Toen ik voor het eerst het station Ettelbrück verliet, kon ik een
gevoel van teleurstelling niet verkroppen. Onze trein scheen zich
hoe langer zoo meer van het gebergte te verwijderen. Had men mij dan
verkeerd ingelicht? En zou Diekirch in een vlakte liggen? Dat ware
ons, mij en mijn gezin, die zoo naar de berglucht snakten, bitter
tegengevallen. Gelukkig werd onze vrees spoedig beschaamd. Zij week
allengs naarmate wij onze bestemmingsplaats meer naderden. Een zucht
van verluchting ontsnapte onze borst, toen wij daar aankwamen en
ons rekenschap gaven van de ligging der stad. Een gevoel van blijde
ingenomenheid volgde daarop, toen wij het terras achter ons hotel
betraden, waarheen de aan het station gereed staande omnibus ons in
eenige minuten bracht.
Niet licht vergeet ik den indruk, dien ik ontving, toen ik voor
het eerst van de tweede verdieping uit onze kamer den blik over het
liefelijke landschap liet waren. Op een kleinen afstand zag ik de Sûre
zich kronkelen als een breed zilveren lint. Aan den rechteroever op
eenigen afstand het gebergte, den Ban van Gilsdorf, en een gedeelte
van den Haart. Tegen hun hellingen bouwland, rijk geschakeerd van tint
door de verschillende graansoorten, die er op geteeld worden. Aan hun
voet weiland, door de baan der Prins-Hendrik-Spoorwegmaatschappij of
door een laan populieren doorsneden. Tot stoffeering een pachthoeve. In
het verschiet, het aan de Sûre gelegen dorp Gilsdorf.
Links, over de huizen van den straatweg naar Vianden, viel mijn oog
op den met houtgewas bekleeden rug van den Herrenberg, aan wiens voet
het stadje zich amphitheatersgewijze uitstrekt. Het geheele landschap
was door de ondergaande zon zacht getint en ademde een rust, die mij
weldadig aandeed.
Het in de laatste jaren aanzienlijk vergroote Grand hotel des Ardennes,
prop. Alexis Heck, waar ik sedert mijn eerste bezoek altoos mijn
intrek nam, en dat ik--al wil ik niets ten nadeele zeggen der andere
hotels, die men te Diekirch aantreft--ook om het matige, hoewel altoos
toch nog hoogere tarief dan in de andere, zoowel als om de goede
verzorging gaarne aanbeveel, het hotel des Ardennes ligt in een der
hoofdstraten, een zoogenaamden boulevard, de Rue du Pont. Van voren
en van achteren heeft het uit schier alle logeerkamers een schoon
uitzicht. Alleen voor een enkel vertrek op de eerste verdieping,
aan de straatzijde, wordt dit belemmerd door een in gothischen stijl
opgetrokken kasteeltje, ongeveer een halve eeuw geleden gebouwd en door
den eigenaar, den heer Wirtgen, aan zijne geboortestad vermaakt, en na
diens dood, in Sept. 1889, tot gemeentehuis ingericht. De voormalige
tuin, tusschen het slot en de straat aangelegd, is tot een soort van
"Square" hervormd, naar den milden erflater Place Wirtgen gedoopt. Dit
plekje lokt menigen logé uit, van tijd tot tijd daar te vertoeven. Er
is veel lommer. Een vijvertje, waarin de waterstraal van een midden
daaruit opspringende fontein kletterend nederstort, doet daar in de
warmste dagen van den zomer zekere frischheid heerschen.
Uit de kleine eet- of ontbijtzaal aan de straat komt men van
achteren op een overdekt terras, dat ook toegang verleent tot de
groote eetzaal en daaraan grenzende conversatiezalen. Van dit terras
geleidt een steenen trap naar een fraai aangelegden, met een rijken
bloemenschat prijkenden tuin, waar ook de jeugd gelegenheid heeft zich
met verschillende spelen te vermeien. Uit dien tuin geleidt, langs
den moeshof, een pad naar de rivier, waarin ten gerieve der logé's
des zomers een badhuisje gemeerd ligt, voorzien van twee vertrekjes,
één voor heeren en één voor dames.
Diekirch spreidt zich in de lachende en vruchtbare vallei der Sûre
uit, aan den voet van den Herrenberg, die, 433 meter hoog boven de
oppervlakte der zee, zich verheffende, haar tegen de noordenwinden
beschut.
Twee bruggen verbinden daar de rivieroevers.
Over de eene, geheel van ijzer, loopt de Prins Hendriklijn naar
Echternach en Wasserbillig. De andere, van een nette ijzeren leuning
voorzien doch uit steen opgetrokken, is bestemd voor rijtuigen
en voetgangers en voert hen links langs den oever naar Gilsdorf,
rechts voorbij een paar landelijke woningen naar een sterk rijzenden
straatweg, over de bergtoppen van den Hart of Haart naar La Rochette
of Fels.
Oppervlakkig beschouwd, lijken die beide bruggen met hare zware
pijlers, evenals de meeste andere, elders over de rivier geslagen,
wat al te kolossaal. Vooral omdat de Sûre hier zeer ondiep is en
zelfs vele droge plekken vertoont. Maar het verschijnsel werd mij
zeer verklaarbaar, toen ik vernam dat na ettelijke regendagen de
stroom, die in gewone tijden reeds zoo snel vloeit, sterk zwelt en
in onstuimige vaart zijne wateren voortzweept. Om zijn geweld te
wederstaan, moeten de bruggen wel bijzonder stevig zijn.
Gedurende een deel des jaars, van November tot Mei, is de rivier
bevaarbaar. Waarschijnlijk diende zij in de middeleeuwen tusschen
Diekirch, Echternach en Trier als gemeenschapsweg, tot het vervoer
van goederen. Een vijftigtal jaren geleden werden er nog vele
houtvlotten op gezien, die haar afzakten om in Rijn of Moezel bij
soortgelijke verzamelingen boomstammen, uit het Schwarzwald of de
Vogeezen afkomstig, te worden aangehecht. Sedert den aanleg van
den Prins-Hendrik-spoorweg is echter de scheepvaart op de Sûre van
schier geen de minste beteekenis. Enkele platboomde vaartuigen kan
men met den stroom laten afdrijven of voortstuwen en moeten dan nog
vaak over de ondiepten worden gelicht. Een tochtje daarmede bij warm
zomerweder, ook al stort men bij het stooten op een steenklomp hals
over kop in het water, een ongeval, waaraan geen het minste gevaar
verbonden is,--zoo'n tochtje durf ik wel aanbevelen.
Vooral het gedeelte van Reisdorf tot Wasserbillig, inzonderheid in
de buurt van Echternach, staat in liefelijkheid en pracht volstrekt
niet achter bij de Rijnoevers.
De niet zeer breede zoom, waarlangs het stoompaard al snuivend en
dampend u voortsleurt, strekt zich uit aan den voet der bergen. Uit de
wagens valt de blik op den steilen, kalmen, zachtkens voortkabbelenden
stroom, en aan de overzijde op de glooiende oevers, beplant met donkere
groene elzen en esschen, door vruchtboomen en oude eiken afgewisseld,
waarboven populieren hun kruin fier verheffen. De kronkelingen der
rivier dragen veel bij tot verhooging der schoonheid van het landschap,
eene schoonheid, verhoogd vooral door de heerlijke lijnen en kleuren,
die het oog treffen. Tal van beekjes ontlasten zich aan beide zijden
in de Sûre.
Vruchtbaar is het Sûredal en uiterst geschikt voor den landbouw. Het
rijpende graan ziet men des zomers golven aan den voet en tegen de
helling der bergen. Trouwens groote rijkdom kenmerkt den bodem van
het gansche zuidelijk gedeelte, dat dan ook terecht Gutland genoemd
wordt. Wel droeg Luxemburg tijdens de fransche overheersching den naam
van _Département des forêts_,--naar de bosschen, die de bergtoppen zoo
weelderig tooien,--en zal men wellicht daaruit opmaken, dat de grond
weinig geschikt moet zijn voor den akkerbouw. Men zou zich evenwel
hierin bedriegen. Met uitzondering van het kale, woeste Oesling,
ten noordoosten van Diekirch, ontmoet men overal welige landouwen
en rijke boomgaarden, vruchtbare akkers, mildelijk door beekjes
besproeide weiden, hier en daar omgeven door schilderachtige, met
dicht houtgewas beplante rotsen of vriendelijke dalen met lachende
dorpen en breede straatwegen berg-op, berg-af, waar steeds leven en
beweging is, het teeken van een goed bevolkte streek.
Ook de hellingen van de bergen in den naasten omtrek van Diekirch
waren vroeger met bosschen bedekt. Deze zijn gerooid en hebben
tot aan den voet plaats gemaakt voor bouwland. Hoogerop zijn de
steenbeddingen zichtbaar, die onder de eerste aardlaag verborgen,
er dikwijls doorheengluren en hier en daar ontgonnen worden.
Na de hoofdstad bekleedt Diekirch, niettegenstaande haar bevolking
van nog geen 4000 zielen, een eersten rang onder de Luxemburgsche
steden. Zij is de hoofdplaats van een der drie distrikten, waarin
het Groothertogdom verdeeld werd en heeft het voorrecht de zetel te
zijn van een der twee arrondissements-rechtbanken des lands en van een
kantongerecht en de standplaats van een distriktcommissaris, en onder
hare inrichtingen van onderwijs ook een bloeiend gymnasium te bezitten.
Daar zijn er, die hare stichting willen laten opklimmen tot den
tijd, toen de Romeinen het land bezet hielden. En de vele romeinsche
oudheden, die in den omtrek opgegraven zijn, schijnen wel eenigszins
dit gevoelen te bevestigen. Doch als die vondst iets bewees voor de
oudheid der plaats, dan moet men ook uit de ontdekking van gallische
en keltische voorwerpen: munten, wapens, huishoudelijke gereedschappen
enz. besluiten tot een nog veel ouderen oorsprong.
Ons bestek gedoogt niet over dezen oorsprong in bijzonderheden te
treden, evenmin om de voornaamste feiten van hare belangwekkende
geschiedenis in herinnering te brengen. Wij veroorloven ons te dien
aanzien te verwijzen naar onze Schetsen uit Luxemburg. Ook ten opzichte
der voornaamste gebouwen, hotels, de plaatselijke industrie enz. zij
ons vergund dezelfde opmerking te maken.
Een enkel woord slechts over de beide kerken, die de belangstelling
van den bezoeker bijzonder waard zijn, voegen wij hier nog bij.
De oude, aan St. Lourens gewijd, is niet meer in gebruik. Zij
staat dicht bij het hotel, van waar men den lagen toren kan
zien. Afgekeurd omdat zij te klein was geworden, is zij langzamerhand
geheel vervallen. Het voorportaal dient tot bergplaats van allerlei
voorwerpen. Het schip is daarvan gescheiden door een deur. Deze is
afgesloten. De heer Coster, die er naast woont en wien het daar
gelegen erf toebehoort, haalt voor u evenwel, op uw verzoek, met
groote bereidwilligheid den sleutel.
Duidelijk zijn de sporen zichtbaar van de ophooging, die de grond,
met de geheele binnenstad, in 1765 heeft ondergaan. Hoe gedrukt
is alles!--Geen wonder. Graaft men langs de pilaren, dan kan men
wel tien voet diep de aarde weghalen, zonder aan de voetstukken
te komen. De stijl, waarin het gebouwtje werd opgetrokken, is de
byzantijnsche. De wapens der stad, uit steen gehouwen, waren in den
muur aan de linkerhand aangebracht. De preekstoel, het hoofdaltaar
en een zijaltaar, benevens een in den muur gemetselde lijksteen
van wit marmer, met een zwarten rand omlijst en ter nagedachtenis
van Dom François Emanuël Goethals, in leven Markies van Diekirch
opgericht, een paar schilderijen van zeer geringe waarde en eenige erg
verweerde of geschonden beelden, die ik er herhaaldelijk heb gezien,
zijn sedert een kleine twintig jaar verdwenen. De lijksteen is in
het bezit gekomen van den Baron Goethals te Brussel, nazaat van den
bovengenoemden Markies van Diekirch. De geschilderde ruiten echter
zijn grootendeels stuk. Wat er goeds was in het gebouw, werd bij de
stichting der nieuwe kerk medegenomen en daarheen overgebracht.
Die Nieuwe kerk, welke tegenover de _Esplanade_ zich verheft, is
nog niet lang geleden gesticht. Even als de oude aan St. Lourens
gewijd, werd zij opgetrokken in 1868 ter plaatse, waar de kapel
stond van het thans tot school ingerichte en in de dagen der
Fransche staatsomwenteling opgeheven, ten jare 1671 gestichte
Franciskanerklooster. Zij wordt bediend door een pastoor-deken en
drie kapelaans. In romaansch-byzantijnschen stijl, met twee torens
gebouwd, heeft zij behalve een fraaie, wit marmeren Mater Dolorosa,
het werk van den beeldhouwer Achterman, niets merkwaardigs.