Wie evenwel slechts een enkelen dag te Diekirch vertoeft, blijve
niet in gebreke eenige uren af te zonderen voor een bezoek aan het,
op twaalf kilometers ten N. O. van Diekirch gelegen Vianden.
Het romantische natuurschoon, dat de weg derwaarts oplevert; de
pittoreske ligging van het stadje; de indrukwekkende bouwvallen, die
het bestrijken en in uitgestrektheid en schoonheid de ruïnen van de
Rijnoevers verre overtreffen; de geschiedkundige herinneringen, aan
dit oord vastgeknoopt, noodigen als om strijd den toerist dien tocht
te aanvaarden. Voor den Nederlander heeft deze een aantrekkelijkheid
te meer. Die klassieke plek immers was de bakermat van dien tak der
Nassau's, die zich in de Nederlanden vestigde, met opoffering van
goed en bloed ons vaderland aan het Spaansche dwangjuk zich hielp
ontworstelen en, na met eer en roem zich te hebben overdekt, er in
1815 de koninklijke waardigheid verwierf. Daar droegen de stamhouders
van ons Oranjehuis, vóór eeuwen reeds, de grafelijke kroon en waren
zij met souvereine macht bekleed.
Geen landgenoot dan ook "wien Neêrlandsch bloed in de aderen vloeit",
die deze streek bezoekt en niet in bedevaart zijne schreden richt naar
den alouden stamburcht, waar het eerst in de Nederlanden de banieren
van de Nassau's wapperden.
't Is een heerlijke tocht, dien men meestal met de stoomtram, in
het Groothertogdom Secundär-Bahne geheeten, onderneemt, of wel, wat
mij verkieslijker voorkomt, per rijtuig. Men kan echter ook gebruik
maken van den postwagen, die des morgens van Diekirch vertrekt en
's avonds terugkeert. Den afstand per as legt men in anderhalf
uur af. Wie echter niet opziet tegen een paar uurtjes geleidelijk
klimmen, moet te voet er heen gaan. Het genot is des te grooter;
want de weg is vol afwisseling. Men volgt eerst de Sûre, totdat men,
aan de linkerhand een flinken breeden straatweg bereikt, halverwege
Bettendorf bij Bleesbrück of de Bleesbrug, waar ook een halt is van de
stoomtram naar Vianden. Deze heirbaan slaat men in. Zij is bezoomd met
lindeboomen, hier en daar door sparren, eiken of platanen vervangen.
Spoedig begint gij te stijgen. Slechts langzaam gaat het voort, maar
de schoone omgeving doet den tijd kort vallen. Welige landouwen, hooi-
en bouwland met bosschen op den achtergrond, spreiden zich aan de eene
zijde uit. Aan de andere verheffen zich berghellingen met hoog hout
getooid. Een reeks van natuurtooneelen, nu eens liefelijk, dan weder
stout, boeit uw oog. Maar hooger en hooger rijst de weg, die u voorbij
de zoo pittoresk tegen de helling gelegen dorpjes Fouhren en Tandel
voert. In de diepte aanschouwt gij de vallei, waar alles u spreekt
van vruchtbaarheid en welvaart: die boomgaarden, dat volle koren,
die nette huisjes. Daarachter, met bosschen omkranste bergtoppen, als
gesteund, omstrengeld en opgehouden door een gordel van grazige weiden.
Eindelijk komt gij op eene hoogvlakte. En bij het kronkelen van den
aan weêrskanten met ooftboomen beplanten weg, ziet! daar vertoont zich
eensklaps op een afstand de iets lager gelegen trotsche ruïne. Welk
een tooneel! Van welken kant men Vianden nadert, altoos blijft
dit even indrukwekkend. Gij begint te dalen; doch den bouwval,
die u zoo dreigend aangrimt, verliest gij geen oogenblik uit het
gezicht. Onmogelijk het oog er van af te wenden. In snelle vaart
gaat het echter naar beneden en nadert ge het in een diepe en enge
bergkloof aan de romantische oevers der Our gelegen stadje, niet veel
meer dan een op elkander gedrongen groep huizen.
Boven de stad, op een steile, ongeveer 150 meters hooge rots, wier
voet door de zacht kabbelende golfjes der Our gekust wordt, ontdekt
gij thans weer de voor een oogenblik aan uw gezicht onttrokken
overblijfselen van den burcht, die eens den machtigen graven van
Vianden tot residentie verstrekte. 't Is of die overblijfselen u
toeroepen, dat hun voormalige bewoners, die, vermaagschapt aan de
eerste vorstenhuizen in Europa, langen tijd geen ander gezag boven zich
erkenden dan dat des Duitschen keizers en door de sires van Bettendorf,
Brandenburg, Clervaux, Esch, Erpeldange, Meysemburg en anderen als
leenheer gehuldigd werden, dat zij niet verdacht wilden worden van iets
gemeen te hebben met wie daar beneden hunne tenten hadden opgeslagen
in de nederige woningen, rondom hun slot gegroepeerd! Toch zou men
zich bedriegen, als men dit geloofde. De graven van Vianden hadden
hun onderzaten lief en lieten niets onbeproefd om het welzijn van
dezen te bevorderen.
Vianden maakt den indruk van vervallen grootheid, hoe kwistig ook de
natuur hier hare bekoorlijkheden tentoonspreidt. Wisten de bewoners
van de stulpen, die zich in de bergkloof om den burcht groepeerden,
dank zij de vrijgevigheid en genegenheid hunner graven, hun gehucht uit
te breiden tot eene stad, waar kunst en wetenschap beoefend werden en
het fabriekswezen bloeide,--alles herinnert u dat die schoone dagen
voorbij zijn. Zij, die eens de hoofdstad was van een graafschap, de
zetel van een schitterend hof, is thans niets meer dan een eenvoudige
gemeente van omstreeks 1500 zielen. De nijverheid en handel, die er
vroeger welig tierden, kwijnen sinds lang. Eenige welvaart wordt er
nog verspreid door het bezoek van vreemdelingen. Want schilders,
dichters en oudheidkundigen, zoowel als de bewonderaars eener
romantische natuur, worden als om strijd erheen getrokken, terwijl
zij, die niet zoozeer voedsel voor hun hoofd of hart als wel een
aangename ontspanning zoeken, in de vischvangst en de jacht hiertoe
ruimschoots gelegenheid vinden. Voor de geschiedenis der stad en een
nadere kennismaking met haar en hare prachtige omstreken, verwijzen
we naar onze Schetsen uit Luxemburg.
De overblijfselen van den alouden burcht, wiens kapel door de zorgen
des toenmaligen Stedehouders van den Koning-groothertog Willem III,
Prins Hendrik der Nederlanden in haar indrukwekkenden oorspronkelijken
stijl hersteld werd, zijn thans het eigendom van den regeerenden
Groothertog, wiens Vader ze met de vele andere domeinen van wijlen
koning Willem III, van diens hooge Erven aankocht--die overblijfselen
zijn een der schoonste monumenten uit de middeleeuwen, voor den
oudheidkundige inzonderheid in de hoogste mate belangwekkend. Ten
dage zijner grootheid was de burcht, na Luxemburg, de sterkste vesting
van het hertogdom en misschien van al de zuidelijke Nederlanden. Zijn
stichting klimt op tot de negende of tiende eeuw; uit dien tijd zijn
dan ook de bouwvallen afkomstig. Een breede weg, die allengs overgaat
in een hobbelig pad, leidt uit het noordelijk gedeelte der stad
daarheen. Een driedubbele rij ringmuren bevestigde het eigenlijke
kasteel. Een diepe, thans gedempte gracht verleende daarheên den
toegang door middel van een ophaalbrug, wier plaats thans is ingenomen
door een rijzend pad. Aan de eene zijde sloten die muren zich tegen
de stad aan; aan de andere strekten zij zich uit tot de loodrechte,
schier ongenaakbare rots, waarop het slot zich verhief. Van dat
oude slot zijn de bouwvallen, die men ziet, het overschot. Langs
den eersten ringmuur, waarachter men, ter plaatse waar vroeger
de hoofdpoort was, de ruïne betreedt, en uit wiens schietgaten
men tal van schoone panorama's aanschouwt, bereikt men een klein,
in gothischen stijl opgetrokken gebouwtje, waar de toerist zijne
handteekening in het daarvoor bestemde boek zet. Naar het aantal
namen te oordeelen, is het bezoek zeer druk. Naast dit gebouwtje
ligt de woning van den bewaarder, wiens vrouw of kind u op uw tocht
vergezelt. In hun volksdialect beproeven zij al wat uwe aandacht wekt,
te verklaren. Dit was mij hinderlijk. Zoo gaarne had ik daar alleen
rond gedoold, mij aan mijne gepeinzen overgevende en luisterende
naar de stemmen, die uit de eerbiedwaardige steenklompen tot mij
kwamen. Dit geleide is echter noodig om u te beletten te verdwalen,
of te verhoeden dat gij u op gevaarlijke punten zoudt begeven.
Wel bood het geheel een tooneel van verwoesting aan, dat mij het hart
met diepen weemoed vervulde. Wat spraken die ingevallen torens, brokken
muur, vermolmde balken van een onherstelbaar verloren grootheid! Doch
niet veel inspanning kostte het, mij eenigszins voor te stellen hoe het
kasteel in de dagen van zijn glorievol verleden was ingericht, met zijn
voor- en binnenhof en het buitenhof, waar het lagere dienstpersoneel
woonde. Phantastisch zag ik het door mijne geschiedkundige verbeelding
verlicht. De gleuven in het muurwerk wijzen nog de scheidingen
der verschillende verdiepingen aan. De gemetselde zitbanken aan de
voormalige kruisramen toonen de plaats, waar men koutende samen zat,
met het uitzicht op het heerlijke landschap, dat den burcht aan alle
zijden omgaf. En in mijne gedachte zag ik het bevolkt door zijne
doorluchtige bewoners. De ridderzaal, de vestibule met hare pilaren
en kapiteelen, de gevangenissen, de kelders en sombere gewelven,
de oubliëtte, de steenen kogels of ballen, die blijkbaar eens voor de
lepels der blijden, het middeleeuwsch geschut, bestemd waren en hier en
daar verspreid lagen, dit alles tooverde mij het grijs verleden voor
den geest. Bovenal deed dit de zoo heerlijk herstelde kapel, waarvan
het middelste gedeelte niet bevloerd is, maar een, door een steenen
balustrade omgeven cirkelvormige opening aanbiedt. Hierdoor konden,
volgens de overlevering, de gevangenen, die daar onder in den kerker
zuchtten, de mis bijwonen, en waren zij dus door 's graven goedheid
niet van den troost van hun godsdienst verstoken.
Door huwelijk in 1407 aan de Nassau's vervallen, bleef het graafschap
aan dit doorluchtige huis behooren, ook nadat Reinier van Nassau,
die zijn vader Hendrik IV in het graafschap Vianden en al de
overige nederlandsche domeinen opvolgde, van Philibert, zijn oom
van moederszijde, het prinsdom Oranje erfde. Van dezen Reinier,
den eersten prins uit het huis Oranje-Nassau, was de groote Vader
des vaderlands, de onsterfelijke Willem de Zwijger, de volle neef en
erfgenaam. Beiden hadden denzelfden grootvader, Johan V van Nassau.
Zoo kwam Vianden aan het Vorstenhuis, dat drie eeuwen lang met
Nederland lief en leed getrouwelijk deelde en zich onvergankelijke
aanspraak verworven heeft op de dankbaarheid van ons volk. En al
werden ook de meeste der 52 dorpen en andere domeinen, waaruit
het graafschap eertijds bestond, in 1815 door het Weener-congres
aan Pruisen geschonken, het oude stamslot verbleef in eigendom den
nazaten van hen, die er vroeger resideerden. "Daarom ook beschouwt
de Luxemburger dien stamburg als een der meest klassieke plekken van
zijn schilderachtige landouwen, en met trots wijst hij er op, dat het
huis der Nassau's vóór meer dan vijfdehalve eeuw in zijn vaderland
het bewind voerde over een uitgestrekte landstreek en daar zegen en
voorspoed verspreidde" [4].
Wie daartoe eenigszins de gelegenheid heeft, mag niet verzuimen ook
de hoofdstad te bezoeken.
Van Ettelbrück loopt de spoorbaan der maatschappij
Guillaume-Luxembourg, die, gelijk wij reeds opmerkten te Trois-Vierges
haar uitgangspunt heeft, door de uiterst vruchtbare en poëtische
vallei der steeds kronkelende Alzette. Nauwelijks heeft men het laatste
station bij het bloeiend fabrieksplaatsje Eich verlaten, of men ziet
het voormalige "Gibraltar van het noorden", zooals het vroeger als
een schier onneembare vesting beschouwde Luxemburg genoemd werd,
verrijzen. Hoe dichter men de stad nadert, tot wier ontmanteling
in 1867, na den Pruisisch-Oostenrijkschen oorlog van 1866, en haar
opheffing als bondsvesting van den Duitschen Bond door het congres
van Londen werd besloten, des te meer vernauwt zich het dal, des
te hooger en indrukwekkender worden de rotsen, die in natuurlijke
verdedigingswerken werden herschapen. Gedurende drie eeuwen arbeidden
daaraan achtereenvolgens Luxemburgers, en na hen de volken, in wier
bezit de stad kwam: Spanjaarden, Oostenrijkers, Franschen en ook
Nederlanders, nadat bet groothertogdom in 1815 aan Koning Willem I
was afgestaan, en het laatst, sedert 1839, de Duitsche Bond, waarin
het was opgenomen.
Nog in den trein gezeten, heeft men reeds gelegenheid zich een
denkbeeld te vormen van de sterkte, welke de muren vroeger hadden,
en die het bezit der vesting uit een strategisch oogpunt voor meer
dan ééne mogendheid zoo begeerlijk maakte, en haar door andere deed
misgunnen. Eerst aanschouwt men aan zijne rechterhand in het hart der
vallei, eene der drie beneden- of voorsteden, die aan den voet der
rots, waarop de bovenstad zich uitstrekt, gelegen, aan het geheel
zulk een schilderachtig aanzien geven. 't Is Pfaffenthal met zijne
dicht opeengedrongen huizen, zijne voormalige, thans tot fabrieken
ingerichte of voor den openbaren dienst bestemde kazernes, die voorheen
een deel van het Pruisische bezettingsleger herbergden.
Daarachter, aan de overzijde van het dal, de veelkleurig getinte
reuzen van graniet, als met guirlandes van groen getooid door de
afhangende twijgen van het heestergewas en van de slingerplanten,
die in hun spleten zoo welig tieren.
En op hun top, in al hare bekoorlijkheid opdoemend, de bovenstad met
hare kerkspitsen en oude gevels, met hare sierlijke terrassen en op
de fundamenten der gesloopte bolwerken verrezen nieuwe landhuizen,
benevens het schilderachtige park. Iets lager de fraai aangelegde
Boulevard de Ceinture, zich als een gordel halverwege de rotsen,
om haar heen slingerend. Beiden, Park en Boulevard, scheppingen der
laatste jaren, tot stand gekomen op het bezielend initiatief van
den minister Paul Eyschen en aangelegd volgens de plannen, door een
Parijschen architecte-paysagiste, den heer André, ontworpen.
Doch eer men nog Pfaffenthal geheel voorbij is, ontwaart men aan
zijne linkerhand in de diepte, de lachende tuinen van Clausen, de
tweede voorstad. Met haar in eene lijst van groen gevat kerkje en hare
vriendelijke vallei, en met den achtergrond van indrukwekkende rotsen,
hier en daar met laag geboomte getooid, vormt zij een allerbevalligst
geheel.
Aan de grens van Pfaffenthal, en dit scheidende van de derde
benedenstad, Grund, wekt een trotsche, over de vallei geslagen
uit de bovenstad naar Clausen voerende boogbrug, de Schlossbrücke
geheeten, de aandacht vooral door den poëtischen bouwval, die zich
er midden op verheft: het overschot van een verdedigingswerk, Le
Bouc, de Bok, geheeten. Dit is het eenige brokstuk dat nog bestaat
van den Lützelburg, kleine Burcht, die zijn naam aan de thans zoo
bloeiende stad heeft geschonken, en waarvan de grondslagen aan den
oever der Alzette, op een rotsachtig, door dien stroom omkronkeld
schiereiland, ter plaatse waar de Pétruse [5] zich in haar stort,
in de 10e eeuw gelegd zijn door den toenmaligen graaf der Ardennen
Siegfried. Deze koos het kasteel tot residentie. Later is dit in
een geducht verdedigingswerk herschapen. Als gedenkteeken aan een
roemrijk verleden wordt die bouwval onderhouden. De kazematten
daaronder kunnen bezichtigd worden. Uit hun schietgaten heeft men
heerlijke vergezichten te bewonderen.
Doch nauwelijks heeft men den tijd gehad even den blik te laten waren
over dien verwonderlijk romantischen Grund met zijn doolhof van enge
straten, kronkelende, glooiende steegjes en onregelmatig verspreide
huizen, welke zich zoo schilderachtig weêrspiegelen in de door de
wateren der Petrusbeek gezwollen Alzette, of het landschap wordt
eensklaps aan uw oog onttrokken door een bocht, die de spoorwegbaan
beschrijft. En aan weêrskanten aanschouwt men slechts wanden van
graniet, tusschen welke de trein al ratelend doorloopt, tot men een
paar minuten later het station bereikt.
Hier wachten thans den reiziger, behalve de omnibussen der hotels, een
paar tramwagens, die hem langs een reusachtige viadukt, geslagen over
de Pétrusse, naar een nieuw aangelegde, met vele winkels bezette straat
voeren. Aan haar uiteinde, ter plaatse waar men de stad betreedt,
verheft zich de Caserne du St. Esprit, Deze is in gebruik bij de
gewapende macht, die, volgens het besluit der Londensche conferentie
van 1867, waarbij ook de onafhankelijkheid en onzijdigheid van het
Groothertogdom door de gezamenlijke groote mogendheden gewaarborgd
werd, niet sterker mag zijn dan voor de handhaving der binnenlandsche
rust en orde noodzakelijk wordt geacht. Laat men van die prachtige
viadukt den blik gaan rechtsaf, over den omtrek, den Boulevard de
ceinture en de beneden-steden met de haar doorkronkelende Petrusbeek
en Alzette, dan aanschouwt men een panorama, dat zich onwischbaar in
het geheugen prent.
Achter zich, in de verte, aanschouwt men de over eerstgenoemd stroompje
geslagen Adolfsbrug, aldus genoemd naar den vorigen Groothertog. Het
is een allermerkwaardigst massief bouwwerk, den 24 Juli 1903 voltooid:
een brug, die met een enkelen boog, breeder dan die van welke andere
brug ook ter wereld, het geheele dal overspant en daar de oevers
verbindt ten behoeve van den spoorweg naar Echternach, waarvan het
station paalt aan het Centraalstation.
De geheele omgeving maakt een gansch eigenaardigen, stouten
indruk. Weinig steden kunnen in dit opzicht op één lijn met Luxemburg
gesteld worden. Een woeste natuur heeft zich hier gehuwd aan de
kunst. Grootsche en toch liefelijke tooneelen verrijzen er voor den
blik. Eene prachtige en onvergetelijke wandeling vooral kan men maken,
als men te voet of per rijtuig over de viadukt langs de genoemde
kazerne, en dan over den Breitenweg naar de brug van het kasteel gaat
en van daar in Pfaffenthal afdaalt en zoo naar den Boulevard of La
Place du Théâtre zich begeeft. Hier en daar wijzen bakens de hoogten
aan, tot welke vroeger de vestingwerken reikten, en vervullen u met
verbazing over den reuzenarbeid, die vereischt werd om ze te slechten.
Met een verwijzing naar mijne Schetsen uit Luxemburg meen ik ter
toelichting der hier opgenomen. Gezichten uit de schilderachtige
hoofdstad te kunnen volstaan. Ik wijdde daar aan hare merkwaardigheden
en geschiedenis, aan hare instellingen op het gebied van onderwijs,
wetenschap en kunst een afzonderlijk hoofdstuk. Doch daarin kon ik
toen, evenmin als van de Adolfsbrug nog melding maken van het monument
op de Place d'Armes, pas een paar jaar geleden verrezen ter eere der
nationale dichters Dicks (schuilnaam van Edm. de la Fontaine) en Michel
Lentz, die ik beiden nog het voorrecht heb gehad persoonlijk te kennen.
Wat den welwillenden lezer in de bovenstaande bladen werd medegedeeld
of onder de oogen gebracht, zal,--mag ik met een herhaling van dien
wensch besluiten?--bij hem het verlangen wekken om eens, mocht hij
daartoe de gelegenheid krijgen, in dit kleine maar in vele opzichten
zoo merkwaardig landje een poosje de versterkende berglucht te gaan
inademen en tevens hoofd en hart te verfrisschen door de kennismaking
met wat het op velerlei gebied voor merkwaardigs oplevert. Hij zal
daarvan geen berouw hebben!