Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag

Auvergne.

(Puy de Dôme en Cantal).

Door G. Bosch.

In den afgeloopen winter speelde het toeval mij kort na elkaar boeken

en tijdschriften in de hand, die den geologischen toestand van het

hoogland van Auvergne behandelden.

Het gelezene wekte zoo zeer de belangstelling op, dat uitgebreider

lektuur over dit onderwep gezocht en gevonden werd, en langzamerhand

het plan tot rijpheid kwam om in den zomer die streken eens te gaan

bezoeken.

De eerste bronnen, die voor de reis geraadpleegd werden, waren

natuurlijk reisgidsen en onder deze bijzonder die van Ioanne "Auvergne

et Centre", omdat voor eene streek in Frankrijk een fransche reisgids

het beste geacht moest worden. Toch bleek later dat dit niet geheel

uitkomt. De schrijver toch van dien gids is niet kunnen ontsnappen

van het algemeen gebrek zijner landgenooten. De Franschen houden

namelijk zoo verbazend veel van hun land, dat zij niet kunnen nalaten

zich aan overdrijving schuldig te maken, als zij er over spreken

of schrijven. Wat bekoorlijk en lief is, wordt prachtig; wat minder

goed en minder fraai is, wordt verzwegen. Mijn indruk van het land,

in korte woorden saâmgevat, is, dat de vorming van het land, bijna

aan alle zijden en bij elken stap herinnerende aan zijnen vulkanischen

oorsprong, zoo hoogst belangwekkend is, en dat daarnaast de historische

gebouwen, zoowel de nog in hun geheel aanwezige als de bouwvallen, zóó

mooi en zóó belangrijk zijn, dat de reiziger niet eens de inderdaad

fraaie natuurtafereelen, die niet zelden naast en dikwijls boven

het andere de aandacht trekken, noodig heeft om zich schadeloos te

stellen voor het minder aangename dat eene minder bereisde streek

hem soms bieden kan.

Wanneer de fransche gids (uitgave van 1904) zegt, dat men, buiten

de meer bezochte streken komende, verstandig zal doen een inwoner

mede te nemen als gids, omdat de bevolking in opschudding zou komen

indien een toerist zich alleen vertoonde, en omdat de politie zich

verontrusten zou en hij zich aan vervelende onaangenaamheden zou

blootstellen,--waarom men in elk geval van een soort van paspoort of

ander officieel stuk voorzien dient te zijn,--dan maakt die fransche

schrijver zich, ten koste van zijn eigen volk, schuldig aan eene

flauwe overdrijving. Gedurende een veertiendaagschen tocht heen en

weer door 't gansche land, alléén en als toerist, met den ransel

op den rug, afgelegd, had ik mij nergens minder over te beklagen,

dan over de plattelandsbevolking. De menschen waren overal even

vriendelijk en beleefd. Bij het maken van een praatje in eene

herberg of op eene boerderij,--langs den weg ontmoet men er weinig

menschen,--deed zich echter een ander, minder prettig verschijnsel

voor. De menschen verstonden mij wel, maar konden dikwijls niet in

het fransch antwoorden. Kinderen en jongelieden, die ik bijv. naar

den weg vroeg, gaven altijd vlug, nauwkeurig en beleefd antwoord

in een benijdenswaardig zuiver fransch; zij leeren dat op de

school; maar de Auvergnaten hebben van ouds hunne eigene taal, de

"langue d'Oc". Zoo lang zij in de steden of op de buitenplaatsen

als dienstboden verkeeren, of zoo lang de mannen hunnen dienstplicht

vervullen, onderhouden zij hun fransch; maar in de dorpen teruggekeerd,

vergeten zij het op lateren leeftijd en spreken onderling alléén de

eigen taal. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men mij in een

gesprek, dat al dadelijk niet vlotten wilde, zeide: "ik heb mijn

fransch vergeten". Misschien hebben zij aan dat onbeholpene den naam

van stuursch en teruggetrokken te zijn te danken.

"De guide Ioanne" overdrijft nog aan eene andere zijde. Opzettelijk

prijst hij de hotels, zelfs op de kleine plaatsen, en noemt maar een

paar dorpen op, waar de zindelijkheid twijfelachtig zoude zijn. Nu

is mijne ondervinding wel eenigzins anders. Op het platteland

en in de kleinere steden krijgt men overal in de herbergen goede

maaltijden. Heerlijk grappig waren de zelden ontbrekende menu's, met

onbeholpen hand geschreven en, met minachting van alle taalregels,

zuiver naar den klank gespeld! De bedden zijn ook in den regel goed;

maar de netheid der vertrekken laat wel eens te wenschen over. De wijze

van ontvangst is evenwel overal zoo echt fransch beleefd en aangenaam;

de gesprekken waarin men door waard of waardin gewikkeld wordt zijn

zoo gezellig, dat men ongemerkt veel over 't hoofd ziet. Als heer

alléén kan men zich overal redden, en er is aan alle zaken ook een

vroolijken kant,--maar aan dames zoude ik niet aanraden in Auvergne

op andere plaatsen te logeeren, dan in de grootere badplaatsen en

verder te Clermont Ferrand, te Vic-sur-Cère en te Lioran. In deze

beide laatste plaatsen vindt men hotels van den Orleans-spoorweg,

die niets te wenschen overlaten. Gelukkig kunnen de belangrijkste

punten van die plaatsen uit bezocht, en kunnen van daar uit prachtige

bergtoeren ondernomen worden, zoodat Auvergne met glans op de lijst

der pleizier-reizigers gehandhaafd blijft.

Naast deze opmerkingen nog eenige algemeene zaken.

Wat gaat men in Auvergne zien?--De vulkanische vormingen en de

monumenten van middeneeuwsche bouwkunde.

In de eerste plaats de vulkanische vorming van het land. Ik geloof niet

dat er een streek in Europa is, die den leek na eenige voorloopige

lectuur over vulkanen, zoo goed op de hoogte kan stellen van de

vervormingsgeschiedenis der aarde. Ik wil niet verbergen, dat toen

Auvergne op mijn reisprogram kwam, mijne vulkanische wetenschap niet

van aanbelang was. Vesuvius en Krakatau, met Gruadaloupe, ziedaar de

voornaamste punten; eene duidelijke voorstelling van wat ik er moest

gaan zien, had ik niet. Gelukkig kwam ik in aanraking met een geoloog,

die zoo vriendelijk was, mij in algemeene en zeer juiste trekken een

en ander mede te deelen. De lezer houde mij eenige vreemd klinkende

woorden ten goede, de toelichting is zonder die lastige namen niet

te geven; ze zijn trouwens niet talrijk.

De vulkanen, zoo zeide mijn deskundige, worden verdeeld in

_massa_-vulkanen, en in _strato_-vulkanen. De _massa_-vulkanen voeren

in hunne gloeiende lava geene gassen en dampen mede; ze breiden zich

rustig uit en de lava bouwt de kegels op. De _strato_-vulkanen voeren

daarentegen in de lava vele dampen en ontploffende gassen mede. Het

gevolg daarvan is onverhoedsche en heftige uitbarstingen, waarbij

steenen, asch en waterdampen de lucht ingeslingerd worden. Bij

het terugvallen der vaste stoffen, bouwen deze dan ook weder de

kegels op. De meeste vulkanen van den tegenwoordigen tijd zijn

_strato_-vulkanen, en hiertoe behooren ook de nu uitgedoofde in

Auvergne. De plotselinge uitbarstingen der _strato_-vulkanen hebben

eene voortdurende verandering der kegels ten gevolge, en dikwijls

vernielen zij de bestaande. Bij de _massa_-vulkanen is de voortdurend

betrekkelijk rustig uitvloeiende lava oorzaak, dat de kegels steeds

hooger op gebouwd worden. De meeste vulkanen hebben meer dan één

krater, of eene reeks er van, die om den hoofdkrater zijn geschaard. De

Vesuvius bijv. heeft ongeveer 900 van die bijkraters. Soms ook is er

geen hoofdkrater, en vloeit de lava uit spleten naar buiten.

De kegel van een _strato_-vulkaan is dus opgebouwd uit eene

onzamenhangende massa asch en steenen. Komt er aandrang van binnen,

dan zijn de wanden van den kegel dikwijls niet stevig genoeg om

weerstand te bieden tot de lava zich boven ontlasten kan, en men

krijgt dan zijdelingsche ontladingen, die instorting der kegels

tengevolge hebben. De kegels krijgen dan den vorm van een hoefijzer,

dat op het overblijvende deel van den kegel rust. Dergelijken heb ik

in Auvergne veel gezien.

_Strato_-vulkanen staan altijd langs de zeekust of bij groote

binnenmeren; over den geheelen aardbodem vindt men daar voorbeelden

van, zooals Japan, Formosa, de Sunda-eilanden. In Auvergne treft

men als 't ware twee reeksen van vulkanen aan, en die hebben dan ook

vroeger aan de kust gestaan. Door de nabijheid van water worden de

_massa_-vulkanen _strato_-vulkanen; de waterdampen hebben dan spoedig

heftige uitbarstingen tengevolge. De vulkanen in Auvergne werkten toen

Noord-Frankrijk, België en Nederland nog niet bestonden en Auvergne een

kustland was. Zij werkten--nu komen een paar erg vreemde woorden--in

het jonge tertiaire tijdvak. Nederland is in 't opvolgende tijdperk,

het quaternaire, ontstaan.

Ziedaar wat ik vernam, en wat voldoende was, om 't geen ik later

zag te begrijpen. Eene verdere vraag, aangaande de kenteekenen der

verschillende voorkomende gesteenten, als daar zijn graniet, basalt,

lava en nog heel veel andere, kan voor een leek niet voldoende

beantwoord worden. In het algemeen is lava niet zoo vast van vorm;

het heeft poriën, dikwijls grootere holten en gaten, en ziet er

soms ook weer glasachtig uit; maar er zijn tal van soorten, wier

bijzondere kenmerken alleen door den deskundige te vatten zijn. De

overige vulkanische gesteenten zijn niet zoo eenvoudig aan te duiden;

zij gaan buitendien te veel in elkander over; de kleuren zijn ook

niet vast, maar wijzigen zich naar den warmtegraad waaronder zij

gevormd werden, en later onder den invloed der lucht.

De ouderdom der vulkanen; de tijd waarin zij werkten en sinds wanneer

zij rusten, laat zich niet anders dan bij duizendtallen eeuwen meten.

Wat nu aangaat 't geen men in Auvergne in de tweede plaats gaat

zien, de monumenten der middeneeuwsche bouwkunde, daarover kan beter

gesproken worden bij het bezoeken der monumenten zelve.

Zijn deze aanduidingen omtrent de vulkanen wellicht te algemeen,

bij latere bespreking der landstreek valt er wellicht nog meer ter

toelichting te zeggen. Van harte hoop ik dat de lezer aan 't gegevene

genoeg heeft;--zoo niet, dan helpe hem verdere studie en een onderzoek

ter plaatse!

Ik noodig u thans uit, de reis met mij te aanvaarden,--zonder paspoort

en zonder zorg voor onaangename ontmoetingen, als gevolg van dien. Nog

eene aangename mededeeling vooraf. Het reizen in Auvergne is zeer

goedkoop, en gidsen zijn overal overbodig; men komt er wel.

En nu van Amsterdam met den morgentrein naar Parijs, denzelfden avond

nog van het P.L.M. station naar Clermont-Ferrand, om daar tegen 4

uur in den ochtend aan te komen en nog een aangename nachtrust te

genieten eer we de stad gaan bezichtigen. In het Hôtel de la Poste,

op de Place de Jaude, vinden we alles wat we wenschen kunnen.

Clermont-Ferrand is eene aangename, ruim gebouwde stad met 52000

inwoners. Het oude gedeelte, dat tegen en over de hoogte gebouwd is,

heeft zeer schilderachtige hoekjes, en hier en daar mooie oude huizen,

een enkel in romaanschen, meest alle in renaissance-stijl. 't Zijn

echter gewoonlijk maar enkele deelen die de aandacht trekken: eene

fraai gebeeldhouwde deur, eenige mooie vensters, eene binnenplaats met

een wenteltrap. Want er is in Clermont maar weinig geheel onaangeroerd

gebleven; 't meeste is sterk vernieuwd of geheel nieuw.

De stad is gebouwd ter plaatse van eene oude gallische nederzetting,

en zelfs in de latere tijden gaven enkele opgedolven voorwerpen

recht tot de onderstelling, dat er vóór de Galliërs reeds een ouder

oorspronkelijk volk woonde. De Romeinen noemden het Augusta Nimetum;

de tegenwoordige naam komt eerst in de achtste eeuw voor. Spoedig na

de stichting werd het de zetel van een bisdom, en niettegenstaande de

inwoners zich in den loop der tijden herhaaldelijk eenige zelfregeering

trachtten te verschaffen, is hun dit eigenlijk nooit voor in den

nieuwen tijd gelukt. Zij kregen eerst een eigen bestuur tijdens

de groote omwenteling, en zijn daar toen wel wat ruw bij te werk

gegaan. Een zelfde geschiedenis is die van geheel Auvergne; bij de

verwisseling van de overmacht der geestelijken heeren tegen die van den

adel kwam de bevolking altijd van den regen in den drop; dat dit tot

het einde der 18de eeuw heeft kunnen duren, mag ons eenige verwondering

baren, omdat het bij ons meer geleidelijk is gegaan, en daarom bij

ons dan ook het overgangstijdperk niet zoo heftig is geweest.

Museums zijn er te keur in Clermont, maar er worden geene groote

merkwaardigheden in bewaard, en daarom ging ik ze voorbij. Op den

Cours Sablon bewonderde ik de fontein van Amboise, een keurig monument

uit de 16de eeuw, bestaande uit een achthoekigen staander, die in

een kleine gotische lantaarn uitloopt. Zij heeft twee bassins boven

elkaar, keurig in steen gebeeldhouwd. Het is een sierlijk stuk werk.

Het middenpunt van verkeer is de Place de Jaude, een ruim plein,

versierd met een ruiterstandbeeld van Vercingetorix in steen en een

bronzen standbeeld van generaal Dessaix. Het uitzicht op den Puy

de Dôme, dat men van dit plein heeft is opmerkelijk mooi. Behalve

het monument "du Centenaire", dat men bijna in elke fransche stad

van eenige beteekenis heeft, is er nog een standbeeld van Blaise

Pascal: de beroemde schrijver is geplaatst in een bloemrijk parkje,

in smaakvolle omgeving.

De cathedraal, in 1248 begonnen, is in zuiver gothischen stijl,

maar maakt geen indruk; ze werd gerestaureerd door Violet le Duc en

is van buiten geheel in donkere Auvergne-steen. 't Inwendige is kaal;

de mannen der revolutie hebben ook daar huisgehouden. Het beeldhouwwerk

is ook niet bijzonder. De gothische stijl is in Auvergne nooit gewild

geweest, wellicht omdat hij opkwam toen het land in oorlogen gewikkeld

was. De romaansche stijl kwam er vroeger, in voorspoedige dagen, tot

hoogen bloei, en een keurig voorbeeld is de Nôtre Dame du Port, een

juweel van bouwkunst, thans verscholen in onaanzienlijke straten en

staande in eene diepte,--en met alle juwelen dit gemeen hebbend, dat

de leek in de bouwkunst het schoone er van begrijpen en genieten kan.

Wat is nu het bijzondere dier romaansche bouwkunst? Natuurlijk zou

daar niet zoo bijzonder bij stilgestaan worden, indien de schrijver

niet eene bijzondere voorliefde voor dien bouwstijl had. Eene

voorliefde te omschrijven is moeielijk, maar 't kwam mij altijd

voor, dat die uiting der kunst in de middeneeuwen zoo beminnelijk

eenvoudig was; dat zij alles gaf wat men toen kon daarstellen, en

nooit naar kunstmiddelen van verdacht gehalte zocht, om 't geen men

zich toch wel bewust was dat er aan ontbrak te bedekken. Dat werd in

latere tijden wel eens over 't hoofd gezien, en men verkreeg daardoor

gebouwen die niet bevredigen. De romaansche bouwstijl uitte zich het

meest volkomen in de kerken, en werd daarin ook het best bewaard. In

den eersten tijd van het Christendom was de grondvorm van alle kerken

een langwerpig vierkant [1]; de binnenruimte werd door twee of meer

rijen van pijlers in drie of meer afdeelingen (beuken) overlangs

verdeeld. De wanden werden versierd met kleuren en figuren; het dak

was een gewoon schuin dak, zooals men zich dat in den eenvoudigsten

vorm op ieder huis denkt; de dakgebinten waren gewoonlijk geheel

zichtbaar. Van die monumentale kerken--men noemde ze "basilica"--zijn

nog enkelen uit dien vroegeren tijd over in Klein-Azië, maar vooral in

Italië; te Rome nog uit den tijd van keizer Constantijn. Later in de

middeneeuwen, en wel tijdens en onmiddellijk na Karel den Grooten,

ontwikkelde zich voor de kerken een nieuwe bouwstijl; hij had de

oud-romeinsche kunst tot grondslag en ontleende daaraan zijn naam

"romaansch". Een zijner voornaamste kenmerken, de ronde bogen,

werd uit de romeinsche bouwkunst overgenomen.

In plaats van het langwerpig vierkant kreeg nu de kerk den vorm van

een kruis. De korte bovenarm werd het koor; de zijarmen heetten het

transept; de lange arm het schip. Aan weêrszijden van het schip waren

zijgangen, evenals in de basilica, alleen er van afgescheiden door

kolommen. Langs het transept en het koor werden spoedig kapellen

bijgebouwd; later werden de zijgangen ook om het koor heen gebouwd,

en nog weêr later ook om de zij-armen van het transept heen; overal

kwam daardoor langs die zijbeuken gelegenheid tot het aanbrengen

van kapellen. De ronde bogen werden niet alleen aangebracht boven

ramen en deuren, maar ook tusschen de pijlers; en de gewelven die

schip en koor en zijbeuken bedekten, in afwijking van het vroegere

schuine dak, waren ook rond; aanvankelijk zoogenaamde tongewelven,

later kruisgewelven, maar alles altijd half cirkelvormig.

De krypten of onderkerken, die zich aanvankelijk alleen onder het

koor, later onder de geheele kerk uitstrekken, werden algemeen. De

ingangen tot die onderkerken zijn meestal naast het koor. De krypten

zijn allen overwelfd; zij zijn zeer eenvoudig gehouden, met wel de

soberste versiering die men zich denken kan: een enkel gebeeldhouwd

kapiteel aan eene kolom. Maar dat is dan ook alles.

De torens waren aanvankelijk achthoekig en laag, geplaatst boven de

vierkante ruimte waar de armen van het kruis elkander snijden. Bij

latere kerken komen ook torens voor aan weerszijden van den ingang,

en die ingang was dikwijls uitgebouwd en daksgewijze afgedekt, of tot

een karakteristiek klokkentorentje opgetrokken. Was eene romaansche

kerk inwendig arm aan versieringen, des te meer werk werd er gewoonlijk

van den ingang gemaakt.

We hebben dus, in afwijking van het vroegere, een kerk in kruisvorm

en eene overspanning door gemetselde gewelven, waar in de vroegere

kerken de bedekking eenvoudig uit een gewoon schuin dak bestond,

iets dat trouwens bij de romaansche kerk als buitenste afdekking

bleef bestaan, 't Spreekt van zelf dat bij de uitsluitende toepassing

van halfronde bogen en gewelven, de kerken altijd wat lager bleven;

zoodra men in later tijd voor goed had bevonden, dat een gemetselde

boog ook spits kon toeloopen en dientengevolge ook spitsbooggewelven

gebouwd konden worden, werd de vorm der gebouwen ook slanker; en toen

er eenmaal slankere kerken ontstonden, maakten de vroegere den indruk

van plomp en gedrukt te zijn. De bouwmeesters in Auvergne hebben dat

niet kunnen overwinnen; langs den Rijn en in Engeland waren ze in

dat opzicht wat gelukkiger.

Er zijn nog meer bijzonderheden aan den toenmaligen bouwstijl

eigen. Bijv. de kolommen, die de zijbeuken van het schip scheiden,

zijn nooit allen gelijk, maar om den anderen werd eene doorloopende

zuil geplaatst. De versieringen aan de kapiteelen en den voet der

kolommen waren allen hoogst eenvoudig en steeds weinig uitspringend,

de groote muurpanden die ontstonden boven de halfronde bogen waren

vlak en later dikwijls beschilderd. Na de 12_de_ eeuw kwam de tijd

der spitsbogen; de bouworde bleef in hoofdzaak romaansch, maar de

nieuwe bogen kwamen steeds meer op den voorgrond en de wijze van

constructie der gebouwen moest dientengevolge gewijzigd worden;

gedurende een betrekkelijk lang tijdperk kreeg men een gemengden

stijl. De bouwmeesters zochten naar verbetering en brachten allerlei

versieringen aan, waaruit ten laatste de gothische stijl ontstond;

deze ontwikkelde zich uit het romaansch, zooals het romaansch zich uit

het romeinsch ontwikkeld had, maar nam weer van zijnen voorganger over.

In Auvergne waren weinig overblijfselen van romeinsche bonwkunst; in

het naburige Provence en elders juist veel; de Auvergnaten konden dus

minder van de romeinsche voorbeelden overnemen, en zoodoende kregen

hunne gebouwen een bijzonder karakter; en dit te meer omdat zij,

arm aan voorbeelden, rijk waren aan goede bouwstoffen en daardoor een

anderen weg opgingen bij het versieren van hunne gebouwen. Al dadelijk

door verschillende steensoorten te gebruiken, sommige glad, sommige

poreus, dan weer van verschillende kleuren, die zij alle in hunne

bergen voor het nemen hadden. Het bijzonder karakter der monumenten in

Auvergne moet dus meer beschouwd worden als een gevolg van bestaande

toestanden, dan wel als de gewilde uitkomst van eene kunstschool.

De Notre-Dame-du-Port beantwoordt geheel aan de gegeven algemeene

trekken van den romaanschen bouwstijl. De geheele kerk is overwelfd, de

zijbeuken zijn door halve tongewelven gedekt. De kapiteelen der zuilen

dragen als versiering bloemen, fantastische voorstellingen van dieren;

enkele dragen menschelijke figuren met opschriften. Prachtig is dit

beeldhouwwerk niet; de beeldhouwers in Auvergne stonden niet zoo hoog

in kunstvaardigheid als de bouwmeesters; maar de kinderlijke eenvoud

der voorstelling houdt gelijken tred met de wijze van uitvoering,

en maakt een zeer aangenamen indruk. De muurvakken zijn alle wit;

hier en daar zijn met zachtgekleurde steenen figuren aangebracht,

geen van alle buiten het vlak der muur uittredende. Eene ruit,

een vierkant, een cirkel, een kruis, een klaverblad, alles in

heerlijken eenvoud, maar aardig doende in die stemmige omgeving. De

buitenmuren van het schip vertoonen kleurige figuren, verkregen door

het inmetselen van verschillende steensoorten. De kerk is gebouwd

in de 11de en begin der 12de eeuw. De hoofdingang is eene dubbele

deur, door een gebeeldhouwden stijl gescheiden. Aan de zuidzijde is

nog een ingang, met aan weerszijden groote figuren in laag relief;

het halfcirkelvormige boogschild boven de deur (het tympaan) is rijk

met kleine figuren voorzien; jammer genoeg zijn deze wat geschonden.

De Notre-Dame-du-Port te Clermont, de kerk te Issoire en die te Orcival

zijn de fraaiste typen van den romaanschen stijl in deze streken.

Er zijn te Clermont twee versteenende bronnen, die de moeite van

een bezoek overwaard zijn. Het bronwater bevat veel koolzuur en kan

daardoor eene groote hoeveelheid ijzer- en kalkverbindingen opgelost

houden. Zoodra het koolzuur aan de lucht ontsnapt, slaan de ijzer-

en kalkzouten neer; van deze eigenschappen heeft men gebruik gemaakt

tot het vervaardigen van aardige voorwerpen. Men voert het water door

buizen, waarin men er eerst zoo veel mogelijk het ijzer aan ontneemt,

en laat het dan als regen neerkomen op de voorwerpen die men versteenen

of, beter gezegd, met eene kalklaag overdekken wil, zooals mandjes met

vruchten, druiventrossen, vogelnestjes met eieren, enz. De uitkomst

is inderdaad verrassend. In de tuinen om de bronnen heen zijn allerlei

versteende wonderen tentoongesteld; menschen, vee, paarden; natuurlijk

waren het poppen of opgezette exemplaren, en daar nu het verkalken van

dergelijke voorwerpen langen tijd vordert en op de eene plaats al wat

dikker uitvalt dan op de andere, winnen de voorwerpen niet in losheid

en natuurlijkheid, 't Kwam mij voor, dat deze reeds van af de straat

zichtbare lokvogels wel wat al te veel van een boerenkermis hadden.

Eene andere merkwaardigheid van Clermont-Ferrand is niet daar, maar

te Mont-Ferrand te vinden, dat ongeveer drie kwartier van de stad

ligt. De tramrit er heen geeft weder een verrassend mooi uitzicht op

den Puy de Dôme. Mont-Ferrand is een stadje van 3500 inwoners, dat men

alleen bezoekt om enkele oude huizen te zien. Het huis _l'Elephant_,

aldus genaamd naar een geschilderden dikhuid boven een der ramen,

dagteekent waarschijnlijk uit de 12_de_ eeuw. Het huis _Adam_ en _Eva_,

naar een gevelsteen. Het huis van den apotheker is, evenals het vorige,

uit de 16_de_ eeuw; de eerste verdieping is in steen, de twee volgende

in houten vakwerk, telkens boven elkaar vooruitspringend; boven in den

topgevel zijn een paar beeldjes aangebracht, die aan het huis zijn

naam gaven. Er zijn nog verscheidene andere merkwaardige huizen, 't

eene bekend om een deur met keurig smeedwerk, 't andere om eene aardig

versierde binnenplaats; dan weer een met een fraaie wenteltrap. Jammer

is het dat van instandhouding geen sprake is. Die huizen zijn thans

alle in gedeelten door kleine neringdoenden bewoond, en inzonderheid de

binnenplaatsen en wenteltrappen van eene ongeëvenaarde onzindelijkheid

en in diep verval.

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den

volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek

en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook

voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me

naar het kantoor van het "Syndicat" (Vereeniging ter bevordering van

het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend

en beleefd beantwoord, en de inlichtingen bleken naderhand geheel

juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij 't adres

van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet

onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont

naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van

daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed,

maar 't bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk

gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van

het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger

te Montdore. 't Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet

buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor

het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den

beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot

de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto's krijgen ze een al

te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen

tocht geen collega's en in de meeste hotels (herbergen) werd ik

duidelijkshalve als "le Touriste" aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de

l'Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den

weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar

Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en

hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een

deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht;

het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan

weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig

behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn

bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars

loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje

Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof

onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de

hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching

had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp

Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font

de l'Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft

men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer

hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de

Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam

van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men

heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe

komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen

begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam

bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat

steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten

worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor

eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen

daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene _cheire_ gekomen; dat zijn

oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar

bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen

waarneemt,--de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en

daar in de zon,--dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo'n

lavastroom, en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen

van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het

pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken

aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter

meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische

overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer

goed smaakt.

Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium, dat als

eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd

werd. In 1648 had de Puy de Dôme reeds gediend om uit het verschil

in hoogte van eene kwikkolom den druk der atmosferische lucht aan

te toonen. Périer nam de proef op verzoek van Pascal. Nu bevindt er

zich, in ruime gebouwen, de meest volkomen inrichting tot het doen

van allerlei weerkundige waarnemingen. Het merkwaardigste van den

Puy de Dôme is echter de tempel van Mercurius, helaas wat te veel

een bouwval. Hij werd in 1874 ontdekt, toen men begon te bouwen

aan het observatorium. Eene heerlijke plek hebben die romeinsche

bouwheeren uitgezocht; het moet een treffend gezicht zijn geweest van

uit de vlakte, toen die gebouwenmassa zich daar verhief. Mij dunkt,

de bewoners van het dal hadden in de oude dagen grootscher uitzicht

op dien heidentempel daarboven, dan wij nu hebben van de hoogte af

op de cathedraal van Clermont, wier fijne omtrekken door den afstand

geheel verdwijnen, en wier twee slanke torens maar een onbeduidenden

indruk maken.

Van den Puy de Dôme heeft men een prachtig uitzicht op het hoogland van

Auvergne; de Franschen noemen het met groote ingenomenheid "une des

plus curieuses du monde". Zonder hen dit na te zeggen, want de heele

wereld heb ik niet gezien, geef ik hun gaarne toe dat het bijzonder

mooi is. 't Geen er vooral aantrekkelijk van is, is het neerzien op de

uitgebrande vulkanen van de bergketen, met hunne kraters, zoo duidelijk

zichtbaar, en op de zoo even reeds besproken lavastroomen. De geheele

vlakte van Limoges ligt voor ons, noordwaarts schijnt zij onbegrensd;

naar het oosten toe loopt ze op tegen de hoogten van Forez. Men zegt

dat bij gunstig weder de Mont-Blanc van hier zichtbaar is,--maar ik

had het genoegen niet. In het Zuid-oosten de bergen van Livradois

en de ketens van Velay. Zuidelijk de omtrekken van de Mont-dores en

westelijk de granietruggen van Limousin. Noordwaarts omlaag ziende,

heeft men vlak aan zijne voeten een ouden krater, de Nid de la Poule;

rechts den Puy de Dôme, de groote en de kleine Suchet, en weêr meer

links den Puy Pariou en den Puy des Gaules, waarvan men duidelijk de

vroegere krateropeningen waarneemt. Men denke zich echter daarbij geen

woest tafereel en geene wildernis; de vulkanen zijn allen met gras

begroeid, hier en daar met boschpartijen; de valleien zijn akkers en

de kraters vruchtbare weiden. Dat men aan een dier kraters den naam

van het hoendernest gaf, komt zeer begrijpelijk voor. De wetenschap

kan hier van vulkanen en kraters spreken; de toerist heeft voorloopig

nog het geloovig toekijken.

Ik bleef nog lang boven, om goed thuis te komen in de verschillende

toppen en hunne onderlinge ligging.

Bergafwaarts volgde ik denzelfden weg tot aan Le Font de l'Arbre,

maar stak daar den straatweg over in de richting van Fontanat,

een schilderachtig dorpje, waar ik geene levende ziel tegenkwam en

daarom met te meer aandacht de aankondigingen van het gemeentebestuur

las, voorschrijvende dat men rechts moest loopen en dat rij- en

voertuigen niet draven mochten. Waarschijnlijk maakte die gemeente zich

weerbaar tegen auto's. Voorbij Fontanat werd de weg zeer lommerrijk

en in de nabijheid van Royat, langs de oevers der Tiretaine, zeer

schilderachtig; hier en daar watervalletjes, prachtige boomgroepen,

kastanjes vooral, frissche boomgaarden, heerlijk groen en diepe

schaduw.

Royat is een der sierlijkste badplaatsen van hoog-Auvergne. Van

Fontanat afdalende, komt men eerst in de oude stad, beroemd om zijne

vestingkerk. Omstreeks de 13de eeuw werd zij tot eene versterking

omgebouwd, iets dat men toen meer deed. Een zonderling gezicht zoo'n

kerk met schietgaten en kanteelen boven het dak uit. Men had vooral

die versterkingen geheel gerestaureerd, en nam daartoe de steensoort

waaruit de kerk indertijd opgetrokken was, een materiaal dat men

in den naasten omtrek nog voor 't grijpen had. Mij scheen het toe,

dat de ligging der kerk haar weinig tot verdedigingspunt eigende,

en ik voelde de booze verdenking bovenkomen, dat hierbij meer

aan de fantasie van den bouwmeester gedacht moest worden, dan aan

den drang der omstandigheden. Ook de steenen der restauratie waren

fantastisch, want ze waren nog niet met het stof der eeuwen overtogen,

en vertoonden nog de grillige vlammen van pas uitgehakte lava. Dat

ontnam aan 't geheel de stemming. Het nieuwe Royat, de badplaats,

is zeer sierlijk en vol levendig en weelderig gedoe, maar heeft geen

bijzonder karakter. Ik keerde per tram van Royat naar Clermont terug.

De volgende dag was bestemd voor den tocht naar Montdore; eerst per

trein tot Issoire, en dan per diligence (_car alpin_)naar Montdore. De

reis was te ver om te voet te worden afgelegd.

Van plaatsbeschrijvingen van streken die men per spoor doorvliegt,

ben ik geen vriend. De snelheid waarmede 't eene 't andere opvolgt

kan in den regel niet dan verwarde algemeene indrukken geven. Daarom

slechts de vluchtige opmerking, dat de weg schilderachtig is, vooral

wanneer men de rivier de Allier kruist of op korten afstand de oevers

volgt. Bij de stadjes, die men langs komt, heeft men nog eene sierlijke

hangbrug over de rivier. Men komt voorbij Vic-le-Comte, voorheen de

hoofdplaats van Auvergne, waar de bloedigste tafereelen uit zijne

middeneeuwsche geschiedenis afgespeeld werden. Dan voorbij Coudes,

met bouwvallen van abdijen en kasteelen, verlaat dan de Allier weder

en komt in de vlakte van Issoire. 't Speet me zeer, dat ik geen tijd

had om te Issoire de groote kerk te gaan zien, die veel overeenkomst

heeft met de Notre Dame du Port te Clermont, doch deze in afmeting en

versiering overtreft, maar de car alpin waarmede ik naar Montdore zoude

rijden, staat aan 't station klaar, en hoewel de postillon op de vraag

of er plaats was, antwoordde dat er alleen gebrek aan reizigers was,

werd de reis met groote overhaasting aanvaard.

Een plaatsje naast den postillon werd door mij ingenomen, en spoedig

vernam ik van hem, dat ik maar 10 K.G. bagage vrij had, en dat mijn

handkoffer wel meer zoude wegen, maar dat hij zoo onheusch niet was,

om daar dadelijk op 't kantoor over te spreken. Alweder het oude type,

door dezen jongen man ten tooneele gevoerd; in één opzicht evenwel

verschillen die heeren daar, van het bij ons inheemsche soort. Zij

staan in de eerste plaats op den titel van postillon; koetsier is hun

wat min. En dan, ze zijn wondergraag met monsieur aangesproken. Dat was

me al meer opgevallen, een tramconducteur hoort ook gaarne monsieur,

ze laten dit spoedig merken; en wanneer men den koetsier van eene

car alpin of gewone diligence maar altijd met monsieur aanspreekt,

dan behoeft de fooi later nog niet eens zoo heel ruim te zijn, om op

voorkomendheid, ook aangaande het overwicht van den koffer te kunnen

rekenen. Niet dat die vrienden hooger geacht willen worden dan zij

zijn, maar ze zijn gaarne even hoog als ieder ander.

Bij het verlaten van Issoire stijgt de weg westwaarts langs den

linkeroever van de Causse d'Issoire. In 't verschiet teekenen

zich de omtrekken der Dore-bergen tegen den gezichteinder; rechts

verheffen zich de wanden der hoogvlakte van Pradines als muren steil

omhoog. Links enkele bergspitsen. Die steile wanden der hoogvlakte

van Pradines vertoonen op den rand de eerste vulkanische vorming

van eenigen omvang die ik nog zag; die bovenranden bestaan alle uit

rotsblokken, blijkbaar in vuurgloed gevormd; het zijn uitgedoofde

slakken in de grilligste gedaanten en van reusachtige afmetingen. Wat

verder, voorbij het dorpje Perrier, ziet men in de wanden vierkant

gehakte gaten; het zijn de overblijfselen van vóórhistorische woningen,

waarvan eenige nog bewoond worden door de gezinnen der bewakers van

de wijnbergen. Daar is ook eene pyramidaal omhoog gaande rots, die

te meer de aandacht trekt omdat er een torentje op gebouwd is; 't is

thans een bouwval, die toren van Maurifolet, en men kan hem volgens

de inlichtingen van mijnheer den postillon alleen bereiken door een

inwendig in de rots uitgebroken wenteltrap. De weg loopt overigens

tot St. Nectaire door eene zeer welvarende streek. De gedeeltelijk

ingehaalde oogst was van goede hoedanigheid en meestal tarwe. Ik

zag er verscheidene kweektuinen voor druiven, met opschriften dat

er puike gezonde stekken uit Californië, Australië en meer afgelegen

oorden te krijgen waren. De druivenziekte schijnt daar dus onder de

inheemsche boomen sterk huis te houden. Er werd veel geploegd, eene

zeer ondiepe voor, en 't trok mijn aandacht dat op dien vetten grond de

ploeg altijd maar met ééne koe--en 't vee is er niet zwaar--bespannen

was. Waarschijnlijk kon dit, omdat de grond sterk gemengd was met

lavagruis, en daardoor wat losser. Eigenaardig was het hanteeren

van den ploeg. Bij den kop der koe eene vrouw met een langen staak,

waaraan een platte beitel; daarmede stak zij voortdurend de vette

klei van de eene zijde der ploegschaar af en maakte daartoe met den

staak steeds een zwaai boven haar hoofd. De man die den ploeg stuurde,

verrichte bovendien dezelfde zwaai-beweging, om met zijn staakbeitel

de ploegschaar aan de andere zijde te bevrijden. Wanneer men dat werk

zoo aan den gang ziet, kan men zich aanvankelijk dat zotte gezwaai

met die staken niet verklaren.

Na een rit van 4 uur kwamen we te St. Nectaire, waar twee uur stil

gehouden werd voor het middagmaal. Ik liet mijn koffer doorgaan naar

Montdore en besloot het overige van den weg, nog 28 kilometer te voet

af te leggen en tevens St. Nectaire wat nader te bezien. We waren

te St. Nectaire-le-bas aangekomen, dat geen dorp is maar alleen eene

bad-inrichting, waaromheen hotels. Zijne bijzondere merkwaardigheid is

een _dolmen_, een steen van 4 M. lang en ruim 2 M. breed en 70 cM. dik,

rustende op drie steenbrokken; eenige schreden van daar vindt men

nog eene verzameling geplante steenen, die geheel den indruk geven

van een verwoest hunebed.

Men vindt er verder ook eene grot met versteenend water, en

verder doorgaande, steeds langzaam stijgend, ziet men spoedig

St. Nectaire-le-haut sierlijk tegen een berg aangeleund, en op den top

van dien berg de fraaie kerk, een merkwaardig monument uit de 11de en

12de eeuw, in 1878 geheel gerestaureerd, met twee stompe torens aan

de voorzijde en een achthoekigen op het kruis. De gewelven rusten

ook hier niet alleen op gemetselde pijlers, maar bij afwisseling

op kolommen, en de versiering der kapiteelen is zeer opvallend; op

een er van komt de kerk zelf voor. In de sacristij bewaart men een

allermerkwaardigst beeld van St. Bauduin, van eikenhout, bekleed met

verguld koper; het hoofd en de hals van gedreven koper, met beweegbare

oogen van ivoor en hoorn. Al verder stijgende komt men te Boissières,

gebouwd op vulkanische gesteenten, waarin men hier en daar ook weder

holenwoningen ziet; dan weder afdalend in het dal der Couze, met een

zeer kale _Cheire_, zoo troosteloos als ik er nog geene zag, en dan

Murols, een smerig dorp, bekend om de prachtige bouwvallen van zijn

kasteel, thans eigendom van het departement. Sommigen schrijven deze

bouwvallen een zeer hoogen ouderdom toe, anderen gaan niet verder terug

dan de 15de eeuw. Ze staan op een bazaltheuvel van 729 m. hoogte,

en zijn een der merkwaardigste overblijfselen van den franschen

vestingbouw in deze streken. Een bewaarder vraagt u 50 centimes

toegang, maar laat u overigens vrij. Eerst komt men in een kring

van vestingwerken op eene ruimte, die het geheele kasteel omringt,

dan leidt een steil pad omhoog, en ziet men bij eene poort naast den

grooten toren twee romaansche kapelletjes, één uit de 11de en een

uit de 12de eeuw, tegen elkaar gebouwd. Het kasteel is dus om die

bestaande kapelletjes heen gebouwd, of het is zelf van nog ouderen

datum. De eigenlijke kasteelpoort is uit de 15de eeuw, en uit dien

tijd stammen ook de vestingwerken. Er is nog een klein gebouw, dat er

wat vroolijker uitziet en uit lateren tijd dagteekent. Het beklimmen

van den toren is zeer aan te raden, om het goede overzicht over het

geheel der gebouwen en om het prachtige uitzicht op den omtrek.

Voorbij Murols krijgt men een boschrijk dal, zoo bezaaid met

vulkanische brokken, dat men haast zou gaan denken aan eene

vóórhistorische verzameling van slakken-steenen; dan bereikt men

spoedig het verrukkelijk gelegen meer van Chambon, een waterplas van

ongeveer 60 hect. ter diepte van bijna 6 M., op 880 M. hoogte. Men

beweert dat dit meer gevormd is door een lavastroom, neerkomende

van den Tartaret, die de Couse afdamde. De oppervlakte vermindert

voortdurend; naar men zegt ontsnapt het water door spleten die in den

lavadam ontstaan. Spoedig zal dat meer echter nog wel niet verdwijnen,

en nog menigeen zal zich in de allerbekoorlijkste ligging kunnen

verheugen. Op den achtergrond ontwaart men de allergrilligst gevormde

rotsen van den Dent du Marais. Voorbij het meer krijgt men een prachtig

uitzicht op het dal van Chaudefour, en het dorp Chambon naderende,

ziet men eerst op het kerkhof eene kleine romaansche grafkapel, zoo

eerlijk en zuiver van stijl en zoo goed bewaard gebleven als maar

mogelijk is; zij dateert uit de 11de eeuw en wordt in de wandeling

zeer oneigenlijk het Baptistère genoemd.

Chambon is niet groot en niet zindelijk, maar aan de samenvloeiing

der Couze en der Surain zoo schilderachtig gebouwd, en zoo allerliefst

tusschen de boomen gelegen, dat men de onzindelijkheid spoedig vergeet

en besluit den maaltijd maar elders te nemen, om hier zijne oogen

met toenemenden lust te gast laat gaan. Alles is bij het bouwen aan

het toeval overgelaten, maar daaruit is een geheel ontstaan, dat de

bouwers niet droomden en niet bedoelden. De huizen op zichzelf hebben

niets bijzonders, maar het geheel aan de beide stroompjes en onder

het hout is bekoorlijk.

Van Chambon gaat het verder door het diepe dal van de Surain, overal

met dennenbosschen bedekt, met groote slingers omhoog tot aan het

gehucht Bressouleille. Ditmaal is het een gelukkig verschijnsel als

de wandelaar wat moede wordt, want bij het rusten is de klimmer altijd

geneigd om eens achteruit te zien hoe hoog hij al gekomen is; en juist

achteruit zijn hier de heerlijkste vergezichten. Een kleine bergstroom,

de Diane, ziet men van val tot val vooruit springen, en zijnen loop

volgende krijgt het oog een prachtig rustpunt in het meer van Chambon

en op zijne mooie omgeving. Het is van deze hoogte bijna nog mooier,

dan wanneer men aan de oevers staat! Van Bressouleille gaat het al

maar met groote slingers over eene hoogvlakte, dan door weiden, dan

door bosschen omhoog; verderop is de weg uitgekapt in de wanden van

den Puy de la Croix Morand; 't landschap wordt eentonig en somber, tot

men op den bergrug komende, den Col de Diane (1360 M.) bereikt en, na

zich eene korte wijle verheugd te hebben in een effen weg, op eenmaal

het prachtige dal der Dordogne voor zich heeft. Men ziet de badplaats

Bourboule in de verte, de meren Guéry en La Roche-Tuillière, hoewel op

grooten afstand, bijna aan zijne voeten. Nu met korte slingers snel

omlaag; in de weiden, voor 't eerst op deze reis, tal van bloemen;

om een rotsachtig voorgebergte heen, en daar ligt het vriendelijke

Mont-Dore voor u.

De wandeling was aangenaam geweest; de afwisseling groot en de laatste

verrassing: het uitzicht op het dal der Dordogne, zette de kroon op

het werk. Daar kon wel een tegenvaller op overschieten, en die kwam

ook. Ik vraag u, wat heeft een voetreiziger met den ransel op den

rug te verwachten, wanneer hij daar zoo om licht en donker in eene

fransche modebadplaats aankomt? Ik stapte naar het Hôtel des Etrangers,

waarvoor ik eene aanbeveling had van het Syndicat te Clermont,--maar

't was precies of men dacht dat ik niet eerlijk aan die aanbeveling

gekomen was; ik kon ternauwernood eene kamer krijgen, en toen mij

die niet beviel, was 't nagenoeg heel en al mis. Niet prettig in eene

plaats die ik wist dat overvol was! 't Is mij eerst aan 't einde van

mijn verblijf aldaar mogen gelukken, de madame een anderen indruk te

geven; een reiziger die, met zijne spoorwegbiljetten in den zak, toch

te voet het land doorkruist, is iets dat buiten den gedachtenkring

van die menschen ligt.

Le Montdore is een plaatsje met slechts 1866 inwoners, maar een

zeer druk bezochte badplaats; het ligt aan het einde van het dal

der Dordogne, die niet ver van de plaats haar oorsprong neemt. Twee

beekjes vloeien uit de bergen, de Dore en de Dogne en vereenigen

zich ongeveer een uur boven de plaats. De achtergrond van het dal

wordt gevormd door de donkere spitse uitloopers van den Puy de

Sancy. De omgeving van het bad is weelderig; groote, rijke hotels,

een aardig park en een casino, dat voor iedereen toegankelijk is;

maar de weelderige omgeving is klein, en wat verder Montdore uitmaakt

is meer dan eenvoudig. De omstreken zijn mooi, maar alléén gezonden

kunnen ze bereiken; de fraaiste punten zijn slechts met inspanning

toegankelijk. Een bergspoorbaantje komt hier aan tegemoet. Intusschen,

men behoeft slechts een avondbezoek aan het Casino te brengen om te

zien, dat er ook gezonden te Montdore verblijven, die langs allerlei

wegen hun tijdverdrijf zoeken.

's Morgens vroeg ging ik er weer op uit, en had het genot de

badgasten in de onmogelijkste costumes naar de thermes te zien

gaan; 't is grappig om te zien hoe men in badmantels nog mode kan

hebben! Versieringen aan die kleedij schijnen ook al een punt van

studie te zijn en aanleiding te geven tot eene "dernière création". Een

oude heer op klompen, in een badmantel met een sleep, naast eene

jonge dame met een mantel die heelemaal geen sleep had, terwijl zij

zich overigens vreemd toegetakeld had met eene prachtige badmuts en

zich een zeker cachet verschafte door in het vroege morgenuur eene

cigarette te rooken,--was wel 't koddigste van wat er zooal over de

Grande Place kwam. Ik ging met het bergspoortje als eenige passagier

naar boven, naar het Salon du Capucin, eene aardige uitspanning

onder prachtig hout; daar kocht ik van een kellner een courant van

den vorigen dag, en las daarin met alleraardigste schrijffouten de

namen van ons nieuwe ministerie. De kellner begreep er niets van,

dat ik in die oude courant zoo'n schik had. Van het Salon du Capucin

ging de weg, door een prachtig eiken- en mastbosch, langzaam omhoog

tot aan den voet van den Capucin, een rotsgevaarte dat daar steil

omhoog rees. Een pad er om heen brengt u aan de andere zijde, waar

een zachte helling het bestijgen gemakkelijk maakt. Van den top

(1463 m.) heeft men een goed uitzicht op Montdore, den Sancy en de

bergen van Bozat. Men vraagt u aan een herbergje aan den voet van den

Capucin 25 centimes voor het beklimmen. De meeste dier bergtoppen hier

zijn particulier eigendom, en worden aan kasteleins verpacht. Van de

herberg ging ik verder door in de richting van den Puy de Clièrgue,

die men voor zich ziet liggen en zoo over de kammen der bergen,

die doorloopen tot den Puy de Sancy, tot aan het Val de la Cour en

het Val de l'Enfer. Voor wandelaars, die niet gesteld zijn op een

paadje langs de diepte, is er nog een aangename weg om den top van

den Clièrgue heen,--maar hij is wat langer.

De Val de la Cour ligt tusschen een kring van bergkammen; de bodem

is een keurig gebloemd grastapijt. De Val de l'Enfer is van de eerste

gescheiden door een scherpen bergkam; het dal is als 't ware uitgehold

in vulkanische gesteenten, niet altijd rotsblokken, maar soms ook

wanden van los op elkaar gestapelde vulkanische overblijfselen. De

wanden zijn bijna geheel ontdaan van plantengroei; het zijn naakte

rotsen, die den vulkanischen stempel op het aangezicht dragen. Dit dal

schijnt een der oudste kraters van den grooten vulkaan der Dore-groep

te zijn; uit den bodem steken hier en daar soms geheele muren op;

men noemt ze hier _dykes_. Dit landschap, dat den Val del Bove van den

Etna moet evenaren, is zeer schilderachtig, maar tevens buitengewoon

somber en draagt zijn naam met eere. Plantenkenners kunnen hier een

rijken oogst vergaren. Van uit den Val de l'Enfer kwam ik weêr in

het dal der Dordogne en zoo, langzaam aan, terug te Mont Dore.

Auvergne De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 1 / 4 段