rotsdalen was geen schaduw en geen 't minste tochtje. 't Was daarom
eene aangename verrassing, 's avonds aan tafel te hooren vertellen dat
't begon te regenen. Die regen hield aan en werd een wilde donderbui,
en verstoorde den dampkring dermate, dat ik er nog een dag later
pleizier van had. De volgende dag toch was bestemd om den Puy de
Sancy te beklimmen en langs de andere zijde over Vassivières af te
dalen tot Besse.
Daar hadt ge 't alweêr: iemand die 's morgens vroeg uit zoo'n nette
badplaats per allereersten langzamen trein vertrekt, beteekent
niet veel; en ik moest naar het station om mijn koffer naar Bort te
verzenden. De hotelomnibus kon ik niet krijgen, en ik was al heel
blijde een der hotelknechts eene fooi vooruit te kunnen betalen,
waarvoor hij mijn koffer wel naar 't station wilde brengen.
De regen had opgehouden, maar 't weêr was zoo zoel gebleven, dat ik mij
op allen tegenspoed voorbereidde. De wandeling ging aanvankelijk langs
den zelfden weg, die me gister terugbracht van den Val de l'Enfer, maar
ik had nu het genoegen van een waterval te zien, la cascade du Serpent,
een der waarteekens van Montdore, maar die den vorigen dag droog
was. Spoedig kwam ik onder hoog masthout; sierlijke boomen die bijna
allen den eigenaardigen woekervorm vertoonden van doorgeschoten takjes,
die als miniatuurboompjes loodrecht op de grootere takken stonden.
Op 1200 M. hoogte houdt de straatweg op, en begint het gemakkelijke
slingerpad, dat tot bijna aan den top brengt. De bestijging was weinig
vroolijk, want o jammer! er kwam een dikke mist opzetten; ik liep in
eene wolk en bleef daarin tot bijna boven, toen het zachtjes begon te
regenen. Achter mij aan kwam een gezelschap, dat er erger aan toe was;
de lieden haddend en Puy de Sancy voor hunnen laatsten dag bewaard,
en moesten nu den zoo hoog geprezen weg, ten tweede-male afleggen,
zonder ook maar vijfentwintig pas van zich af te kunnen zien. Hoewel
we allen wisten dat het op den top niets beter zou zijn, bestegen
we toch moedig de spits (1886 M.); een slecht en door den regen
glibberig pad, waarvan de eenige deugd was, dat 't maar een kwartier
ver was. Spijtig! want van den top van den Puy de Sancy, den hoogsten
berg van midden-Frankrijk, moet men bij helder weder een wondermooi
uitzicht hebben, te aanlokkelijker voor mij, omdat daar de geheele
streek zichtbaar was, die ik van St. Nectaire af doorloopen had.
Onder de treurigste voorteekenen zette ik aan de andere zijde van
den berg de reis voort. Er was langs de verschillende hellingen
maar één bergpad, en dat had ik te volgen. Aanvankelijk teekende dat
pad zich duidelijk, maar spoedig begon het in 't gras te verloopen,
en het regende zoo hard, dat elk spoor van een pad een beekje werd,
en dus geen weg meer te onderkennen was. Eerst had ik nog een paar
bergtoppen waar ik koers op kon houden, maar die gingen ook schuil
achter de regenwolken. Geen geluid van mensch of dier was te vernemen;
van tijd tot tijd meende ik de bellen van grazend vee te hooren,
maar dat geluid kwam ook al uit dat grauwe voorhangsel, dat evenveel
achteruit ging als ik vooruit. Dank zij de voortreffelijke kaarten,
die ik te Clermont gekocht had, en dank zij mijn zakkompas, kwam ik
echter goed terecht. Na een paar uur geloopen te hebben zag ik rechts
beneden mij een meer, volgens de kaart dat van Chauvet; toen moest ik
links van mij een alleen staanden berg, den Puy de Pailleret krijgen;
en dat kwam ook uit, en daar midden tusschen lag het dorp Vassivières,
maar dat kwam niet uit, en ik was dankbaar eene kleine schapenhoedster
te treffen, die mij vertelde dat het onnoozele kleine kerkje met
die drie kleine huizen er om heen, daar beneden ons, de beroemde
bedevaartsplaats Notre Dame de Vassivières was. Ik kwam ongeveer 600
M. meer oostelijk uit, dan 't behoorde, en vergat onder dat geluk,
dat ik doornat was geworden.
Hooger in de bergen waren de weiden, waardoor het pad heette te
gaan, nog al flink, maar lager werden zij van minder gehalte en waren
daarentegen sierlijk doorstreept met bloeiende heide; deze vriendelijke
plantjes zag ik daarna overal in Auvergne weer. Behalve dat waren er
opvallend veel donkere viooltjes en wilde anjers van een heldere kleur;
zij stonden in die armoedige omgeving zoo vriendelijk te bloeien,
dat ik een der dichters van het land begon te begrijpen, die zegt:
"men kan mij naar hartelust uitlachen, maar ik trap er nooit op ... 't
lijkt me of hun dat pijn zoude doen!"
Zoo kwam ik dan te Vassivières. Het wonderdoende beeldje staat in een
bouwvallig kapelletje langs een voetpad; het is eene zoogenaamde zwarte
maagd. De hoogere waarde van dat zwarte heeft me niemand kunnen of
willen verklaren; het beeldje was van hout, en scheen me toe zwart van
ouderdom te zijn. De beeldsnijders uit die vroegere dagen in Auvergne
waren menschen van eenvoudige opvatting, en beeldden de moedermaagd
af als eene vrouw uit hunne omgeving, zoodat men de evenbeelden nog
overal en dagelijks ontmoet.
Voor vele jaren had men zich verstout dat beeldje van Vassivières, waar
nooit voldoende gelegenheid was om de bedevaartgangers te herbergen,
tot hun meerder gemak naar Besse over te brengen. De overlevering
zegt, dat het beeld echter telkens weder des nachts naar Vassivières
terugkeerde. Om aan de daaruit ontstaande beroeringen een einde te
maken, besloten de gezaghebbenden het beeld des winters in Besse te
plaatsen en des zomers te Vassivières. De rust was hersteld, en zoo
geschiedt nog tot op heden.
De herberg waar ik dien dag te Vassivières middagmalen moest, was het
huis van een kaaskoopman, wiens vrouw in den zomer de kaaspakhuizen
ontruimde en voor gelagkamers voor de bedevaartgangers inrichtte. Alle
kaas heet daar "St. Nectaire", en de gelagkamers getuigden van zijn
bijzonderen geur. De waardin had medelijden met mijn natte pak;
dadelijk werd het vuur opgestookt en werden mijn kleêren zooveel als
't kon te drogen gehangen, terwijl ik achter den gloeienden kachel
plaats nam en mij, onder de bedrijven door, met woord en daad zag
aangetoond, hoe heerlijk mijn maal toebereid werd.
Zoo'n huis daar is aardig ingericht, en bij veel grooter afmetingen
herinnerde het mij sterk aan de oud-saksische boerderijen in sommige
deelen van ons land. De stal voor 't vee is altijd klein; het vee wordt
gefokt of jong gekocht, in het voorjaar de bergen ingezonden en in
't najaar verkocht. Men komt met de buitendeur in een ruim vierkant
vertrek; de voorkant, waarin de deur is, heeft ook de ramen. De zijde,
waar de kachel tegen staat, ook de provisiekamers, de beide andere
zijden bestaan geheel uit deuren, die ten deele bedsteden of kasten
zijn en de toegangen tot verdere ruimten, hier de kaasbewaarplaatsen,
of tijdelijk de gelagkamers voor de bedevaartgangers. Toen de waardin
de tafel gedekt had, vroeg ze mij of ik mineraalwater uit flesschen,
of bronwater wilde drinken; ze kon mij het "eau de la Vierge" zeer
aanbevelen, eensdeels om zijn goeden smaak en anderdeels om zijne
wonderdoende kracht. Twee der kinderen werden uitgezonden om eene
frissche kruik aan de bron te halen, en 't kwam mij voor dat de
bijzondere aanbeveling steunde op het fooitje dat de kinderen voor
dat dienstbetoon ontvingen. Het maal smaakte, niettegenstaande de
opvallend rustieke samenstelling, na den bergtocht heerlijk, en toen
de regen wat op begon te trekken, talmde ik nog wat om te zien of er
soms nog een zonnestraaltje doorkwam. En zie, het kwam! Eerste gevolg
aan mijn dronk "eau de la Vierge".
Nog twee uur wandelens bracht mij te Besse, in het Hôtel de la
Providence. Na eene korte rust besloot ik dien avond nog de grotten
van Jonas te bezoeken. 't Werd wel een vermoeiende dag, maar den
volgenden dag had ik een gemakkelijke reis, en bij ongunstig weêr
was er eene diligence.
De weg naar Cheix, waar die grotten zijn, gaat van Besse in een
eng dal omlaag; in de diepte heeft de Couse de Besse zich een weg
gebaand; zij dringt onstuimig met vele aardige watervallen tusschen
hare rotsachtige oevers voort. De overzijde is vooral dicht
hij de beek prachtig begroeid; de andere zijde levert een geheel
verschillenden aanblik. De eerste indruk is die van verbazing; de
steile berghelling is ontzettend ruw; groote en kleine rotsblokken
betwisten elkander hunne plaats; hier en daar bergpuin, waarin men
getracht heeft op aangelegde terrassen wijn aan te planten; maar alles
is verdord, en gedeeltelijk weer onder nastortend bergpuin begraven.
De kleur der rotsen is donker roodbruin; ze zijn allen in den vorm van
uitgesmolten slakken; er staan ruggen van steen uit de berghelling op
als reuzenhanenkammen, en die ruggen dragen ook de kenteekenen van in
vuurgloed gevormd te zijn. 't Is ontzagwekkend en somber. Men gelooft
in een heksen brouwketel beland te zijn en geen wonder, want we hebben
hier te doen met een lavastroom, die uit een der omringende Puys, of
misschien uit een verdwenen vulkaan naar dit dal vloeide. Het verloop
van eeuwen heeft hier nog weinig doen verweeren; wat hoogerop wel, waar
men tal van dorpen vindt in zeer vruchtbare omgeving. Bij een draai in
den straatweg heeft men een aardig kijkje op het dorpje Cheix met zijn
landelijk torentje en op het gehucht St. Pierre Colamme; iets verder
verheft zich op eens uit het groen de helling van den Puy St. Pierre,
waarin men dadelijk de grottenwoningen ontdekt. Deze woningen zijn
uitgekapt in de bazalttuf, waaruit de berg gedeeltelijk bestaat; ze
zijn tot 30 en 40 m. boven elkaar aangebracht; thans zijn er nog 60
holen; door het voortdurend afstorten van den bergwand zijn er echter
veel verwoest en nog meer begraven. De holen zijn in een moeielijk
aan te wijzen tijdperk door menschenhanden gemaakt,--misschien zijn
ze wel uit het vóór-historische tijdperk,--en zij werden eeuwen lang
bewoond. De uitgekapte paden, die de verdiepingen onderling verbinden,
dagteekenen waarschijnlijk uit de middeneeuwen. In de rots ziet men
hier en daar nog sporen van leuningen, die ook in de rots uitgehouwen
zijn; in dienzelfden tijd werd er ook een soort van ridderburcht
uitgekapt, met een kapel (de muurschilderingen komen mij verdacht
voor), een keurige wenteltrap is vooral merkwaardig. In de grotten en
in de omgeving heeft men eenige oudheden gevonden, vooral munten en
enkele beeldjes. De grotten zijn nu staatseigendom en worden sedert
een twintigtal jaren wetenschappelijk onderzocht, tot nu toe zonder
belangrijke uitkomsten; men begint er wel achter te komen wat het
niet geweest is, maar verder is men nog niet. Sommigen zeggen dat
de ridderburcht met de wenteltrap en de kapel het werk zijn van
tempelridders, die na de vernietiging hunner orde hierheen vluchtten.
Op de terugwandeling heb ik mijne oogen nog eens te gast laten gaan
aan den ouden lavastroom. De indruk van woestheid werd vergroot, en 't
was inderdaad eene opluchting toen ik, hooger in het dal komende, het
vriendelijke Besse weder voor mij zag. Besse--'t heet eigenlijk "Besse
en Chandesse"--is een bijzonder plaatsje, dat nog al door zomergasten
bezocht wordt. Er was dan ook een goed bezette tafel in de eetzaal. Een
der gasten trok mijne aandacht; naar zijne vrouw te oordeelen was hij
een gegoed werkman of klein fabrikant; maar zijne handen waren zóó
net van vorm, dat daar toch ook weêr niet aan te denken viel. Hij nam
de leiding van een deel der tafel op zich, diende soep, sneed voor,
voerde onder de bedrijven door een luidruchtig algemeen gesprek;
de man bleef mij een raadsel; zou hij soms een kellner met verlof
zijn? Maar het raadsel werd spoedig opgelost; er werd eene ommelette
binnengebracht op een grooten schotel, te midden van brandenden rum,
tot groot ongerief der dienstmeisjes, die de vlam ten laatste niet
meer meester waren. Al de gasten waren opgetogen--de schrijver telt
niet mede--en madame nam de hulde over dien prachtigen schotel met
koninklijke bescheidenheid aan. De raadselachtige gast diende weêr,
en toen hij eindelijk wat van zijn eigen portie proefde, sprong hij
op, liep naar het dienstmeisje en riep vol ongeveinsde geestdrift uit:
"Zeg aan den kok, dat hij mij overtroffen heeft, ik heb nooit zoo iets
heerlijks gemaakt." De man was kok en liet er zich bij de omgeving
op voorstaan, dat hij chef was in een der groote hotels te Parijs!
Ik deel dit mede, niet om met mijn gebrek aan kokkennis te pralen,
ook niet om uwe bewondering op te wekken voor de ommelette in haren
waarlijk helschen vuurgloed, maar om u het gehalte der zomergasten
daar te leeren kennen.
Na dezen langen en aan gebeurtenissen rijken dag, als: het beklimmen
van den Puy de Sancy in den nevel; het afdalen in den regen; de
maaltijd te Vassevières met het "eau de la Vierge", het doorkruisen
van een dal der verschrikking op den weg naar Cheix; het bezoeken
van eene vóór-historische kazerne-woning, en het gebruiken van eene
ommelette brulée onder de leiding van een kok en villeggiatura,
genoot ik een welverdiende rust.
's Ochtends vroeg de stad in; 't is maar een stedeke van 1800 inwoners,
met eenige kronkelige straten, maar in deze vele eigenaardige
fraaie gevels. Eén huis, gezegd dat van Koningin Margaretha, munt
vooral uit; op de markt zag ik een betrekkelijk laag huis--ze zijn
allen uit de 15de en 16de eeuw--met eenvoudige, allerkeurigste
versieringen, eene deur om te stelen, zwaar eikenhout met gesmeed
ijzeren beslag. Een zonderlingen indruk maakte voor die deftige fraaie
vensters de uitstalling eener slagerij. De stad heeft nog ééne poort
met klokkentoren, een aardig gebouwtje uit de 16de eeuw. Zeer mooi
was de kerk, of liever zeer merkwaardig. Het oudste deel, het schip,
natuurlijk romaansch; de zuilen waren aardig versierd, zoo opvallend
eenvoudig en lief, men zou haast zeggen kinderlijk. Aan de eene
zijde der kerk zijn later kapellen aangebouwd in gothischen stijl. De
beschildering der muren in de kerk wordt zeer geroemd. Ze was kleurig
en druk. De eenvoudige versieringen in de kerken te Clermont en te
St. Nectaire vond ik echter veel mooier. De andere buitenzijde der
kerk had uitstaande muren, beneden ongeveer 3 M. dikker dan boven.
Besse is een middenpunt voor bergtochten; dien naar de grotten
van Jonas maakten wij reeds; de richting naar Vassivières had ik
afgewandeld, die naar het noorden met Murols als eindpunt had ook niets
bijzonders. Bleef nog die naar Condat en Feniers, juist de reisweg
dien ik mij voorgenomen had. Ik verliet het stadje door de oude poort
met den klokkentoren en had aanvankelijk den weg terug, waarlangs ik
den dag tevoren gekomen was. Een breed dal; de weg liep aan de eene
zijde ter halver hoogte van den bergrug; in de diepte een riviertje,
maar met zoo weinig water, dat 't gehoopte aangename gezelschap van
zoo'n druk bergstroompje ditmaal ontbrak. Aan de wegzijde enkele zeer
fraaie boschpartijen, en voorts langs bebouwde akkers; eene overoude
landhoeve, door esschen omringd, met prachtige roode vruchten, kwam
tegen den achtergrond van donker eikenloof mooi uit. Beneden in het
dal weidevelden, ook tegen de hellingen aan de andere zijde, zoo ver
men van berg tot berg zien kan; maar ditmaal magere, natte weiden; de
boerderijen lagen daarom ook ver uit elkaar; hier en daar een kaashuis,
"burons" worden die hier genoemd. Na een drie kwartier loopens een mooi
uitzicht op den Puy de Chambourget en den Puy de Montchal; langs een
voetpad de helling op, spoedig weder hout, en dan een der lieflijkste
landschappen die ik nog ooit zag: het meer Pavin (1197 M.) Dit meer is
bijna cirkelrond, en heeft 750 M. middellijn; de diepte bedraagt 97
M. en de oevers loopen bijna loodrecht omlaag. Langs de oevers gaan
de dicht begroeide hellingen omhoog. Aangaande het ontstaan van dit
meer, en van vele andere in Auvergne, geven de geleerden verschillende
verklaringen, die te ingewikkeld zijn voor den leek en ook voor hem
hare waarde verliezen, omdat ze met elkaar in strijd zijn; met de
wonderlijke volksoverleveringen komt men ook tot geene bevredigende
uitkomst, en daarom noodig ik u uit, alle wetenschappelijk geknutsel
op zijde te stellen en u te verkneuteren aan 't heerlijke natuur
tafereel. Het weêr was buiig, de waterplas, donkergroen van kleur,
was gewoonlijk sterk beschaduwd, en stak statig af tegen de dartele
lijnen van het veelsoortig groen langs de oevers; de zon brak door
en overgoot alles met haar heerlijk licht, om in een anderen vorm nog
mooier te geven. Er staat een visschershuisje, oud en schilderachtig;
daarlangs een pad onder hooge boomen, om het meer heen; we volgen
dat, aldoor genietende van de bevallige lijnen en keurige licht- en
kleurschakeeringen, tot we komen op een punt tegenover het bergpad
dat ons aan het meer bracht. Daar was de oever open; eene beek voerde
het water af en sprong met vervaarlijke sprongen van den eenen steen
op den anderen naar beneden, om onder in het dal de beek te gaan
versterken. De in het licht schitterende waterband vereenigt zich
met de sierlijke oploopende lijnen van den Puy de Chambourget. 't Is
heerlijk mooi; nog eens links het pad op, en nog weêr eens rechts,
en dan weêr eens onder de boomen gaan liggen; 't is en blijft mooi.
Langs de beek ging ik, of liever klauterde ik omlaag en toog verder
den straatweg op naar Condat. Het landschap werd boschrijker, de weg
loopt omlaag langs eene beek. Men komt door het dorpje Eglise neuve
d'Entraignies. De rivier verandert van naam en heet nu Rhue; in den
omtrek zijn vele minerale bronnen; naar aanleiding daarvan zij in 't
voorbijgaan gemeld, dat zich in de omgeving van die minerale bronnen
altijd eene zoutwaterflora ontwikkelt: vreemd is het dezelfde planten
als aan de zeekust, hier op eene beperkte plek midden in het land te
zien! De bewoners van dit Eglise Neuve hebben eene bijzondere manier
om hunne dooden te eeren; zij bouwen boven de graven kapelletjes
in den vorm van kleine huizen met kruisen er op; het kerkhof maakt
daardoor den onwillekeurigen indruk van eene verzameling poppenhuisjes.
De weg wordt al mooier en mooier; prachtig opgaand hout, vooral
eiken; de rivier door toevloeiing van beken krachtiger geworden,
wringt zich hier en daar door rotskloven en biedt een reeks van
schitterende landschappen. Na eenigen tijd wordt het dal ruimer en
ziet men "Condat en Feniers" in een breed bekken voor zich liggen. Op
zichzelf biedt de plaats niets bijzonders aan, 't is een stadje van
2600 inwoners, en het ligt in Cantal; er is veel handel in hout;
maar de ligging is tooverachtig mooi, drie berggroepen loopen daar
in een groot dal samen, 't Was heerlijk weêr, stil en niet te warm;
eene avondwandeling om de plaats heen gaf eene heerlijke ontspanning.
Met boos humeur trok ik er den volgenden ochtend op uit; de menschen
zijn zeer ijverig te Condat, maar ze hebben er geen spoorwegen en
daarom geen haast. Men kan zich in dat goede land geen goed begrip
vormen van iemand die 's morgens om 4 uur op wil staan, om dan
voor zijn genoegen te gaan wandelen, en laat hem daarom ook maar
kalmpjes slapen; en ik moest dien dag naar Bort (32 K.M.), zoodat
het er op aankwam om den dag goed te verdeelen. Eenmaal op marsch,
kwam de goede stemming spoedig terug; de omgeving was prachtig! De
weg loopt bij het verlaten van Condat hoog boven de rivier, maar
altijd naast haar; eerst heeft men prachtige uitzichten op het bekken
van Condat, dat afwisselt bij elke kronkeling van den weg. Eindelijk
wordt het dal enger en komt men onder hoog geboomte langs prachtige
rotspartijen; aan de zijde der rivier ook steeds hoog opgaand hout,
zoodat men over de toppen der boomen de andere zijde van het dal ziet,
geheel bedekt met statige dennenbosschen, hier en daar onderbroken
door grillig gevormde rotspartijen. Bij Cornilloux heeft men de
eerste houtzagerijen, die altijd eene schilderachtige groep aan
de rivier vormen. De rotsen stapelen zich aan weerszijden hooger
en hooger op; dan slingert de weg van de rivier af tusschen woeste
rotsvormingen door, om haar weder te naderen waar ze bij een bocht
opnieuw een schilderachtige beek opneemt. Bij de "Pont de Soutre"
nog weer houtzagerijen; eene tweede Rhue, die van Cheylade, vereenigt
zich met de Rhue, die ik nu reeds, van Eglise Neuve volgde. Dit punt
is wel het schoonste van den geheelen weg, en alles was zoo heerlijk
mooi! Bij herhaling kruist men de rivier. Nog een prachtig punt ontmoet
men bij de "Rocher des Faux monnayeurs", een grot waarin volgens de
overlevering eens eene bende valsche munters langen tijd haar bedrijf
straffeloos uitoefende. Nu wordt het dal ruimer; nog een paar beken
komen de Rhue versterken en men ziet het gehucht Embort door de boomen
schemeren. Te Embort rustte ik wat en trof er een jongen kastelein,
die verzot was op photografeeren; hij maakte aardige dingen, die hij
altijd kwijt kon raken aan de fabrikanten van prentbriefkaarten. Maar,
vreemd, er waren in den omtrek zijner woning zulke allermerkwaardigste
vulkanische overblijfselen, en geen enkel dier punten werd door hem
genomen. Hij zeide mij telkens, als ik er op terugkwam: "maar mijnheer,
dat is toch leelijk, niemand wil dat koopen. Maar zie daar eens die
beek, en daar dat watervalletje, en dat groepje forellenvisschers! Dat
is mooi! en dat is mijn land!" Ik wilde hem vooruit betalen, als hij
kiekjes wilde nemen van de plaatsen, die ik hem aanwees; maar hij
liet zich met de dwaasheden van zoo'n tourist niet in.
Voorbij Embort, waar men aan alle zijden van uit het breede, vlakke dal
statige berguitzichten heeft, hielden de bosschen langzamerhand op;
de rivier kronkelde door sappig groene weiden; hoogerop werd alles
veel schraler, er staken in de velden overal rotsbrokken omhoog,
en hier en daar zag het er zelfs woest uit; vooral bij het hooger
gelegen gehucht Sarrau. Het was Zondag en de kerkgangers gaven eenige
gelegenheid tot een praatje. De zomer was er zeer droog geweest, de
oogst was tegengevallen en vooral de weiden waren treurig verbrand; de
laag teelaarde op den rotsbodem was hier nog te dun en dientengevolge
zeer gevoelig voor de uitersten van het weêrgetij. Daar waar ik meende
dat men de tweede snede maaide,--men werkt daar ook des Zondags in
het veld--bleek het de eerste te zijn; er zou van eene tweede snede
wel niets komen.
Toen ik Champs de Bort naderde, trok het klokgelui mijn aandacht. Dat
klonk opgewekt en gaf stemming aan de omgeving. De Guide Ioanne gaf
hier het Hôtel des Voyageurs aan als de plaats waar men verblijven
kon. Ik wenschte er mijn twaalfuurtje te nemen en minstens tot 3 uur
stil te zijn, om de grootste middaghitte te laten voorbijgaan. Daarom
naar de herberg des Voyageurs, eene niet al te weidsche kroeg; ik
kreeg tot bescheid dat ik tot na kerk moest wachten, en dat ik dan
aan de table d'hôte mede kon eten; onderwijl gebruikte ik een glas
vruchtensap en wachtte gelaten, maar niet zonder zorg, op de dingen
die komen zouden. De kastelein had ook een winkel van ellegoederen
en kruidenierswaren; na kerk stroomden de menschen er heen, mannen,
vrouwen en kinderen allen in 't zwart. De vrouwen eerst in den
winkel, later ook in de gelagkamer, waar de heeren dadelijk plaats
namen. Eerst een flesch wijn van het vat; dan brood en kaas en bier,
en dan nog eens, als de vrouwen en kinderen kwamen, afgetapte wijn
in oude champagne-flesschen, met harst of pik over den kurk en den
hals gesloten. Onder het genot van de tweede portie wijn werd het
gesprek levendiger en bereikte later, toen ik reeds aan tafel zat,
eene onrustbarende hoogte. De kastelein, die voorzat aan tafel,
verzekerde mij echter dat er nooit ongenoegen kwam, zoolang ze maar
geen spiritualiën dronken, en die waren alleen te verkrijgen in
kroegen van mindere soort.
Dat verblijf in die gelagkamer was wel interessant maar niet amusant;
te meer indruk maakte de nette eenvoudige kamer, waar een vrij
talrijk gezelschap heeren en dames de komst wachtte van den laatsten
gast. Het was een goed en allergezelligst maal; de gasten waren
eenvoudige menschen en gaven zich geheel zooals zij waren. Drie jonge
onderwijzeressen onder de hoede van eene oudere dame; de ontvanger der
registratie met zijne vrouw; de griffier van het kantongerecht, nog
twee ongenummerde paren; de kastelein en ik, ziedaar het gezelschap.