IV

Mag Diekirch op zichzelf in menig opzicht een belangstellend bezoek

overwaard geacht worden, nog in hoogere mate is dit het geval, wanneer

men het kiest tot hoofdverblijf om te voet, per as of per spoor van

daar uit aantrekkelijke uitstapjes te ondernemen.

In den naasten omtrek reeds kan men, zonder buitengewone vermoeienis

of krachtsinspanning een aantal aangename wandeltochten maken, die

een rijke bron van genot opleveren voor hen, wier gemoed waarachtig

natuurschoon weet te waardeeren. Zij beginnen reeds zoodra men de

stad verlaat en bieden zich van zelf aan. Uitgezonderd die over

den Kaleberg, moet men de andere beginnen met eerst een eind den

weinig belommerden straatweg te volgen. De krachtige, schaduwrijke

boomen, die hem weleer bezoomden, zijn geruimen tijd geleden door

het gemeentebestuur omgehouwen en door jeugdig plantsoen vervangen,

en de voet van het gebergte is bekleed met korenvelden. Eerst hoogerop

beginnen de bosschen. Daarenboven, tenzij men den straatweg langs de

Sûre, westwaarts naar Ettelbrück of oostwaarts naar Bettendorf volgt,

moet men niet tegen een beetje klimmen opzien. Die bergpaden evenwel

behoeven u niet af te schrikken. Zij zijn in den regel niet steil,

maar voeren geleidelijk _en zigzag_ naar den top. Wel kan men dien

in korteren tijd bereiken, doch dan heeft men smalle, sterk-hellende

laantjes te bestijgen. De moeite wordt echter rijkelijk beloond, als

men het doel heeft bereikt. Te bejammeren is het--misschien is hierin

verandering gekomen--dat er nergens banken worden aangetroffen. Die

ontbreken ten eenenmale. Er blijft geen andere keus over om de

vermoeide ledematen uit te strekken, dan op het gras aan den zoom van

het bosch of op een rotsblok. Het gemeentebestuur zal een goed werk

doen en de vreemdelingen, die de stad bezoeken en wier aantal jaarlijks

toeneemt, zeer aan zich verplichten door hier en daar eenvoudige,

uit boomtakken vervaardigde zetels te plaatsen, zooals op den Kaleberg

reeds is geschied. Evenzoo zullen de wandeltochten nog veraangenaamd

worden, wanneer in de bosschen betere paden zijn gebaand. Een genoegen

is het mij thans te kunnen mededeelen, dat in dit opzicht een krachtige

hand geslagen werd aan eene verbetering van den toestand. De ettelijke

jaren geleden te Diekirch opgerichte Verschönerungs-verein, door het

landsbestuur en de stedelijke regeering gesteund, beijvert zich, ook

met hulp der vrijwillige bijdragen van de ingezetenen, den omtrek te

verfraaien en de schoonste punten toegankelijk te maken. Aan haar heeft

men, gelijk ik reeds mededeelde, de zoo aanbevelenswaardige wandeling

naar den Haart te danken. De aanleg van den reeds hierboven genoemden

Kaleberg (koude-berg) mag als een proeve van wat zij in staat is tot

stand te brengen, worden beschouwd.

Voor die wandeling behoeft men de brandende zonnestralen niet te

trotseeren. Zij begint aan het einde der zoogenaamde Esplanade, die

naar de Place Guillaume voert. Men slaat daar den zoogenaamden hollen

weg, _chemin creux_, achter de Bierbrouwerij in, tegen de helling

van den Seitert, links van den weg naar Stavelot. Onder het toezicht

en naar de plannen van wijlen den districts-ingenieur Hartmann is

daar, gedeeltelijk voor rekening van den Staat, gedeeltelijk voor

die van de Gemeente, in 1880 een groot stuk van de berghelling tot

een prettig wandeloord gemaakt. Een pad is er in het bosch aangelegd

van één tot twee meters breedte, langzaam rijzend, nu eens glooiend,

dan langs trappen uit boomstammen vervaardigd naar boven voerend

tot op den top van den Seitert. Hier en daar heeft men met veel takt

openingen gemaakt tusschen het geboomte om een vergezicht te hebben

op de naburige bergen. Men vindt er ook rustieke banken en zetels,

zelfs tafels met leunstoelen. Uitnemende plekjes voor dames, om

daar met haar handwerkje den ochtend door te brengen. Houten bruggen

geleiden over de door bergstroompjes gegraven ravijnen. Halverwege

is een in rustieken stijl gebouwde kiosk, die als muziektent moet

dienen. Daar hebben van tijd tot tijd ook uitvoeringen der stedelijke

kapel plaats. Het is een uitnemend terrein voor een bal champêtre.

Wil men de wandeling voortzetten en een genotvol uurtje doorbrengen in

een wezenlijk bosch, waarin pijn en den en spar met hun verfrisschende

geuren de lucht bezwangeren, dan volgt men het middenpad van den

Kaleberg, dat uitloopt op een kleine hoogvlakte. Deze steekt men over,

recht uit, en komt dan binnen weinige minuten in het Friedbusch. Dit

wordt door verschillende voetpaden doorsneden. Rechts afslaande

bereikt men de bovengenoemde heirbaan naar Stavelot. Links af, die naar

Erpeldange of Erpeldingen. Wil men, na den Kaleberg te hebben bezocht,

dadelijk stadwaarts keeren langs een anderen weg, dan slaat men het

pad in, dat in linksche richting is aangelegd en om den berg heenloopt,

en betreedt Diekirch weder langs de Flossbach en den Flossweg.

Van den Herrenberg, op welks top een groote landhoeve, de Schwartzhof

zich uitstrekt, heeft men een heerlijk gezicht op de stad en het

gansche dal van de Sûre. Die berg verheft zich aan een hoek van het

schiereiland, door de Blèze of Blees en de Sûre gevormd, en ligt

geheel op zich zelf aan de noord- oost- en zuidzijden. Het riviertje,

dat tusschen groene weiden en met goudgeel graan beladen akkers

voortkronkelt en dat men over een groote uitgestrektheid met het oog

volgen kan; het stedeke, dat u zoo vriendelijk toelacht, als noodde het

u binnen zijne muren terug te keeren; het gebergte aan de overzijde met

de boschrijke hellingen en de valleien, die de verschillende deelen,

waaruit het samengesteld is, scheiden; het op een kleinen afstand

gelegen dorpje Gilsdorf met zijn witte huizen en zijn kerkje, dat zoo

scherp uitkomt tusschen de populieren, die het omgeven en tegen den

achtergrond, gevormd door de hoogten van den Grilsdorfer-Ban.... alles

is even liefelijk en trekt onwederstaanbaar het oog tot zich.

Ook het doorkruisen der kleine valleien tusschen de bergen, die den

achtergrond vormen van het landschap, waarvan Diekirch het middelpunt

is: de Herrenberg, de Seitert, de Schützenberg en de Goldknap,

verschaft een groot genot, niet minder dan het dwalen langs hun

flanken en over hun toppen.

Het verblijf te Diekirch wordt aanmerkelijk veraangenaamd, wanneer

men goed ter been is. Men kan dan te voet allerlei uitstapjes doen en

op de schoonste punten zoolang men wil vertoeven, terwijl men, in een

rijtuig gezeten, door het rijzen of dalen van den weg gedwongen wordt

steeds voort te gaan. Trouwens, de afstanden zijn niet groot. Een

gemak is het daarenboven, dat men dezen per kilometer op steenen

palen langs de straatwegen aangeduid vindt, terwijl op de kruispunten

der heirbanen overal wegwijzers zijn opgericht. Men weet dus altoos

of men de goede richting volgt. Ook heeft men geen vergissingen of

teleurstellingen te duchten en blijft gevrijwaard voor de onaangename

ervaring, welke men zoo vaak ten onzent op het platteland ontmoet,

wanneer men hoort spreken van "een goed kwartiertje", terwijl men

soms een uur heeft af te leggen.

Een alleraangenaamste wandeling vindt men aan de overzijde der rivier

langs de Sasselbach, beek der Saksen, die, na een uitgestrektheid van

zes à zeven kilometers te hebben doorloopen, zich tusschen Gilsdorf

en Diekirch in de Sûre stort. Volgt men stroomopwaarts de smalle

vallei waarin zij zich voortspoedt, dan komt men eindelijk in de

nabijheid van een meelfabriek en brandewijnstokerij, verscholen in de

diepte aan den straatweg naar La Rochette tusschen weelderig groen,

waaruit het geklik-klak van het molenrad u tegenklinkt. Een landhoeve

is er aan verbonden. Uitgestrekte korenakkers en aardappelenvelden

strekken zich aan de andere zijde uit. Nijverheid, landbouw en

veeteelt te gader hebben daar hun zetel opgeslagen. De inrichting,

Moulin-Tschiderer geheeten, is een bezoek overwaard. Met welgevallen

zal men de zware ossen en stevige schapen aanschouwen, die men hier

fokt om ze later ter markt te brengen of uit te voeren naar België en

Duitschland. De melk der koeien wordt in de stad uitgevent. De afval

der fabriek dient tot voedsel voor het vee. Niets gaat verloren,

terwijl de grondstoffen in de nabijheid worden verbouwd.

Dicht bij die fabriek, vormt de Sasselbach drie watervalletjes,

als ten minste de droogte des zomers niet te lang heeft

aangehouden. Onwillekeurig wordt men daar uitgelokt zich in de schaduw

van het zwaar geboomte aan den oever neêr te vlijen en, luisterende

naar het geklots en gekletter der schuimende golven, zich in zoete

mijmeringen te verdiepen. Van hier keert men naar Diekirch langs den

straatweg terug. De geheele wandeling duurt een anderhalf uur. Men kan

die ook ondernemen van Gilsdorf over Folkingen, dat een oud kasteel

bezit, thans in een pachthoeve hervormd. Op een half uur afstand ten

zuidoosten van dit dorp, in het bosch tusschen Medernach en Stegen,

ontspringt de Sasselbach.

Wat Diekirch als hoofdverblijf bovenal aanbeveelt, is dat het

door zijne ligging beter dan eenige stad van het groothertogdom

geschikt blijkt voor langere uitstapjes, per spoortrein of rijtuig te

maken. Een volledig programma wordt u daarvoor aangeboden en is ook

in een aanhangsel achter mijn Schetsen opgenomen. Naar gelang van den

tijd, waarover gij te beschikken hebt, kan dit worden ingekrompen

of uitgebreid: in noordelijke richting naar Vianden, Clairvaux,

Bourscheid, Wiltz, Esch-le-Trou; oostelijk naar Beaufort, Echternach,

het Müllerthal; zuidwaarts naar La Rochette, Meysemburg, Mersch en

haar omtrek, de vallei der Alzette en de hoofdstad. In de stad zijn

uitnemende rijtuigen verkrijgbaar: landauers, omnibussen, victoria's,

breaks, chars-à-bancs, open en gesloten. Bij heele of halve dagen en

naar het aantal paarden, dat men noodig heeft, worden de prijzen van

een rijtoer berekend. Een wagen met twee paarden kost voor een geheelen

dag 20 fr., voor een halven 12 fr.; met één paard 7.50 fr. voor een

halven en 12 fr. voor een geheelen dag. Toch kan de toestand van den

weg wel eens een verhooging van den prijs noodzakelijk maken.

V

Onder de uitstapjes, die bij een eerste, zelfs kort verblijf te

Diekirch worden aanbevolen, behoort dat aan de ruïnen van Bourscheid,

anderhalve kilometer van het dorp van dien naam gelegen op den top van

een hoogen berg, wiens voet door de Sûre wordt gekust en waaronder

men bij Michelau in een langen tunnel voortspoort. Ik wees reeds

in mijn inleiding op de stoute en verheven tooneelen, die de oevers

der Boven-Sûre aanbiedt, eer zij bij Ettelbrück de Alzette in haren

schoot opneemt.

Die ruïnen, een der schoonste proeven van militaire architektuur uit

de middeleeuwen, zijn de overblijfselen van een kasteel, dat aan het

gevaar ontkwam van, als zoovele andere burchten door een Fransch leger

onder den maarschalk de Boufflers, die als een geesel het hertogdom

doortrok, te worden verwoest, toen het bij de eerste opeisching

zich haastte zijn poorten te openen. Een eeuw later werd het door

de Fransche republikeinen geplunderd en ontmanteld. Langzamerhand in

een bouwval herschapen, tot staatseigendom verklaard en ten verkoop

aangeslagen, kwam het in het bezit der familie Vannérus. Was de

burcht voorheen de trots van den ganschen omtrek, thans wekt de

verhevenheid der ruïne, die de vallei bestrijkt en van verre den blik

onweêrstaanbaar tot zich trekt, de bewondering van den toerist. Te

midden eener indrukwekkende en woeste natuur is zij als neêrgeworpen

op een soort van voorgebergte, dat, vierhonderd meters hoog, aan

drie zijden door de wateren der zich er omheen kronkelende Sûre

wordt omspoeld. Die dubbele rij wallen, kolossale torens, gescheurde

muren en steenklompen, waarheen een steil pad u voert, geven een hoog

denkbeeld van de macht der voormalige bewoners, die van de 9de tot

de 13de eeuw een groote rol speelden in het gewest. In de 16de eeuw

stierf hun huis uit en kwam de baronnie aan de Heeren van Metternich,

die het tot aan de fransche revolutie behielden. De laatste baron

verliet toen het land en liet zijn bezittingen in den steek, die dan

ook verbeurd werden verklaard.

Op verschillende wijzen kan men den bouwval bereiken. Ten eerste per

spoortrein van Diekirch en verder langs de lijn Ettelbrück-Pepinster

tot de eerste halt, Michelau, het dorpje, dat zich langs de Sûre aan

den voet van een hooge heuvelenrij, met zijn vriendelijke landouwen,

boomgaarden en tuinen uitstrekt. Daar gaat men de rivier over en

bestijgt den berg, wiens beklimming een 25-tal minuten duurt, om hem

iets verder, tegenover het dorpje Goebelsmühle, af te dalen en van daar

per spoor terug keeren. Doch ik geloof niet dat de tocht, op die wijze

gemaakt, al het genot oplevert, 't welk men smaken kan. Klimmen blijft

altoos vermoeiend, en men is te veel aan den tijd gebonden. Daarenboven

mist men de heerlijke gezichten, die men heeft als men over Ettelbrück,

Warcke en Buerden per as zich er heen begeeft, om dan aan de zijde van

Michelau af te dalen en verder den straatweg naar Diekirch te volgen.

Op die wijze begaf ook ik mij de eerste maal daarheen.

Wij sloegen te Ettelbrück rechtsaf eene zijstraat in, die

langzamerhand rees, reden het reeds veel hooger gelegen dorp Warcke

door, en stegen steeds tusschen graanvelden, afgewisseld door

hellingen, met kort eikenhout beplant. Merkwaardig was het verschil

tusschen de natuur aan gindsche zijde van het dal, dat wij hadden

doorgereden, en die welke ons omringde. Wij waren op de grens van

het barre Oesling. Welk een tegenstelling tusschen de dorheid en de

schraalheid van den rotsachtigen bodem ginds, en de weelderigheid

beneden! Daar onvruchtbaarheid en grauwe steenklompen, hier rijkdom

en verscheidenheid van voortbrengselen van den grond. Hoe hooger

wij stegen, des te meer begon ook onze omgeving het karakter van

het Oesling te vertoonen. Het loofhout verdween weldra. Enkele

dennen vertoonden zich nog. Alleen heidebloempjes of boekweit

zagen wij den bergrug tooien. Het was spoedig gedaan met allen

plantengroei. Geen heester, geen kruidje, geen bloem kon ons oog

meer ontdekken. Het rijtuig hadden wij wegens het sterke stijgen van

den weg verlaten. Eindelijk bereikten wij eene hoogvlakte. Overal,

in alle richtingen, aanschouwden wij nieuwe bergen, wier omtrekken

minder scherp werden en wier tinten ineensmolten. Achter ons, in het

verschiet, de hoogten tegenover Diekirch. Eenige meters beneden ons,

aan onze rechterhand, verhief zich de spits van een dorpskerkje. Het

was de toren van Buerden.

Treffend schoon is vooral het panorama, u even voorbij Buerden

aangeboden, wanneer gij de bergvlakte, waarop het dorp ligt, bereikt.

Bij het zwenken van den weg ziet gij de ruime bergkloof liggen,

terwijl aan de andere zijde de gemeente Heiderscheid in de diepte

zich schijnt te willen verbergen, en een kerktoren en eenige huizen,

die van het dorp Welscheid, zich op grooten afstand tegen den horizon

scherp afteekenen.

Wij reden verder door, steeds klimmende. Na in het dorp wat te hebben

gepleisterd, daalden wij gedurende een kwartier ongeveer, naar een

lager gelegen bergtop af, en bezochten de ruïnen. Aan de zijde van

Michelau verlieten wij den bouwval. Wij bleven steeds dalen. De weg

levert wel eenige bezwaren op.

Het pad is langs die zijde in den berg, den hoogsten van het geheele

groothertogdom, zigzagsgewijze uitgehouwen. De helling is steil. Men

ziet dus altoos aan zijn linker- of rechterzijde het naar beneden

voerende, als een breed lint zich slingerende pad. Het gezicht van

dien gapenden afgrond is voor velen ijzingwekkend. Een zijsprong van

een der paarden.... en gij loopt gevaar naar beneden te tuimelen en

in de rivier terecht te komen.

Nochtans is die angst overdreven, gelijk ik uit eigen ervaring kan

getuigen. Al zit men niet volkomen op zijn gemak, toch moet men uit

vrees voor een beetje ongerustheid niet het heerlijke schouwspel

prijs geven, dat de rit naar Bourscheid over Ettelbrück schenkt. De

paarden zijn aan dien tocht gewoon. En nooit of nimmer heeft men

van een ongeluk gehoord, een toerist overkomen. Trouwens, men kan

denzelfden weg, waarlangs men gekomen is, terug nemen.

Eene zeer loonende rijtoer is ook naar La Rochette of Fels.

Bij de brug, die de beide oevers der Sûre verbindt, aan

de overzijde der rivier, begint een langzaam rijzende breede

straatweg. Zigzagsgewijze voert deze in zuidelijke richting naar den

top van den Haart en geleidt verder naar La Rochette. De afstand

bedraagt twaalf kilometers. Aanvankelijk blijft Diekirch in het

gezicht, en kan men eenigen tijd den loop van den stroom volgen. Een

steil voetpad brengt evenwel veel spoediger en in rechte lijn naar

het punt, waar het Sûredal zich aan uw blik onttrekt. Daar verbreedt

zich ook de vallei aan uwe linkerhand, en ontwaart gij in de diepte

de reeds vroeger besproken fabriek, naar den eigenaar _le moulin

Tschiderer_ geheeten.

Hier begint de weg sterk te rijzen. De paarden kunnen niet dan

stapvoets voort. Gij nadert allengs het hoogste punt, en snel gaat

het dan naar beneden. Tot tweemalen toe evenwel moet gij een bergrug

beklimmen, en staart gij van den top in een eerbiedwaardige diepte

neder. Vlak tegenover u verrijst dan een andere berg, naar wiens

spits een sterk hellend, bijna loodrecht pad voert. De bestijging

daarvan schijnt voor de paarden van het rijtuig bijna een volslagen

onmogelijkheid. Die wegen zijn evenwel in werkelijkheid veel

minder steil dan ze op eenigen afstand lijken. Geleidelijk is

hun glooiing. Hier en daar, bij verbreeding van het dal, waarin

zij aangelegd zijn en waar het uitzicht ruimer is, geven zij u de

liefelijkste natuurtooneelen te bewonderen. Maar ook wederom verder,

als zij u langs dichte bosschen of voorbij rotsachtige, met wild gewas

beplante hellingen voeren, komen ze u somber en eenzaam voor. De

rotsen zijn echter hier, evenmin als elders in het groothertogdom,

geheel onvruchtbaar. Gij ziet ze met graan of met klein laag hout

begroeid en hooger op met forsche boomen getooid. Hunne toppen alleen

zijn kaal. Daar vertoont zich de schraalheid van den bodem, die zulk

een contrast vormt met den rijkdom en de welvaart aan den voet.

Men rijdt het dorp Medernach door, waar eenigen tijd geleden

een prachtig mozaïek is gevonden, thans in het museum te

Luxemburg geplaatst, en voortdurend munten en oudheden worden

opgedolven. Altemaal getuigenissen ter versterking van het vermoeden,

dat hier een Romeinsche nederzetting is geweest. Eindelijk komt men

in het dal, waarin het plaatsje aan de Erenz ligt, hier de Erenz

Blanche of Haute Erenz geheeten, ter onderscheiding van een anderen,

daarmede evenwijdig loopenden tak, de Erenz Noire. Beide ontspringen

op den Grünewald en storten zich, gelijk ik reeds vroeger opmerkte,

in de Sûre, de eerste bij Reisdorf, de tweede bij Grundhof. Tweemaal

doorsnijdt het riviertje den straatweg, eer deze La Rochette

bereikt. Nu eens heeft men het links, dan weder rechts. Fraai is vooral

het laatste gedeelte van den weg. Met ingenomenheid rust het oog aan

wêerskanten op de bergruggen. 't Is een der meest romantische dalen

van het zoo schilderachtige land. Het vlek strekt zich als het ware

in twee verdiepingen aan den voet van den berg uit, aan alle kanten

ingesloten door torenhooge rotsen in de schilderachtigste vormen

en groepeeringen. Het marktplein wordt besproeid door de rivier en

bestreken door de bovenstad en een om zijn uitgestrektheid en hoogte

indrukwekkend rotsgevaarte, dat achter haar verrijst en aan de noord-

en westzijde om de steilte zijner wanden ontoegankelijk is. Op den top

van dat gevaarte, waarnaar het vlek den naam van La Rochette of Fels

heeft ontvangen, verheffen zich, scherp afstekend tegen het blauwe

hemelgewelf, de indrukwekkende bouwvallen van een middeleeuwschen

ridderburcht, te midden en boven allerlei heestergewas en hoog opgaand

geboomte, dat een schaduwrijk, met lanen doorsneden park vormt. Het

zijn brokken van torens en muren, met weelderig groen getooid. Ook kan

men nog de overblijfselen onderscheiden der wallen, die het stedeke,

na zijne vrijverklaring, tegen elke vijandelijke aanranding moesten

beschutten.

Op die rotsachtige hoogvlakte, die een door de natuur zelve gebouwde

forteres gelijkt, is het tusschen de ruïnen stil en eenzaam. Een

huivering moet, dunkt mij, ieder bevangen, die er bij het vallen van

den avond ronddoolt.

De bouwvallen bieden op zich zelve weinig merkwaardigs aan, dat tot

een bezoek uitlokt. Maar het uitzicht, dat men van daar heeft op de

omringende heuvelen, het pittoreske plaatsje en het dal, waarvan het

als het ware het middelpunt vormt, beloont ruimschoots de moeite van

de zeer lastige beklimming. Deze is echter door de zorgen van den

plaatselijken Verschönerungs-Verein wat gemakkelijker geworden. Tien

minuten ongeveer voorbij het marktplein bereikt men het pad, dat

naar boven voert. Links en rechts van den ingang verheffen zich als

schildwachten twee rotsblokken, waarin kelders zijn uitgehouwen, de

eene bestemd voor de bewaring van de schatten van Bacchus, de andere

voor die van Cambrinus. Tusschen die reuzen van graniet stijgt men

langzaam op naar de rotskruin, onder het loof van beuken en dennen,

terwijl een verkwikkende koelte u te gemoet stroomt. Deze kruin draagt

den naam van Scheffendelchen en is bekroond met het overschot van

een voormaligen slottoren, "Verloren kost" geheeten. Hier en daar

maken trappen de opklimming lichter. Op gevaarlijke punten zijn

hekken geplaatst en daar, waar een schoon uitzicht zich voordoet,

banken. In afwachting van de dingen die komen zullen, wandelt men

voort. Op de rotsvlakte aangeland, ontwaart men aan zijn voet, in de

gapende diepte, waarin een stevig ijzeren hek u belet neêr te storten,

het pad, langs hetwelk men gekomen is. Een heerlijk schouwspel biedt

de tegen u overliggende ruïne met het schilderachtige landschap,

dat zij bestrijkt. Op deze wandeling wijst men u ook het punt, waar

indertijd de veldstukjes geplaatst werden, uit welke het kasteel door

Boufflers beschoten is geworden.

Over de stad en het geslacht, dat tot de beroemdste van Luxemburg

behoorde en van wier Heerlijkheid zij de hoofdplaats en het middelpunt

was, handelde ik in mijn Schetsen.

In Luxemburg's Gutland De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 4 / 6 题