Mag Diekirch op zichzelf in menig opzicht een belangstellend bezoek
overwaard geacht worden, nog in hoogere mate is dit het geval, wanneer
men het kiest tot hoofdverblijf om te voet, per as of per spoor van
daar uit aantrekkelijke uitstapjes te ondernemen.
In den naasten omtrek reeds kan men, zonder buitengewone vermoeienis
of krachtsinspanning een aantal aangename wandeltochten maken, die
een rijke bron van genot opleveren voor hen, wier gemoed waarachtig
natuurschoon weet te waardeeren. Zij beginnen reeds zoodra men de
stad verlaat en bieden zich van zelf aan. Uitgezonderd die over
den Kaleberg, moet men de andere beginnen met eerst een eind den
weinig belommerden straatweg te volgen. De krachtige, schaduwrijke
boomen, die hem weleer bezoomden, zijn geruimen tijd geleden door
het gemeentebestuur omgehouwen en door jeugdig plantsoen vervangen,
en de voet van het gebergte is bekleed met korenvelden. Eerst hoogerop
beginnen de bosschen. Daarenboven, tenzij men den straatweg langs de
Sûre, westwaarts naar Ettelbrück of oostwaarts naar Bettendorf volgt,
moet men niet tegen een beetje klimmen opzien. Die bergpaden evenwel
behoeven u niet af te schrikken. Zij zijn in den regel niet steil,
maar voeren geleidelijk _en zigzag_ naar den top. Wel kan men dien
in korteren tijd bereiken, doch dan heeft men smalle, sterk-hellende
laantjes te bestijgen. De moeite wordt echter rijkelijk beloond, als
men het doel heeft bereikt. Te bejammeren is het--misschien is hierin
verandering gekomen--dat er nergens banken worden aangetroffen. Die
ontbreken ten eenenmale. Er blijft geen andere keus over om de
vermoeide ledematen uit te strekken, dan op het gras aan den zoom van
het bosch of op een rotsblok. Het gemeentebestuur zal een goed werk
doen en de vreemdelingen, die de stad bezoeken en wier aantal jaarlijks
toeneemt, zeer aan zich verplichten door hier en daar eenvoudige,
uit boomtakken vervaardigde zetels te plaatsen, zooals op den Kaleberg
reeds is geschied. Evenzoo zullen de wandeltochten nog veraangenaamd
worden, wanneer in de bosschen betere paden zijn gebaand. Een genoegen
is het mij thans te kunnen mededeelen, dat in dit opzicht een krachtige
hand geslagen werd aan eene verbetering van den toestand. De ettelijke
jaren geleden te Diekirch opgerichte Verschönerungs-verein, door het
landsbestuur en de stedelijke regeering gesteund, beijvert zich, ook
met hulp der vrijwillige bijdragen van de ingezetenen, den omtrek te
verfraaien en de schoonste punten toegankelijk te maken. Aan haar heeft
men, gelijk ik reeds mededeelde, de zoo aanbevelenswaardige wandeling
naar den Haart te danken. De aanleg van den reeds hierboven genoemden
Kaleberg (koude-berg) mag als een proeve van wat zij in staat is tot
stand te brengen, worden beschouwd.
Voor die wandeling behoeft men de brandende zonnestralen niet te
trotseeren. Zij begint aan het einde der zoogenaamde Esplanade, die
naar de Place Guillaume voert. Men slaat daar den zoogenaamden hollen
weg, _chemin creux_, achter de Bierbrouwerij in, tegen de helling
van den Seitert, links van den weg naar Stavelot. Onder het toezicht
en naar de plannen van wijlen den districts-ingenieur Hartmann is
daar, gedeeltelijk voor rekening van den Staat, gedeeltelijk voor
die van de Gemeente, in 1880 een groot stuk van de berghelling tot
een prettig wandeloord gemaakt. Een pad is er in het bosch aangelegd
van één tot twee meters breedte, langzaam rijzend, nu eens glooiend,
dan langs trappen uit boomstammen vervaardigd naar boven voerend
tot op den top van den Seitert. Hier en daar heeft men met veel takt
openingen gemaakt tusschen het geboomte om een vergezicht te hebben
op de naburige bergen. Men vindt er ook rustieke banken en zetels,
zelfs tafels met leunstoelen. Uitnemende plekjes voor dames, om
daar met haar handwerkje den ochtend door te brengen. Houten bruggen
geleiden over de door bergstroompjes gegraven ravijnen. Halverwege
is een in rustieken stijl gebouwde kiosk, die als muziektent moet
dienen. Daar hebben van tijd tot tijd ook uitvoeringen der stedelijke
kapel plaats. Het is een uitnemend terrein voor een bal champêtre.
Wil men de wandeling voortzetten en een genotvol uurtje doorbrengen in
een wezenlijk bosch, waarin pijn en den en spar met hun verfrisschende
geuren de lucht bezwangeren, dan volgt men het middenpad van den
Kaleberg, dat uitloopt op een kleine hoogvlakte. Deze steekt men over,
recht uit, en komt dan binnen weinige minuten in het Friedbusch. Dit
wordt door verschillende voetpaden doorsneden. Rechts afslaande
bereikt men de bovengenoemde heirbaan naar Stavelot. Links af, die naar
Erpeldange of Erpeldingen. Wil men, na den Kaleberg te hebben bezocht,
dadelijk stadwaarts keeren langs een anderen weg, dan slaat men het
pad in, dat in linksche richting is aangelegd en om den berg heenloopt,
en betreedt Diekirch weder langs de Flossbach en den Flossweg.
Van den Herrenberg, op welks top een groote landhoeve, de Schwartzhof
zich uitstrekt, heeft men een heerlijk gezicht op de stad en het
gansche dal van de Sûre. Die berg verheft zich aan een hoek van het
schiereiland, door de Blèze of Blees en de Sûre gevormd, en ligt
geheel op zich zelf aan de noord- oost- en zuidzijden. Het riviertje,
dat tusschen groene weiden en met goudgeel graan beladen akkers
voortkronkelt en dat men over een groote uitgestrektheid met het oog
volgen kan; het stedeke, dat u zoo vriendelijk toelacht, als noodde het
u binnen zijne muren terug te keeren; het gebergte aan de overzijde met
de boschrijke hellingen en de valleien, die de verschillende deelen,
waaruit het samengesteld is, scheiden; het op een kleinen afstand
gelegen dorpje Gilsdorf met zijn witte huizen en zijn kerkje, dat zoo
scherp uitkomt tusschen de populieren, die het omgeven en tegen den
achtergrond, gevormd door de hoogten van den Grilsdorfer-Ban.... alles
is even liefelijk en trekt onwederstaanbaar het oog tot zich.
Ook het doorkruisen der kleine valleien tusschen de bergen, die den
achtergrond vormen van het landschap, waarvan Diekirch het middelpunt
is: de Herrenberg, de Seitert, de Schützenberg en de Goldknap,
verschaft een groot genot, niet minder dan het dwalen langs hun
flanken en over hun toppen.
Het verblijf te Diekirch wordt aanmerkelijk veraangenaamd, wanneer
men goed ter been is. Men kan dan te voet allerlei uitstapjes doen en
op de schoonste punten zoolang men wil vertoeven, terwijl men, in een
rijtuig gezeten, door het rijzen of dalen van den weg gedwongen wordt
steeds voort te gaan. Trouwens, de afstanden zijn niet groot. Een
gemak is het daarenboven, dat men dezen per kilometer op steenen
palen langs de straatwegen aangeduid vindt, terwijl op de kruispunten
der heirbanen overal wegwijzers zijn opgericht. Men weet dus altoos
of men de goede richting volgt. Ook heeft men geen vergissingen of
teleurstellingen te duchten en blijft gevrijwaard voor de onaangename
ervaring, welke men zoo vaak ten onzent op het platteland ontmoet,
wanneer men hoort spreken van "een goed kwartiertje", terwijl men
soms een uur heeft af te leggen.
Een alleraangenaamste wandeling vindt men aan de overzijde der rivier
langs de Sasselbach, beek der Saksen, die, na een uitgestrektheid van
zes à zeven kilometers te hebben doorloopen, zich tusschen Gilsdorf
en Diekirch in de Sûre stort. Volgt men stroomopwaarts de smalle
vallei waarin zij zich voortspoedt, dan komt men eindelijk in de
nabijheid van een meelfabriek en brandewijnstokerij, verscholen in de
diepte aan den straatweg naar La Rochette tusschen weelderig groen,
waaruit het geklik-klak van het molenrad u tegenklinkt. Een landhoeve
is er aan verbonden. Uitgestrekte korenakkers en aardappelenvelden
strekken zich aan de andere zijde uit. Nijverheid, landbouw en
veeteelt te gader hebben daar hun zetel opgeslagen. De inrichting,
Moulin-Tschiderer geheeten, is een bezoek overwaard. Met welgevallen
zal men de zware ossen en stevige schapen aanschouwen, die men hier
fokt om ze later ter markt te brengen of uit te voeren naar België en
Duitschland. De melk der koeien wordt in de stad uitgevent. De afval
der fabriek dient tot voedsel voor het vee. Niets gaat verloren,
terwijl de grondstoffen in de nabijheid worden verbouwd.
Dicht bij die fabriek, vormt de Sasselbach drie watervalletjes,
als ten minste de droogte des zomers niet te lang heeft
aangehouden. Onwillekeurig wordt men daar uitgelokt zich in de schaduw
van het zwaar geboomte aan den oever neêr te vlijen en, luisterende
naar het geklots en gekletter der schuimende golven, zich in zoete
mijmeringen te verdiepen. Van hier keert men naar Diekirch langs den
straatweg terug. De geheele wandeling duurt een anderhalf uur. Men kan
die ook ondernemen van Gilsdorf over Folkingen, dat een oud kasteel
bezit, thans in een pachthoeve hervormd. Op een half uur afstand ten
zuidoosten van dit dorp, in het bosch tusschen Medernach en Stegen,
ontspringt de Sasselbach.
Wat Diekirch als hoofdverblijf bovenal aanbeveelt, is dat het
door zijne ligging beter dan eenige stad van het groothertogdom
geschikt blijkt voor langere uitstapjes, per spoortrein of rijtuig te
maken. Een volledig programma wordt u daarvoor aangeboden en is ook
in een aanhangsel achter mijn Schetsen opgenomen. Naar gelang van den
tijd, waarover gij te beschikken hebt, kan dit worden ingekrompen
of uitgebreid: in noordelijke richting naar Vianden, Clairvaux,
Bourscheid, Wiltz, Esch-le-Trou; oostelijk naar Beaufort, Echternach,
het Müllerthal; zuidwaarts naar La Rochette, Meysemburg, Mersch en
haar omtrek, de vallei der Alzette en de hoofdstad. In de stad zijn
uitnemende rijtuigen verkrijgbaar: landauers, omnibussen, victoria's,
breaks, chars-à-bancs, open en gesloten. Bij heele of halve dagen en
naar het aantal paarden, dat men noodig heeft, worden de prijzen van
een rijtoer berekend. Een wagen met twee paarden kost voor een geheelen
dag 20 fr., voor een halven 12 fr.; met één paard 7.50 fr. voor een
halven en 12 fr. voor een geheelen dag. Toch kan de toestand van den
weg wel eens een verhooging van den prijs noodzakelijk maken.
V
Onder de uitstapjes, die bij een eerste, zelfs kort verblijf te
Diekirch worden aanbevolen, behoort dat aan de ruïnen van Bourscheid,
anderhalve kilometer van het dorp van dien naam gelegen op den top van
een hoogen berg, wiens voet door de Sûre wordt gekust en waaronder
men bij Michelau in een langen tunnel voortspoort. Ik wees reeds
in mijn inleiding op de stoute en verheven tooneelen, die de oevers
der Boven-Sûre aanbiedt, eer zij bij Ettelbrück de Alzette in haren
schoot opneemt.
Die ruïnen, een der schoonste proeven van militaire architektuur uit
de middeleeuwen, zijn de overblijfselen van een kasteel, dat aan het
gevaar ontkwam van, als zoovele andere burchten door een Fransch leger
onder den maarschalk de Boufflers, die als een geesel het hertogdom
doortrok, te worden verwoest, toen het bij de eerste opeisching
zich haastte zijn poorten te openen. Een eeuw later werd het door
de Fransche republikeinen geplunderd en ontmanteld. Langzamerhand in
een bouwval herschapen, tot staatseigendom verklaard en ten verkoop
aangeslagen, kwam het in het bezit der familie Vannérus. Was de
burcht voorheen de trots van den ganschen omtrek, thans wekt de
verhevenheid der ruïne, die de vallei bestrijkt en van verre den blik
onweêrstaanbaar tot zich trekt, de bewondering van den toerist. Te
midden eener indrukwekkende en woeste natuur is zij als neêrgeworpen
op een soort van voorgebergte, dat, vierhonderd meters hoog, aan
drie zijden door de wateren der zich er omheen kronkelende Sûre
wordt omspoeld. Die dubbele rij wallen, kolossale torens, gescheurde
muren en steenklompen, waarheen een steil pad u voert, geven een hoog
denkbeeld van de macht der voormalige bewoners, die van de 9de tot
de 13de eeuw een groote rol speelden in het gewest. In de 16de eeuw
stierf hun huis uit en kwam de baronnie aan de Heeren van Metternich,
die het tot aan de fransche revolutie behielden. De laatste baron
verliet toen het land en liet zijn bezittingen in den steek, die dan
ook verbeurd werden verklaard.
Op verschillende wijzen kan men den bouwval bereiken. Ten eerste per
spoortrein van Diekirch en verder langs de lijn Ettelbrück-Pepinster
tot de eerste halt, Michelau, het dorpje, dat zich langs de Sûre aan
den voet van een hooge heuvelenrij, met zijn vriendelijke landouwen,
boomgaarden en tuinen uitstrekt. Daar gaat men de rivier over en
bestijgt den berg, wiens beklimming een 25-tal minuten duurt, om hem
iets verder, tegenover het dorpje Goebelsmühle, af te dalen en van daar
per spoor terug keeren. Doch ik geloof niet dat de tocht, op die wijze
gemaakt, al het genot oplevert, 't welk men smaken kan. Klimmen blijft
altoos vermoeiend, en men is te veel aan den tijd gebonden. Daarenboven
mist men de heerlijke gezichten, die men heeft als men over Ettelbrück,
Warcke en Buerden per as zich er heen begeeft, om dan aan de zijde van
Michelau af te dalen en verder den straatweg naar Diekirch te volgen.
Op die wijze begaf ook ik mij de eerste maal daarheen.
Wij sloegen te Ettelbrück rechtsaf eene zijstraat in, die
langzamerhand rees, reden het reeds veel hooger gelegen dorp Warcke
door, en stegen steeds tusschen graanvelden, afgewisseld door
hellingen, met kort eikenhout beplant. Merkwaardig was het verschil
tusschen de natuur aan gindsche zijde van het dal, dat wij hadden
doorgereden, en die welke ons omringde. Wij waren op de grens van
het barre Oesling. Welk een tegenstelling tusschen de dorheid en de
schraalheid van den rotsachtigen bodem ginds, en de weelderigheid
beneden! Daar onvruchtbaarheid en grauwe steenklompen, hier rijkdom
en verscheidenheid van voortbrengselen van den grond. Hoe hooger
wij stegen, des te meer begon ook onze omgeving het karakter van
het Oesling te vertoonen. Het loofhout verdween weldra. Enkele
dennen vertoonden zich nog. Alleen heidebloempjes of boekweit
zagen wij den bergrug tooien. Het was spoedig gedaan met allen
plantengroei. Geen heester, geen kruidje, geen bloem kon ons oog
meer ontdekken. Het rijtuig hadden wij wegens het sterke stijgen van
den weg verlaten. Eindelijk bereikten wij eene hoogvlakte. Overal,
in alle richtingen, aanschouwden wij nieuwe bergen, wier omtrekken
minder scherp werden en wier tinten ineensmolten. Achter ons, in het
verschiet, de hoogten tegenover Diekirch. Eenige meters beneden ons,
aan onze rechterhand, verhief zich de spits van een dorpskerkje. Het
was de toren van Buerden.
Treffend schoon is vooral het panorama, u even voorbij Buerden
aangeboden, wanneer gij de bergvlakte, waarop het dorp ligt, bereikt.
Bij het zwenken van den weg ziet gij de ruime bergkloof liggen,
terwijl aan de andere zijde de gemeente Heiderscheid in de diepte
zich schijnt te willen verbergen, en een kerktoren en eenige huizen,
die van het dorp Welscheid, zich op grooten afstand tegen den horizon
scherp afteekenen.
Wij reden verder door, steeds klimmende. Na in het dorp wat te hebben
gepleisterd, daalden wij gedurende een kwartier ongeveer, naar een
lager gelegen bergtop af, en bezochten de ruïnen. Aan de zijde van
Michelau verlieten wij den bouwval. Wij bleven steeds dalen. De weg
levert wel eenige bezwaren op.
Het pad is langs die zijde in den berg, den hoogsten van het geheele
groothertogdom, zigzagsgewijze uitgehouwen. De helling is steil. Men
ziet dus altoos aan zijn linker- of rechterzijde het naar beneden
voerende, als een breed lint zich slingerende pad. Het gezicht van
dien gapenden afgrond is voor velen ijzingwekkend. Een zijsprong van
een der paarden.... en gij loopt gevaar naar beneden te tuimelen en
in de rivier terecht te komen.
Nochtans is die angst overdreven, gelijk ik uit eigen ervaring kan
getuigen. Al zit men niet volkomen op zijn gemak, toch moet men uit
vrees voor een beetje ongerustheid niet het heerlijke schouwspel
prijs geven, dat de rit naar Bourscheid over Ettelbrück schenkt. De
paarden zijn aan dien tocht gewoon. En nooit of nimmer heeft men
van een ongeluk gehoord, een toerist overkomen. Trouwens, men kan
denzelfden weg, waarlangs men gekomen is, terug nemen.
Eene zeer loonende rijtoer is ook naar La Rochette of Fels.
Bij de brug, die de beide oevers der Sûre verbindt, aan
de overzijde der rivier, begint een langzaam rijzende breede
straatweg. Zigzagsgewijze voert deze in zuidelijke richting naar den
top van den Haart en geleidt verder naar La Rochette. De afstand
bedraagt twaalf kilometers. Aanvankelijk blijft Diekirch in het
gezicht, en kan men eenigen tijd den loop van den stroom volgen. Een
steil voetpad brengt evenwel veel spoediger en in rechte lijn naar
het punt, waar het Sûredal zich aan uw blik onttrekt. Daar verbreedt
zich ook de vallei aan uwe linkerhand, en ontwaart gij in de diepte
de reeds vroeger besproken fabriek, naar den eigenaar _le moulin
Tschiderer_ geheeten.
Hier begint de weg sterk te rijzen. De paarden kunnen niet dan
stapvoets voort. Gij nadert allengs het hoogste punt, en snel gaat
het dan naar beneden. Tot tweemalen toe evenwel moet gij een bergrug
beklimmen, en staart gij van den top in een eerbiedwaardige diepte
neder. Vlak tegenover u verrijst dan een andere berg, naar wiens
spits een sterk hellend, bijna loodrecht pad voert. De bestijging
daarvan schijnt voor de paarden van het rijtuig bijna een volslagen
onmogelijkheid. Die wegen zijn evenwel in werkelijkheid veel
minder steil dan ze op eenigen afstand lijken. Geleidelijk is
hun glooiing. Hier en daar, bij verbreeding van het dal, waarin
zij aangelegd zijn en waar het uitzicht ruimer is, geven zij u de
liefelijkste natuurtooneelen te bewonderen. Maar ook wederom verder,
als zij u langs dichte bosschen of voorbij rotsachtige, met wild gewas
beplante hellingen voeren, komen ze u somber en eenzaam voor. De
rotsen zijn echter hier, evenmin als elders in het groothertogdom,
geheel onvruchtbaar. Gij ziet ze met graan of met klein laag hout
begroeid en hooger op met forsche boomen getooid. Hunne toppen alleen
zijn kaal. Daar vertoont zich de schraalheid van den bodem, die zulk
een contrast vormt met den rijkdom en de welvaart aan den voet.
Men rijdt het dorp Medernach door, waar eenigen tijd geleden
een prachtig mozaïek is gevonden, thans in het museum te
Luxemburg geplaatst, en voortdurend munten en oudheden worden
opgedolven. Altemaal getuigenissen ter versterking van het vermoeden,
dat hier een Romeinsche nederzetting is geweest. Eindelijk komt men
in het dal, waarin het plaatsje aan de Erenz ligt, hier de Erenz
Blanche of Haute Erenz geheeten, ter onderscheiding van een anderen,
daarmede evenwijdig loopenden tak, de Erenz Noire. Beide ontspringen
op den Grünewald en storten zich, gelijk ik reeds vroeger opmerkte,
in de Sûre, de eerste bij Reisdorf, de tweede bij Grundhof. Tweemaal
doorsnijdt het riviertje den straatweg, eer deze La Rochette
bereikt. Nu eens heeft men het links, dan weder rechts. Fraai is vooral
het laatste gedeelte van den weg. Met ingenomenheid rust het oog aan
wêerskanten op de bergruggen. 't Is een der meest romantische dalen
van het zoo schilderachtige land. Het vlek strekt zich als het ware
in twee verdiepingen aan den voet van den berg uit, aan alle kanten
ingesloten door torenhooge rotsen in de schilderachtigste vormen
en groepeeringen. Het marktplein wordt besproeid door de rivier en
bestreken door de bovenstad en een om zijn uitgestrektheid en hoogte
indrukwekkend rotsgevaarte, dat achter haar verrijst en aan de noord-
en westzijde om de steilte zijner wanden ontoegankelijk is. Op den top
van dat gevaarte, waarnaar het vlek den naam van La Rochette of Fels
heeft ontvangen, verheffen zich, scherp afstekend tegen het blauwe
hemelgewelf, de indrukwekkende bouwvallen van een middeleeuwschen
ridderburcht, te midden en boven allerlei heestergewas en hoog opgaand
geboomte, dat een schaduwrijk, met lanen doorsneden park vormt. Het
zijn brokken van torens en muren, met weelderig groen getooid. Ook kan
men nog de overblijfselen onderscheiden der wallen, die het stedeke,
na zijne vrijverklaring, tegen elke vijandelijke aanranding moesten
beschutten.
Op die rotsachtige hoogvlakte, die een door de natuur zelve gebouwde
forteres gelijkt, is het tusschen de ruïnen stil en eenzaam. Een
huivering moet, dunkt mij, ieder bevangen, die er bij het vallen van
den avond ronddoolt.
De bouwvallen bieden op zich zelve weinig merkwaardigs aan, dat tot
een bezoek uitlokt. Maar het uitzicht, dat men van daar heeft op de
omringende heuvelen, het pittoreske plaatsje en het dal, waarvan het
als het ware het middelpunt vormt, beloont ruimschoots de moeite van
de zeer lastige beklimming. Deze is echter door de zorgen van den
plaatselijken Verschönerungs-Verein wat gemakkelijker geworden. Tien
minuten ongeveer voorbij het marktplein bereikt men het pad, dat
naar boven voert. Links en rechts van den ingang verheffen zich als
schildwachten twee rotsblokken, waarin kelders zijn uitgehouwen, de
eene bestemd voor de bewaring van de schatten van Bacchus, de andere
voor die van Cambrinus. Tusschen die reuzen van graniet stijgt men
langzaam op naar de rotskruin, onder het loof van beuken en dennen,
terwijl een verkwikkende koelte u te gemoet stroomt. Deze kruin draagt
den naam van Scheffendelchen en is bekroond met het overschot van
een voormaligen slottoren, "Verloren kost" geheeten. Hier en daar
maken trappen de opklimming lichter. Op gevaarlijke punten zijn
hekken geplaatst en daar, waar een schoon uitzicht zich voordoet,
banken. In afwachting van de dingen die komen zullen, wandelt men
voort. Op de rotsvlakte aangeland, ontwaart men aan zijn voet, in de
gapende diepte, waarin een stevig ijzeren hek u belet neêr te storten,
het pad, langs hetwelk men gekomen is. Een heerlijk schouwspel biedt
de tegen u overliggende ruïne met het schilderachtige landschap,
dat zij bestrijkt. Op deze wandeling wijst men u ook het punt, waar
indertijd de veldstukjes geplaatst werden, uit welke het kasteel door
Boufflers beschoten is geworden.
Over de stad en het geslacht, dat tot de beroemdste van Luxemburg
behoorde en van wier Heerlijkheid zij de hoofdplaats en het middelpunt
was, handelde ik in mijn Schetsen.