Het was nog drie uur ver, en 't was broeiend heet; van schaduw

was geen spraak meer. Aanvankelijk golfde de weg; op een der

hooge punten een prachtig uitzicht op de bazaltruggen van Bort;

vervaarlijke rotsblokken liggen langs den weg verspreid; dan het

dal der Dordogne. Een heerlijk landschap: het bekken van Bort, de

bazaltruggen, het orgel van Bort genoemd, en de diepe rotsbedding

der Rhue, vragen om strijd de aandacht. Naar de zijde van het dal der

Dordogne fraaie lijnen, afgeronde heuvels dikwijls met prachtig bosch

getooid, een heerlijk golvend landschap. Aan de andere zijde van alles

het tegendeel. Het was langs dien kant dat in den voorhistorischen

tijd de gletschers zich bewogen; men ziet niets dan strakke lijnen,

scherpe rotskanten, hoekige en loodrechtige wanden. Niet ver af,

bij een wilde rotspartij een merkwaardig voorbeeld van rotsen door

het ijs afgevlakt en gestriemd, de diepe gleuven zijn duidelijk

zichtbaar. Wat verder naar de Rhue afdalende, eene woestenij van

bergpuin, in 't oog vallend woest en kaal. Op deze plaats hebben de

natuurkrachten een ontzettenden strijd gevoerd, en het slagveld is

sinds dien in denzelfden desolaten toestand gebleven. Het uitzicht

op de Orgues de Bort trekt bij toeneming de aandacht, tot men,

neergedaald tot aan de rivier, in het stadje aankomt. Ik sloeg mijne

tent op in het hotel Amblart, waar ik eene aardige kamer kreeg, met

een prettig uitzicht op de Dordogne en op het oude stadje. De avond

en morgen te Bort waren allergezelligst; aan de middagtafel maakte

ik aangename kennissen en besloot den dag in hun gezelschap en met

eene avondwandeling door de stad en langs de Dordogne; in een café

maakte ik onder anderen kennis met een fabrikant van vilten hoeden,

die mij uitnoodigde den volgenden morgen zijn fabriek te komen zien.

Bort heeft 4000 inwoners, een paar flinke fabrieken en veel handel; de

uitzichten langs de rivier zijn zeer mooi, en die op de bazaltruggen,

de Orgues, zijn van zeer bijzonderen aard. 's Morgens vroeg trok ik

er reeds op uit; het is, na eene korte wandeling buiten de stad,

een flinke klim van ongeveer een uur, waarbij men des voormiddags

alles heeft, behalve het eenige noodige: schaduw. De boomen aan

den voet van de bazaltmuren zijn daarom dubbel welkom, en men

heeft daar reeds fraaie uitzichten, een voorproefje van 't geen men

boven zien zal. De bazaltzuilen te Bort--en er zijn er zoo meer in

Auvergne--zijn ontzagwekkend van afmeting. Men kent de stukken van

bazaltzuilen, die hier van den Rijn aangevoerd worden tot het maken van

sluismuren, zeeweringen en dergelijken. De kristalvorm is dezelfde;

maar wanneer zoo'n zuil van den Rijn eene grootste doorsnede heeft

van 40 centim. dan is het al een zwaar stuk. Hier zijn ze 8 tot 10

meter in doorsnede, die van 4 meter zijn stroohalmpjes. De lengte

is gemiddeld 90 meter, en men kan zich ter nauwernood den indruk

voorstellen, wanneer men dergelijke wanden ziet, die zich voor u

opheffen en zich verder uitstrekken dan men zien kan. De geologie

leert ons, dat die zuilen bij afkoeling gekristalliseerd worden uit

een gloeiende, vloeibare massa; wat moet dat voor een gloed geweest

zijn, toen zich daar kristallen vormden van die afmetingen! Hier

en daar zijn er enkele zuilen ingestort en de brokken, waar men

tusschen door klauteren kan, geven nog beter denkbeeld van de

reuzenafmetingen. Na eene korte rust in de lommer volgde ik het

voetpad naar boven en kwam op den top der kolommen (760 m.). Langs

de kanten komen die koppen bloot, maar op eenige meters van den kant

bestaat de bodem reeds uit goed bouwland, hier en daar afgewisseld

met weiden en bosch. Van den rand der bergvlakte geniet men een

der prachtigste uitzichten van midden-Frankrijk; men staat in het

middenpunt van een groot halfrond, gevormd door drie berggroepen,

van den Mont-Dore, van de Cezallier en van de Cantalgroep. Aan de

andere zijde van Bort, waar men 350 M. boven verheven is, over de

Dordogne heen en over het spiegelgladde, schitterende meer van Madic,

eene opeenvolging van heuvelruggen met diepe insnijdingen, die aan

den horizon afgesloten worden door de genoemde berggroepen. Bosschen,

heidevlakten in prachtig paarsen tooi; weidevelden en bebouwde akkers

versieren de heuvelen in allergelukkigste afwisseling. Enkele witte

vlekken, dorpen en stadjes, eene helle weêrkaatsing van een waterval,

schijnen kunstmatig aangebracht om dien fraaien tuin nog grooter

bekoorlijkheid te verleenen. Het kost den wandelaar meer dan een uur,

eer hij zich van dat vergezicht kan afwenden! De terugwegen naar Bort

zijn talrijk en men kan op goed geluk af elk pad kiezen; onder het

afdalen is de toren van Bort een onfeilbare wegwijzer.

Na het dejeuner toog ik naar de hoedenfabriek. Ik zal u niet vermoeien

met eene uitgebreide omschrijving van dit fabrikaat, dat we allen,

oud en jong, op het hoofd hebben of gehad hebben. Het meerendeel

van de fransche hazenhuidjes wordt te Bort verwerkt, dat wil zeggen

alléén het haar; maar de millioenen konijnenvellen, die jaarlijks uit

Australië naar Europa verscheept worden, komen allen in de fabrieken

van vilten hoeden terecht. Is het haar eenmaal gesorteerd, dan wordt

de hoed gemaakt uit water en haar, dat op een koperen vlechtwerk

gespoten wordt; dat vlechtwerk is in den vorm van een suikerbrood

en zoowat 75 c.M. hoog en 40 c.M. doorsnede aan het grondvlak. De

eerste vorm van een hoed is dus een reuzenhoed; nu wordt hij door

behandeling met heeten stoom, door pletten en vouwen en hameren inéén

gewerkt en verkrijgt zoo de vereischte vastheid, terwijl hij hoe

langer hoe kleiner wordt. Verder zullen we de fabrikatie maar niet

volgen; er wordt nog geverfd; er wordt nog gewasschen; er worden

zachte fijne vilten gemaakt; er komen dikke en minder plooibare te

voorschijn; het einde van alles is een opgemaakte hoed, dien men zoo

maar dragen kan. Door het bezichtigen van dat alles ben ik dan ook

tot het medeweten van een groot geheim gekomen; namelijk welk model

van hoeden in 1906 gedragen zal worden, zoowel door dames als door

heeren. De fabrikant legde mij echter daaromtrent het zwijgen op;

moeielijk te bewaren is dit niet, want waarschijnlijk hebben bij

't lezen dezer regelen de meesten het nieuwe model reeds gezien

of in gebruik. Als algemeene indruk der vilten hoedenfabrikaten,

kan men zeggen dat zij volkomen in strijd is met den gewonen loop

van zaken. Hoe grooter de hoed is bij zijn geboorte en hoe kleiner

hij is wanneer hij in gebruik genomen wordt, hoe beter hij aan de

gestelde eischen zal beantwoorden.

Het bleef dien dag broeiend heet, en ik had na de wandeling

over het "orgel" geen lust om nog meer te loopen; dus per spoor

naar Mauriac. Een genotvol ritje, want dat gedeelte van 't net der

Orleans-spoorwegmaatschappij is zeer bergachtig en wordt dientengevolge

uiterst langzaam bereden; het is een merkwaardig staaltje van

spoorwegbouw. Tal van heuvels, dikwijls door viaducten onderling

verbonden, hebben de ingenieurs niet afgeschrikt; op twee punten

hadden ze zelfs de lijn met slingers tegen de berghelling op moeten

brengen, en zag men de sporen die men bereden had, weder naast en onder

zich. Eene verbazend groote omnibus bracht mij van 't station naar

het hotel l'Ecu de France, een echt ouderwetsch plattelands-logement:

eenvoudig maar in de puntjes, en eene eerwaardige waardin, met een

vriendelijk praatje. Terwijl ik mij verfrischte, zuiverde eene heftige

droge donderbui de lucht, en woei het stof uit de straten, zoodat ik

voor donker nog eene wandeling door het stadje maken kon. Mauriac is

met Salers, dat ik den volgenden dag bezoeken zoude, het merkwaardigste

stadje van Auvergne; het ligt op 900 M., heeft 3500 inwoners, en

bezit belangrijke overblijfselen van vroeger aanzien; gesticht werd

het als klooster, omstreeks het jaar 560, door een kleindochter van

Clovis, op eene plaats van oudsher door de Gallo-Romeinen bewoond;

in de stad zelf en in hare omgeving werden tal van voorwerpen uit

dien tijd opgedolven; van de kloosterkerk van 't jaar 560 werden de

laatste overblijfselen in 1825 opgeruimd;--het was niet alléén in

Nederland dat in die dagen eene verwoestingswoede heerschte; maar

in de kerk Notre-Dame des Miracles bezit de stad nog een schitterend

overblijfsel van eenvoudige romaansche bouwkunde. De achthoekige toren

werd in de vorige eeuw nog al eerlijk hersteld. Het beeldhouwwerk

aan den hoofdingang is bijzonder merkwaardig; de gebeeldhouwde deuren

van 1582 zijn prachtige voorbeelden van de houtsnijkunst dier dagen,

al zijn ze wat geschonden. Inwendig trekt een doopvont de aandacht,

en eene zwarte madonna is ook hier weder het brandpunt der vereering

in wijden omtrek. Hier en daar trekken nog andere oude gebouwen de

aandacht, en de algemeene indruk is prettig; kronkelende straatjes;

huizen met terrassen, dikwijls alleraardigst begroeid of met planten

versierd; een stadje waar men zich dadelijk thuis gevoelt, en dat

den indruk geeft alsof de bouwmeesters van toen bedoeld hadden om,

zonder overdadige versiering en zonder in het oog-vallende middelen,

eens een keurig klein geheel te vormen.

Men kan van hier aangename uitstapjes maken naar de kloven der

Dordogne, naar St. Projet le Desert; mijn plan echter lag nu eenmaal

een anderen weg uit, en zoo liet ik die plaatsen onbezocht; andere

reizigers zullen echter wèl doen, ze in hun reisplan op te nemen. Ik

wandelde over Anglards-de-Salers naar Salers, eene wandeling die ik

om hare groote eentonigheid niemand aanbevelen kan; men doet beter

van Mauriac per spoor naar Drugeac te gaan en vandaar naar Salers te

wandelen. Na, buiten Mauriac, onder den spoorweg door te zijn gegaan,

komt men in eene kale, onvruchtbare glooiende vlakte; magere weiden met

veel rotsblokken; geen boomen; gelukkig veel bloeiende heide; hier en

daar eene kleine woning en eene verlaten kaashut. Anglards ligt aardig

op eene hoogte onder boomen; toevallig trof ik er eene kerkelijke

processie, een treurig streven om iets indrukwekkends te vertoonen;

te veel tooi om van eenvoudige onbeholpenheid te spreken. Het beste

gedeelte der bevolking woonde den optocht als toeschouwer bij en

verbaasde mij, voor zoover ik het verstaan kon, door zijne scherpe

opmerkingen; de vrouwen vertegenwoordigden daarbij het radicale

beginsel. Trouwens de bevolking dezer streek is van oudsher bekend

om haar stuggen onafhankelijkheidszin; als voorbeeld daarvan in den

nieuweren tijd dient, dat na den laatsten Fransch-Duitschen oorlog,

1870-71, te Bort als hoofdplaats, de republiek 24 uur eerder werd

afgekondigd dan te Parijs.

Naar Salers toe wordt de omgeving vruchtbaarder, er staan meer en

flinke boerderijen, men komt zelfs van tijd tot tijd iemand tegen en

het landschap trekt weder de aandacht. De uitzichten op de omliggende

bergen worden mooi. Salers ligt in een bekken, waar de dalen der

Maronne en der Aspre tezamen komen, op eene hoogte. Vreemd is de

indruk, dien het stadje--het heeft niet voluit 1000 inwoners--maakt

met zijne vele poorten, zware logge wallen en de grillige omtrekken der

daken, aanhoudend afgebroken door kleine torens. De bevreemding stijgt

met elken stap, wanneer men, door een der poorten binnengetreden,

die smalle straatjes doorloopt tusschen die oude hooge gebouwen.

Ik zocht het hotel Faure Serre; bij de kerk gekomen op de "Grande

place," een zeer beperkt pleintje, moest ik het opgeven en den weg

vragen, want niets duidde aan, dat ik nog een hotel zoude vinden;

een inwoner was zoo vriendelijk met mij mede te gaan, en bracht

mij in een achterbuurtje voor een oud, vervallen gebouw, waar met

groote vergulde letters in den voorgevel stond Faure Serre. Die

gulden letters waren het eenige frissche dat ik in Salers zag, en

toch was het er prachtig. Het hotel was donker en somber; uit eene

herberg-gelagkamer werd ik trapop, trapaf gebracht in een groote ruime

gang met booggewelven, om te komen aan een vroeger stellig prachtige

wenteltrap; na eenige treden geklommen te zijn,stond ik in eens in

de open lucht op een terrasje, en daar kwam de deur der voor mij

bestemde kamer op uit, een ruim vertrek met mooi uitzicht op tal van

tuintjes en binnenplaatsjes in Salers. Na eenige rust genomen te hebben

verliet ik mijne kamer weêr, naar ik meende langs denzelfden weg,

dien ik gekomen was, maar ik had op de wenteltrap een verkeerd bordes

genomen, kwam weer in een lange gang en voor eene zware houten deur,

die gelukkig niet op slot was. Buiten komende, stond ik in eene andere

stadsbuurt, en bespeurde dat de deur waardoor ik het hôtel verliet, ook

al eene merkwaardigheid was, fraai getimmerd en geheel met eenvoudig

maar keurig snijwerk versierd. Op goed geluk door een steegje verder

gaande, kwam ik op een ruim grasveld; dit was de Promenade de Barrouge,

op den top van eene steile bazaltrots met een verrukkelijk uitzicht

in de omringende dalen. Het plein was met fraaie boomen beplant en

omringd door een muurtje en was aan drie zijden vrij. De jeugd van

Salers vermaakte zich daar met kegelen; van de ongevraagde verklaring

van hun spel kon ik bijna niets verstaan. Verder gaande stond ik

bijna bij elken stap voor een ander monument van bouwkunde. Al die

huizen zijn uit de 15de en 16de eeuw; Auvergne leefde toen, met bijna

geheel Frankrijk op, na het eindigen van den honderdjarigen oorlog

met Engeland en werd aan zichzelven teruggegeven. Die oorlog had

ook de macht van adel en geestelijkheid gebroken, en de ontwakende

volksgeest gaf ook hier de hand aan de hervorming; de steden en het

platteland namen hunne belangen in eigen beheer; het land leefde op en

bloeide, en de welvaart uitte zich spoedig in prachtige woonhuizen. De

hervormingsoorlogen maakten verweer noodzakelijk, en door zijne

natuurlijke ligging was Salers aangewezen tot een middenpunt van

aanval en verdediging. Vandaar die gordel van oude vestingwallen,

nu in bloem- en groententuinen herschapen; vandaar die versterkte

poorten, zooals die van l'Horloge en der Martille, vestingen op

zichzelf. Maar zoolang men nog de kracht bezat om zich tegen de booze

machten van vroeger te verzetten, bleef de voorspoed bestaan en met

dien voorspoed de weelde in het bouwen. Het zoogenaamde Maison Lizet,

met een mooi portaal van jonger dagteekening, op de markt het Maison

du Notaire, en vlak daarbij het Maison des Templiers, en nog tal

van andere prachtige gebouwen zijn de bewijzen van dat korte tijdvak

van bloei. De kerk is uit de 15de eeuw en dus reeds uit het tijdperk

van den overgang van de romaansche tot de gothische bouworde; zij is

gedeeltelijk gerestaureerd, zeer fraai, maar door de restauratie te

nieuw in die omgeving. De ingang der kerk is een flink voorbeeld van

wijziging van den bouwstijl. Waren de deuren der romaansche kerken

aanvankelijk klein, zoodat men ze gemakkelijk openen en sluiten kon,

later werden die aan de hoofdingangen grooter en door een middenstijl

in tweeën verdeeld; ook liet men de portaalwanden schuins uitloopen,

zoodat er voor de binnentredenden meer ruimte ontstond. De daardoor

ontstaande vergroote zijvleugels werden hoe langer hoe kunstiger

versierd, nu eens met kolommen in verschillenden vorm, dan eens met

beelden in nissen; ook de middenstijl der deuren werd veelal een beeld.

Ik bleef aan 't ronddolen in dat allermerkwaardigste stadje; liep hier

en daar eene poort in, om op ruime binnenplaatsen te komen, die overal

de resten vertoonden van keurige bouwkundige versieringen. Treurig

echter was het, den diepen staat van verval te zien, waarin al dat

schoons gekomen was. Geen dier groote prachtige gebouwen werd nog in

zijn geheel bewoond, en hoewel ik niet mag beweren dat er armoede

heerschte, zoo was de levensstandaard zoo laag, en 't gebrek aan

orde en zindelijkheid zoo groot, dat men toch aan volslagen armoede

moest denken.

's Avonds aan tafel--want te Salers komen veel reizigers--maakte ik

kennis met een aangename familie, en zette na tafel het gesprek voort;

tot mijne verbazing vernam ik dat er geene plaatselijke verzameling

van oudheden of kunst was, en dat de overblijfselen van zulk een

schitterend verleden eerst sedert een veertigtal jaren de aandacht

hadden getrokken, om bijna allen hunnen weg te vinden naar Parijs,

in handen der oudheid-handelaren. Geen der merkwaardige gebouwen,

ook niet de oude kasteeltjes in den omtrek, waren nog in handen van

de oorspronkelijke families, en inwendig was er ook niets meer te

vinden. De prachtige betimmeringen waren uitgebroken en verkocht; hen

volgden de schoorsteenen, de trapleuningen, de versieringen van deuren

en vensters, het ijzer- en koper smeedwerk, tot er niets overbleef

dan bijna onbewoonbare vertrekken, die dan bij gedeelten verhuurd

werden. Men zeide, dat in vele gevallen de tegenwoordige bewoners, door

't langdurig bewonen, eigenaars werden en dat van vroegere eigenaren

dikwijls niets bekend was. Men verklaarde deze vreemde feiten altijd

door het tooverwoord "La grande Revolution". Ik werd in het levendig

gesprek met de pas gemaakte kennissen verrast door de waardin, die ons

tegen negen uur de brandende blakers bracht; het duurde haar te lang en

we moesten maar naar bed. Maar ook wij maakten "une grande revolution"

en onttrokken ons aan den druk der over ons gestelde machten; we

ontsnapten met de brandende blakers in de hand naar buiten. 't Was

heerlijk maanlicht; de blakers werden uitgeblazen en op de groote

markt in een der raamkozijnen van het maison du Notaire neêrgezet,

en we maakten een wandeling door de reeds in diepe rust gedompelde

stad. Niet licht zal ik die heerlijke avondwandeling vergeten,

en vooral dat prachtige uitzicht van de Promenade de Barrouze;

tegen half elf bereikte ons de arm der hoogste macht; de nachtwacht

kwam opdagen, en wij begrepen dat verder verzet onmogelijk werd;

we zochten onze blakers weder op, en sloopen door de zijdeur, die ik

's middags gevonden had, het hotel weer binnen.

Den volgenden dag stond mij eene inspannende wandeling te wachten. De

tocht van Salers naar den Puy Mary, en van dezen naar Murat, staat

bekend als de schoonste in Cantal, maar hij heeft het groote gebrek van

43 K.M. lang te zijn. Dat was een marsch van 11 uren! Zeer vroeg op;

vroeger dan het hotelpersoneel; met aanvankelijk treurige gevolgen. Ik

werd voor 't ontbijt in eene binnenkamer gelaten maar dit vertrek--de

woonkamer van het gezin--was erg bedompt en waarschijnlijk sedert

de grondvesting van het gebouw niet meer bijgeveegd; het was mij

ondoenlijk het ontbijt daar te voltooien, en ik was blijde, na mijne

rekening betaald te hebben, weder naar buiten te kunnen.

Er was een dikke mist; de weg loopt langs de berghelling boven het

dal der Maronne; van al de prachtige vergezichten en het heerlijke

landschap zag ik niets, dan van tijd tot tijd een kijkje door eene

opening in den nevel, maar dat was ook voldoende om mij te doen

beseffen wat ik door het slechte weer verloor. Op den Col hetzelfde;

de nevel begon regen te worden. Nu kwam ik, afdalende, in prachtige

bosschen; de weg kronkelde steeds voort; eenige vage omtrekken en

het luiden van klokken bewezen de nabijheid van dorpen; ik was in

de kloof van Falgoux. Gelukkig veroorloofde mij een flauw zonnetje

ter hoogte van den Roc des Ombres en den Roc du Merle, de fraaie

omtrekken dezer rotsgevaarten waar te nemen. Daar kwam ik aan den

voet van den Puy Mary, bij den Pas de Peyrol. Nu zou ik, behalve een

prachtig uitzicht, een der merkwaardigste punten van de reis zien;

van af den Puy Mary ziet men neer in een der grootste kratervormingen

van Europa. Wel te verstaan, buiten den mist en den regen gerekend,

die mij het beklimmen van den top vrijwel onmogelijk maakten en mij

in den vollen zin des woords druipstaartend naar beneden dreven. Ik

zag het beloofde land, maar mocht het niet betreden.

Bij den Col de l'Eglac was eene herberg, waar ik hoopte de schade

van mijn verzuimd ontbijt in te halen; maar 't ongeluk vervolgde mij,

men had daar niet op gasten gerekend. Als de kippen ook daar niet de

heilzame gewoonte hadden gehad van eieren te leggen, dan had ik mij,

na 21 K.M. geloopen te hebben, met een stuk oud brood en een brokje

kaas tevreden moeten stellen.

Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de

Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het

gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze

boomrijke streek het landschap mooi zijn--nu droop alles. Te Dienne--ik

was toen nog 10 K.M. van Murat--moest gemiddagmaald worden, en ik zocht

daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden

was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven,

er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij

't heengaan ook maar zoo gedaan, maar 't was een allerwonderlijkste

maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op

't uiterlijk noch naar den smaak.

Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat;

een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een

aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op

den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu

een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er

heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo'n bazalt-orgel

te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken

altijd denzelfden diepen indruk.

In de stad zelf--zij heeft 3000 inw.--heeft men de oude

O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd

en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl;

de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen

indruk. 's Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land-

en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop

aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te

zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel

me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen

een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet

verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte

oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort,

genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van

die kaas was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende

menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die

overigens schilderachtige omgeving.

Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene

aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der

Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen

en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een

nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen,

maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te

zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een

alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt,

om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich

daar door rotsmassa's heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn

gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het

geheel is allerliefst, 't maakt geen woesten, maar, bij het kalm

stroomen van 't riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk

van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd

heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen

klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de

kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.

Auvergne De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 3 / 4 段