III

Toen ik voor het eerst het station Ettelbrück verliet, kon ik een

gevoel van teleurstelling niet verkroppen. Onze trein scheen zich

hoe langer zoo meer van het gebergte te verwijderen. Had men mij dan

verkeerd ingelicht? En zou Diekirch in een vlakte liggen? Dat ware

ons, mij en mijn gezin, die zoo naar de berglucht snakten, bitter

tegengevallen. Gelukkig werd onze vrees spoedig beschaamd. Zij week

allengs naarmate wij onze bestemmingsplaats meer naderden. Een zucht

van verluchting ontsnapte onze borst, toen wij daar aankwamen en

ons rekenschap gaven van de ligging der stad. Een gevoel van blijde

ingenomenheid volgde daarop, toen wij het terras achter ons hotel

betraden, waarheen de aan het station gereed staande omnibus ons in

eenige minuten bracht.

Niet licht vergeet ik den indruk, dien ik ontving, toen ik voor

het eerst van de tweede verdieping uit onze kamer den blik over het

liefelijke landschap liet waren. Op een kleinen afstand zag ik de Sûre

zich kronkelen als een breed zilveren lint. Aan den rechteroever op

eenigen afstand het gebergte, den Ban van Gilsdorf, en een gedeelte

van den Haart. Tegen hun hellingen bouwland, rijk geschakeerd van tint

door de verschillende graansoorten, die er op geteeld worden. Aan hun

voet weiland, door de baan der Prins-Hendrik-Spoorwegmaatschappij of

door een laan populieren doorsneden. Tot stoffeering een pachthoeve. In

het verschiet, het aan de Sûre gelegen dorp Gilsdorf.

Links, over de huizen van den straatweg naar Vianden, viel mijn oog

op den met houtgewas bekleeden rug van den Herrenberg, aan wiens voet

het stadje zich amphitheatersgewijze uitstrekt. Het geheele landschap

was door de ondergaande zon zacht getint en ademde een rust, die mij

weldadig aandeed.

Het in de laatste jaren aanzienlijk vergroote Grand hotel des Ardennes,

prop. Alexis Heck, waar ik sedert mijn eerste bezoek altoos mijn

intrek nam, en dat ik--al wil ik niets ten nadeele zeggen der andere

hotels, die men te Diekirch aantreft--ook om het matige, hoewel altoos

toch nog hoogere tarief dan in de andere, zoowel als om de goede

verzorging gaarne aanbeveel, het hotel des Ardennes ligt in een der

hoofdstraten, een zoogenaamden boulevard, de Rue du Pont. Van voren

en van achteren heeft het uit schier alle logeerkamers een schoon

uitzicht. Alleen voor een enkel vertrek op de eerste verdieping,

aan de straatzijde, wordt dit belemmerd door een in gothischen stijl

opgetrokken kasteeltje, ongeveer een halve eeuw geleden gebouwd en door

den eigenaar, den heer Wirtgen, aan zijne geboortestad vermaakt, en na

diens dood, in Sept. 1889, tot gemeentehuis ingericht. De voormalige

tuin, tusschen het slot en de straat aangelegd, is tot een soort van

"Square" hervormd, naar den milden erflater Place Wirtgen gedoopt. Dit

plekje lokt menigen logé uit, van tijd tot tijd daar te vertoeven. Er

is veel lommer. Een vijvertje, waarin de waterstraal van een midden

daaruit opspringende fontein kletterend nederstort, doet daar in de

warmste dagen van den zomer zekere frischheid heerschen.

Uit de kleine eet- of ontbijtzaal aan de straat komt men van

achteren op een overdekt terras, dat ook toegang verleent tot de

groote eetzaal en daaraan grenzende conversatiezalen. Van dit terras

geleidt een steenen trap naar een fraai aangelegden, met een rijken

bloemenschat prijkenden tuin, waar ook de jeugd gelegenheid heeft zich

met verschillende spelen te vermeien. Uit dien tuin geleidt, langs

den moeshof, een pad naar de rivier, waarin ten gerieve der logé's

des zomers een badhuisje gemeerd ligt, voorzien van twee vertrekjes,

één voor heeren en één voor dames.

Diekirch spreidt zich in de lachende en vruchtbare vallei der Sûre

uit, aan den voet van den Herrenberg, die, 433 meter hoog boven de

oppervlakte der zee, zich verheffende, haar tegen de noordenwinden

beschut.

Twee bruggen verbinden daar de rivieroevers.

Over de eene, geheel van ijzer, loopt de Prins Hendriklijn naar

Echternach en Wasserbillig. De andere, van een nette ijzeren leuning

voorzien doch uit steen opgetrokken, is bestemd voor rijtuigen

en voetgangers en voert hen links langs den oever naar Gilsdorf,

rechts voorbij een paar landelijke woningen naar een sterk rijzenden

straatweg, over de bergtoppen van den Hart of Haart naar La Rochette

of Fels.

Oppervlakkig beschouwd, lijken die beide bruggen met hare zware

pijlers, evenals de meeste andere, elders over de rivier geslagen,

wat al te kolossaal. Vooral omdat de Sûre hier zeer ondiep is en

zelfs vele droge plekken vertoont. Maar het verschijnsel werd mij

zeer verklaarbaar, toen ik vernam dat na ettelijke regendagen de

stroom, die in gewone tijden reeds zoo snel vloeit, sterk zwelt en

in onstuimige vaart zijne wateren voortzweept. Om zijn geweld te

wederstaan, moeten de bruggen wel bijzonder stevig zijn.

Gedurende een deel des jaars, van November tot Mei, is de rivier

bevaarbaar. Waarschijnlijk diende zij in de middeleeuwen tusschen

Diekirch, Echternach en Trier als gemeenschapsweg, tot het vervoer

van goederen. Een vijftigtal jaren geleden werden er nog vele

houtvlotten op gezien, die haar afzakten om in Rijn of Moezel bij

soortgelijke verzamelingen boomstammen, uit het Schwarzwald of de

Vogeezen afkomstig, te worden aangehecht. Sedert den aanleg van

den Prins-Hendrik-spoorweg is echter de scheepvaart op de Sûre van

schier geen de minste beteekenis. Enkele platboomde vaartuigen kan

men met den stroom laten afdrijven of voortstuwen en moeten dan nog

vaak over de ondiepten worden gelicht. Een tochtje daarmede bij warm

zomerweder, ook al stort men bij het stooten op een steenklomp hals

over kop in het water, een ongeval, waaraan geen het minste gevaar

verbonden is,--zoo'n tochtje durf ik wel aanbevelen.

Vooral het gedeelte van Reisdorf tot Wasserbillig, inzonderheid in

de buurt van Echternach, staat in liefelijkheid en pracht volstrekt

niet achter bij de Rijnoevers.

De niet zeer breede zoom, waarlangs het stoompaard al snuivend en

dampend u voortsleurt, strekt zich uit aan den voet der bergen. Uit de

wagens valt de blik op den steilen, kalmen, zachtkens voortkabbelenden

stroom, en aan de overzijde op de glooiende oevers, beplant met donkere

groene elzen en esschen, door vruchtboomen en oude eiken afgewisseld,

waarboven populieren hun kruin fier verheffen. De kronkelingen der

rivier dragen veel bij tot verhooging der schoonheid van het landschap,

eene schoonheid, verhoogd vooral door de heerlijke lijnen en kleuren,

die het oog treffen. Tal van beekjes ontlasten zich aan beide zijden

in de Sûre.

Vruchtbaar is het Sûredal en uiterst geschikt voor den landbouw. Het

rijpende graan ziet men des zomers golven aan den voet en tegen de

helling der bergen. Trouwens groote rijkdom kenmerkt den bodem van

het gansche zuidelijk gedeelte, dat dan ook terecht Gutland genoemd

wordt. Wel droeg Luxemburg tijdens de fransche overheersching den naam

van _Département des forêts_,--naar de bosschen, die de bergtoppen zoo

weelderig tooien,--en zal men wellicht daaruit opmaken, dat de grond

weinig geschikt moet zijn voor den akkerbouw. Men zou zich evenwel

hierin bedriegen. Met uitzondering van het kale, woeste Oesling,

ten noordoosten van Diekirch, ontmoet men overal welige landouwen

en rijke boomgaarden, vruchtbare akkers, mildelijk door beekjes

besproeide weiden, hier en daar omgeven door schilderachtige, met

dicht houtgewas beplante rotsen of vriendelijke dalen met lachende

dorpen en breede straatwegen berg-op, berg-af, waar steeds leven en

beweging is, het teeken van een goed bevolkte streek.

Ook de hellingen van de bergen in den naasten omtrek van Diekirch

waren vroeger met bosschen bedekt. Deze zijn gerooid en hebben

tot aan den voet plaats gemaakt voor bouwland. Hoogerop zijn de

steenbeddingen zichtbaar, die onder de eerste aardlaag verborgen,

er dikwijls doorheengluren en hier en daar ontgonnen worden.

Na de hoofdstad bekleedt Diekirch, niettegenstaande haar bevolking

van nog geen 4000 zielen, een eersten rang onder de Luxemburgsche

steden. Zij is de hoofdplaats van een der drie distrikten, waarin

het Groothertogdom verdeeld werd en heeft het voorrecht de zetel te

zijn van een der twee arrondissements-rechtbanken des lands en van een

kantongerecht en de standplaats van een distriktcommissaris, en onder

hare inrichtingen van onderwijs ook een bloeiend gymnasium te bezitten.

Daar zijn er, die hare stichting willen laten opklimmen tot den

tijd, toen de Romeinen het land bezet hielden. En de vele romeinsche

oudheden, die in den omtrek opgegraven zijn, schijnen wel eenigszins

dit gevoelen te bevestigen. Doch als die vondst iets bewees voor de

oudheid der plaats, dan moet men ook uit de ontdekking van gallische

en keltische voorwerpen: munten, wapens, huishoudelijke gereedschappen

enz. besluiten tot een nog veel ouderen oorsprong.

Ons bestek gedoogt niet over dezen oorsprong in bijzonderheden te

treden, evenmin om de voornaamste feiten van hare belangwekkende

geschiedenis in herinnering te brengen. Wij veroorloven ons te dien

aanzien te verwijzen naar onze Schetsen uit Luxemburg. Ook ten opzichte

der voornaamste gebouwen, hotels, de plaatselijke industrie enz. zij

ons vergund dezelfde opmerking te maken.

Een enkel woord slechts over de beide kerken, die de belangstelling

van den bezoeker bijzonder waard zijn, voegen wij hier nog bij.

De oude, aan St. Lourens gewijd, is niet meer in gebruik. Zij

staat dicht bij het hotel, van waar men den lagen toren kan

zien. Afgekeurd omdat zij te klein was geworden, is zij langzamerhand

geheel vervallen. Het voorportaal dient tot bergplaats van allerlei

voorwerpen. Het schip is daarvan gescheiden door een deur. Deze is

afgesloten. De heer Coster, die er naast woont en wien het daar

gelegen erf toebehoort, haalt voor u evenwel, op uw verzoek, met

groote bereidwilligheid den sleutel.

Duidelijk zijn de sporen zichtbaar van de ophooging, die de grond,

met de geheele binnenstad, in 1765 heeft ondergaan. Hoe gedrukt

is alles!--Geen wonder. Graaft men langs de pilaren, dan kan men

wel tien voet diep de aarde weghalen, zonder aan de voetstukken

te komen. De stijl, waarin het gebouwtje werd opgetrokken, is de

byzantijnsche. De wapens der stad, uit steen gehouwen, waren in den

muur aan de linkerhand aangebracht. De preekstoel, het hoofdaltaar

en een zijaltaar, benevens een in den muur gemetselde lijksteen

van wit marmer, met een zwarten rand omlijst en ter nagedachtenis

van Dom François Emanuël Goethals, in leven Markies van Diekirch

opgericht, een paar schilderijen van zeer geringe waarde en eenige erg

verweerde of geschonden beelden, die ik er herhaaldelijk heb gezien,

zijn sedert een kleine twintig jaar verdwenen. De lijksteen is in

het bezit gekomen van den Baron Goethals te Brussel, nazaat van den

bovengenoemden Markies van Diekirch. De geschilderde ruiten echter

zijn grootendeels stuk. Wat er goeds was in het gebouw, werd bij de

stichting der nieuwe kerk medegenomen en daarheen overgebracht.

Die Nieuwe kerk, welke tegenover de _Esplanade_ zich verheft, is

nog niet lang geleden gesticht. Even als de oude aan St. Lourens

gewijd, werd zij opgetrokken in 1868 ter plaatse, waar de kapel

stond van het thans tot school ingerichte en in de dagen der

Fransche staatsomwenteling opgeheven, ten jare 1671 gestichte

Franciskanerklooster. Zij wordt bediend door een pastoor-deken en

drie kapelaans. In romaansch-byzantijnschen stijl, met twee torens

gebouwd, heeft zij behalve een fraaie, wit marmeren Mater Dolorosa,

het werk van den beeldhouwer Achterman, niets merkwaardigs.

In Luxemburg's Gutland De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 3 / 6 题