt dat nu

weêr na?

_De Kunstkenner._ De Regenten gaan niet meer school; maar zij moeten des

naademiddags in de schoolen tegenwoordig zijn; om dat de jeugd onder hun

eigen opzicht opgevoed en onderweezen wordt.

_Ik._ Zo! dan zijn uwe Regenten een soort van Atheensche _Ephoren_? Nu

ja, dat is zeer prijsselijk; want de kinderen zijn toch het toekomend

geslacht; 't komt 'er dus wel zeer op aan, dat een goede Regeering een

naauwkeurig opzicht op derzelver onderwijs en opvoeding draage. Ik ben

waarlijk verheugd dit te verneemen; men wordt immers in de schoolen

toegelaaten?

_De Kunstkenner._ Eenen vreemdeling wordt hier nergens toegang

geweigerd; men behoeft hier geen schatten te verbergen, die de hebzucht

gaande kunnen maaken; al wat wij hier bezitten kan elk weldenkend volk

zig eigen maaken. Wij hebben hier alleen goede wetten, veel lust tot

weetenschappen en te vredenheid met onzen staat.

_Ik._ Wel nu, mijn voorneemen was ook, naa een bezoek bij u afgelegd te

hebben, de schoolen, immers een derzelve, eens te gaan bezichtigen; ik

zal daar tevens uwe Regenten vinden, die ik toch mede gaarne eens

aantroffe?

_De Kunstkenner._ 't Zal uw tijd worden, als ge de school nog wilt zien;

want zij zal welhaast geëindigd zijn.

Ik nam, op deze waarschuuwing, terstond mijn afscheid, van den beleefden

Kunstkenner, en ging weder met mijnen Geleider op weg. Toen wij een

eindjen weegs gegaan hadden, brak mijn Geleidsman het zwijgen, en zeide:

Wij zijn hier reeds digt bij de school; maar, eer wij 'er ingaan,

moet ik u nog waarschuuwen, dat gij de persoonen, welken het bestuur

aanbetrouwd is, geen _Regenten_ noemt; wij noemen hen alleen _Oudsten_;

want 't zijn in de daad, in alle onze vlekken, de bejaardsten uit het

vlek; want hoewel elk inwooner tot dit bestuur gerechtigd is, worden

doorgaandsch de bejaardste lieden, daarmede voorzien; mids zij nog in

staat zijn, dien gewigtigen post waarteneemen.

Ik dankte mijnen Geleider voor zijn bericht; terwijl wij reeds in eene

ruime wooning binnen traden; deze was de school zelve: zij was in vier

onderscheidene vertrekken verdeeld; in elke dier vertrekken zaten twee

dier Oudsten, in een verheven gestoelte, terwijl de onderwijzers een

weinig laager geplaatst waren. De leerlingen welke hier van de jongste

waren, kwamen mij niet onder de zeven, en niet boven de negen jaaren

voor. Ik vond hen bezig met, aan een der tafels, de letters te leeren,

terwijl men aan eene andere reeds een weinig verder met spellen en

leezen gevorderd was, en aan een derde tafel werkelijk een' aanvang met

schrijven maakte.--Wij wandelden deze school, waar, tegen de gewoonte

der kinderschoolen, een groote orde en stilte heerschte, langzaam door,

en kwamen in de tweede school, hier vonden wij alles op dezelfde wijze

ingericht; de leerlingen waren hier van tien tot veertien jaaren; aan

een der tafels, zag ik, gaf men onderwijs in de taal, die in gebruik

was; naamlijk in het schrijven van een' goeden stijl, en in de

letterkundige regelen der taal; aan een tweede tafel was men bezig om

het Latijn en Grieksch te onderwijzen; voor zo verre deszelfs beginselen

betrof, hier werdt van buiten geleerd; doch de kinderen leerden in

stilte, voor hun zelven; een derde tafel was geschikt voor hun die

reeds Latijnsche opstellen konden vervaardigen, en aan een vierde tafel

werden Latijnsche Aucteuren geleezen en geëxpliceerd; CICERO was om zijn

zuivere taal en SENECA, om zijne zedekunde, hier in gebruik.--Dichters

vond ik hier niet.--In de derde school zag ik jongelingen van zestien

tot achttien jaaren, deze waren aan een tafel bezig met zig in de

wiskundige weetenschappen te oefenen, terwijl aan een tweede tafel de

Redenkunde of Logica, en aan een derde de beginselen der zedelijke

wijsbegeerte onderweezen werden. Eindelijk in de vierde school,

waarin ik jongelingen van achttien tot twintig jaaren vond, werden

de Proefondervindelijke Natuurkunde en de kennis van de wetten en

constitutie der Regeering op verschillende dagen onderweezen; zo dat

reeds deze school den dienst van eene Academie, wat betreft de zedelijke

wijsbegeerte, doen konde, en de jongelingen in alle, meest tot het leven

noodige, vakken der geleerdheid bekwaam gemaakt konden worden.

Toen wij in deze laatste school binnen traden, was men juist bezig met

de verklaaring der wetten, waar na dit land bestuurd werdt; men las

dezelve voor, en gaf reden van al wat in de zelve gesteld was; dit juist

gaf mij gelegenheid van, bij 't eindigen der voorleezing en geduurende

het uitgaan der schoole, in gesprek te treeden, met een der Oudsten,

welke in deze school de voorzitting hadt. Ik maakte hem eene aanmerking

bekend, welke mij onder het leezen der wetten ingevallen ware; bestaande

daarin, dat ze mij niets anders dan zekere geregelde schikkingen van

huishouding scheenen te behelsen; zonder dat 'er van eenige misdaaden

of straffen in gerept wierde; 't zullen, zeide ik, zeekerlijk, alleen

de Burgerlijke of _Civile_ wetten geweest zijn, die ik heb hooren

voorleezen; 'er zijn immers, behalven dezen, ook _Crimineele_ wetten

hier in gebruik?

_De Oudste._ O neen! wij kunnen 't met deze gemakkelijk af? Ik weet wel,

wat gij bedoelt; maar ge moet die oude tijden, toen 'er crimineele

wetten noodzaakelijk waren, niet verwarren, met de behoefte van onzen

tegenwoordigen tijd. Wil ik u eens beknoptelijk zeggen, waar om wij

alleenlijk _civile_ schikkingen, en geen _crimineele_ wetten noodig

hebben; hoor, dat komt van daar, dat wij de Jeugd onder ons eigen

toezicht opvoeden; dat onze maatschappijën thands zo geweldig groot

niet zijn, dan vóór dertien eeuwen; dat wij onzen rijkdom niet meer in

elendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen

zoeken. _Want hier door_, zegt JUVENAAL, _ontstaan gemeenlijk de

oorzaaken van schelmstukken, en geen ondeugd van het menschelijk gemoed,

heeft ooit meer vergifts gemengd, of zwaarden ter verderve gewet als de

felle trek tot onmaatige middelen_.[20] In één woord, dat wij waarlijk

verstandiger geworden zijn, en daar, waar het verstand verlicht wordt,

verminderen allengs de misdaaden; zondigen is dwaalen: wij trachten, zo

veel mogelijk, der jeugd van 't eerste oogenblik heurer ontluikende

kennis, waare denkbeelden der dingen in te boezemen. De jeugd blijft

niet te min wel verschillend van aart; en dat is, tot derzelver

bestemming, ook hoogstnoodig; maar alle die misdaaden, die, in

voorige eeuwen, uit begeerte naar eens anders goederen en bezittingen

ontstonden, en zo wel den koning als den onderdaan besmetteden, zijn bij

ons voorwerpen van medelijden. Hier toch is bij niemand overvloed, maar

ook bij niemand gebrek; want zo dra iemand meer geld of goed, langs den

eenen of anderen weg, verkreegen heeft, dan hij voor zig gebruiken kan,

geeft hij 't vrijwillig in de schatkist des Lands, en daaruit worden

weder anderen, in gevalle van onvruchtbaarheid, of andere rampen,

ondersteund, en voor gebrek behoed; zo dat hier niemand meer dan een

ander verlangt, alzo hij zeer tegen de algemeene gewoonte zou handelen,

met zijn overhebbende goed, niet ten gemeenen nutte afteleggen. Wat

werden 'er, in voorgaande eeuwen, uit den ongelijken eigendom niet al

misdaaden gebooren! Hoogmoed, onrecht, moord, diefstal, bedrog, die alle

slegts op het _mijne en uwe_ gegrond waren[21]. Nu, waar de oorzaaken

ophouden, houden ook de gevolgen dier oorzaaken van zelven op; onze

voorvaders hebben getracht, langzaamerhand die oorzaaken te doen

ophouden; wij genieten daar thands de vruchten van, waartoe zouden wij

dan geneesmiddelen tegen de schadelijke gevolgen, dier bij ons onbekende

oorzaaken, bezigen?

[20] _Inde fere scelerum causae, nec plura venena

Miscuit, aut ferro grassatur sæpius ullum

Humanæ mentis vitium, quam sæva cupido

Indomiti census._

JUVENALIS _Sat._ XIV.

De Apostel PAULUS zegt mede, zeer juist: _de gierigheid is de

wortel van alle kwaad_.

[21] Vergelijkt hier mede den 11den Zendbrief van den Apostel PAULUS aan

_Thimotheus_ vers 1-9. ingesloten.

_Ik._ Gelukkig en gezegend moet uw land zijn, waarin zulke hevige

middelen ontbeerd kunnen worden.

Geheel verrukt, riep ik, in een soort van kortstondig enthusiasmus, de

heerlijke Dichtregelen van den grooten MARO uit:

_Magnus ab integro sæclorum nascitur ordo,

Jam redit et virgo redeunt Saturnia regna;

-- -- -- -- -- -- -- -- -- --

Talia sæcla suis dixerunt currite fusis,

Concordes stabili fatorum numina Parcæ!_[22]

[22] Dus door VONDEL in Neêrduitsche dichtmaat gebragt:

-------- -------- Nu komt, zonder land geschil

En strijdt, een lange rij van eeuwen aangetogen,

Saturnus eeuw en maagd Astræa komt gevlogen.

-- -- -- -- -- -- -- --

De Schikgodinnen, die eenstemmig 't vast besluit

Van 't noodlot sterken, en bestemmen, riepen luit,

O, spillen! vaart al voort, en spint ons zulke tyden.

Doch staa mij toe, dat ik u verzoeke mij eene zwaarigheid optelossen.

Gij zegt zelve dat de kinderen onder u van verschillenden aart

zijn.--Juist dit dunkt mij, moet oorzaak zijn, dat ze tot booswigten,

misdaadigers, enz. ontaarten? En in zulk een geval, kunnen 'er, dunkt

mij, geen crimineele wetten in eene maatschappij gemist worden.

_De Oudste._ Ik heb u wel gezegd, dat de kinderen onder ons in aart

verschilden; maar niet dat hun aart ten kwaade geneigd ware. De

menschlijke aart schijnt altijd ten goeden overhellende; altijd tot zijn

zelfs verbetering neigende; dit heeft in de voorige eeuwen, zo veele

booswigten, en zo veele braave lieden, tevens opgeleeverd; men wist

dien aart maar niet wel te leiden; ook hadt men, te dier tijd, daaden

en handelingen voor misdaadig en zondig uitgekreeten, die, na onze

inrichtingen, geheel onschuldig zijn. Dit neemt bij ons een groot deel

kwaads weg; waarbij dan nog komt, dat wij geen belang in het overtollige

hebben leeren stellen; hier door is dieverij, moord, bedrog, en al dat

gevolg van het _mijne_ en _uwe_ bij ons verdweenen.--

_Ik._ Ik kan mij geen maatschappij verbeelden, waar dit kwaad geen'

invloed hebbe.

_De Oudste._ Dat komt enkel daarvan, dat ge nog te midden onder een

ander soort van samenleeving leeft; wij kunnen ons ook volstrekt geen

juist denkbeeld dier samenleeving van de voorige eeuwen, van hebzucht,

en wandaaden maaken.

_Ik._ Laat dat zo zijn; maar schoon men nu die voorwerpen van misdaaden

wegneeme; 'er zullen toch altijd hartstochten van _Toorn_, _Liefde_,

enz. overblijven, die toch ook gelegenheid tot wanbedrijven kunnen

geeven; schoon 'er geen geld of goed mede gemengd zij. Ik denk toch dat

uwe Landgenooten wel door driften somtijds in beweging gezet worden;

anders zoude het wel een doodelijk slaaperige maatschappij uitmaaken.

_De Oudste._ Dit verbeeldt ge u slegts; 'er zijn zeekerlijk hartstochten

onder ons; maar wij leeren elkanderen het buitenspeurige derzelve

tegengaan; een maatschappij behoeft immers niet slaaperig en doodsch

te zijn, schoon 'er niet in gemoord of gestoolen worde; ook zijn onze

regeeringsschikkingen van dien aart, dat, zoo 'er al eens zulk een

ongelukkig voorval gebeurde, men zodanig een door hartstocht overweldigd

mensch, onder de zinneloozen en ongezonden, in onze zeer wel ingerichte

Gasthuizen, zou trachten te verbeeteren.

_Ik._ Maar hoe komt het toch, dat ik in deze school geen knaapjens onder

de zeven jaaren en geen meisjens aantreffe?

_De Oudste._ Wij zenden de kinderen onder de zeven jaaren niet ter

schoole, noch stellen hen aan geenerlei geheugen, of herssensoefenenden

arbeid; maar maaken hen dan sterk en bekwaam tot ligte handwerken, die

ze ook door den tijd noodig zullen hebben; dat begint al met hun vijfde

jaar; de eerste jaaren der kindsheid, worden slegts met groeijen en

speelen versleeten. Wat de meisjens aangaat, deze worden afzonderlijk in

schoolen, onder toezicht van vrouwen, opgevoed, en mede in sommige der

nuttigste weetenschappen, maar inzonderheid in de huishoudkunde,

onderweezen.

_Ik._ Maar hebt ge geene volks bijeenkomsten, waarin aan bejaarden hunne

verhevenste pligten voorgehouden worden? In één woord, hebt ge geen

Godsdienstoefenplaatsen, geen Kerken?

_De Oudste._ Wel voorzeeker! Wat land kan zonder Godsdienst bestaan?

maar wij noemen die bijeenkomsten Zedeschoolen, en zij die in dezelve

leeren en onderwijzen, Zedeleeraars; doch het gewigtig twistpunt dat

vóór veele eeuwen de oorzaak der geweldigste beroeringen in landen en

staaten geweest is, te weeten het _kerkelijk gezag_, is bij ons niet

bekend. Al wat het bestuur aangaat wordt aan den Vader des Lands,

benevens zijne oudsten, overgelaaten; maar de zedeleeraars bemoeijen

zig met verhevene wijsgeerige leeringen, stichtende en aangenaame

voordragten te doen, ten einde het gene het volk in de schoole geleerd

heeft, en dagelijks tot hunnent oefent, behaaglijk te herhaalen, en hen

in 't geheugen te prenten.

_Ik._ Maar leert men hier in die leerschoolen van den Godsdienst geene

Theologische stelsels; hebt ge thands geene Theologanten?

_De Oudste._ Wel ja! in zekeren zin hebben wij zonder twijfel

_Theologanten_, immers de waare _Theologie_ is onveranderlijk. Mijn

voorneemen is zelfs om bij een hunner op 't oogenblik een bezoek te gaan

afleggen. Gelieft gij mij gezelschap te houden, dan kunt ge hem zelven

over zijne leer onderhouden.

Ik was verheugd die gelegenheid te kunnen waarneemen, om mij met de

Theologische stelsels der volgende Eeuwen bekend te maaken. Met al mijn

hart, was mijn vuurig antwoord, laat ons, zoo 't u anders niet belet,

ten eersten heenen spoeden. Wij deeden dit, ik verbeelde mij den Oudsten

aan mijn regtsche en mijn' Geleider aan mijn linksche hand te hebben;

vol van gedachten over al 't gene wat ik den Theologant vraagen, en bij

hem onderzoeken wilde, naderden wij aan zijn wooning. Hij was mede een

eerwaardig, doch eenvouwig grijsaart. Hij ontfing ons met alle tekenen

van opregt gemeende gulheid; wij zetteden ons bij hem neder. De Oudste

vong het gesprek aan.

_De Oudste._ Eerwaardige! zie hier een' vreemdeling, die uwe meening

omtrent eenige verborgenheeden uwer leer van u wilde verneemen.

_De Leeraar._ Hij spreeke; 't zal mij aangenaam zijn, hem eenig

licht en troost te kunnen verschaffen. Maar (zig tot mij wendende)

verborgenheeden, goede vriend! en althands verborgenheeden Gods, zijn en

blijven hier op aarde ondoordringbaar voor den zwakken sterveling. Wij

prenten daarom onzen kinderen in de schoolen den grooten regel van den

alouden POPE in. _Mensch! wees dan nederig in uwe hoop, en verhef u niet

dan met vrees, wagt den grooten onderwijzer, den dood, en aanbid

God_[23].

[23] _Hope humblij then; whit tremblung pinions soar;

Wait te great teacher Death; and God adore._

_Essai on Man. Ep. I._

Want de oude SCALIGER zegt, met reden:

_Nescire velle quod magister optimus

Docere non vult erudita inscitia est._

Niet te willen weeten, 't geen de opperste leeraar, niet leeren wil, is

regt geleerde onweetenheid.

_Ik._ Dit beken ik, Eerwaardige! maar elk vormt zig toch een zeker eigen

denkbeeld over sommige duistere zaaken: ik wilde gaarne onderstaan of

wij ook veel in denkbeelden verschillen, ten einde, zoo ik de uwen beter

en gegronder vonde, de mijnen vaarwel te zeggen, en voor de uwen te

verwisselen; wat, bijvoorbeeld: denkt gij van...

Hier werd ik gestoord...

Eensslags kwam ik, in de zinnelijke waereld, uit die der verbeelding,

terug.--Zo ook zullen wij eens, te midden onzer ijverigste

navorschingen, in 's levens mijmering gestoord wordende, in de eeuwige

waarheid ontwaaken.

[Decoratieve illustratie]

Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering · 第 7 / 8 题