_Vóór eenigen tijd sommige mijner gedachten, omtrent den hedendaagschen
smaak in de Poëzij en Versificatie, in een' eenigzins _Ironisch_
boertigen stijl, onder den tijtel van den _Modernen Helicon, een Droom_,
voorgedraagen hebbende, viel mij in, om ook sommige mijner bedenkingen
over meer gewigtige stoffen en ernstiger onderwerpen, en wel over
den staat der Geleerde- en Huishoudelijke zaaken in nog verre in 't
toekomende verwijderde Eeuwen, eens, bij wijze van eene Mijmering,
voortedraagen; doch de aart der zaake liet de _Ironie_ hier niet overal
toe eenen boertigen rol te speelen, 't welk dit Stukjen een' meer door
ernst getemperd voorkomen gegeeven heeft.--Immers ernstige dingen
behooren ernstig behandeld te worden.--Men waardeere dit gewrocht dus
niet hooger dan als een spel der inbeelding en vermaake 'er zig mede
even als met de _Republiek van Plato_ of de _Utopia_ van den schranderen
_Morus_; doch wil men 'er meer moogelijkheid aanhechten, welaan, ik heb
'er ook niet tegen; want men bevindt daaglijks dat men reden heeft het
aêloud spreekwoord te herhaalen:_
_Omnia jam fiunt, fieri quæ posse negabant._
Men kan zo mal niet kallen
Of 't kan zo vallen.