MISSTELLINGEN.

Bladz. Reg. staat lees

5 -- 1 van ond. 2540 -- 2440

14 -- 13 van bov. twee -- dertien

45 -- 16 van bov. _æstetica_ -- _æsthetica_

50 -- 2 -- -- _aliquod_ -- _aliquid_

65 -- 2 -- -- eeuw -- eeuwen.

[Decoratieve illustratie]

Onlangs bezig zijnde met leezen, in een Werk, 't welk eene

oordeelkundige geschiedenis der Wijsbegeerte voordroeg, en waarin de

levens, stellingen, en toevallen der aloude en nieuwere Wijsgeeren

omstandig verhaald werden, trof ik daar in eene aanmerkelijke plaats

aan, welke mij tot overdenking bragt, zij was: _'Er is een zekere

draad in de waereldsche zaaken, die dezelve de eene aan de andere hecht,

en wanneer men dien behendiglijk vatten kan, dan is men niet verre

verwijderd van in het toekomende te kunnen doordringen, en men wordt het

gevolg der dingen, als in 't ruuw, gewaar_[1]. Ik dagt over dit zeggen

ernstig naa, en mij schoot te binnen dat ook SENECA ergens gezegd hadde,

spreekende van de kundigheeden zijns tijds[2]: _Laaten wij openhartig

bekennen, wij weeten dit alles slegts sedert korten tijd. 'Er zal een

andere tijd komen, waarin men, door moeite en ondervinding, doorgronden

zal, 't geen wij nog niet eens kennen. Een Eeuw alhoewel vruchtbaar in

verhevene geniën, is niet volstaande om het groot Schouwtooneel des

Heeläls te doorgronden. Zonder twijffel zal ons naageslacht verwonderd

zijn, dat wij zo veel dingen niet geweeten hebben, die hen zeer klaar en

gemakkelijk voor zullen komen. Men moet daarbij ook gelooven, dat zij,

die naa hen komen, hen dezelfde verwijtingen zullen doen._ Ook vermaant

ISOCRATES, de beroemde leerling van PLATO, aan DEMONICUS, dat men zig

slegts op de analogie der vooraf gebeurde zaaken behoort toeteleggen,

om een oog in 't toekomende te hebben, als hij zegt: _Bijaldien gij

het voorbijgegaane herdenkt, zult gij u best voor 't aanstaande kunnen

beraaden_[3]. Hoe duidelijk heeft de doordringende geest van den

grooten BACO VAN VERULAMIUS, reeds nog in den nacht der onkunde,

de gronden gelegen tot den vollen middag van kennis, en als 't ware

zijnen naaneef aangetoond en voorzegd hoedanig die den weg der Letteren

bewandelen zoude. Heeft ook niet nog in onzen leeftijd de Koningsberger

Wijsgeer KANT, bij redeneering, besloten en als 't ware voorzegd,

't geen de Sterrekundige BODE, te Berlijn, genoegzaam gelijktijdig,

bij ondervinding, omtrent ons geheele Planeetgestel besloten en

waargenoomen heeft; te weeten, dat hetzelve, uit de Vaste Sterren en de

Planeetstelselen die dezelve waarschijnelijk omringen, zich voor moet

doen, gelijk die ligte vlekken aan den Hemel, welken wij Nevelvlekken

noemen, en die ook waarschijnelijk geheele Stelselen zijn, zig aan ons

oog vertoonen; zo dat men wel eens niet onwaarachtige gissingen en

voorzieningen doen kan. Dit gewigtig onderwerp al dieper en dieper

indenkende, trad ik al achterwaards tot dien tijd wanneer men zeggen kan

dat de Weetenschappen en Kunsten in Griekenland derzelver hoogsten top

bereikt hadden. Ik doorwandelde in mijnen geest het oude _Atheenen_,

het Lycæum, de Stoa, de Academie, de Cynofarge of den Tempel van den

Witten Hond, welke aldaar de vergaderplaatsen der Wijsgeeren en lieden

van Smaak geweest zijn; Ik zag hen daar, dacht mij, zo druk te samen

redentwisten als of ze onderling in het hevigste geschil waren, de een

wilde den ander niet toegeeven; wel, dacht ik, bij mij zelven, goede

lieden, hoe veel meer weet ik heden alleen, dan gij alle te samen. Ik

weet dat 'er op den grond, waar op gij zo al leerende en twistende

verkeert, en waar op uw tempel van Smaak en Wijsheid gegrond is, thands

eenige domme traage Turken zitten te dampen, of wat op de aarde te

kijken; en dat uw pragtig _Atheenen_ in het elendig _Setines_, dat

tegenwoordig naauwlijks in de Courant genoemd wordt, verlooren geraakt

is. Zoudt gij, oude verstandige mannen! dit wel hebben kunnen voorzien?

Ja, zeeker! gij zoudt dit hebben kunnen voorzien, en hebt het mooglijk

wel voorzien; maar nog gemakkelijker kunnen wij, in onze eeuw, iets van

dien aart voorzien, daar wij meer omwentelingen in de menschelijke

maatschappij achter den rug hebben, dan gij. Gij immers kondet alleen,

van het, in uwen tijd, afneemend Egypten en Phæniciën spreeken, en wij

hebben U, de Romeinen, Carthagers en verscheide andere voorbeelden

nog daar beneven voor oogen; QUINCTILIAAN zegt, ten tijde van Romens

verval, reeds op goeden grond, 't geen wij op nog beter grond kunnen

zeggen, en onze naakomelingen, op een nog beteren grond dan wij, zullen

kunnen herhaalen. _De oudheid heeft ons met zo veele lessen en zo

veele voorbeelden onderweezen, dat 'er geene eeuw in eenigen deele

gelukkiger dan de onze geschat kan worden, om welke te leeren al de

voorige gearbeid hebben_[4].--Wel, dagt ik verder, het zou toch niet

onvermaaklijk zijn als men daarover eens wat ernstig naadacht, en

eens uit den hedendaagschen staat der tegenwoordige menschelijke

maatschappij, zo in 't ruuw, een besluit trachte op te maaken hoe 't 'er

toch met de Geleerdheid, Weetenschappen en leefwijze in de dertigste

Eeuw, op de waereld mooglijk uit zal zien. Dit plan beviel mij terstond

uitneemend; want de kortzichtige mensch wil gaarne zeer verre zien, hij

bezigt dus greetig den Telescoop der verbeelding; en zo deze op den voet

van ondervinding en wijsgeerig in denken gesteld wordt, bedriegt hij ook

het zielsoog niet geheel; weleer droomde immers zeker groot fransch

Wijsgeer hoedanig het in _Parys_ in het Jaar 2440 gesteld zoude zijn,

en het schijnt dat de zaaken zig thands al zo vrij wat daar naar

beginnen te schikken, immers dat in dat Jaar _Versailles_ welligt

tot een Puinhoop vervallen zou kunnen zijn, is geene onmooglijke of

onwaarschijnelijke zaak, even zo min als al het overige wat dien

schranderen droomer voorgekomen is. Ik nam spoedig dit boek, met

greetigheid, in handen, las 'er eenige zaaken in; inzonderheid hoedanig

de Bibliotheek des Konings zig voordeedt, en de Geleidsman dezes

Schrijvers, gelijk ook al wat deze schrandere Wijsgeer in den droom

gezien hadt, kwam mij zo aanmerkelijk en weetenswaardig voor, dat ik

alle moeite inspande om insgelijks zo verrukt, zo geheel ingespannen te

denken, of mij ook zodanig een mijmering overvallen mogte, ten einde ik

eenig inzien mogte verkrijgen, hoedanig de gesteldheid der menschelijke

maatschappij, in het toekomend Jaar drieduizend, zig zal voordoen; ik

zette mij dan in een zeer gemakkelijke houding tot peinzen, terwijl ik

eenigen tijd geen verhindering verwagte, met het bewuste boek in de

hand, en begon eindelijk mij den persoon, die dien Schrijver geleide, zo

naauwkeurig voor te stellen of ik hem daar zo voor mijne oogen zag.

[1] _Il y a un certain fil dans les affaires du monde, qui les enchaine

les unes aux autres; & quand on peut le saisir adroitement on n'est

point éloigné de percer dans l'avenir, on apperçoit en gros la

suite des choses._

DESLANDES, _Hist. Crit. de la Philosophie_, Tom. II. _p._ 123.

[2] _Veniet tempus, quo ista, quæ nunc latent, in lucem dies extrahat

& longioris ævi diligentia. Ad inquisitionem tantorum ætas una non

sufficit, ut tota cælo vacet..... Veniet tempus quo posteri nostri

tam aperta nos nescisse mirentur._

SENECÆ, _Nat. Quæst._ L. VII. Cap. 25.

[3] [Grieks: Ean gar ta parelêlythota mnêmoneuês, ameinon kai peri tôn

mellontôn bouleusê.]

[4] _Tot nos præceptis, tot nos exemplis instruxit Antiquitas, ut non

possit videri ulla sorte ætas felicior, quam nostra, cui docendi

priores elaboraverunt._

QUINCT. _Instit. Orat._ Lib. XII.

Ik zal genoodzaakt zijn mijn onderhoud met dit denkbeeldig wezen

samenspraaksgewijze voortedraagen.

_Och! goede Vader, gelei mij toch, wat ik u bidden mag, eens naar de

Academie_, vroeg ik aan den Eerwaardigen Ouden, die voor mij stondt.

O, die is 'er niet meer; was zijn antwoord, wat zouden wij met eene

Academie doen?

_Ik._ Geen Academie..!?

_Geleider._ Wel neen! zeg ik nog eens, wat zouden wij 'er mede doen?

_Ik._ Wel! zo als voortijds, Jongelingen tot Theologanten, Philosoophen,

Artsen, enz. vormen.

_Geleider._ Dat alles wordt nu thuis door een bekwaam' Meester geleerd!

_Ik._ Hoe is dat mooglijk? Dat is immers al te omslagtig om door een'

Meester geleerd te worden!

_Geleider._ Waarom! O wij hebben thands veel van dien omslag

weggenoomen, en het is alles dood eenvouwig geworden.--Bij voorbeeld,

in de Rechten worden bij ons de Wetten die de Romeinen en andere Volken

in hunne Regeeringsvormen en voor hunne Zeden uitvonden, als geheel

ontoepasselijk op onze tegenwoordige behoeften en leefwijze, in 't

geheel niet meer geraadpleegd; het gebrekkig _Corpus Juris_ en de

_Pandecten_ worden daarom niet meer aangehaald; wijl onze Lands en

Stedelijke wetten in meest alle gevallen zo klaar als beslissend zijn;

en men 'er een beknopt Wetboek van in druk heeft, waarna elk Burger zig

kan regelen, zo dat 'er nu ook zo veel niet gepleit of getwist wordt,

als weleer pleeg te geschieden. Zo gaat het ook met de Geneeskunst; onze

Apotheeken zijn thands slegts met weinige dingen voorzien; want men

heeft nu geheele andere en inlandsche _Materia Medica_, en elk mensch

kent de Geneesmiddelen die hem dienen, en zoekt die buiten de Stad,

op 't veld, op, of laat die voor hem zoeken; want daar toe zijn de

Apotheekers eigenlijk nog in gebruik, om die kruiden te mengen voor

lieden die deze moeite zelve niet willen neemen. Wij hebben ook ontdekt,

dat in elk land die geneeskruiden wassen, welke deszelfs inwooners best

in hunne ziekten kunnen baaten; want thands wast 'er geen grasjen waar

van wij de eigenschap, zo wel geneeskundig als tot voedsel, niet

verstaan. Wij eeten thands bijna al wat in ons land groeit, met veel

smaak, en hebben dus altijd een overvloed van voedsel.--O! 'er is zo

een groot aantal nieuwe en onbekende Classen van Planten ontdekt; dat

het geheele Systema van den ouden LINNÆUS thands geheel agter de bank

geworpen ligt; het is zeer onvolledig: zo gaat het thands met alle de

stelselen der voorige eeuwen, zij zijn valsch of onvolledig en geheel

gebrekkig bevonden.

Ik zal u eens, als 't u gevalt, bij eenige onzer tegenwoordige

Geleerden, omvoeren en u als een vreemdeling aanmelden, dan kunt ge u

terstond zelve van de gesteldheid dezer dingen overtuigen.

_Ik._ Allerbest! Kom, laat ons zo terstond op weg gaan.

_Geleider._ Welaan! wilt ge 't eerst bij een Theologant of bij een'

Philosooph zijn?

_Ik._ Liefst eerst bij een' Philosooph.

Wij gingen op weg, doch het verlangen, waar in ik was, om met een zo

vreemd wezen, als mij een Philosooph van de XXXe. Eeuw scheen te zyn,

in gesprek te komen, deedt my, in mijne mijmering, naauwlijks opletten,

dat de meeste huizen, langs welken wij voorbij gingen, meestäl meer naar

boeren wooningen dan naar voortreffelijke Paleizen geleeken, gelijk ik

eertijds in een stad van handel en rijkdom, gelijk deze, gewoon was

aantetreffen; naa een weinig met mijnen Geleidsman voort gewandeld te

hebben, kwamen wij aan een groote diepte, waaraf wij langs een gebaanden

weg neder klommen, in een dal, 't welk tusschen twee hoogten, of

bergjens, gevormd werdt.--Dit moeten wij langs, zeide mijn Leidsman;

want op gindsche hoogte woont een thands zeer vermaard Wijsgeer!

_Ik._ Dit langs! Lieve deugd! zijn wij dan op een' berg geweest?

_Geleider._ Wel Ja! Hoe zouden wij hier anders kunnen woonen, 't land

ligt 'swinters meestal onder water, en daarom hebben wij deze hoogten

opgeworpen; want zo hoog komt het water niet.

_Ik._ Maar hebt gij dan geen dijken meer?

_Geleider._ ô Neen, die vielen ons op den duur veel te kostbaar, zij

werden overal te gelijk bouvallig en schraal, en terwijl we, met groote

kosten, aan den eenen wat lapten, brak er weder een andere door, 't

schijnt den mensch toch onmooglijk, om op den duur tegen de natuur te

worstelen: wij leeven nu ook veel geruster en laaten stormen wat 'er

stormt; want als 't water des zomers weder afgeloopen is, zijn deze

kleine tusschenruimten weêr droog, en draagen zelfs vruchten; want dat

moet ik 'er nog bijvoegen, elk is hier Landbouwer, van den grootsten tot

den kleinsten toe; elk heeft zijn' grond, die hem voedt.

_Ik._ Maar, waar zijn die trotsche Kooplieden, die zelfs Vorsten in

vermogen pleegen te evenaaren?

_Geleider._ Ja, waar zijn die? vraag dat mij? daar

_Quo pius Eneas, quo Tullus dives et Ancus._

Waar Ancus, Tullus en de vroome Eneas zijn.

_Ik._ Ja, maar in ernst! zijn 'er dan geene Kooplieden meer hier te

lande?

_Geleider._ Zeer weinigen. Er wordt nog wel eenigen Koophandel

gedreeven; maar hij is van geen belang, en bestaat meestal in

Boeknegotie; want die is nog al redenlijk bloeijende, en aanmerkelijk

in uitgebreidheid. Wij krijgen thands de beste werken van smaak, uit

_Siberiën_, _Kamtschatka_, _Japan_, _Nieuw Holland_, _Het vuur Eiland_,

_California_, _Canada_, en zo langs de uiterste kusten der aarde.

_Ik._ Heden, Mijn Heer! breng mij dan vooral eens bij een'

Boekverkooper; want daar ben ik nog al 't meeste mede gewoon.

_Geleider._ Dat wil ik gaarne doen, maar noem mij, zoo 't u blieft, niet

uw' Heer; want dat ben ik niet. Wij hooren hier liever het veel meer

beteekenende en veel zoetluidender woord: Vriend! 't Woord Heer, is

thands hier geheel buiten gebruik; alzo de eene inwooner des lands zig

thands hoegenoemd geen heerschappij over den ander aanmaatigt of

aanmaatigen kan.

_Ik._ Neem mij niet kwalijk, Vriend! als ge 't dan zo gelieft, 't is bij

ons nog zo in 't gebruik; schoon wij ook eigenlijk die woorden meer als

klanken dan als betekenende woorden bezigen.

Ik geloof zeker, dat ze van tijden afkomstig zijn, toen er nog meer

slaavernij heerschte en de meerder zijnen minder meer verdrukte! terwijl

de minder zijnen meerder met de laagste en kruipendste vleijerij moest

bejegenen, zig telkens zijn Dienaar, ootmoedige, onderdaanige, geheel

aan hem overgegeeven, Dienaar noemde, geduurig hem zijn dienstaanbod

hernieuwende. Men doet dit thands nog met even zo veel vaardigheid met

mond en pen; doch elk hart weet wel, wat men 'er thands van gevoelen

moet: men hoort het naauwlijks en spreekt en schrijft het, zonder 'er op

te letten.

_Geleider._ Wel laat ons die overblijfselen van voorige woestheid en

slaavernij, dan toch geheel vergeeten, en elkander, met hart en mond,

Vrienden noemen; maar wij zijn hier reeds bij den Philosooph, treed

slegts in.

_Ik._ Hoe! sluit men hier dan geen deuren meer?

_Geleider._ Och neen! wie zou 'er in koomen om overlast te doen, elk

heeft voor zig genoeg, en, gelijk gij ziet, de pracht lokt tot geen

begeerte.

Naa dat wij in getreeden waren, vond ik de hut; want anders kan ik het

niet wel noemen, zeer lugtig ruim en licht, en van al het noodige, zo

mij voorkwam, tot nooddruft der menschen voorzien; alleen ik zag 'er

geen Bed of Ledikant, en dagt bij mij zelven, daar moet ik toch straks

eens naar vraagen. De Wijsgeer was een eerwaardig bejaard man, met een

grooten baard, en met eene soort van lossen en om den midden gegordelden

rok bekleed, even gelijk men veel de aartsvaders afgebeeld ziet. Hij

tradt ons terstond te gemoed, en vroeg mijnen _Geleider_, wie ik ware,

en, zo dra hij gehoord hadt, dat ik mij voor een' vreemdeling op gave,

vroeg hij niet verder; 't scheen hem genoeg dat mijn leidsman bij hem

bekend ware, althands, in mijne mijmering, sloeg ik geen acht op deze

gaaping van 't waarschijnlijke. Ik vroeg hem terstond naar den staat der

geleerdheid; en wel voornaamlijk naar dien der Wijsbegeerte daar ter

plaatse; voorgeevende dat ik uit een land kwam waar dezelve nog even

eens gesteld was als vóór dertien eeuwen.

_De Wijsgeer._ ô, Dan zult ge hier groote veranderingen daaromtrent

gewaar worden; Het spijt mij slegts dat ik thands zo weinig tijd hebbe,

om u van alles te onderrichten, alzo ik op den sprong staa om op reis te

gaan, en nog eenige beschikkingen daar toe maaken moet. Doch ik zal u

kortelijk over 't een en ander voornaam stuk trachten te voldoen, onze

geliefdste Studie dan is thands de Wijsbegeerte; maar wij studeeren nu

geheel anders dan vóór dertien eeuwen; ô veel gemaklijker; Ik zal u

zeggen hoe het in het vak der geleerdheid thands met ons toegaat; maar

ga bij mij zitten, en laaten wij te samen onzen morgen drank nuttigen,

zo veel tijd moet 'er af. Hij kreeg terstond een kruik voor den dag,

waar in hij ons in eenige glasen een' aangenaamen en verfrisschenden

drank, voordiende.--Toe vriend! zeide hij, drink, het verstrekke

ons tot gezondheid en worde gezegend. Dit is een drank dien wij uit

verscheide nieuw ontdekte inlandsche planten bereiden, en die tevens

een allerheilzaamst en versterkend voedsel te wege brengt; maar om dan

voorttegaan: de Latijnsche Taal is heden de algemeene Taal van de meeste

geleerden, waarmede wij correspondeeren, geworden; daarin worden alle

werken over wetenschappen en kunsten geschreeven; want wij hebben voor

eenige Jaaren gezien, dat de mode van elk in zijn Landtaal te schrijven,

slegts eene elendige geestverspilling zij; want, wilt ge wel gelooven,

dat de Duitschers bijvoorbeeld, die vóór dertien eeuwen zo veele werken

in de Wysbegeerte en andere Weetenschappen vervaardigd hebben, thands

hunne eigene gewrochten van dien tijd niet meer verstaan; zo zeer

is hunne taal, door daaglijks gebruik, veranderd en versleeten.--Ik

bemerkte ondertusschen niet eens, hoe wonderlijk kan men toch beuselen!

dat ik hem, schoon naa zo veele eeuwen, nog zeer gemakkelijk verstond en

hij ook mij.--Maar, ging hij voort, al wat in de zogenoemde doode taalen

overgebleeven is, kan nog door ons verstaan en aangeleerd worden; wijl

wij daar onveranderlyke Regels toe hebben, ook kunnen wij, toch maar met

moeite, nog eenige onzer Schrijvers van den Jaare 2090 à 91. verstaan,

maar dat zijn ook al de eenigste, daar 't nog zo wat mede gaat, en

in dien tijd hebben sommige Critici reeds voor het verder verval der

fraaiste werken gezorgd, en dezelve in 't Latijn overgezet, en met

den text op den kant doen drukken; inzonderheid veel fraaije Fransche,

Hoogduitsche, Engelsche en Nederlandsche werken; wier taal wij met hulp

van die _versiones_, nog al zo wat weder beginnen op te krabben, en 'er

vrij schoone en der moeite dubbelwaardige plaatsen in aantreffen; gij

zult zeekerlijk mijn Bibliotheek wel eens willen zien, dan kunt gij 'er

u zelven van overtuigen.

_Ik._ O, zeer gaarne, mijn vriend; maar staa mij toe, u te moogen

vraagen; wat men toch hier van de verschilstukken der Wijsgeeren van de

XVIIIe. eeuw denkt.

_De Wijsgeer._ Wij kunnen ons niet genoeg verwonderen, als wij de werken

van CARTESIUS, GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, en anderen der eerste

opdelvers van waarheid, inzien, hoe zeer bedekt de eenvoudige waarheid,

nog voor hun geweest is; hoe groote omwegen dat hunne verbeelding heeft

moeten neemen, om slegts een gering deel derzelve te ontdekken; wij,

die al deze oude kraamerij, slegts vermaakshalven eens inzien, vinden

thands den weg tot kennis in de natuur der dingen, veel eenvouwiger: wij

hebben daar toe een zeeker middel uitgevonden, dat alles als in een punt

samentrekt, eene zekere bestendige werking en wederwerking, zo wel in

het rijk der natuur als der zeden; een geduurige middenpunt zoeking en

afwijking; een trachten naar evenwigt, dat altijd verbrooken wordt,

waardoor de geheele schepping in werking blijft, zo dat wij nu zeer

gemakkelijk, uit slegts ééne zeker gevonden waarheid, een besluit

tot verscheidene anderen kunnen maaken: wij doen dat niettemin met

veel behoedzaamheid, en, zo dra wij onze afleidingen niet zonneklaar

kunnen betoogen, houden wij dezelve nog voor onbekende zaaken en

_desiderata_; zonder in de droevige en het menschelijk verstand in een'

poel van dwaaling stortende, gewoonte te vervallen van stelselen, of

_Systemata_, te bouwen op de zandgronden van onzeekere onderstellingen,

of _Hypothesen_; wij komen dus zelden in het zo belachgelijk als

vernederend geval van den Wijsgeer DEMOCRITUS, dien eens een comcomber,

van welke vrugt hij een groot liefhebber was, voorgezet wordende, 'er

zekeren ongewoonen zoeten smaak aan bespeurde; welk verschijnsel hem

bewoog, om op de oorzaak dezer zonderlinge zoetheid in die vrugt te

peinzen; hij zogt die in het water, dat dezelve besproeid hadt; in de

aarde, waar in zij gegroeid was; in de gesteldheid des dampkrings

geduurende heuren groei en in duizend andere toevallige oorzaaken; maar,

terwijl hij daarover zig geheel weg gedagt hadt en op 't punt stondt

om _analytisch_ de oorzaak dezer zoetheid te ontdekken, stoorde een

slaaf, door zyn onbesuist en verlegen inkomen, al zijn geestverrukking,

met deze woorden: Och lieve meester! neem het toch niet kwalijk, de

comcomber die ik u zo even bragt, is bij ongeluk in een pot met honig

gevallen. De Wijsgeer riep daar op mismoedig uit: Ellendige! hadt ge

maar gezweegen, weg is nu al de verdienste mijner ontdekking! Zo gaat

het met het bouwen van Hypothesen. Een groot getal kundigheeden, welke

de XVIII. eeuw reeds meende verkreegen te hebben, is dus geheel te

niet gegaan, en in rook verdweenen; zo dat het gene toen zeer klaar en

baarblijkelijk scheen, thands een diep geheim geworden is; daar ons nu

dingen allereenvouwigst en klaarst voorkomen, die toen nog in een dikken

nevel van onzeekerheid gewikkeld lagen; bijvoorbeeld, de aart van de

menschelijke ziel; wat is over dit leerstuk in de XVIIIe. eeuw niet

al zonderlings gedagt, hoe heeft men, naar dat stuk, als met verblinde

oogen in 't ronde getast, en door 't zelve van den verkeerden kant aan

te grijpen, de wonderlijkste gevoelens te berde gebragt, en eindelijk,

met een zekere verzeekerdheid, waarover wij thands glimlagchen, voorzegt

dat dit geheim boven des menschen bevatting liep!--Zo liep het ook, in

de hoogere oudheid, boven des menschen bevatting, 't geen GALLILEUS

leerde, dat de aarde _rond_ ware.

Ik stond versteld, hier zodanig een groote ontdekking, als is die van

den waaren aart der menschelijke ziele, te zullen doen, en zeide, met

drift: wees zo goed, en deel mij, bid ik u, deze uwe gewigtige

ontdekking terstond mede!

_De Wijsgeer._ Ja! Vriend; maar de gronden van redeneering waarop deze

onze stelling rust; zijn voor u, die daar nog niets van weet, zo in

een oogenblik niet bevattelijk; ik kan u alleen zeggen, dat wij het

verschil tusschen Stof en Geest, niet meer, gelijk de Geleerden van de

XVIIIe. eeuw, in een geheel tegenstrijdige wezenheid; maar alleen in

eene betrekkelijke hoedanigheid, stellen; want het _maximum_ in het

kleine, is bij ons veel nader bereikt, dan in die vroege tijden; het

raderdiertjen, dat men toen, door de te dier tijd gebruikelijke

_microscoopen_, al voor een der kleinste wezens hieldt, is thands,

in ons microscoopisch rijk, een elephant geworden. Hier uit kunt ge

naagaan, wat onafzienbaare vorderingen wij in den aart der stoffe hebben

kunnen maaken, en wat al raadselen wij door deze onbegrensde kleinheid

van bestaande wezens niet al kunnen oplossen.

Ik gaf den Wijsgeer voords mijn verlangen te kennen, om zodanig een

microscoop eens te zien. Hij ging daar op in een klein vertrekjen,

waarin zijne verzameling van Optische Instrumenten scheen geplaatst te

zijn, en toonde mij, bij zijn' wederkomst, een microscoop, die niet veel

in inrichting van de onzen verschilde; maar hij hadt 'er een voorwerp

glaasjen bij, dat mij ledig toescheen; althands ik ontdekte 'er, met het

bloote oog, geen voorwerp in; ik zeide daarop: wij hebben ook zulke

microscoopen.

_De Wijsgeer._ Ja, maar de uwen zullen zodanig niet gesleepen en van

zulk eene stof niet vervaardigd zijn: Daar, zie daar maar eens mede, op

dit drupjen vochts, dat in dit voorwerp glaasjen geklemd is.

Ik zag door het glas dat de Wijsgeer mij leende; maar, welke een

heerlijke vertooning voor mij! Ik zag een alleronbedenklykst fijne

vloeistof in hetzelve bewegen, en vroeg of hij mij niet konde uitleggen

welke dat voor eene bewegende stof ware, die mij nu zo zichtbaar

voorkwam; daar zij eerst geheel onzichtbaar voor mij geweest ware? en of

hij mij de natuur derzelve niet kenbaar konde maaken!

_De Wijsgeer._ Daartoe hebt gij nog geene genoegzaame gronden gelegd; zo

veel alleen kan ik u zeggen, dat het een drupjen zenuwvocht is, en dat

wij door de beschouwing dezer stoffe, thands al vrij verre gevorderd

zijn, met de verklaaring van het wezen der ziele.

_Ik._ Zijn 'er in het groote en uitgebreide rijk der schepping ook even

zo aanmerkelijke ontdekkingen gedaan, als in het kleine?

_De Wijsgeer._ O! in vergelijking, nog veel meer. Onze tegenwoordige

Telescoopen dringen nog veel verder door, tot in de verre oorden van

het uitgebreide Heelal. Wij spreeken nu niet meer van ons stelsel

alleen; maar, zeer bepaaldelijk, van de rondom ons zig bevindende

zonnestelselen der vaste sterren, en van de zo ondenkbaar verwijderde

stelselen in den melkweg; ook zijn wij thands verre gevorderd in de leer

eener Hoofdstelselzon, om welke alle de mooglijke stelselen en melkwegen

draaijen. Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, op den voet van den

ouden HERSCHEL, waar mede wij de vaste sterren zelve zeer duidelijk als

zonnen kunnen onderscheiden; en ook zulke kleine, waarmede wij onze zon,

thands zeer klaar als een bewoonbaaren bol en de maan insgelijks als

zodanig beschouwen kunnen; ook hebben wij thands de, in de XVIII. eeuw

nog vermiste, Dwaalster, tusschen Mars en Venus, en een nog verder

dan Uranus afstaande dwaalster ontdekt, en de waare grootte van de

schijf der zonne bepaald; benevens aanmerkelijke gewigtige en nieuwe

ontdekkingen, omtrent warmte en licht, gedaan; wijl thands de reizen in

den dampkring zeer geregeld, gemakkelijk, en buiten gevaar ondernoomen

kunnen worden; 't welk veel nut aan de weetenschappen toegebragt heeft.

_Ik._ Zijn dan mooglijk de _Aërostatische machinen_, bij u tot een

meerdere volmaaktheid gebragt?

_De Wijsgeer._ Men heeft middelen uitgedacht om dezelve geregeld

te bestuuren; ten minsten voor zo verre, dat 'er twee of drie

persoonen veilig mede kunnen reizen; ten welken einde 'er ook groote

verschikkingen omtrent het reizen, en wat daar toebehoort, gemaakt zijn.

Dit bevordert ongemeen den ommegang met de verst afgelegendste volken,

en heeft veel tot de beschaaving van verscheidene natiën toegebragt;

want, bijvoorbeeld, zo straks vertrek ik met een balon naar _Guinea_,

ik moet daar eenige zaaken verrichten; wijl daar een werk van mij

ter persse is; en zal, denkelijk, in de andere week weder in Holland

terug komen, als ik niet nog een' uitstap bij een' mijner vrienden

te _Simbaoe_, in _Monomatapa_, doe; want dat is een zeer ervaaren en

kundig natuuronderzoeker; hij heeft een uitgeleezene Bibliotheek van de

nieuwste Africaansche werken, en men kan niet van hem afkomen, als men

eens in zijn gezelschap is.

_Ik._ Wel is 't mooglijk! reist men thands zo spoedig! en zo zeeker? en

is de Sterrekunde zo verrijkt? dan zal ook de _aardmeetkunde_, wel

aanmerkelijk verbeterd zijn.

_De Wijsgeer._ Dat kunt ge naagaan! wij weeten thands den afstand van

meest alle plaatsen, zeer juist te bepaalen, en onze kaarten zijn daarom

ook allernaauwkeurigst; daar hangt 'er een van de _Nederlanden_, die is

nu van de nieuwste.

Ik zag ter loops dezelve eens over; maar vond zo een groot getal andere

en nieuwe naamen van vlekken, landen en plaatsen, dat ik alleen aan den

ruuwen omtrek van sommige oorden, eenige, mij bekende, herkennen konde;

het speet mij, dat ik niet alles naauwkeurig genoeg konde zien; evenwel

zocht ik terstond naar _Amsterdam_; maar vond het niet, alleen vond

ik eene kleine aanwijzing, en, op den kant, de woorden: _Hic olim

Amstelopolis fortasse sita erat_, dat is: _misschien is hier de plaats

waar Amsterdam wel eer gelegen heeft_. Doch men hadt dit teken gesteld,

op de hoogte waar men eigenlijk het Dorp _Kudelsteert_ zou moeten

zoeken. In een woord, ik was 'er maar heel niet thuis, en had wel

gewenscht deze kaart wat naauwkeuriger te mogen bezichtigen; doch 'er

was geen tijd toe, wilde ik mij het gesprek met den Wijsgeer nog een

kleine poos ten nutte maaken.

Ik vroeg hem voords, of 'er geen groote ontdekkingen in de natuurkunde,

en wel inzonderheid op het voetspeur van LAVOISIER, in de _Scheikunde_,

gedaan waren.

_De Wijsgeer._ Ja, die voordgangen zijn, geduurende de laatst verloopen

eeuwen, verbaazend geweest.--Wij hebben niet alleen de stelling van

dien waarlijk grooten natuuronderzoeker meer en meer bewaarheid

gevonden; maar ook nader ontdekt, dat 'er werkelijk geene elementen of

Hoofdstoffelijke beginsels voor den mensch kenbaar zijn; alles hebben

wij samengesteld bevonden. In de _Electriciteit_ en _magneetkunde_,

hebben wij reuzen schreeden gedaan, en zijn bijna gevorderd om het

waare wezen der _Electrieke_ stof en der magneetkragt te ontdekken.

Dit stuk houdt thands onze natuurkundigen bijkans alleen geheel

onledig.--Wonderlijke werkingen op ziel en lighaam, zijn daardoor bij

ons ontdekt, en verbaazende geneezingen, van altijd voor ongeneesbaar

gehoudene kwaalen, zijn daardoor bij ons bekend geworden. Het _dierlijk

magnetismus_ is bij ons, op gevestigde gronden, tot een aangenomen

leerstelsel geworden! Maar wij hebben ook op dezen grooten weg verder

zo veele nieuwe natuurwonderen ontmoet, dat wij wanhoopen, om, hier op

aarde, ooit tot de volledige kennis der natuur te kunnen geraaken.

_Ik._ Ja, mijn vriend! dit wil ik gaarne gelooven, zeekerlijk moeten 'er

werkzaamheeden voor een altoosduurende ziel, oneindig overblijven. Maar

zijn 'er geen Wijsgeeren bij u, nog aan oude vooroordeelen gehecht

gebleeven?

_De Wijsgeer._ Neen; onze Wijsgeeren, blijven niet, tegen hunne betere

overtuiging aan, hartnekkig aan eerst opgenoomen en verdedigde stelselen

hangen; zij verwerpen, ter liefde der waarheid, gaarne hunne gevestigde

vooroordeelen, zodra 'er zig iets beters en meer met de waarheid

overeenkomstig, opdoet; altijd gedagtig aan den regel van CICERO:

_weinig te weeten is geen schande; maar 't is schande in het weinig

gekende, dwaasselijk lang te volharden_[5].

[5] _Non enim parum cognosse; sed in parum cognita stulté et diu

perseverasse, turpe est._

Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering · 第 6 / 8 题