Op zekeren avond zeide Hector tot het gezin:
"Wij zullen morgen een hoogen vloed hebben.... Wij zouden dan op de
garnalenvangst kunnen gaan".
Dit voorstel scheen Estella bijzonder toe te lachen. Ja, ja, men
moest garnalen gaan visschen! Sedert lang had zij van dit uitstapje
gedroomd. Mijnheer Chabre kwam er tegen in verzet. Vooreerst, ving
men nooit iets, en in de tweede plaats was het veel eenvoudiger
voor tien stuiver de vangst eener vrouw der streek te gaan koopen,
zonder tot aan het middel toe nat te worden en zijne voeten stuk te
loopen. Maar hij moest toegeven aan de opgewondenheid zijner vrouw
en men begon de grootste toebereidselen te maken.
Hector had zich belast met het verschaffen der netten. In weerwil
van zijn angst voor koud water, had mijnheer Chabre verklaard dat
hij de anderen vergezellen zou, en van het oogenblik af, dat hij er
in toestemde op de vischvangst uit te gaan, was hij ook voornemens
in alle ernst te visschen. Dien morgen liet hij een paar laarzen
met traan insmeren; daarna stak hij zich van hoofd tot voeten in
een pak van lichtkleurig linnen; maar zijn vrouw kon niet van hem
verkrijgen dat hij geen zorg besteden zou aan zijn dasstrik, en de
punten daarvan spreidden zich even deftig uit, alsof hij zich naar
eene huwelijksplechtigheid moest begeven. Die strik was zijn protest
van fatsoenlijk man tegen de wanorde van den oceaan. Wat Estella,
betreft, zij trok eenvoudig haar badcostuum aan, waarover zij een
Persey aandeed. Ook Hector was in badkleeding.
Omstreeks twee uur begaf het drietal zich op weg. Elk hunner droeg
een net op den schouder. Men moest een halve mijl over het zand en
de duinplanten afleggen, alvorens een rots te bereiken, waar Hector
beweerde dat men ware garnalen-banken vond. Hij leidde rustig het
echtpaar voort, door waterplassen heenstappende en recht voor zich
uitgaande, zonder zich er over te bekommeren, of de weg goed was
of slecht.
"Is het dan zoo heel ver, mijnheer Hector? Zie toch eens waarom
zouden wij daarginds niet visschen? Ik verzeker u dat ik garnalen
zie. Er zijn er bovendien overal in zee te vinden, niet waar? En ik
durf wedden dat men slechts zijn net behoeft uit te slaan".
"Doe dat maar, Mijnheer Chabre", antwoorde Hector.
En om weer bij adem te komen, sloeg mijnheer Chabre zijn net uit in een
plas niet grooter dan eene hand. Het gat was zoo ledig en helder, dat
hij niets ving, zelfs geen zeewier. Dan hervatte hij den tocht met eene
waardige uitdrukking en op elkander geknepen lippen. Maar, aangezien
hij zijn tijd verspilde door te willen bewijzen dat er overal garnalen
te vinden waren, eindige hij met een heel eind achter te blijven.
De zee nam nog steeds af, en trok zich terug tot op meer dan een
kilometer van de kust. Estella, die in haar volle lengte opgericht
stond, liet de oogen over die kalme onmetelijkheid der zee dwalen.
"Hoe verheven!" mompelde zij.
Hector wees haar met den vinger enkele rotsen aan, groen geworden
gevaarten, welke door de stortzeeën uitgesleten waren.
"Deze hier", zeide hij, "komt slechts tweemaal per maand bloot. Men
gaat er mosselen zoeken....... Ziet gij daarginds die bruine vlek? Men
noemt haar de 'Vaches-Rousses'. Het is de beste plek voor kreeften. Men
krijgt die rotsen slechts met de twee groote getijden van het jaar
te zien! Maar wij moeten voortmaken. Wij begeven ons naar de rotsen,
waarvan de punten zich beginnen te vertoonen".
Toen Estella de zee inging, was zij buiten zichzelve van vreugde. Zij
trok de voeten heel hoog op en zette ze met kracht weer neder,
luidkeels lachend over het opspatten van het schuim. Toen zij,
vervolgens, water tot aan de knieën voelde, was zij gedwongen tegen
de golven te worstelen; en zij vond er vermaak in heel snel voort te
loopen, dien weêrstand en dat ruwe aanhoudende geschuivel te voelen,
dat haar tegen de beenen drong.
"Wees niet bang", zeide Hector, "gij zult het water tot aan het
middel krijgen, maar de grond wordt daarna weder hooger...... Wij
zijn er haast......"
Van lieverlede begonnen zij inderdaad weder te stijgen. Zij hadden
een kleinen zee-arm doorkruist, en bevonden zich thans op een breede
rotsvlakte, welke de zee open gelaten had. Toen de jonge vrouw zich
omwendde, slaakte zij een lichten kreet, zoo ver was zij van den
oever. Heel in de verte, vlak aan de kust, vertoonde Piriac de enkele
vlekken zijner witte huizen en den vierkanten toren zijner kerk,
versierd met groene luiken.
Nooit had zij eene dergelijke uitgestrektheid aanschouwd als deze, die
in den helderen zonneschijn gestreept was door het goud van het zand,
het donkergroen der zeevarend en de vochtige schitterende tinten der
rotsen. Het scheen het uiteinde der aarde, het veld van verwoesting
waar het niet begon.
Estella en Hector maakten zich gereed voor het eerst hunne netten
uit te werpen, toen zich een weeklagende stem deed vernemen. Mijnheer
Chabre die midden in den kleinen zee-arm stond vroeg naar den weg.
"Waar moet ik heenloopen!" riep hij. "Is het rechtdoor, zeg?"
Het water steeg hem, tot den gordel; hij durfde geen voet meer
verzetten, vol ontzetting bij de gedachte dat hij in een gat kon
vallen en verdwijnen.
"Linksaf!" riep Hector hem toe.
Hij gehoorzaamde aanstonds; maar ziende dat hij steeds dieper kwam,
bleef hij andermaal verschrikt stilstaan, niet eens meer den moed
behoudende op zijne schreden terug te keeren. Hij jammerde slechts.
"Kom mij de hand vatten. Ik verzeker u dat er gaten zijn. Ik voel ze.
"Rechtsaf, mijnheer Chabre, rechtsaf!" riep Hector.
En de arme man vertoonde zulk een gek figuur, daar midden in het water,
met zijn net op den schouder, en zijn dasstrik, die nog altijd even
keurig zat, dat Estella en Hector onmogelijk een glimlach konden
bedwingen. Hij eindigde met zich uit den nood te redden. Maar hij
was bij zijne aankomst zeer ontroerd, en zeide op woedende toon:
"Ik kan niet zwemmen, ik!"
Wat hem thans van zorg vervulde, was de vraag hoe men wederkeeren
zou. Toen de jonge man hen uitgelegd had dat het er slechts op aankwam
zich niet door den vloed op de rotsen te laten overvallen, werd hij
opnieuw angstig.
"Gij zult mij waarschuwen niet waar?"
"Wees niet bang, ik sta voor u in".
Zij begonnen nu alle drie te visschen. Met hunne smalle netten
doorzochten zij de golven. Estella ging daarbij met vrouwelijke
hartstocht te werk, en zij was het, die de eerste garnalen, die
groote roode garnalen ving, die hevig in de diepte van het net
rondsprongen. Onder luid geschreeuw riep zij Hector toe haar te komen
helpen, want die levende dieren joegen haar schrik aan, maar toen zij
eenmaal gezien had, dat zij zich niet meer verroerden, zoodra men hen
bij den kop aanvatten, was zij moediger, en durfde zij hen heel goed
zelf in het mandje laten vallen, dat zij over den schouder droeg. Nu en
dan haalde zij een heel pak zeewier op, en moest zij daarin rondtasten,
wanneer een licht gedruisch, als een zacht klapgewiek haar verwittigde,
dat er garnalen onder lagen. Omzichtig haalde zij de halmen uit,
en wierp ze bij kleine bosjes weg maar half op haar gemak, tegenover
die ineengekronkelde raadselachtige bladeren, die even kleverig en
slap waren als doode visch. Van tijd tot tijd wierp zij een blik in
haar mand, verlangend als zij was dat deze vol zou geraken.
"Het is vreemd", herhaalde mijnheer Chabre, "ik vang er geen enkele".
Aangezien hij zich niet tusschen de rotsspleten durfde wagen en
buitendien zeer belemmerd werd in zijne bewegingen door zijn hooge
laarzen, die vol water waren geraakt, duwde hij zijn net over
het zand en ving hij niets dan krabben, vijf, acht, tien krabben
tegelijk. Hij was er doodsbang voor en vocht met hen, om ze uit zijn
net te verjagen. Bij oogenblikken keerde hij zich om en overtuigde
zich vol bezorgdheid of de zee nog wel altijd afnam.
"Zijt gij zeker dat zij zich terugtrekt?" vroeg hij aan Hector.
Deze vergenoegde zich met een hoofdnikje. Wat hem betreft, hij vischte
dapper voort, als iemand die de juiste plekken kent. Zoo vaak hij
zijn net ophaalde, had hij dan ook handenvol garnalen. Als hij dit
aan Estella's zijde deed, wierp hij zijn vangst in het korfje van de
jonge vrouw. En zij lachte dan, gaf een knipoogje in de richting van
haar man en bracht haar vinger aan de lippen. Zij zag er allerliefst
uit, gekromd over den langen houten stok, of wel het blonde hoofd
neerbuigende over het net, geheel opgewonden van nieuwsgierigheid
om, te weten wat zij gevangen had. Een zachte bries deed het water
verstuiven, dat van het touwwerk afdroop en als een regen wegviel,
haar in een waas van dauw hullende, terwijl hare kleeding, die nu
eens opfladderde, dan weder om haar heen plakte, de bevalligheid
harer fijne vormen deed uitkomen.
Zij hadden aldus sedert bijna twee uren voortgevischt, toen zij
ophield om een oogenblik uit te rusten, zij was buiten adem, hare
lichtkleurige korte haartjes waren van zweet doortrokken. Om haar heen
bleef het eene onmetelijke woestijn, vervuld van altijd voortruischende
vrede, alleen scheen de zee van eene siddering bevangen, was het als
werd hare murmelende stem luider. De hemel, die in vuurgloed van den
laten namiddag gedompeld was, had eene lichtblauwe, bijna grijze kleur
verkregen, en in weerwil van die bleeke tinten van dien smelkom, voelde
men niets van hitte, steeg er koelte uit het water op, die het schelle
van de zon als wegveegde en verzachtte. Wat Estella vermaakte, was,
dat zij op al de rotsen eene menigte punten zag, welke zich zwart en
heel duidelijk afteekenden. Het waren garnalen-visschers evenals zij,
wier gestalte ongelooflijk klein scheen, niet grooter dan een mier,
bespottelijkheid van onbeduidendheid in deze onmetelijkheid, wat niet
wegnam, dat men elk hunner kon opmerken, de kromming van hun rug, als
zij hunne netten voortduwden, of hunne uitgestrekte en bewegelijke
armen, die op de hoekige pooten van een vlieg geleken, wanneer zij
hun vangst uitzochten, en tegen het zeewier en de krabben vochten.
"Ik verzeker u dat zij op komt zetten!" riep mijnheer Chabre vol
zielangst uit. "Kijk slechts! Die rots daarginds lag straks nog bloot".
"Zeer zeker komt zij opzetten", eindigde Hector met ongeduld ten
antwoord te geven. "Het is juist als zij stijgt dat men de meeste
garnalen vangt".
Maar mijnheer Chabre had het hoofd verloren. De laatste maal dat hij
het net optrok, had hij een zonderlinge visch naar omhoog gehaald,
een soort zeeduivel, die hem angst aanjoeg met den monsterachtigen kop,
en hij had er genoeg van gekregen.
"Laat ons heengaan! laat ons heengaan! herhaalde hij. "Het is altijd
dom zich bloot te stellen".
"Maar men zegt u immers dat men beter visschen kan, als de zee komt
opzetten!" antwoordde zijne vrouw.
"En zij zet geducht op!" voegde Hector er halfluidend bij, terwijl
zijne oogen ondeugend begonnen te flikkeren.
De golven strekten zich inderdaad verder uit en bespoelden onder luide
gedruisch de rotsen. Nu en dan nam het water onverwachts een gansche
landtong in. Het was de zegevierende zee, die zich weder voet voor
voet meester maakte van het grondgebied waar zij sedert eeuwen met
haar schuim overheen zweepte. Estella had een plas ontdekt, beplant met
lange grashalmen, even buigzaam als haren, en zij ving er reusachtige
garnalen; zij baande zich een spoor door het wier heen, eene open
ruimte achter zich latende zooals een maaier dat zou hebben gedaan. Zij
spartelde tegen, weigerde zich van daar weg te laten rukken.
"Zooveel te erger voor u!" riep mijnheer Chabre uit, met eene stem vol
tranen. "Het is dollemanswerk; wij zullen er nog allen bij omkomen".
En hij verwijderde zich eerst, vol wanhoop de diepte der gaten
peilende, met behulp van den stok van zijn net. Toen hij zich op twee
of driehonderd pas afstands van hen bevond, haalde Hector Estella
eindelijk over hem te volgen.
"Wij zullen het water tot aan de schouders krijgen", zeide hij
glimlachend. "Een waar bad voor mijnheer Chabre...... Zie eens hoe
diep hij reeds wegzinkt".
Sedert het oogenblik waarop zij zich op weg begeven hadden, droeg
de jonge man de half verlegen, half bekommerde uitdrukking van een
minnaar, die zich voorgenomen heeft eene liefdesverklaring af te leggen
en er den moed niet toe vindt. Bij het werpen der garnalen in Estella's
korfje, had hij wel beproefd hare vingers te ontmoeten. Maar hij was
blijkbaar verwoed over zijn gemis aan stoutmoedigheid, en indien
mijnheer Chabre verdronken ware, zou hij dat alleraardigst hebben
gevonden, want voor het allereerst zat mijnheer Chabre hem in den weg.
"Weet gij wat?" zeide hij eensklaps. "Gij moest op mijn rug klimmen,
dan zou ik u dragen. Gij zult anders doornat worden.... Welnu klauter
er toch op!"
En hij bukte zich voorover. Zij weigerde, verward en blozend. Maar hij
werd ruw tegen haar, en riep haar toe dat hij verantwoordelijk voor
hare gezondheid was. Zij gehoorzaamde dus, daarbij de beide handen op
de schouders van den jongenman leggend. Stevig als een rots, hief hij
zich weder omhoog, als droeg hij slechts een vogel om den hals. Hij
verzocht haar zich goed vast te houden en schreed met groote passen
door het water heen.
"Het is immers rechtsaf, niet waar mijnheer Hector?" riep mijnheer
Chabre, wien de golven reeds in den rug drongen, op klagenden toon uit.
"Ja, rechtsaf, altijd door rechtsaf".
En terwijl de echtgenoot voor hen uit bleef loopen bibberend van
angst en de zee tot onder zijne schouders voelende stijgen, waagde
Hector het een der kleine handen te kussen, die zich om zijn hals
strengelden. Estella wilde ze terugtrekken, maar hij zeide haar zich
niet te verroeren, want dat hij anders voor niets meer instond. En
andermaal begon hij hare handen te kussen. Zij waren koel en zout,
hij drukte haar de bittere weelde van den oceaan in.
"Ik bid u, laat mij met rust", herhaalde Estella, den schijn aannemende
alsof zij boos was. "Gij maakt waarlijk misbruik van den toestand. Ik
spring in het water als gij opnieuw begint".
Hij begon opnieuw en zij nam volstrekt geen sprong, hij omklemde nog
altijd hare enkels en verslond nog steeds, zonder een woord te zeggen,
hare handen, het oog gevestigd houdende op hetgeen men nog zien kon
van den rug van mijnheer Chabre, het eindje van een tragischen rug,
die bij elke schrede, dreigde te verdwijnen.
"Rechtsaf, zegt gij?" smeekte de echtgenoot.
"Linksaf, zoo gij verkiest!"
Mijnheer Chabre sloeg linksaf en slaakte een kreet. Hij was tot aan
den hals onder water gekomen, zijn dasstrik verdronk, en Hector, die
zich thans geheel op zijn gemak gevoelde, legde zijne bekentenis af.
"Ik heb u lief, mevrouw......"
"Zwijg mijnheer, ik beveel het u".
"Ik heb u lief ik aanbid u en...... tot hiertoe heeft de eerbied mij
het stilzwijgen opgelegd".
Hij zag haar niet aan, maar ging voort met groote passen door het
water te stappen, terwijl de zee hen tot aan de borst steeg.
De gansche toestand kwam haar zoo grappig voor, dat zij niet kon
laten luidkeels te lachen.
"Komaan, zwijg liever", hernam zij op heel natuurlijke toon, hem
tevens een tikje op den schouder gevende. "Wees verstandig en val
vooral niet om!"
Dat tikje vervulde Hector van verrukking: het verdrag was bezegeld,
en ziende dat de echtgenoot nog altijd aan zijn wanhoop overgeleverd
bleef, riep de jonge man hem vroolijk toe:
"Rechtuit nu!"
Toen zij op het strand aangekomen waren, wilde mijnheer Chabre eene
opheldering geven.
"Op mijn woord van eer, ik ben bijna omgekomen!" stotterde hij. "Het
is de schuld van mijn laarzen...."
Maar Estella opende haar koft en toonde hem hoe deze vol garnalen was.
"Hoe? Hebt gij dat alles gevangen?" riep hij vol verbazing uit. "Gij
kunt prachtig visschen!"
"O!" sprak zij glimlachend, Hector daarbij een blik
toewerpend. "Mijnheer heeft geweezen hoe te doen".