VI

Wie evenwel slechts een enkelen dag te Diekirch vertoeft, blijve

niet in gebreke eenige uren af te zonderen voor een bezoek aan het,

op twaalf kilometers ten N. O. van Diekirch gelegen Vianden.

Het romantische natuurschoon, dat de weg derwaarts oplevert; de

pittoreske ligging van het stadje; de indrukwekkende bouwvallen, die

het bestrijken en in uitgestrektheid en schoonheid de ruïnen van de

Rijnoevers verre overtreffen; de geschiedkundige herinneringen, aan

dit oord vastgeknoopt, noodigen als om strijd den toerist dien tocht

te aanvaarden. Voor den Nederlander heeft deze een aantrekkelijkheid

te meer. Die klassieke plek immers was de bakermat van dien tak der

Nassau's, die zich in de Nederlanden vestigde, met opoffering van

goed en bloed ons vaderland aan het Spaansche dwangjuk zich hielp

ontworstelen en, na met eer en roem zich te hebben overdekt, er in

1815 de koninklijke waardigheid verwierf. Daar droegen de stamhouders

van ons Oranjehuis, vóór eeuwen reeds, de grafelijke kroon en waren

zij met souvereine macht bekleed.

Geen landgenoot dan ook "wien Neêrlandsch bloed in de aderen vloeit",

die deze streek bezoekt en niet in bedevaart zijne schreden richt naar

den alouden stamburcht, waar het eerst in de Nederlanden de banieren

van de Nassau's wapperden.

't Is een heerlijke tocht, dien men meestal met de stoomtram, in

het Groothertogdom Secundär-Bahne geheeten, onderneemt, of wel, wat

mij verkieslijker voorkomt, per rijtuig. Men kan echter ook gebruik

maken van den postwagen, die des morgens van Diekirch vertrekt en

's avonds terugkeert. Den afstand per as legt men in anderhalf

uur af. Wie echter niet opziet tegen een paar uurtjes geleidelijk

klimmen, moet te voet er heen gaan. Het genot is des te grooter;

want de weg is vol afwisseling. Men volgt eerst de Sûre, totdat men,

aan de linkerhand een flinken breeden straatweg bereikt, halverwege

Bettendorf bij Bleesbrück of de Bleesbrug, waar ook een halt is van de

stoomtram naar Vianden. Deze heirbaan slaat men in. Zij is bezoomd met

lindeboomen, hier en daar door sparren, eiken of platanen vervangen.

Spoedig begint gij te stijgen. Slechts langzaam gaat het voort, maar

de schoone omgeving doet den tijd kort vallen. Welige landouwen, hooi-

en bouwland met bosschen op den achtergrond, spreiden zich aan de eene

zijde uit. Aan de andere verheffen zich berghellingen met hoog hout

getooid. Een reeks van natuurtooneelen, nu eens liefelijk, dan weder

stout, boeit uw oog. Maar hooger en hooger rijst de weg, die u voorbij

de zoo pittoresk tegen de helling gelegen dorpjes Fouhren en Tandel

voert. In de diepte aanschouwt gij de vallei, waar alles u spreekt

van vruchtbaarheid en welvaart: die boomgaarden, dat volle koren,

die nette huisjes. Daarachter, met bosschen omkranste bergtoppen, als

gesteund, omstrengeld en opgehouden door een gordel van grazige weiden.

Eindelijk komt gij op eene hoogvlakte. En bij het kronkelen van den

aan weêrskanten met ooftboomen beplanten weg, ziet! daar vertoont zich

eensklaps op een afstand de iets lager gelegen trotsche ruïne. Welk

een tooneel! Van welken kant men Vianden nadert, altoos blijft

dit even indrukwekkend. Gij begint te dalen; doch den bouwval,

die u zoo dreigend aangrimt, verliest gij geen oogenblik uit het

gezicht. Onmogelijk het oog er van af te wenden. In snelle vaart

gaat het echter naar beneden en nadert ge het in een diepe en enge

bergkloof aan de romantische oevers der Our gelegen stadje, niet veel

meer dan een op elkander gedrongen groep huizen.

Boven de stad, op een steile, ongeveer 150 meters hooge rots, wier

voet door de zacht kabbelende golfjes der Our gekust wordt, ontdekt

gij thans weer de voor een oogenblik aan uw gezicht onttrokken

overblijfselen van den burcht, die eens den machtigen graven van

Vianden tot residentie verstrekte. 't Is of die overblijfselen u

toeroepen, dat hun voormalige bewoners, die, vermaagschapt aan de

eerste vorstenhuizen in Europa, langen tijd geen ander gezag boven zich

erkenden dan dat des Duitschen keizers en door de sires van Bettendorf,

Brandenburg, Clervaux, Esch, Erpeldange, Meysemburg en anderen als

leenheer gehuldigd werden, dat zij niet verdacht wilden worden van iets

gemeen te hebben met wie daar beneden hunne tenten hadden opgeslagen

in de nederige woningen, rondom hun slot gegroepeerd! Toch zou men

zich bedriegen, als men dit geloofde. De graven van Vianden hadden

hun onderzaten lief en lieten niets onbeproefd om het welzijn van

dezen te bevorderen.

Vianden maakt den indruk van vervallen grootheid, hoe kwistig ook de

natuur hier hare bekoorlijkheden tentoonspreidt. Wisten de bewoners

van de stulpen, die zich in de bergkloof om den burcht groepeerden,

dank zij de vrijgevigheid en genegenheid hunner graven, hun gehucht uit

te breiden tot eene stad, waar kunst en wetenschap beoefend werden en

het fabriekswezen bloeide,--alles herinnert u dat die schoone dagen

voorbij zijn. Zij, die eens de hoofdstad was van een graafschap, de

zetel van een schitterend hof, is thans niets meer dan een eenvoudige

gemeente van omstreeks 1500 zielen. De nijverheid en handel, die er

vroeger welig tierden, kwijnen sinds lang. Eenige welvaart wordt er

nog verspreid door het bezoek van vreemdelingen. Want schilders,

dichters en oudheidkundigen, zoowel als de bewonderaars eener

romantische natuur, worden als om strijd erheen getrokken, terwijl

zij, die niet zoozeer voedsel voor hun hoofd of hart als wel een

aangename ontspanning zoeken, in de vischvangst en de jacht hiertoe

ruimschoots gelegenheid vinden. Voor de geschiedenis der stad en een

nadere kennismaking met haar en hare prachtige omstreken, verwijzen

we naar onze Schetsen uit Luxemburg.

De overblijfselen van den alouden burcht, wiens kapel door de zorgen

des toenmaligen Stedehouders van den Koning-groothertog Willem III,

Prins Hendrik der Nederlanden in haar indrukwekkenden oorspronkelijken

stijl hersteld werd, zijn thans het eigendom van den regeerenden

Groothertog, wiens Vader ze met de vele andere domeinen van wijlen

koning Willem III, van diens hooge Erven aankocht--die overblijfselen

zijn een der schoonste monumenten uit de middeleeuwen, voor den

oudheidkundige inzonderheid in de hoogste mate belangwekkend. Ten

dage zijner grootheid was de burcht, na Luxemburg, de sterkste vesting

van het hertogdom en misschien van al de zuidelijke Nederlanden. Zijn

stichting klimt op tot de negende of tiende eeuw; uit dien tijd zijn

dan ook de bouwvallen afkomstig. Een breede weg, die allengs overgaat

in een hobbelig pad, leidt uit het noordelijk gedeelte der stad

daarheen. Een driedubbele rij ringmuren bevestigde het eigenlijke

kasteel. Een diepe, thans gedempte gracht verleende daarheên den

toegang door middel van een ophaalbrug, wier plaats thans is ingenomen

door een rijzend pad. Aan de eene zijde sloten die muren zich tegen

de stad aan; aan de andere strekten zij zich uit tot de loodrechte,

schier ongenaakbare rots, waarop het slot zich verhief. Van dat

oude slot zijn de bouwvallen, die men ziet, het overschot. Langs

den eersten ringmuur, waarachter men, ter plaatse waar vroeger

de hoofdpoort was, de ruïne betreedt, en uit wiens schietgaten

men tal van schoone panorama's aanschouwt, bereikt men een klein,

in gothischen stijl opgetrokken gebouwtje, waar de toerist zijne

handteekening in het daarvoor bestemde boek zet. Naar het aantal

namen te oordeelen, is het bezoek zeer druk. Naast dit gebouwtje

ligt de woning van den bewaarder, wiens vrouw of kind u op uw tocht

vergezelt. In hun volksdialect beproeven zij al wat uwe aandacht wekt,

te verklaren. Dit was mij hinderlijk. Zoo gaarne had ik daar alleen

rond gedoold, mij aan mijne gepeinzen overgevende en luisterende

naar de stemmen, die uit de eerbiedwaardige steenklompen tot mij

kwamen. Dit geleide is echter noodig om u te beletten te verdwalen,

of te verhoeden dat gij u op gevaarlijke punten zoudt begeven.

Wel bood het geheel een tooneel van verwoesting aan, dat mij het hart

met diepen weemoed vervulde. Wat spraken die ingevallen torens, brokken

muur, vermolmde balken van een onherstelbaar verloren grootheid! Doch

niet veel inspanning kostte het, mij eenigszins voor te stellen hoe het

kasteel in de dagen van zijn glorievol verleden was ingericht, met zijn

voor- en binnenhof en het buitenhof, waar het lagere dienstpersoneel

woonde. Phantastisch zag ik het door mijne geschiedkundige verbeelding

verlicht. De gleuven in het muurwerk wijzen nog de scheidingen

der verschillende verdiepingen aan. De gemetselde zitbanken aan de

voormalige kruisramen toonen de plaats, waar men koutende samen zat,

met het uitzicht op het heerlijke landschap, dat den burcht aan alle

zijden omgaf. En in mijne gedachte zag ik het bevolkt door zijne

doorluchtige bewoners. De ridderzaal, de vestibule met hare pilaren

en kapiteelen, de gevangenissen, de kelders en sombere gewelven,

de oubliëtte, de steenen kogels of ballen, die blijkbaar eens voor de

lepels der blijden, het middeleeuwsch geschut, bestemd waren en hier en

daar verspreid lagen, dit alles tooverde mij het grijs verleden voor

den geest. Bovenal deed dit de zoo heerlijk herstelde kapel, waarvan

het middelste gedeelte niet bevloerd is, maar een, door een steenen

balustrade omgeven cirkelvormige opening aanbiedt. Hierdoor konden,

volgens de overlevering, de gevangenen, die daar onder in den kerker

zuchtten, de mis bijwonen, en waren zij dus door 's graven goedheid

niet van den troost van hun godsdienst verstoken.

Door huwelijk in 1407 aan de Nassau's vervallen, bleef het graafschap

aan dit doorluchtige huis behooren, ook nadat Reinier van Nassau,

die zijn vader Hendrik IV in het graafschap Vianden en al de

overige nederlandsche domeinen opvolgde, van Philibert, zijn oom

van moederszijde, het prinsdom Oranje erfde. Van dezen Reinier,

den eersten prins uit het huis Oranje-Nassau, was de groote Vader

des vaderlands, de onsterfelijke Willem de Zwijger, de volle neef en

erfgenaam. Beiden hadden denzelfden grootvader, Johan V van Nassau.

Zoo kwam Vianden aan het Vorstenhuis, dat drie eeuwen lang met

Nederland lief en leed getrouwelijk deelde en zich onvergankelijke

aanspraak verworven heeft op de dankbaarheid van ons volk. En al

werden ook de meeste der 52 dorpen en andere domeinen, waaruit

het graafschap eertijds bestond, in 1815 door het Weener-congres

aan Pruisen geschonken, het oude stamslot verbleef in eigendom den

nazaten van hen, die er vroeger resideerden. "Daarom ook beschouwt

de Luxemburger dien stamburg als een der meest klassieke plekken van

zijn schilderachtige landouwen, en met trots wijst hij er op, dat het

huis der Nassau's vóór meer dan vijfdehalve eeuw in zijn vaderland

het bewind voerde over een uitgestrekte landstreek en daar zegen en

voorspoed verspreidde" [4].

Wie daartoe eenigszins de gelegenheid heeft, mag niet verzuimen ook

de hoofdstad te bezoeken.

Van Ettelbrück loopt de spoorbaan der maatschappij

Guillaume-Luxembourg, die, gelijk wij reeds opmerkten te Trois-Vierges

haar uitgangspunt heeft, door de uiterst vruchtbare en poëtische

vallei der steeds kronkelende Alzette. Nauwelijks heeft men het laatste

station bij het bloeiend fabrieksplaatsje Eich verlaten, of men ziet

het voormalige "Gibraltar van het noorden", zooals het vroeger als

een schier onneembare vesting beschouwde Luxemburg genoemd werd,

verrijzen. Hoe dichter men de stad nadert, tot wier ontmanteling

in 1867, na den Pruisisch-Oostenrijkschen oorlog van 1866, en haar

opheffing als bondsvesting van den Duitschen Bond door het congres

van Londen werd besloten, des te meer vernauwt zich het dal, des

te hooger en indrukwekkender worden de rotsen, die in natuurlijke

verdedigingswerken werden herschapen. Gedurende drie eeuwen arbeidden

daaraan achtereenvolgens Luxemburgers, en na hen de volken, in wier

bezit de stad kwam: Spanjaarden, Oostenrijkers, Franschen en ook

Nederlanders, nadat bet groothertogdom in 1815 aan Koning Willem I

was afgestaan, en het laatst, sedert 1839, de Duitsche Bond, waarin

het was opgenomen.

Nog in den trein gezeten, heeft men reeds gelegenheid zich een

denkbeeld te vormen van de sterkte, welke de muren vroeger hadden,

en die het bezit der vesting uit een strategisch oogpunt voor meer

dan ééne mogendheid zoo begeerlijk maakte, en haar door andere deed

misgunnen. Eerst aanschouwt men aan zijne rechterhand in het hart der

vallei, eene der drie beneden- of voorsteden, die aan den voet der

rots, waarop de bovenstad zich uitstrekt, gelegen, aan het geheel

zulk een schilderachtig aanzien geven. 't Is Pfaffenthal met zijne

dicht opeengedrongen huizen, zijne voormalige, thans tot fabrieken

ingerichte of voor den openbaren dienst bestemde kazernes, die voorheen

een deel van het Pruisische bezettingsleger herbergden.

Daarachter, aan de overzijde van het dal, de veelkleurig getinte

reuzen van graniet, als met guirlandes van groen getooid door de

afhangende twijgen van het heestergewas en van de slingerplanten,

die in hun spleten zoo welig tieren.

En op hun top, in al hare bekoorlijkheid opdoemend, de bovenstad met

hare kerkspitsen en oude gevels, met hare sierlijke terrassen en op

de fundamenten der gesloopte bolwerken verrezen nieuwe landhuizen,

benevens het schilderachtige park. Iets lager de fraai aangelegde

Boulevard de Ceinture, zich als een gordel halverwege de rotsen,

om haar heen slingerend. Beiden, Park en Boulevard, scheppingen der

laatste jaren, tot stand gekomen op het bezielend initiatief van

den minister Paul Eyschen en aangelegd volgens de plannen, door een

Parijschen architecte-paysagiste, den heer André, ontworpen.

Doch eer men nog Pfaffenthal geheel voorbij is, ontwaart men aan

zijne linkerhand in de diepte, de lachende tuinen van Clausen, de

tweede voorstad. Met haar in eene lijst van groen gevat kerkje en hare

vriendelijke vallei, en met den achtergrond van indrukwekkende rotsen,

hier en daar met laag geboomte getooid, vormt zij een allerbevalligst

geheel.

Aan de grens van Pfaffenthal, en dit scheidende van de derde

benedenstad, Grund, wekt een trotsche, over de vallei geslagen

uit de bovenstad naar Clausen voerende boogbrug, de Schlossbrücke

geheeten, de aandacht vooral door den poëtischen bouwval, die zich

er midden op verheft: het overschot van een verdedigingswerk, Le

Bouc, de Bok, geheeten. Dit is het eenige brokstuk dat nog bestaat

van den Lützelburg, kleine Burcht, die zijn naam aan de thans zoo

bloeiende stad heeft geschonken, en waarvan de grondslagen aan den

oever der Alzette, op een rotsachtig, door dien stroom omkronkeld

schiereiland, ter plaatse waar de Pétruse [5] zich in haar stort,

in de 10e eeuw gelegd zijn door den toenmaligen graaf der Ardennen

Siegfried. Deze koos het kasteel tot residentie. Later is dit in

een geducht verdedigingswerk herschapen. Als gedenkteeken aan een

roemrijk verleden wordt die bouwval onderhouden. De kazematten

daaronder kunnen bezichtigd worden. Uit hun schietgaten heeft men

heerlijke vergezichten te bewonderen.

Doch nauwelijks heeft men den tijd gehad even den blik te laten waren

over dien verwonderlijk romantischen Grund met zijn doolhof van enge

straten, kronkelende, glooiende steegjes en onregelmatig verspreide

huizen, welke zich zoo schilderachtig weêrspiegelen in de door de

wateren der Petrusbeek gezwollen Alzette, of het landschap wordt

eensklaps aan uw oog onttrokken door een bocht, die de spoorwegbaan

beschrijft. En aan weêrskanten aanschouwt men slechts wanden van

graniet, tusschen welke de trein al ratelend doorloopt, tot men een

paar minuten later het station bereikt.

Hier wachten thans den reiziger, behalve de omnibussen der hotels, een

paar tramwagens, die hem langs een reusachtige viadukt, geslagen over

de Pétrusse, naar een nieuw aangelegde, met vele winkels bezette straat

voeren. Aan haar uiteinde, ter plaatse waar men de stad betreedt,

verheft zich de Caserne du St. Esprit, Deze is in gebruik bij de

gewapende macht, die, volgens het besluit der Londensche conferentie

van 1867, waarbij ook de onafhankelijkheid en onzijdigheid van het

Groothertogdom door de gezamenlijke groote mogendheden gewaarborgd

werd, niet sterker mag zijn dan voor de handhaving der binnenlandsche

rust en orde noodzakelijk wordt geacht. Laat men van die prachtige

viadukt den blik gaan rechtsaf, over den omtrek, den Boulevard de

ceinture en de beneden-steden met de haar doorkronkelende Petrusbeek

en Alzette, dan aanschouwt men een panorama, dat zich onwischbaar in

het geheugen prent.

Achter zich, in de verte, aanschouwt men de over eerstgenoemd stroompje

geslagen Adolfsbrug, aldus genoemd naar den vorigen Groothertog. Het

is een allermerkwaardigst massief bouwwerk, den 24 Juli 1903 voltooid:

een brug, die met een enkelen boog, breeder dan die van welke andere

brug ook ter wereld, het geheele dal overspant en daar de oevers

verbindt ten behoeve van den spoorweg naar Echternach, waarvan het

station paalt aan het Centraalstation.

De geheele omgeving maakt een gansch eigenaardigen, stouten

indruk. Weinig steden kunnen in dit opzicht op één lijn met Luxemburg

gesteld worden. Een woeste natuur heeft zich hier gehuwd aan de

kunst. Grootsche en toch liefelijke tooneelen verrijzen er voor den

blik. Eene prachtige en onvergetelijke wandeling vooral kan men maken,

als men te voet of per rijtuig over de viadukt langs de genoemde

kazerne, en dan over den Breitenweg naar de brug van het kasteel gaat

en van daar in Pfaffenthal afdaalt en zoo naar den Boulevard of La

Place du Théâtre zich begeeft. Hier en daar wijzen bakens de hoogten

aan, tot welke vroeger de vestingwerken reikten, en vervullen u met

verbazing over den reuzenarbeid, die vereischt werd om ze te slechten.

Met een verwijzing naar mijne Schetsen uit Luxemburg meen ik ter

toelichting der hier opgenomen. Gezichten uit de schilderachtige

hoofdstad te kunnen volstaan. Ik wijdde daar aan hare merkwaardigheden

en geschiedenis, aan hare instellingen op het gebied van onderwijs,

wetenschap en kunst een afzonderlijk hoofdstuk. Doch daarin kon ik

toen, evenmin als van de Adolfsbrug nog melding maken van het monument

op de Place d'Armes, pas een paar jaar geleden verrezen ter eere der

nationale dichters Dicks (schuilnaam van Edm. de la Fontaine) en Michel

Lentz, die ik beiden nog het voorrecht heb gehad persoonlijk te kennen.

Wat den welwillenden lezer in de bovenstaande bladen werd medegedeeld

of onder de oogen gebracht, zal,--mag ik met een herhaling van dien

wensch besluiten?--bij hem het verlangen wekken om eens, mocht hij

daartoe de gelegenheid krijgen, in dit kleine maar in vele opzichten

zoo merkwaardig landje een poosje de versterkende berglucht te gaan

inademen en tevens hoofd en hart te verfrisschen door de kennismaking

met wat het op velerlei gebied voor merkwaardigs oplevert. Hij zal

daarvan geen berouw hebben!

In Luxemburg's Gutland De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 5 / 6 题