Mijn eerste gedachte was mij naar den bewaker van het kerkhof te
begeven en mij naar huis te laten brengen. Onbestemde gedachten
hielden mij echter terug. Ik zou die menschen ongetwijfeld
verschrikken.--Bovendien, waartoe zou ik mij haasten nu ik weer de
beschikking had over mijn doen en laten? Ik betastte mijn lichaam,
en bemerkte dat ik geen ander letsel bekomen had dan den beet mijner
tanden in den linkerarm; het beetje koorts, dat er gevolg van was,
prikkelde mij en gaf mij een ongehoopte kracht. Zeker, zonder steun
kon ik zeer goed loopen.
Ik haastte mij volstrekt niet. Allerlei gedachten doorkruisten
mijn brein. Dicht bij mij, in den kuil, had ik de gereedschappen
der gravers ontdekt en ik vond het goed het gat dicht te stoppen,
dat door mij gemaakt was, opdat niemand van mijn terugkeer in het
leven kennis zou dragen. Ik handelde echter zoo, zonder nu juist
te weten _waarom_, ik vond het enkel onnoodig dat het overal bekend
ware, alsof het een schande was te leven, wanneer de geheele wereld
mij doodverklaard had. Binnen een half uur was het laatste spoor van
mijn opstanding verdwenen en sprong ik uit den kuil.
Wat een heerlijke nacht! Een diepe stilte heerschte op het kerkhof.
De zwarte boomen stonden daar als onbewegelijke schimmen, temidden der
spookachtige witheid der grafsteenen. Toen ik zocht te bepalen waar ik
mij bevond, zag ik plotseling hoe de helft van den hemel schitterde als
een lucht bij brand. Daar lag Parijs. Ik wandelde dien kant uit, een
laan doorloopende, in de duisternis van het gebladerte. Ik had echter
nog geen vijftig passen gedaan of ik moest van vermoeienis rusten.
Ik zette mij op een steenen bank.
Nu nam ik voor het eerst mijn kleeren in oogenschouw. Ik was geheel
gekleed, zelfs mijn schoenen ontbraken niet. Het eenigste wat ik
miste was een hoed. Hoe dankbaar was ik Marguerite voor de zorgen,
waarmede zij mij had omringd. De gedachte aan haar deed mij weder
opstaan. Ik wilde haar zien.
Aan het einde der laan belemmerde een muur mij den voortgang. Ik klom
op een grafmonument en wist mij boven op den muur te werken. Eenmaal
zoover, liet ik mij aan de andere zijde naar beneden vallen. De schok
was hevig. Gedurende eenige minuten wandelde ik in de verlaten straat,
die het kerkhof omringt. Ik was volkomen onkundig van de plaats,
waar ik was, doch ik herhaalde bij mijzelf, met de stijfhoofdigheid
van een idée fixe, dat ik in Parijs moest terugkeeren en dat ik dan
de rue Dauphine wel zou vinden. Menschen gingen mij voorbij, doch ik
vroeg hen niet naar den weg, wantrouwend, bevreesd mij aan iemand te
verraden. Thans weet ik dat een hevige koorts in mij brandde en mijn
hersenen volkomen in de war waren.
Toen ik eindelijk een ruime straat bereikte, voelde ik alle kracht
mij in eens ontzinken en ik viel machteloos op het trottoir neer.
Gedurende drie weken bleef ik buiten kennis. Toen ik de oogen
weer opsloeg, bevond ik mij in een onbekende kamer. Een man zat
aan mijn bed en paste mij op. Hij vertelde mij niet anders dan
dat hij, mij op een morgen op den boulevard Montparnasse gevonden
hebbende, mij mede had genomen. 't Was een oud-geneesheer, die
geen praktijk meer uitoefende. Toen ik hem bedankte, antwoordde
hij mij dat mijn toestand hem belangwekkend was voorgekomen en dat
hij mij met geen ander doel had meegenomen, dan om mijn ziekte te
bestudeeren. Gedurende de eerste dagen van mijn herstelling stond
hij mij niet toe hem iets te vragen. Van zijn kant trachtte hij ook
omtrent mij niets te weten te komen. Nog acht dagen lang behield
ik het bed, het hoofd nog doodelijk zwak, niet pogende mij iets te
herinneren, daar elke herinnering slechts vermoeienis en verdriet
was. Vrees en schaamte vervulden mijn ziel. Als ik weer uit mocht,
zou ik alles onderzoeken. Misschien had ik in mijn hevige koortsen
een naam laten ontsnappen; de geneesheer maakte echter geen enkele
toespeling op het een of ander. Zijn weldadigheid was bescheiden.
Eindelijk kwam de zomer en op een Juni-morgen kreeg ik verlof
een kleine wandeling te doen. 't Was een heerlijke morgen en de
vroolijke zonnestralen gaven een gloed van jeugd en schoonheid aan
het oude Parijs. Ik wandelde kalm en bedaard, bij iedere dwarsstraat
den voorbijgangers den weg vragende naar de rue Dauphine. Eindelijk
bereikte ik haar en met moeite herkende ik het hotel, waar wij waren
afgestapt. Een kinderlijke vrees beving mij. Als ik plotseling voor
Marguerite stond, zou zij misschien het van schrik besterven. Het
beste was de oude juffrouw Gabin in den arm te nemen. Ik vond het
echter verre van aangenaam tusschen ons beiden een tusschenpersoon
noodig te hebben.
Het huis schitterde in de gouden zonnestralen. Ik had het herkend aan
het restaurant, dat zich op de eerste verdieping bevond en vanwaar wij
dagelijks ons diner bekwamen. Ik sloeg de oogen op naar het laatste
venster van de derde verdieping aan den linkerkant. Het stond wijd
open. Plotseling vertoonde zich in de opening het bovenlijf eener
jonge vrouw; een jonge man, die haar blijkbaar achtervolgde, bracht
het hoofd vooruit en kuste haar in den hals. Dat was Marguerite
niet. Ik verwonderde mij er echter volstrekt niet over haar daar niet
te vinden. Alles scheen mij een droom toe.
Een oogenblik stond ik besluiteloos in de straat er over denkende naar
boven te gaan en het verliefde paartje te ondervragen, dat lachende
uit het venster lag, in de volle zon.
Ik besloot evenwel het kleine restaurant hetwelk beneden was, binnen
te treden. Ik moest volmaakt onkenbaar zijn, door de koorts was mijn
baard verbazend gegroeid en mijn gelaat als met rimpels doorploegd. Mij
aan tafel zettende bemerkte ik juffrouw Gabin, die binnen kwam met een
kop, welken zij met koffie liet vullen; zij vatte voor de toonbank
post en begon met de eigenares des restauratie de nieuwtjes van den
dag te bespreken. Ik luisterde scherp toe.
"Wel", vroeg de eigenares der restauratie, "die arme kleine van drie
hoog is dus besloten?"
"Natuurlijk", antwoordde juffrouw Gabin, "wat kon zij beter
doen! Mijnheer Simoneau had haar zooveel vriendschap bewezen! Hij had
zijn zaken tot een goed einde gebracht, een schitterende erfenis gehad
en stelde haar voor hem te volgen naar zijn geboortestad, om daar haar
intrek te nemen bij een oude tante, die behoefte had aan een persoon,
welke zij geheel kon vertrouwen".
De dame achter de toonbank lachte eens.
Ik boog mij dieper over de courant, die ik met bevende handen
vasthield.
"Natuurlijk loopt dat op een huwelijk uit", hernam juffrouw Gabin. "Ik
heb echter, dat kan ik u verzekeren, niets gezien, dat minder netjes
was. De kleine beweende haar echtgenoot en de jonge man gedroeg zich
in alles bescheiden en beleefd. Gisteren zijn zij vertrokken. Als de
rouw verstreken is, kunnen zij doen wat zij willen."
Op dit oogenblik werd de deur der restauratie geopend en Dédé kwam
binnen.
"Mama, kom je niet boven? Ik wacht op je, kom gauw".
"Dadelijk hoor!" zeide de moeder.
Luisterende naar het gesprek der beide vrouwen, stond het kind daar,
brutaal ondeugend als een kleine straatbengel op het plaveisel van
Parijs opgegroeid.
"Alles daargelaten", ging juffrouw Gabin verder, "kon de doode
niet vergeleken worden met mijnheer Simoneau. Neen, dat was
een beklagenswaardige echtgenoot. Geen cent rijk! Voor een
levenslustige vrouw als juffrouw Marguerite is zoo iemand op den
duur onuitstaanbaar.... Simoneau daarentegen is rijk en sterk als
een reus...."
"O", viel Dédé in de rede, "ik heb hem eens gezien toen hij zich aan
't scheren was. Hij heeft haar onder de armen".
"Wil je wel eens weggaan!" riep de oude vrouw uit, haar een duw
gevende. "Je steekt altijd je neus in zaken, waar je niet mee noodig
hebt".
Tot besluit voegde zij er aan toe:
"Kortom, de andere deed maar verstandig om uit te stappen. 't Was
wezenlijk het beste, dat hij doen kon".
Toen ik mij weer in de straat bevond, liep ik langzaam; mijn beenen
waren als gebroken. Ik leed echter niet al te zeer. Ik lachte zelfs
even, toen ik mijn schaduw op het plaveisel zag. Ja, ik was wèl tenger
en min en 't was misschien een dwaasheid van mij geweest Marguerite
te trouwen. Ik herinnerde mij hoe zij zich te Guérande verveeld had,
hoe zij vol ongeduld haar dagen had doorgebracht in een vermoeiende
eentoonigheid. De lieve vrouw was goed genoeg geweest. Ik had echter
nooit de plaats van minnaar bij haar ingenomen, het was veeleer een
broeder, dien zij in mij beweende.
Waarom zou ik opnieuw haar leven in de war brengen? Een doode is
niet jaloersch. Toen ik het hoofd oprichtte zag ik den tuin van het
Luxemburg voor mij.
Ik ging hem binnen en zette mij in de zon, vervuld van vredige
gedachten. De gedachte aan Marguerite was die aan een lieve
herinnering geworden. Ik zag haar in een provinciestadje gelukkig,
gevierd, bemind; zij was nog schooner geworden en had vijf kinderen:
drie jongens en twee meisjes. Kom, ik had mij een goed mensch getoond
met te sterven en ik mocht al dat goede niet vernietigen met opeens
weer levend te worden.
Sinds dien tijd heb ik veel gereisd en zoowat overal een beetje
geleefd. Ik ben een middelmatig man, die heeft gewerkt en gegeten als
iedereen. De dood verontrust mij niet meer; hij schijnt mij echter
te willen laten leven en ik begin waarlijk bang te worden, dat hij
mij vergeet.