III.

Met geen mogelijkheid ben ik in staat mijn doodstrijd van dien

morgen te schetsen. De herinnering er aan is mij bij-gebleven als

een benauwden droom, waarin mijn gewaarwordingen zóó wonderlijk,

zóó zonderling waren, dat het mij uiterst moeilijk zou vallen ze te

beschrijven. Wat mijn kwelling nog grooter maakte was mijn hoop op

een plotseling ontwaken. Naarmate het uur van mijn begrafenis nader

kwam, werd mijn angst grooter. Alleen tegen den morgen had ik een

zuiver begrip van de personen en dingen rondom mij. Het geknerp der

jalousiën wekte mij uit mijn verdooving. Juffrouw Gabin had het venster

geopend. 't Moest ongeveer zeven uur zijn, want ik hoorde het geroep

der venters in de straat, de schelle stem van een meisje dat vogelkruid

verkocht en het schorre geschreeuw van een ander, die "wortelen"

riep. Dit ontwakend leven van Parijs stemde mij aanvankelijk kalm;

't scheen mij onmogelijk toe dat men mij onder den grond stopte,

waar alles zoo vol leven was. De herinnering aan een gebeurtenis

stelde mij eveneens gerust. Ik herinnerde mij eens een soortgelijk

geval als het mijne gezien te hebben toen ik nog in betrekking was

aan het hospitaal te Guérande. Een man had daar eveneens vier en

twintig uur achtereen geslapen en zijn slaap was zóó diep geweest

dat de geneesheeren niet wisten wat zij er van zeggen moesten; deze

man was plotseling recht overeind gaan zitten en had aanstonds weder

kunnen wandelen. Ik sliep nu reeds vijf en twintig uur. Als ik om

tien uur wakker werd, zou 't nog vroeg genoeg zijn.

Ik trachtte mij rekenschap te geven van de personen, die in de kamer

waren en van hetgeen zij deden. De kleine Dédé speelde zeker in de

gang, want de deur stond open en een kinderlachje klonk naar binnen.

Simoneau was ongetwijfeld vertrokken; geen enkel geluid verried zijn

aanwezigheid. Alleen de pantoffels van juffrouw Gabin klakten over

den vloer. Eindelijk begon men te spreken.

"Mijn lieve," zei de oude vrouw, "'t is werkelijk verkeerd dat je ze

niet drinkt terwijl ze warm is. 't Zal je goed doen." Zij zei dit tegen

Marguerite en het zachte geluid van een filter op den schoorsteen,

vertelde mij dat men bezig was koffie te zetten.

"Je begrijpt", ging zij voort, "dat ik er bepaald trek in had. Op

mijn leeftijd is het niet alles te waken en 't is zoo triestig 's

nachts als een ongeluk in huis is...... Toe drink eens, mijn beste,

één kopje maar".

Zij dwong Marguerite half een kopje te nemen.

"Hè, dat is warm en doet u goed. Je mag vandaag wezenlijk wel wat

kracht verzamelen...... Wees nu verstandig en wacht in mijn kamer de

dingen af".

"Neen, ik wil hier blijven", antwoordde Marguerite op beslisten toon.

Haar stem, welke ik sinds den vorigen dag niet gehoord had, deed

mij bijzonder aan. Wat was zij veranderd en door de droefheid als

gebroken. O, die lieve vrouw, ik voelde dat zij, als laatste troost,

aan mijn zijde was. Ik wist, dat zij de oogen niet van mij afwendde

en zij mij beweende met haar gansche hart.

De minuten gingen voorbij. Een oogenblik was er een leven aan de deur,

dat ik mij niet verklaren kon.

Men zou gemeend hebben het binnenbrengen van een voorwerp, dat stootte

tegen den muur, terzijde van de smalle trap. Aan het vernieuwde

snikken van Marguerite begreep ik: het was de doodkist.

"Ge komt te vroeg", zei juffrouw Gabin, iet of wat wrevelig. "Zet

haar maar achter het bed".

Hoe laat was het dan. Negen uur misschien.

De kist stond daar dus reeds. Ik zag haar in de duisternis van den

nacht, geheel nieuw, met haar nieuw geschaafde planken. Mijn God, was

dan alles bijna gedaan! Zou men mij dan wegstoppen in dat plankenhok,

dat ik aan mijn voeten voelde? En toch was ik in al mijn droefheid

gelukkig. Marguerite, ondanks haar zwakte, wilde mij de laatste

diensten bewijzen. Zij was het die, geholpen door de oude vrouw,

mij kleedde, teeder en zorgvol als een zuster en een echtgenoote. Bij

ieder kleedingstuk, dat zij mij aandeed, was het mij of zij mij nog

eens in haar armen nam. Haar tranen vielen op mijn gelaat. O, ik had

haar gaarne den kus, die zij op mijn voorhoofd drukte, terug gegeven,

uitroepende: "Ik leef!" Doch machteloos moest ik blijven liggen als

een doode massa.

"Je doet toch verkeerd," zeide juffrouw Gabin, "het is zonde van

de kleeren."

Tusschen haar snikken door antwoordde Marguerite:

"Laat mij maar begaan, ik wil hem het beste medegeven wat wij hebben".

Ik begreep dat zij mij mijn trouwpak aantrok. Ik had nog die kleeren,

welke ik te Parijs slechts hoopte aan te doen op buitengewone

feestdagen. Daarna viel zij afgemat door de inspanning in haar

stoel terug.

Toen hoorde ik plotseling de stem van Simoneau. Ongetwijfeld was hij

juist binnengekomen.

"Zij zijn beneden," fluisterde hij.

"Goed, ze zijn niet al te vroeg," antwoordde juffrouw Gabin, eveneens

op zachten toon. "Zeg dat ze boven komen, wij moeten er een einde

aan maken".

"Ik ben bevreesd voor de droefheid der arme vrouw".

De oude vrouw scheen na te denken. Zij hernam:

"Luister eens, mijnheer Simoneau, goedschiks of kwaadschiks brengt

gij haar naar mijn kamer...... Ik wil niet dat zij hier blijft. We

doen er haar werkelijk een dienst mee...... In een oogwenk is dan

alles gebeurd".

Die woorden vielen als hamerslagen op mijn hart. Simoneau was op

Marguerite toegetreden en smeekte haar niet in de kamer te blijven.

"Bespaar u zelve toch dat verdriet", drong hij aan.

"Neen, neen," zei mijn vrouw, "ik blijf hier, tot het laatste oogenblik

wil ik bij hem blijven. Denk er aan dat ik niets en niemand in de

wereld heb dan hem en dat ik, als hij weg zal zijn, geheel alleen sta".

Zou Simoneau haar werkelijk vastgrijpen en meenemen? Een oogenblik

later klonk een kreet.

Ik wilde overeind springen, woedend als ik was doch mijn lichaam

gehoorzaamde mij niet. Ik lag zoo stil, zoo willoos, dat ik zelfs mijn

oogen niet kon openen, om te zien wat er om mij heen geschiedde. De

worsteling duurde voort, mijn vrouw hield zich aan de meubels vast,

uitroepende:

"Heb medelijden, mijnheer, laat mij los, ik wil niet...."

Hij had haar ongetwijfeld zeer stevig in zijn armen want haar

klachten werden zacht en teer als die van een kind. Toen voerde hij

haar weg en ik stelde mij hem voor, groot en sterk, haar aan zijn

borst drukkende en zij de armen om zijn hals geslagen, gebroken,

zich aan hem overgevende, haar latende leiden waarheen hij wilde.

"Jongens, dat is niet zonder moeite gegaan!" mompelde juffrouw

Gabin. "Nu die van de vloer is, vooruit met de rest!"

In mijn ijverzuchtige woede scheen mij die wegvoering een brutale

aanranding en diefstal toe. Ik had Marguerite sedert den vorigen dag

niet gezien, maar zoolang zij er was, hoorde ik tenminste haar stem

nog. Nu was het echter gedaan, men had haar mij ontstolen, een man

had haar meegevoerd voor ik nog onder den grond was gestopt. En in

die andere kamer was hij met haar alleen, troostte hij haar, ja,

misschien omhelsde hij haar wel. De deur werd opnieuw geopend, ik

hoorde het geluid van zware stappen.

"Gauw wat, gauw wat", zei juffrouw Gabin. "Die dame zou terug kunnen

komen".

Zij sprak tegen onbekende personen, die slechts met een soort gebrom

antwoordden.

"Je begrijpt dat ik geen familielid ben; ik ben maar een buurvrouw. Ik

verdien er niets mee, hoor! 't Is louter goedheid, dat ik mij met de

zaak bemoei. En lang geen prettig zaakje...... Wat heb ik een nacht

achter den rug! 't Was tegen vier uur zelfs koud. Enfin, ik ben altijd

dom geweest op dat punt. Een mensch kan ook te goed zijn".

De kist werd naar 't midden van de kamer getrokken.

Het ontwaken kwam niet, ik was dus veroordeeld.

Mijn gedachten werden minder en ik gevoelde mij zoo afgemat, dat het

mij zelfs een verlichting toescheen geen hoop meer te hebben.

"Men is niet zuinig geweest op het hout," zeide een norsche, krakende

stem. "De kist is veel te lang".

"Wel", voegde een grappenmaker er aan toe, "dan kan hij er zijn gemak

van nemen".

Ik was niet zwaar, iets wat hun zeer aangenaam was, daar zij drie

trappen met mij moesten afdalen. Toen zij mij bij de schouders en de

voeten opnamen, werd juffrouw Gabin plotseling boos.

"Zoo'n duivelsche meid!" riep zij uit, "die moet overal met haar

neus bij zijn...... Wacht, ik zal je leeren door den kier van de deur

te kijken".

't Was Dédé, die de deur een weinig geopend had en haar hoofd naar

binnen stak. Zij wilde mijnheer in de kist zien leggen. Twee klappen

weerklonken, gevolgd door een uitbarsting in tranen. Toen de moeder

weer binnen trad sprak zij de mannen over haar dochtertje.

"Ze is pas tien jaar en overigens een goed kind, alleen wat

nieuwsgierig...... Ik sla haar niet dikwijls, maar ze moet toch leeren

gehoorzaam te zijn".

"Och," zei een der mannen, "zoo zijn alle kinderen.... Als ergens

een doode is, zweven zij daar altoos om heen".

Men had mij recht uitgestrekt en ik kon mij voorstellen nog in mijn

bed te liggen, als mijn rechterarm het niet benauwd gehad had. Dank

zij mijn tengere gestalte lag ik overigens heel goed, verzekerde

men. "Wacht", riep juffrouw Gabin, "ik heb zijn vrouw beloofd hem

een kussen onder het hoofd te leggen".

De mannen hadden echter haast, zij frommelden het kussen onder mijn

hoofd en smeten het laatste ruw neer. Een van hen zocht vloekend

zijn hamer. Men had dien beneden laten liggen en moest hem dus gaan

halen. Het deksel werd op de kist gelegd en 't was of een siddering

mijn lichaam doorvoer toen twee hamerslagen den eersten spijker in

het hout gedreven. Nu was 't gedaan, ik had geleefd. Snel volgde

de eene spijker op den andere, de hamer klopte met regelmatige

slagen. 't Was of men bezig was een kist met koopwaar in elkaar te

hameren. De geluiden drongen nu slechts vaag en zacht tot mij door,

op een vreemde wijze weerklinkende. Het laatste gezegde dat ik in de

rue Dauphine opving, was dat van juffrouw Gabin:

"Zachtjes, voorzichtig! Pas vooral op bij den tweeden trapleuning,

want die houdt niet".

Men droeg mij weg en ik kreeg de gewaarwording alsof ik in zee werd

geworpen en de golven hoog om mij opspatten. Van dat oogenblik af

zijn mijn herinneringen echter zeer onduidelijk.

't Eenige wat ik mij nog goed weet voor te stellen is, dat ik mij

rekenschap trachtte te geven van den weg, dien men met mij nam. Ik

was in Parijs totaal onbekend en wist ook niet waar het reusachtige

kerkhof, waarvan men mij zoo dikwijls had gesproken, gelegen was. Toch

prikkelde het mijn verstand nog om te weten of wij rechts of links

gingen. De rouwkoets schokte nu en dan verbazend. Het gerol der

rijtuigen om mij en het geschuifel der voetgangers, vormden een

verward gedruisch dat vreemd in mijn kist weerklonk. Aan een rustpunt

komende, werd ik gedragen, iets waaruit ik begreep, dat wij aan een

kerk moesten zijn. Toen de rouwkoets zich opnieuw in beweging stelde,

verloor ik ook zelfs het flauwste begrip van 't waar en waarheen.

Het gelui van klokken verkondigde mij echter dat wij weder een kerk

passeerden en uit het zachte rijden en minder schudden van den koets

maakte ik op dat wij een zandweg hadden ingeslagen. Ik was als een

terdoodveroordeelde die ter executie wordt geleid, wezenloos en

versuft, hopende dat het maar spoedig gedaan mag zijn en voor wien

het laatste oogenblik maar niet komt.

Men stond stil en haalde mij uit den rouwkoets. Het gedruisch van het

woelige leven had opgehouden, ik bemerkte dat ik op een stille plaats

was, onder de boomen, de wijde hemel boven mijn hoofd. Enkele personen

volgden zeker de kist, andere bewoners van het hotel, Simoneau enz.;

hun gefluister drong nu en dan tot mij door. Er werd een psalm gezongen

en een priester prevelde een en ander in 't Latijn. Een paar minuten

gingen wij verder. Toen voelde ik dat ik plotseling daalde, de touwen

schaafden rauw langs de kist. Dat was het einde. Een vervaarlijke

schok, als een kanonschot, viel op mijn hoofd, een tweede op mijn

voeten, een andere, nog heviger, op mijn buik. Ik vreesde dat mijn

kist zou splijten. Toen viel ik in zwijm.

Hoe lang heb ik in dezen toestand doorgebracht? Ik weet het niet. Een

eeuw en een seconde duren evenlang in 't eindeloos niets. Ik was

niet meer. Langzamerhand echter drong vaag het bewustzijn dat ik nog

bestond, weder op den voorgrond. Een nachtmerrie maakte zich los van

den zwarten achtergrond, die mijn horizont afsloot. Mijn verbeelding

schiep zich verschrikkelijke beelden en ik droomde wonderlijke droomen.

Ik verbeeldde mij dat mijn vrouw mij te Guérande ergens wachtte;

ik had den trein genomen om haar te ontmoeten. Toen deze onder een

tunnel doorging, weerklonk plotseling een geluid als een rollen van

den donder. Een dubbele instorting had plaats gehad. Geen steen was

op onzen trein neergevallen, de wagens waren ongeschonden gebleven;

alleen de beide einden van den tunnel, voor en achter ons waren

ingezakt en wij bevonden ons dus als 't ware te midden van hemelhooge

bergen. Nu begon een lange en afgrijselijke doodstrijd. Geen hoop was

er op ontzet; er zou wel een maand noodig zijn om den tunnel weer vrij

te maken en dan zou dit nog niet kunnen geschieden dan met de uiterste

voorzorgen en met behulp van reusachtige machines. Wij waren gevangen

in een kelder zonder uitgang. Ons aller dood was slechts een kwestie

van enkele uren.

Dikwijls, ik herhaal het, had mijn verbeelding zulke voorstellingen

in de kleinste bijzonderheden verwerkt. Ik variëerde het drama op

alle mogelijke wijzen. Als acteurs had ik mannen, vrouwen, kinderen,

meer dan honderd personen, welke mij allerlei variaties aanboden. In

den trein bevonden zich eenige levensmiddelen, doch spoedig deed het

gebrek aan voedsel zich voelen en zonder elkaar nu onderling op te

eten, betwistten de ongelukkigen elkander woedend het laatste stuk

brood. Een grijsaard werd met vuistslagen zoo ruw teruggedreven, dat

hij bezweek; een moeder verweerde als een wolvin de laatste beten

van haar kind. In mijn waggon lagen arm in arm twee jonggehuwden

te sterven. Hun laatste hoop was vervlogen en zij bewogen zich niet

meer. De weg was overigens vrij, de reizigers stapten uit, dwaalden

langs den trein, als losgelaten beesten, die hun prooi zoeken.

Alle klassen vermengden zich; een zeer rijk man, een der hoogste

waardigheidsbekleeders weende aan de borst van een werkman, hem

familiaar toesprekende. Slechts een paar lampen hadden gebrand en ook

het vuur der locomotief was gedoofd. Wilde men van den eenen waggon

naar den anderen gaan, dan moest men zich aan de wielen vasthouden

om niet te verdwalen; op deze wijze kon men de locomotief bereiken,

die als een enorme massa ijzer in de duisternis stond. Niets was

verschrikkelijker dan die trein als vastgemetseld onder den grond,

als levend begraven met al zijn reizigers, die een voor een stierven.

Ik schepte er vermaak in tot in de kleinste bijzonderheden af te

dalen. Gehuil en gebrul doortrilde de duisternis. Een buurman, dien

men niet zag, dien men niet wist dat daar was, stootte plotseling

tegen uw schouder, koude en gebrek aan lucht, waren echter dingen waar

ik het meest aan leed. Ik was nog nooit zoo koud geweest, 't was of

een sneeuwmantel om mijn schouders geslagen en een ijskoude motregen

onophoudelijk op mijn hoofd viel en of mijn borst het gewicht torste

van den berg, waaronder wij begraven waren. Daar weerklonk echter

een kreet van hoop. Reeds geruimen tijd hadden wij ons verbeeld een

dof gedreun te hooren en de gelukkige gedachte dat men bezig was aan

onze bevrijding te werken drong zich langzamerhand aan ons op. Een

van ons had een holte in den tunnel ontdekt en wij liepen allen toe

om aan het einde daarvan het klein stukje van den blauwen hemel te

aanschouwen, dat door de opening zichtbaar was. Wij verdrongen ons om

de binnenstroomende frissche lucht in te ademen; ja, nu was er geen

twijfel meer aan: men werkte aan onze bevrijding. En uit aller mond

klonk het: "Gered! Gered!" terwijl de armen werden uitgestrekt naar

het stukje hemelblauw.

Die wilde kreet wekte mij uit mijn verdooving. Waar was

ik? Ongetwijfeld nog in den tunnel. Ik lag recht uitgestrekt en ik

voelde dat rechts en links de harde wanden mijn ledematen drukten.

Ik wilde opstaan, doch stootte hevig het hoofd. Omsloot de rots mij dan

geheel en al? Ook het kleine stukje blauwe hemel was verdwenen. Een

huivering beving mij, ik klappertandde. Plotseling herinnerde ik mij

alles. De schrik deed mijn haren bijna ten berge rijzen.

De vreeselijke waarheid rees in al haar naaktheid voor mij op. Was ik

dan eindelijk ontwaakt uit dien toestand van totale verlamming, waarin

ik zooveel lange uren had doorgebracht? Ongetwijfeld, want ik kon mij

bewegen, ik kon met de handen langs de planken strijken van mijn kist.

Een laatste proef: ik opende den mond, ik sprak, riep Marguerite's

naam. Mijn stem had echter tusschen deze muren van dennenhout een

rauwen harden klank, die mij verschrikte. Mijn God, was het dan toch

waar? Ik kon loopen, het uitschreeuwen dat ik leefde en mijn stem

zou niet gehoord worden, omdat ik opgesloten was, verpletterd onder

de aarde?

Ik verzamelde al mijn krachten om kalm te zijn en ernstig na te denken

over mijn toestand. Was er geen middel om hier vandaan te komen? In

mijn onvaste hersenen begon de droom opnieuw, en bracht ik de opening

in de grot in verband met het graf, waarin ik zuchtte. Mijn wijd

geopende oogen staarden strak in de duisternis. Misschien bespeurde

ik ergens een gat, een spleet, een kiertje licht! Maar er was aldoor

niets, niets dan een onpeilbaar zwarte afgrond. Ik had al mijn

verstand noodig, wilde ik met vrucht aan mijn bevrijding werken,

en daarom verjoeg ik schrikbeelden, die zich aan mij opdrongen en

mijn gedachten in de war brachten.

Het grootste gevaar bestond in gebrek aan lucht, waardoor ik stikken

moest. De toestand van verlamming, waarin ik verkeerd had was oorzaak

geweest dat ik het zoolang zonder lucht had kunnen uithouden, doch

thans, nu mijn longen weer werkten, mijn hart weer klopte, zou ik

stikken, indien ik niet spoedig mij frissche lucht verschafte. Ook

leed ik verschrikkelijk van de koude en ik vreesde weg te sluimeren

in een eindelooze bedwelming als zij, die in de sneeuw vallen om niet

weer op te staan.

Mijzelven voor oogen stellende dat hetgeen, waar ik de grootste

behoefte aan had, kalmte was, voelde ik toch een soort krankzinnigheid

naar mijn hersenen opstijgen. Ik poogde mij rekenschap te geven

van de wijze waarop iemand begraven werd. Ik lag ongetwijfeld in

een vijfjaarlijks graf; dat sloeg aan den eenen kant mijn illusies

den bodem in, daar ik te Nantes opgemerkt had dat de voeteinden der

laatst neergelaten kisten, in de onmiddellijke nabijheid waren der

loopgraven. Ik had in dit geval slechts één plank te verbrijzelen om

te kunnen ontsnappen. Lag ik daarentegen in een anderen hoek en drukte

op mij aan alle zijden een dikke aardlaag, dan ging ik worstelen met

onoverwinnelijke hindernissen. Had ik niet gehoord dat men te Parijs

de kisten wel zes voeten diep liet zakken? Hoe door deze ontzettende

aardlaag heen te komen.

Wanneer het mij lukte het deksel van mijn kist open te krijgen, zou

het zand dan niet op mij vallen en mij oogen en mond vullen? En zou

dat dan geen dood zijn, verschrikkelijker nog dan de andere?

Ik voelde niettemin zorgvuldig om mij heen. De kist was ruim, ik

kon de armen gemakkelijk bewegen. In het deksel ontdekte ik echter

niet één naad. Rechts en links waren de planken slecht geschaafd,

maar sterk en stevig bevestigd.

Ik boog mijn arm en bracht hem langzaam naar 't hoofd. Daar ontdekte

ik in de achterplank een knoest, die onder den druk van mijn vinger

week; met de grootste moeite gelukte het mij eindelijk hem geheel weg

te duwen en mijn vinger thans in de opening brengende, ontdekte ik

aan de andere zijde de vette klammige aarde. Dat bracht mij evenwel

niet veel verder. Het speet mij zelfs de noest weggeduwd te hebben,

alsof de aarde in mijn kist zou kunnen dringen door de opening. Een

andere gedachte hield mij een oogenblik bezig; ik klopte tegen mijn

kist aan alle kanten om te weten te komen of niet ergens rechts of

links een ledige ruimte was. De klank was echter overal dezelfde;

toen ik met den voet klopte tegen den daar aangelegen wand, scheen

het mij toe dat de klank helderder was. Misschien was het evenwel

niet anders dan een gevolg van den weerklank van 't hout.

Nu begon ik, de gebalde vuisten vooruitgestoken, licht te duwen. Het

hout bood weerstand. Ik gebruikte bij een tweede poging ook mijn

knieën, mij halverwege oprichtende. Geen gekraak werd vernomen. Toen,

al mijn krachten inspannende, drukte ik mijn gansche lichaam zoo

hevig, dat mijn botten kraakten. Op dat oogenblik werd ik, geloof

ik gek. Tot nog toe had ik weerstand geboden aan den waanzin, die

als bedwelmende rook opsteeg naar mijn hersenen. Vooral zorgde ik er

voor geen geluid te maken, daar ik begreep dat, indien ik begon te

schreeuwen of te roepen, ik reddeloos verloren zou zijn. Plotseling

begon ik nu echter te schreeuwen, en te huilen. Ondanks mij zelf

stegen de rauwe geluiden uit mijn keel op.

Ik riep om hulp met een stem, welke ik zelf niet herkende, radeloozer

wordende bij elken nieuwen schreeuw, het uitgillende dat ik niet

sterven wilde. Ik zette mijn nagels in het hout en kronkelde mijn

lichaam in allerlei bochten. Hoe lang die crisis duurde weet ik niet,

maar nog voel ik de onweerstaanbare hardheid der planken waarmede ik

worstelde, nog hoor ik het angstgegil, waarmede ik de kleine ruimte

vulde. Een groote afgematheid volgde.

In een toestand van halve wezenloosheid verwachtte ik den dood. De kist

was als van steen; nooit zou het mij gelukken haar te doen splijten;

en deze zekerheid van mijn onmacht ontnam mij den moed om een nieuwe

poging te wagen. Een andere verschrikking, de honger, voegde zich

bij de koude en het gebrek aan lucht. Ik bezweek bijna. De toestand,

waarin ik mij bevond, werd langzamerhand onhoudbaar. Den vinger in

het gat van den noest stekende, krabde ik wat aarde naar binnen en at

die op. Mijn lijden werd er te grooter door. Ik beet in mijn armen,

echter niet zoo ver durvende gaan tot ik bloed proefde; ik omspande

mijn vleesch echter met mijn tanden, begeerig er in te bijten. O, wat

verlangde ik op dat oogenblik naar den dood! Mijn gansche leven had

ik gebeefd en gesidderd voor het eindelooze niets en nu begeerde ik

niets anders, nu riep ik het aan, nu kon het niet zwart en eindeloos

genoeg zijn.

Wat dwaas dien droomloozen slaap, die eeuwigheid van stilte en

duisternis te vreezen! De dood was slechts alleen daarom goed, omdat

hij het gansche zijn met één slag vernietigde. O, weg te zinken in

de aarde, te slapen als de steenen, niets, niets meer te zijn.

Onwillekeurig dwaalden mijn vingers nog langs de wanden. Plotseling

prikte ik mij aan mijn linkerduim en die kleine pijn wekte mij uit

mijn bedwelming. Wat was dat dan? Ik zocht nog eens en herkende een

spijker, een spijker, door den timmerman verkeerd geslagen en die den

rand van de kist niet bereikt had. Hij was lang en buitengewoon puntig,

alleen de kop zat in het deksel en ik voelde dat hij bewoog. Van dat

oogenblik af had ik slechts één gedachte; dien spijker te hebben.

Ik bracht mijn rechterhand over mijn buik heen en begon hem heen en

weer te wiegelen. Hij raakte niet veel losser en ik bemerkte dat

het een heele onderneming was. Dikwijls verwisselde ik mijn hand,

want de linker, met welke ik er niet te best bij kon, werd spoedig moe.

Onderwijl ik hiermede bezig was, rees een heel verlossingsplan in

mijn hoofd op. Die spijker werd mijn redder. Ik moest hem hebben,

't kostte wat het wilde.

Zou ik hem echter vroeg genoeg krijgen? De honger kwelde mij

verschrikkelijk, ik moest rusten, ten prooi aan een afmatting,

die mijn handen machteloos maakte en mijn hersenen hun helderheid

deed verliezen. De druppels bloed, welke uit mijn duim kwamen,

had ik opgezogen. Toen beet ik plotseling diep in mijn arm en dronk

mijn bloed, wakker geschud door den pijn, opgewekt door dien lauwen

zoeten wijn, die mijn mond bevochtigde. Met beide handen den spijker

aanvattende, slaagde ik er eindelijk in hem los te rukken.

Van dat oogenblik af, geloofde ik aan mijn redding.

Mijn plan was eenvoudig. Ik plaatste de punt van den spijker in het

deksel en een lange lijn trekkende poogde ik die al dieper en dieper

te maken tot een volkomen spleet ontstond. Mijn handen verstijfden;

ik hield echter hardnekkig vol. Toen ik meende het hout genoeg te

hebben gespleten, keerde ik mij langzaam om, legde mij op den buik

en mij opheffende op de knieën en ellebogen, drukte ik uit alle

macht. Het deksel kraakte, maar spleet niet. De gleuf was niet diep

genoeg. Weer moest ik mij met groote moeite op den rug leggen en het

werk opnieuw beginnen.

Eindelijk waagde ik een nieuwe poging en ditmaal barstte het deksel

van het eene einde tot het andere.

Ik was nog niet gered, dat was duidelijk, doch de hoop herleefde in

mijn hart. Ik hield op met duwen en bleef een oogenblik beweegloos

zitten uit vrees van onder een zandstorting bedolven te worden. Mijn

plan was mij van het deksel te bedienen als van een schild, terwijl

ik een put zou graven met mijn handen.

Ongelukkig deden zich hier groote bezwaren voor: de klompen aarde,

die zwaar op het deksel drukten, maakten dat ik er geen beweging in

kon krijgen; nooit zou ik den grond bereiken, daar de aarde mij nu

reeds aan alle zijden half verpletterde en mijn gelaat in het slijk

drukte. Een groote vrees kwam opnieuw over mij, toen, mij rechtuit

strekkende om ergens een steun te vinden, ik de plank, welke de kist

aan het voeteind afsloot, voelde wijken.

Nu trapte ik krachtig met de voeten, vermoedende dat daar een graf was,

't welk men bezig was te graven.

Plotseling hingen mijn voeten in 't vrije. Mijn vermoeden was juist

geweest; daar bevond zich een pas gedolven graf. Slechts een kleine

aard laag had ik te doorworstelen om in dat graf te vallen. Groote God,

ik was gered! Een oogenblik bleef ik op den rug liggen op den bodem

van den kuil. Het was nacht. Op het fluweelen hemelveld glinsterden

de sterren. De lentewind wuifde mij nu en dan den geur der bloesems

toe. Lieve God, ik was gered, ik haalde weer adem, ik werd weer

warm. Ik barstte in tranen uit en ik stamelde, de handen vroom

uitgestrekt naar de oneindige ruimte boven mij: "Wat is het goed,

wat is het heerlijk te leven!"

Nantas · 第 37 / 44 题