IV.

Op zekeren avond zeide Hector tot het gezin:

"Wij zullen morgen een hoogen vloed hebben.... Wij zouden dan op de

garnalenvangst kunnen gaan".

Dit voorstel scheen Estella bijzonder toe te lachen. Ja, ja, men

moest garnalen gaan visschen! Sedert lang had zij van dit uitstapje

gedroomd. Mijnheer Chabre kwam er tegen in verzet. Vooreerst, ving

men nooit iets, en in de tweede plaats was het veel eenvoudiger

voor tien stuiver de vangst eener vrouw der streek te gaan koopen,

zonder tot aan het middel toe nat te worden en zijne voeten stuk te

loopen. Maar hij moest toegeven aan de opgewondenheid zijner vrouw

en men begon de grootste toebereidselen te maken.

Hector had zich belast met het verschaffen der netten. In weerwil

van zijn angst voor koud water, had mijnheer Chabre verklaard dat

hij de anderen vergezellen zou, en van het oogenblik af, dat hij er

in toestemde op de vischvangst uit te gaan, was hij ook voornemens

in alle ernst te visschen. Dien morgen liet hij een paar laarzen

met traan insmeren; daarna stak hij zich van hoofd tot voeten in

een pak van lichtkleurig linnen; maar zijn vrouw kon niet van hem

verkrijgen dat hij geen zorg besteden zou aan zijn dasstrik, en de

punten daarvan spreidden zich even deftig uit, alsof hij zich naar

eene huwelijksplechtigheid moest begeven. Die strik was zijn protest

van fatsoenlijk man tegen de wanorde van den oceaan. Wat Estella,

betreft, zij trok eenvoudig haar badcostuum aan, waarover zij een

Persey aandeed. Ook Hector was in badkleeding.

Omstreeks twee uur begaf het drietal zich op weg. Elk hunner droeg

een net op den schouder. Men moest een halve mijl over het zand en

de duinplanten afleggen, alvorens een rots te bereiken, waar Hector

beweerde dat men ware garnalen-banken vond. Hij leidde rustig het

echtpaar voort, door waterplassen heenstappende en recht voor zich

uitgaande, zonder zich er over te bekommeren, of de weg goed was

of slecht.

"Is het dan zoo heel ver, mijnheer Hector? Zie toch eens waarom

zouden wij daarginds niet visschen? Ik verzeker u dat ik garnalen

zie. Er zijn er bovendien overal in zee te vinden, niet waar? En ik

durf wedden dat men slechts zijn net behoeft uit te slaan".

"Doe dat maar, Mijnheer Chabre", antwoorde Hector.

En om weer bij adem te komen, sloeg mijnheer Chabre zijn net uit in een

plas niet grooter dan eene hand. Het gat was zoo ledig en helder, dat

hij niets ving, zelfs geen zeewier. Dan hervatte hij den tocht met eene

waardige uitdrukking en op elkander geknepen lippen. Maar, aangezien

hij zijn tijd verspilde door te willen bewijzen dat er overal garnalen

te vinden waren, eindige hij met een heel eind achter te blijven.

De zee nam nog steeds af, en trok zich terug tot op meer dan een

kilometer van de kust. Estella, die in haar volle lengte opgericht

stond, liet de oogen over die kalme onmetelijkheid der zee dwalen.

"Hoe verheven!" mompelde zij.

Hector wees haar met den vinger enkele rotsen aan, groen geworden

gevaarten, welke door de stortzeeën uitgesleten waren.

"Deze hier", zeide hij, "komt slechts tweemaal per maand bloot. Men

gaat er mosselen zoeken....... Ziet gij daarginds die bruine vlek? Men

noemt haar de 'Vaches-Rousses'. Het is de beste plek voor kreeften. Men

krijgt die rotsen slechts met de twee groote getijden van het jaar

te zien! Maar wij moeten voortmaken. Wij begeven ons naar de rotsen,

waarvan de punten zich beginnen te vertoonen".

Toen Estella de zee inging, was zij buiten zichzelve van vreugde. Zij

trok de voeten heel hoog op en zette ze met kracht weer neder,

luidkeels lachend over het opspatten van het schuim. Toen zij,

vervolgens, water tot aan de knieën voelde, was zij gedwongen tegen

de golven te worstelen; en zij vond er vermaak in heel snel voort te

loopen, dien weêrstand en dat ruwe aanhoudende geschuivel te voelen,

dat haar tegen de beenen drong.

"Wees niet bang", zeide Hector, "gij zult het water tot aan het

middel krijgen, maar de grond wordt daarna weder hooger...... Wij

zijn er haast......"

Van lieverlede begonnen zij inderdaad weder te stijgen. Zij hadden

een kleinen zee-arm doorkruist, en bevonden zich thans op een breede

rotsvlakte, welke de zee open gelaten had. Toen de jonge vrouw zich

omwendde, slaakte zij een lichten kreet, zoo ver was zij van den

oever. Heel in de verte, vlak aan de kust, vertoonde Piriac de enkele

vlekken zijner witte huizen en den vierkanten toren zijner kerk,

versierd met groene luiken.

Nooit had zij eene dergelijke uitgestrektheid aanschouwd als deze, die

in den helderen zonneschijn gestreept was door het goud van het zand,

het donkergroen der zeevarend en de vochtige schitterende tinten der

rotsen. Het scheen het uiteinde der aarde, het veld van verwoesting

waar het niet begon.

Estella en Hector maakten zich gereed voor het eerst hunne netten

uit te werpen, toen zich een weeklagende stem deed vernemen. Mijnheer

Chabre die midden in den kleinen zee-arm stond vroeg naar den weg.

"Waar moet ik heenloopen!" riep hij. "Is het rechtdoor, zeg?"

Het water steeg hem, tot den gordel; hij durfde geen voet meer

verzetten, vol ontzetting bij de gedachte dat hij in een gat kon

vallen en verdwijnen.

"Linksaf!" riep Hector hem toe.

Hij gehoorzaamde aanstonds; maar ziende dat hij steeds dieper kwam,

bleef hij andermaal verschrikt stilstaan, niet eens meer den moed

behoudende op zijne schreden terug te keeren. Hij jammerde slechts.

"Kom mij de hand vatten. Ik verzeker u dat er gaten zijn. Ik voel ze.

"Rechtsaf, mijnheer Chabre, rechtsaf!" riep Hector.

En de arme man vertoonde zulk een gek figuur, daar midden in het water,

met zijn net op den schouder, en zijn dasstrik, die nog altijd even

keurig zat, dat Estella en Hector onmogelijk een glimlach konden

bedwingen. Hij eindigde met zich uit den nood te redden. Maar hij

was bij zijne aankomst zeer ontroerd, en zeide op woedende toon:

"Ik kan niet zwemmen, ik!"

Wat hem thans van zorg vervulde, was de vraag hoe men wederkeeren

zou. Toen de jonge man hen uitgelegd had dat het er slechts op aankwam

zich niet door den vloed op de rotsen te laten overvallen, werd hij

opnieuw angstig.

"Gij zult mij waarschuwen niet waar?"

"Wees niet bang, ik sta voor u in".

Zij begonnen nu alle drie te visschen. Met hunne smalle netten

doorzochten zij de golven. Estella ging daarbij met vrouwelijke

hartstocht te werk, en zij was het, die de eerste garnalen, die

groote roode garnalen ving, die hevig in de diepte van het net

rondsprongen. Onder luid geschreeuw riep zij Hector toe haar te komen

helpen, want die levende dieren joegen haar schrik aan, maar toen zij

eenmaal gezien had, dat zij zich niet meer verroerden, zoodra men hen

bij den kop aanvatten, was zij moediger, en durfde zij hen heel goed

zelf in het mandje laten vallen, dat zij over den schouder droeg. Nu en

dan haalde zij een heel pak zeewier op, en moest zij daarin rondtasten,

wanneer een licht gedruisch, als een zacht klapgewiek haar verwittigde,

dat er garnalen onder lagen. Omzichtig haalde zij de halmen uit,

en wierp ze bij kleine bosjes weg maar half op haar gemak, tegenover

die ineengekronkelde raadselachtige bladeren, die even kleverig en

slap waren als doode visch. Van tijd tot tijd wierp zij een blik in

haar mand, verlangend als zij was dat deze vol zou geraken.

"Het is vreemd", herhaalde mijnheer Chabre, "ik vang er geen enkele".

Aangezien hij zich niet tusschen de rotsspleten durfde wagen en

buitendien zeer belemmerd werd in zijne bewegingen door zijn hooge

laarzen, die vol water waren geraakt, duwde hij zijn net over

het zand en ving hij niets dan krabben, vijf, acht, tien krabben

tegelijk. Hij was er doodsbang voor en vocht met hen, om ze uit zijn

net te verjagen. Bij oogenblikken keerde hij zich om en overtuigde

zich vol bezorgdheid of de zee nog wel altijd afnam.

"Zijt gij zeker dat zij zich terugtrekt?" vroeg hij aan Hector.

Deze vergenoegde zich met een hoofdnikje. Wat hem betreft, hij vischte

dapper voort, als iemand die de juiste plekken kent. Zoo vaak hij

zijn net ophaalde, had hij dan ook handenvol garnalen. Als hij dit

aan Estella's zijde deed, wierp hij zijn vangst in het korfje van de

jonge vrouw. En zij lachte dan, gaf een knipoogje in de richting van

haar man en bracht haar vinger aan de lippen. Zij zag er allerliefst

uit, gekromd over den langen houten stok, of wel het blonde hoofd

neerbuigende over het net, geheel opgewonden van nieuwsgierigheid

om, te weten wat zij gevangen had. Een zachte bries deed het water

verstuiven, dat van het touwwerk afdroop en als een regen wegviel,

haar in een waas van dauw hullende, terwijl hare kleeding, die nu

eens opfladderde, dan weder om haar heen plakte, de bevalligheid

harer fijne vormen deed uitkomen.

Zij hadden aldus sedert bijna twee uren voortgevischt, toen zij

ophield om een oogenblik uit te rusten, zij was buiten adem, hare

lichtkleurige korte haartjes waren van zweet doortrokken. Om haar heen

bleef het eene onmetelijke woestijn, vervuld van altijd voortruischende

vrede, alleen scheen de zee van eene siddering bevangen, was het als

werd hare murmelende stem luider. De hemel, die in vuurgloed van den

laten namiddag gedompeld was, had eene lichtblauwe, bijna grijze kleur

verkregen, en in weerwil van die bleeke tinten van dien smelkom, voelde

men niets van hitte, steeg er koelte uit het water op, die het schelle

van de zon als wegveegde en verzachtte. Wat Estella vermaakte, was,

dat zij op al de rotsen eene menigte punten zag, welke zich zwart en

heel duidelijk afteekenden. Het waren garnalen-visschers evenals zij,

wier gestalte ongelooflijk klein scheen, niet grooter dan een mier,

bespottelijkheid van onbeduidendheid in deze onmetelijkheid, wat niet

wegnam, dat men elk hunner kon opmerken, de kromming van hun rug, als

zij hunne netten voortduwden, of hunne uitgestrekte en bewegelijke

armen, die op de hoekige pooten van een vlieg geleken, wanneer zij

hun vangst uitzochten, en tegen het zeewier en de krabben vochten.

"Ik verzeker u dat zij op komt zetten!" riep mijnheer Chabre vol

zielangst uit. "Kijk slechts! Die rots daarginds lag straks nog bloot".

"Zeer zeker komt zij opzetten", eindigde Hector met ongeduld ten

antwoord te geven. "Het is juist als zij stijgt dat men de meeste

garnalen vangt".

Maar mijnheer Chabre had het hoofd verloren. De laatste maal dat hij

het net optrok, had hij een zonderlinge visch naar omhoog gehaald,

een soort zeeduivel, die hem angst aanjoeg met den monsterachtigen kop,

en hij had er genoeg van gekregen.

"Laat ons heengaan! laat ons heengaan! herhaalde hij. "Het is altijd

dom zich bloot te stellen".

"Maar men zegt u immers dat men beter visschen kan, als de zee komt

opzetten!" antwoordde zijne vrouw.

"En zij zet geducht op!" voegde Hector er halfluidend bij, terwijl

zijne oogen ondeugend begonnen te flikkeren.

De golven strekten zich inderdaad verder uit en bespoelden onder luide

gedruisch de rotsen. Nu en dan nam het water onverwachts een gansche

landtong in. Het was de zegevierende zee, die zich weder voet voor

voet meester maakte van het grondgebied waar zij sedert eeuwen met

haar schuim overheen zweepte. Estella had een plas ontdekt, beplant met

lange grashalmen, even buigzaam als haren, en zij ving er reusachtige

garnalen; zij baande zich een spoor door het wier heen, eene open

ruimte achter zich latende zooals een maaier dat zou hebben gedaan. Zij

spartelde tegen, weigerde zich van daar weg te laten rukken.

"Zooveel te erger voor u!" riep mijnheer Chabre uit, met eene stem vol

tranen. "Het is dollemanswerk; wij zullen er nog allen bij omkomen".

En hij verwijderde zich eerst, vol wanhoop de diepte der gaten

peilende, met behulp van den stok van zijn net. Toen hij zich op twee

of driehonderd pas afstands van hen bevond, haalde Hector Estella

eindelijk over hem te volgen.

"Wij zullen het water tot aan de schouders krijgen", zeide hij

glimlachend. "Een waar bad voor mijnheer Chabre...... Zie eens hoe

diep hij reeds wegzinkt".

Sedert het oogenblik waarop zij zich op weg begeven hadden, droeg

de jonge man de half verlegen, half bekommerde uitdrukking van een

minnaar, die zich voorgenomen heeft eene liefdesverklaring af te leggen

en er den moed niet toe vindt. Bij het werpen der garnalen in Estella's

korfje, had hij wel beproefd hare vingers te ontmoeten. Maar hij was

blijkbaar verwoed over zijn gemis aan stoutmoedigheid, en indien

mijnheer Chabre verdronken ware, zou hij dat alleraardigst hebben

gevonden, want voor het allereerst zat mijnheer Chabre hem in den weg.

"Weet gij wat?" zeide hij eensklaps. "Gij moest op mijn rug klimmen,

dan zou ik u dragen. Gij zult anders doornat worden.... Welnu klauter

er toch op!"

En hij bukte zich voorover. Zij weigerde, verward en blozend. Maar hij

werd ruw tegen haar, en riep haar toe dat hij verantwoordelijk voor

hare gezondheid was. Zij gehoorzaamde dus, daarbij de beide handen op

de schouders van den jongenman leggend. Stevig als een rots, hief hij

zich weder omhoog, als droeg hij slechts een vogel om den hals. Hij

verzocht haar zich goed vast te houden en schreed met groote passen

door het water heen.

"Het is immers rechtsaf, niet waar mijnheer Hector?" riep mijnheer

Chabre, wien de golven reeds in den rug drongen, op klagenden toon uit.

"Ja, rechtsaf, altijd door rechtsaf".

En terwijl de echtgenoot voor hen uit bleef loopen bibberend van

angst en de zee tot onder zijne schouders voelende stijgen, waagde

Hector het een der kleine handen te kussen, die zich om zijn hals

strengelden. Estella wilde ze terugtrekken, maar hij zeide haar zich

niet te verroeren, want dat hij anders voor niets meer instond. En

andermaal begon hij hare handen te kussen. Zij waren koel en zout,

hij drukte haar de bittere weelde van den oceaan in.

"Ik bid u, laat mij met rust", herhaalde Estella, den schijn aannemende

alsof zij boos was. "Gij maakt waarlijk misbruik van den toestand. Ik

spring in het water als gij opnieuw begint".

Hij begon opnieuw en zij nam volstrekt geen sprong, hij omklemde nog

altijd hare enkels en verslond nog steeds, zonder een woord te zeggen,

hare handen, het oog gevestigd houdende op hetgeen men nog zien kon

van den rug van mijnheer Chabre, het eindje van een tragischen rug,

die bij elke schrede, dreigde te verdwijnen.

"Rechtsaf, zegt gij?" smeekte de echtgenoot.

"Linksaf, zoo gij verkiest!"

Mijnheer Chabre sloeg linksaf en slaakte een kreet. Hij was tot aan

den hals onder water gekomen, zijn dasstrik verdronk, en Hector, die

zich thans geheel op zijn gemak gevoelde, legde zijne bekentenis af.

"Ik heb u lief, mevrouw......"

"Zwijg mijnheer, ik beveel het u".

"Ik heb u lief ik aanbid u en...... tot hiertoe heeft de eerbied mij

het stilzwijgen opgelegd".

Hij zag haar niet aan, maar ging voort met groote passen door het

water te stappen, terwijl de zee hen tot aan de borst steeg.

De gansche toestand kwam haar zoo grappig voor, dat zij niet kon

laten luidkeels te lachen.

"Komaan, zwijg liever", hernam zij op heel natuurlijke toon, hem

tevens een tikje op den schouder gevende. "Wees verstandig en val

vooral niet om!"

Dat tikje vervulde Hector van verrukking: het verdrag was bezegeld,

en ziende dat de echtgenoot nog altijd aan zijn wanhoop overgeleverd

bleef, riep de jonge man hem vroolijk toe:

"Rechtuit nu!"

Toen zij op het strand aangekomen waren, wilde mijnheer Chabre eene

opheldering geven.

"Op mijn woord van eer, ik ben bijna omgekomen!" stotterde hij. "Het

is de schuld van mijn laarzen...."

Maar Estella opende haar koft en toonde hem hoe deze vol garnalen was.

"Hoe? Hebt gij dat alles gevangen?" riep hij vol verbazing uit. "Gij

kunt prachtig visschen!"

"O!" sprak zij glimlachend, Hector daarbij een blik

toewerpend. "Mijnheer heeft geweezen hoe te doen".

Nantas · 第 33 / 44 题