Op het gesnik van Marguerite wordt plotseling de deur geopend en een
stem roept uit:
"Wat scheelt er dan aan, buurvrouw?...... Weer een crisis zeker,
nietwaar?"
Ik heb die stem herkend. 't Was die van een oude dame, juffrouw Gabin,
die op dezelfde verdieping woonde als wij. Met ons lot begaan, had
zij zich sedert onze aankomst zeer behulpzaam getoond. Al aanstonds
had zij ons haar geschiedenis verteld. Een onmeedoogend huisheer had
den vorigen winter haar meubelen doen verkoopen en sinds dien tijd
had zij met haar dochtertje Adèle, een meisje van tien jaar, hier
een gemeubileerde kamer betrokken. Beiden maakten zij lampenkappen,
waarmee zij hoogstens een gulden daags verdienden.
"Mijn God, is het al gedaan?" vroeg zij zachter sprekende.
Ik merkte dat zij nader trad. Zij zag mij aan en bevoelde mij,
terwijl zij zeide:
"Arme kleine! arme kleine!"
Marguerite snikte als een kind. Juffrouw Gabin hielp haar opstaan en
deed haar in den fauteuil neerzitten, die dicht bij den schoorsteen
stond. Toen beproefde zij haar te troosten. "Gij moet uzelf niet
geheel van streek maken. Toen ik Gabin verloor, deed ik even als gij;
ik heb in drie dagen geen nat of droog gebruikt. Dat geeft echter
alles niets, integendeel het maakt den toestand nog erger...... Wees
toch in 's hemelsnaam verstandig".
Langzamerhand snikte Maguerite minder luid. Zij was buiten machte,
slechts nu en dan barstte zij nog eens in een tranenstroom los. In
dezen tusschentijd nam de oude dame bezit van de kamer, alsof het de
hare was.
"Vermoei je met niets, herhaalde zij. Dédé is juist wat werk
wegbrengen; buren moeten elkaar helpen, zeg ik altijd...... Zeg eens
uw koffers zijn nog niet eens heel uitgepakt; er is toch linnengoed
in de latafel, niet waar?"
Ik hoorde haar de latafel openen. Zij nam ongetwijfeld een servet,
dat zij op de tafel uitspreidde. Eindelijk hoorde ik haar een lucifer
aanstrijken en ik begreep dat zij een der kaarsen op den schoorsteen
aanstak. Ik volgde ieder harer bewegingen en gaf mij rekenschap van
haar minste daden.
"Die arme mijnheer", hoorde ik haar zeggen, "'t Is goed dat ik u heb
hooren schreien".
De lichtglans, dien ik tot nog toe vaag in mijn linkeroog had
opgevangen, verdween plotseling.
Juffrouw Gabin kwam mij de oogen dicht doen. Den druk harer vingers
had ik niet gevoeld. Toen ik evenwel begreep wat er gebeurd was,
voelde ik een koude rilling mij verstijven.
De deur was onderwijl weder geopend, en Dédé, het kleine meisje van
tien jaar, trad binnen, op schellen toon roepende:
"Mama! mama! ha, ik wist wel dat u hier waart. Zie eens hier, drie
francs en twee centimes...... Ik heb twintig dozijn lampenkappen
weggebracht".
"St! St! Stil toch!" zei haar moeder tevergeefs. Daar de kleine niet
ophield, wees zij haar op het bed en ik voelde dat Dédé verschrikt
terugweek naar de deur.
"Slaapt mijnheer?" vroeg zij zachtjes.
"Ja, ga nu maar spelen!" antwoordde juffrouw Gabin.
Het kind verwijderde zich echter niet. Ongetwijfeld staarde zij
mij met groote verschrikte oogen aan, vaag den rechten toestand
begrijpende. Plotseling scheen zij door een wilde angst te worden
aangegrepen, zij liep weg, een stoel omstootende.
"Hij is dood, mama, hij is dood!"
Eenige oogenblikken van diepe stilte volgden. Marguerite, doodelijk
vermoeid in haar fauteuil liggende, schreide niet meer. Juffrouw Gabin
zwierf aldoor door de kamer. Op zachten toon vervolgde zij den loop
harer gedachten:
"De tegenwoordige kinderen begrijpen toch alles! Daar heb je die kleine
bijvoorbeeld. De hemel weet hoe 'n goede opvoeding ik haar geef. Als
ik haar een boodschap laat doen of wanneer zij het werk wegbrengt,
tel ik de minuten, welke zij wegblijft, om te zien of zij langs den
weg vliegt of niet. Zij begrijpt alles en met een oogopslag heeft
zij nu al gezien hoe de zaken staan. Toch heeft zij nog maar eens een
doode gezien, haar oom François, en toen was zij nog maar vier jaar
oud. De tegenwoordige kinderen zijn echter geen kinderen meer". Voor
de variatie stapte zij op een ander onderwerp over:
"Zeg eens, mijn beste, je moet zoo zachtjes aan om de noodige
formaliteiten denken, het aangeven op 't stadhuis en de noodige
toebereidselen maken voor de begrafenis. Je bent echter niet in een
toestand om, je met al die dingen te bemoeien...... Ik zal je helpen,
hoor. Wil ik eens zien of mijnheer Simoneau thuis is?" Marguerite
antwoordde niet.
Dit alles woonde ik bij als iemand, die iets heel van verre
aanschouwt. Soms scheen het mij toe of ik door de kamer zweefde als
een teere vlam, terwijl een vreemde wanstaltige massa, mijn lichaam,
bewegingloos op het bed lag uitgestrekt. Ik had zoo gaarne gezien dat
Marguerite de hulp van dien mijnheer Simoneau van de hand gewezen
had. Gedurende mijn kortstondige ziekte had ik hem drie of vier
malen gezien. Hij bewoonde een naburige kamer en betoonde zich zeer
gedienstig. Juffrouw Gabin had ons medegedeeld dat hij zich maar
tijdelijk te Parijs ophield, waar hij eenige oude schuldvorderingen
inde van zijn vader, die onlangs gestorven was. 't Was een groote
knappe jonge man, sterk gebouwd. Ik verwenschte hem, misschien wel
alleen omdat hij er zoo gezond en sterk uitzag. Den vorigen dag was
hij nog bij ons geweest en ik was er verre van aangenaam door gestemd
geworden hem zoo naast Marguerite te zien zitten. Zij was zoo lief,
zooals zij daar naast hem zat.
Met doordringende blikken had hij haar aangezien, terwijl zij hem
glimlachend toevoegde, dat zij het zoo hartelijk vond, dat hij nog
eens naar ons kwam zien.
"Daar is mijnheer Simoneau al," zei juffrouw Gabin, de kamer weer
binnentredende. Hij duwde de deur zachtjes open. Marguerite barstte
opnieuw in tranen uit. De tegenwoordigheid van dezen vriend, den
eenigen man, dien zij kende, wekte opnieuw haar droefheid op. Hij
beproefde niet haar te troosten. Zien kon ik hem niet, doch in de
duisternis, die mij omringde, riep ik zijn gestalte voor mijn gedachten
op en ik onderscheidde hem duidelijk, verdrietig de arme vrouw in
zoo'n treurigen toestand te vinden. Wat moest zij niet schoon zijn,
zooals zij daar zat, haar blonde haren losgeknoopt, met haar bleek
gelaat, de kleine handjes gloeiende van de koorts.
"Beschik vrij over mij, juffrouw," zeide Simoneau zacht. "Wanneer
u mij met alles wilt belasten......" Zij antwoordde hem slechts met
eenige afgebroken woorden.
Toen de jonge man zich terugtrok trad juffrouw Gabin op hem toe;
ik hoorde dat zij, langs mij heengaande, hem van geld sprak. 't
Kostte altijd veel geld en zij vreesde dat de arme vrouw geen cent
meer bezat. In ieder geval kon men haar eens vragen. Simoneau wist
echter de oude vrouw het zwijgen op te leggen. Hij wilde niet dat
men Marguerite met iets lastig viel. Hij zou naar 't stadhuis gaan
en zorgdragen voor de begrafenis.
Toen het weer stil werd, vroeg ik mij af of die verschrikkelijke
toestand lang zou duren. Ik leefde, want ook zelfs de kleinste
bijzonderheden ontgingen mij niet. Opnieuw beproefde ik mij van mijn
toestand rekenschap te geven. Ik moest in een dier toestanden van
verlamming zijn, waarover ik zoo dikwijls had hooren spreken. Reeds
in mijn jeugd was ik aan dergelijke aanvallen onderhevig geweest,
die soms uren aanhielden. Ongetwijfeld bevond ik mij weder in een
dergelijken toestand, die mij stijf en onbewegelijk maakte als een
doode en mijn omgeving in den waan bracht dat ik gestorven was. Het
hart zou evenwel weer beginnen te kloppen en het bloed zou opnieuw
door mijn lichaam stroomen om kracht te geven aan mijn zenuwen en
spieren; ik zou weer ontwaken en Marguerite troosten.
Zoo redeneerende beproefde ik mijzelven geduldig te stemmen.
Uren verliepen. Juffrouw Gabin had haar dejeuner
medegebracht. Marguerite weigerde echter ieder voedsel.
De namiddag ging voorbij. Door het venster daalden de geluiden uit
de rue Dauphine naar binnen.
Eenige beweging aan den koperen kandelaar, die op het marmeren
waschtafeltje stond, deed mij vermoeden dat men de kaars verwisselde.
Eindelijk kwam Simoneau terug.
"Wel?" vroeg hem de oude vrouw op zachten toon.
"Alles is in orde", antwoordde hij. "Morgen om elf uur wordt hij
begraven...... Maak u over niets bezorgd en spreek er niet over met
de ongelukkige vrouw."
Niettemin herhaalde juffrouw Gabin:
"De dokter is nog niet gekomen voor de lijkschouwing".
Simoneau zette zich naast Marguerite, sprak haar moed in en
zweeg. "Morgen om half elf uur wordt hij begraven." Die woorden klonken
in mijn ooren als het luiden van een doodsklok. En die dokter, die
komen moest voor den lijkschouw, zooals juffrouw Gabin zei! Hij zou
doen wat hij kon om mij weer te doen ontwaken. In angstige spanning
wachtte ik op zijn komst.
De dag ging echter zonder wederwaardigheden voorbij.
Juffrouw Gabin was, om, geen tijd te verliezen, haar lampenkappen gaan
halen. Marguerite vroeg zij verlof Dédé weer bij haar te mogen hebben;
"'t is niet goed," zeide zij, "dat kinderen zoolang alléén zijn."
"Kom dan maar weer hier," zei ze zacht, de kleine meetroonende,
"doch pas op en kijk dien kant niet, of je zal hebben".
Zij verbood haar mij aan te zien, daar zij dit minder welvoegelijk
vond. Dédé zag mij echter van terzijde ongetwijfeld voortdurend aan,
want ik hoorde hoe haar moeder haar op den arm sloeg en op driftigen
toon herhaalde:
"Werk of je gaat weer heen en dan komt vannacht die mijnheer je aan
je beenen trekken."
Moeder en dochtertje zaten beiden aan onze tafel.
Het geluid der schaar, die nu en dan in de lampenkappen knipte,
drong flauw tot mij door; een secuur werkje zeker, want het knippen
ging uiterst langzaam. Om mijn klimmende angst te stillen, telde ik
de keeren.
Slechts het geritsel der scharen klonk door het vertrek.
Marguerite was zeker van vermoeienis in slaap gevallen. Twee maal
stond Simoneau op. De gedachte, dat hij van Marguerite's slaap zou
gebruik maken om heur haren met zijn lippen aan te raken, kwelde
mij ontzettend.
Ik kende dien man in 't geheel niet en toch wist ik dat hij mijn
vrouw beminde. Een lachje van de kleine Dédé verbitterde mij nog meer.
"Waarom lach je zoo gek?" vroeg haar heur moeder. "Pas op of ik breng
je weer buiten...... Kom, vertel eens, waar lachte zoo om?"
Het kind stamelde. Zij had niet gelachen, zij had gehoest. Ik voor
mij geloofde dat zij had gezien hoe Simoneau zich over Marguerite
boog en dat haar dit allerdwaast had toegeschenen.
Toen de lamp was opgestoken, werd er weer geklopt.
"Ha! daar is de dokter", zei de oude vrouw.
Inderdaad was het de dokter. Hij verontschuldigde zich volstrekt niet
over zijn late komst. Ongetwijfeld was hij dien dag al verscheidene
trappen op en af geweest. Daar de lamp de kamer maar flauwtjes
verlichtte, vroeg hij:
"Is het lichaam hier?"
Marguerite was bevende opgestaan. Juffrouw Gabin had Dédé buiten
de deur gezet, daar een kind niet overal bij behoefde te wezen;
zij deed ook alle moeite mijn vrouw naar het venster te krijgen,
teneinde haar het onaangename gezicht te sparen.
De geneesheer naderde met haastige schreden. Ik giste dat hij moe,
druk en ongeduldig was. Had hij mijn hand aangeraakt? Had hij de zijne
op mijn hart gelegd? Ik wist het niet, doch het scheen mij toe dat hij
zich alleen maar met een onverschillig uiterlijk over mij had gebogen.
"Zal ik de lamp nemen om u bij te lichten?" vroeg Simoneau op
beleefden toon.
"Neen, niet noodig," antwoordde de dokter zacht. Wat? Niet noodig! Die
man had mijn leven in zijn hand en oordeelde 't niet noodig mij
nauwkeurig te onderzoeken. Ik was niet dood. O, ik had het zoo gaarne
willen uitschreeuwen: "Ik ben niet dood!"
"Hoe laat is hij gestorven?" hernam hij.
"Vanmorgen om zes uur", antwoordde Simoneau.
Een storm van woede stak in mij op. O, niet te kunnen spreken, geen
lid te kunnen verroeren!
De dokter ging voort:
"'t Is vreeselijk ongezond weer...... Niets is zoo vermoeiend als
die eerste lentedagen".
En hij verwijderde zich. Mijn leven was het dat daar heen ging. Kreten,
tranen, vloeken verstikten mij, verscheurden bijna mijn toegeschroefde
keel. O, die ellendeling, dien de gewoonte tot een machine had gemaakt,
en die aan het doodsbed kwam enkel en alleen om een formaliteit te
vervullen. Die man wist dus niets! Zijn heele wetenschap was dus niet
veel meer dan één leugen, dat hij met een enkelen oogopslag niet het
leven van den dood kon onderscheiden. Hij ging heen, hij ging heen!
"Bonsoir, mijnheer", zeide Simoneau.
Een oogenblik van stilte. De geneesheer maakte waarschijnlijk een
buiging voor Marguerite, die zich omkeerde, terwijl juffrouw Gabin
het venster sloot. Daarop hoorde ik hem de kamer verlaten en zijn
schreden kraken op de trap.
't Was dus voorbij! Mijn vonnis was geveld! Mijn laatste hoop verdween
met dien man. Werd ik voor den volgenden morgen elf uur niet wakker,
dan zou men mij levend begraven. Deze gedachte was zoo ontzettend,
dat ik het bewustzijn verloor omtrent alles wat er om mij heen
voorviel. Het was een bezwijming in den dood zelf. Het laatste geluid
dat mijn gedachten nog bereikte, was dat der scharen van juffrouw
Gabin en Dédé.
De treurige doodenwaak begon. Niemand sprak meer. Marguerite had
geweigerd in de naburige kamer te gaan slapen. Zij lag daar achterover
in haar fauteuil, met bleek gelaat en gesloten oogen, aan wier wimpers
de tranen blonken. Stil in het halfduister zat Simoneau tegenover
haar en wendde de oogen niet van haar af.