V.

De Chabre's zouden nog slechts twee dagen te Piriac doorbrengen. Hector

scheen geheel verslagen, woedend en toch ootmoedig. Wat mijnheer

Chabre betreft hij ging elken ochtend zijne gezondheid na en toonde

zich radeloos.

"Gij kunt de kust toch niet verlaten zonder de rotsen van Castelli

te hebben gezien", sprak Hector op zekeren avond. "Wij moeten voor

morgen een wandeling op touw zetten".

En hij lichtte zijn voorstel toe. De rotsen bevonden zich slechts op

een kilometer afstands. Zij liepen over een uitgestrektheid van een

halve mijl langs de zee, er waren veel grotten en half omgeworpen

door de golven. Volgens hem, kon men geen woester schouwspel genieten.

"Welnu, dan zullen wij morgen gaan", eindigde Estella. "Is de weg

daarheen lastig?"

"Neen, er zijn twee of drie doortochten, waar men natte voeten krijgt,

dat is alles".

Mijnheer Chabre wilde echter niet eens meer zijne voeten nat

maken. Sedert zijn bad, had hij de garnalenvangst opgegeven, droeg

hij de zee een kwaad hart toe. Hij verzette zich dan ook zoo heftig

mogelijk tegen het plan van dien wandeltocht. Het was bespottelijk

zich aldus bloot te gaan stellen; wat hem betrof, hij zou nooit te

midden van die rotsen afdalen, want hij gevoelde geen lust de beenen

te breken, door rond te springen als een gems; als het dan volstrekt

noodzakelijk was, zou hij hen van de hooge kust af vergezellen,

maar daarmede betoonde hij zich nog heel inschikkelijk. In de hoop

hem tevreden te stellen, kwam Hector op een plotselingen inval.

"Luister", zeide hij, "Gij komt langs het wachthuis van

Caselli. Welnu! gij kunt daar binnen gaan en schelpvisch koopen bij

de lieden van den seinpost.... Zij hebben er altijd prachtige, die

zij bijna voor niets afstaan."

"Dat is nog eens een denkbeeld", hernam de voormalige graankooper,

die weder goed geluimd werd. "Ik zal een mandje meenemen, om er mij

nog eens mede vol te proppen".

En zich met eene geestige bedoeling tot zijne vrouw keerende, voegde

hij erbij: "Nu ditmaal zal het misschien helpen!"

Den volgenden dag moest men op laag water wachten, om zich op weg te

begeven. Maar aangezien Estella niet gereed was, geraakte men in den

late en ging men eerst om vijf uur van huis. Hector beweerde echter

dat men niet door den vloed overvallen zou worden. De jonge vrouw

droeg slechts linnen laarzen over de bloote voeten. Zij zag er heel

aardig uit in een grijs linnen japon, die heel kort was, en door

haar werd opgenomen, zoodat men haar fijne enkels gewaar werd. Wat

mijnheer Chabre aangaat, hij was keurig gekleed in een witten broek

en een jasje van alpaga. Zijn parasol vergezelde hem weer en hij

hield een korfje vast, de gewichtige uitdrukking op het gelaat van

een Parijsche burger, die zelf zijne inkoopen op de markt gaat doen.

De weg, dien men af te legen had om de eerste rotsen te bereiken, was

niet gemakkelijk. Men liep over een met drijfzand overdekt strand,

waar de voeten in wegzonken. De voormalige graankoopman hijgde als

een trekos.

"Nu! ik laat u aan uw lot over en ga naar boven", zeide hij ten

laatste.

"Heel goed, sla dat pad daarginds in", gaf Hector ten

antwoord. "Verderop, zou de weg voor u versperd zijn.... Wilt gij

niet dat ik u helpen zal?"

En ze zagen hem de hoogte beklimmen. Toen hij daar aangekomen was,

zette hij zijn parasol op, zwaaide met zijn hand en riep uit:

"Ik ben er, het is hier beter! Maar geen onvoorzichtigheden, hoort

gij? Ik blijf u trouwens gadeslaan".

Hector en Estella drongen te midden der rotsen binnen. De jongeman,

die hooge laarzen droeg, sprong van steen tot steen, met heel

de krachtige bevalligheid en behendigheid van een bergjager. Vol

dapperheid koos Estella dezelfde steenen uit, en antwoordde, zoo vaak

hij zich omwendde, teneinde te vragen:

"Wilt gij dat ik u de hand reik?"

"Neen, zeker niet. Gelooft gij mij dan een grootmoedertje?"

"Het is alsof men zich thuis bevindt", herhaalde Estella vroolijk. "Men

zou uwe rotsen in een salon kunnen plaatsen!"

"Wacht maar, wacht maar!" sprak Hector, "Gij zult eens zien".

Zij bereikten aldus een smallen doortocht een soort spleet, die

tusschen twee reusachtige rotsblokken gaapte. In een holte zag men

daar een poel, een waterkom, die den weg versperde.

"Nooit kom ik daar doorheen!" riep de jonge vrouw uit.

Hij bood aan haar daar overheen te dragen; maar zij weigerde en

schudde langzaam het hoofd; zij wilde niet meer gedragen worden. Hij

ging daarop overal naar groote steenen zoeken en poogde een brug

te bouwen. De steenen gleden echter uit en zonken in de diepte van

't water.

"Geef mij de hand, ik zal springen", eindigde zij te zeggen,

ongeduldig wordende.

En zij nam een tekorten sprong, zoodat een harer voeten in de plas

terecht kwam. Dat wekte lachlust op en nauwelijks waren zij uit den

smallen doortocht gekomen, of zij slaakten een kreet van bewondering.

"Zoo! zijt gij daar!" riep mijnheer Chabre van de hoogte af. "Ik

maakte mij al ongerust, ik was u kwijt geraakt...... Maar waarlijk,

die afgronden zijn schrikwekkend!"

Hij hield zich, voorzichtigheidshalve, op zes pas afstands van den

zoom. Zijn parasol beschutte hem en zijn mand hing aan zijn arm. Hij

voegt er bij:

"Gij moet oppassen: de zee klimt al sterk".

"Wij hebben den tijd, wees maar niet bang", gaf Hector ten antwoord.

Estella, die zich neder had gezet, vond geen woorden tegenover den

eindeloozen horizon. Vlak voor haar verhieven zich drie door de

golven afgeronde granieten zuilen, als de reusachtige kolommen van

een verwoesten tempel. En daarachter spreidde de volle zee zich uit,

bestraald door het gulden licht van het zesde middaguur. Haar tint was

koningsblauw, bezaaid met sterretjes. Heel in de verte, tusschen twee

pilaren in, wierp een klein zeil een schitterend witte vlek daarop,

als de vleugel van een zeemeeuw die over het water heenstrijkt. Reeds

zag men uit den bleeken hemel de mist neerdalen van het naderende

schemeruur. Nooit nog had Estella zich doordrongen gevoeld van zulk

een groote, teedere weelde.

"Kom mede", voegde Hector haar zachtkens toe, terwijl zijne hand

haar aanraakte.

Zij sidderde, en stond op, vervuld van een kwijnend gevoel van

overgave.

"Dat is het wachthuis, nietwaar, dat gebouwtje met dien mast?" riep

mijnheer Chabre. "Ik ga schelpvisch koopen, en zal u wel inhalen".

Ten einde, de ontzenuwde loomheid af te schudden, waardoor zij

overmeesterd werd, begon Estella nu hard te loopen als kind. Zij sprong

over de plassen heen, zij drong voort naar de zee, aangegrepen door

den lust den top te beklimmen van eene opeenstapeling van rotsen,

welke bij hoog water een eiland vormen moest. En toen zij na met

moeite omhoog te zijn geklauterd, te midden van de spleten, de punt

daarvan bereikte, en op den hoogsten steen post vatte, was zij blij de

gansche tragische vernieling der kust te kunnen overzien. Haar smal

profil teekende zich tegen de reine lucht af, hare rokken fladderen

als een vlag in den wind.

Bij het neerdalen, boog zij zich heen over al de gaten, die zij op

haar weg ontmoette. Tot in de minste holten zag men kleine, rustige,

sluimerende meren van volkomen doorschijnend water, welks heldere

spiegel aan den hemel weerkaatste. In de diepte vormden smaragdgroene

halmen een romantisch woud. Alleen groote, zwarte krabben, sprongen

daar als kikvorschen in het rond, en verdwenen weer, zonder het

water troebel te maken. De jonge vrouw was in gepeins verzonken,

alsof haar blik was binnengedrongen in geheimzinnige landen, groote

onbekende en gelukkige streken. Toen zij aan den voet der kusthoogten

wedergekeerd waren, bespeurde zij dat haar metgezel zijn zakdoek met

krabben had gevuld.

"Dat is voor mijnheer Chabre", zeide hij. "Ik zal het hem gaan

brengen".

Mijnheer Chabre kwam juist wanhopig aanloopen.

"Zij hebben zelfs geen mossel in het wachthuis", riep hij. "Ik had

wel gelijk, toen ik niet hierheen wilde komen!"

Maar zoodra de jonge man hem van verre de krabben had getoond,

kwam hij tot bedaren. Hij stond verstomd van de vlugheid waarmede

hij naar boven klauterde, langs een aan hem alleen bekenden weg,

tegen een rots aan, die even glad scheen als een muur. Het was nog

roekeloozer daar weer af te dalen.

"Het scheen niets te beduiden", zeide Hector. "Het is zoo goed als

een trap; men moet alleen maar de trede vinden".

Mijnheer Chabre wilde dat men op zijne schreden terug zou keeren, de

zee werd onrustbarend. En hij smeekte zijn vrouw althans naar boven

te komen, en een gemakkelijk paadje te zoeken. De jonge man begon te

lachen en antwoordde dat er geen weg voor dames te vinden was, dat

men nu wel tot het eind toe door moest gaan. Zij hadden buitendien

de rotsen nog niet gezien.

Mijnheer Chabre was dus wel verplicht over de kusthoogten voort te

blijven wandelen. De zon ging onder, zoodat hij zijne parasol sloot

en er zich van bediende als van een stok. In de andere hand hield

hij zijn korf met krabben.

"Gevoelt gij u vermoeid?" vroeg Hector zachtjes.

"Ja, een weinig", gaf Estella ten antwoord.

Zij nam zijn arm. Zij was niet afgemat, maar gevoelde zich al meer

en meer overmeesterd door eene heerlijke overgave. De ontroering

welke haar aangegrepen had, toen zij den jongen man op de helling der

rotsen had gezien, deed haar nog innerlijk voortbeven. Zij schreden

langzaam over een eindweegs strand heen. Onder hun voeten kraakte de

met overblijfselen van schelpen bestrooide bodem, als de paden van een

tuin, en zij sprak niet meer. Hij wees haar twee breede spleten aan,

het _Hol van den Waanzinnigen Monnik_ en _de Grot van de Kat_. Zij

trad daar binnen sloeg de oogen op en neer en werd door eene kleine

rilling bewogen. Toen zij hun tocht vervolgden over mooi, fijn zand,

blikten zij elkander aan, nog steeds zwijgend en glimlachend. De zee

steeg verder, met korte, ruischende golven, maar zij hoorden haar

niet. Mijnheer Chabre begon boven hun hoofd te schreeuwen en zij

hoorden hem evenmin.

"Maar het is gekkemanswerk!" herhaalde de voormalige

graanhandelaar, onder het zwaaien van zijn parasol en zijn mand met

krabben. "Estella!...... mijnheer Hector!...... luistert dan toch! gij

zult omsingeld worden. Uwe voeten steken reeds in het water!"

Maar zij gevoelden de frischheid der kleine golven niet eens.

"Nu? wat is er? eindigde de jonge vrouw.

"O, zijt gij het, mijnheer Chabre!" zeide de jonge man. "Het is niets,

maak u niet ongerust.... Wij hebben nog slechts _de Grot van Mevrouw_

te bezoeken."

Mijnheer Chabre maakte een wanhopig gebaar en voegde erbij:

"Het is waanzinnig! Gij zult verdrinken".

Zij luisterden al niet meer. Om aan den toenemenden vloed te ontkomen,

liepen zij langs de rotsen voort en bereikten ten laatste de _Grot

van Mevrouw._ Het was een holte gegraven in een blok graniet, dat

eene overhellende berg vormde. Het zeer hooge gewelf was afgerond als

dat van eene breede kerk. Tijdens stormen had het geschuifel van het

water de wanden gepolijst en glansrijk gemaakt als agaatsteen. In den

somberen rotskloof trokken rooskleurige en blauwe aderen prachtige

en barbaarsche arasbesken, als hadden wilde kunstenaars deze balzaal

voor de koninginne der zee versierd. De kiezelsteenen op den grond, die

nog nat waren behielden een doorschijnend iets, dat hen deed gelijken

op een schat van edelgesteenten. In de diepte was een bank van zand,

heel zacht en droog, zoo lichtgeel dat zij bijna wit scheen. Estella

had op het zand plaats genomen. Zij bekeek de grot.

"Men zou hier kunnen leven", prevelde zij.

Maar Hector, die sedert eenige oogenblikken de zee scheen gade te

slaan, hield zich plotseling of hij zeer verslagen was.

"Och, lieve hemel! wij zitten gevangen! De golven sluiten ons den

weg af...... Wij hebben nog twee uur hier te wachten".

Hij trad naar buiten en het hoofd opheffende, zocht hij mijnheer

Chabre. Mijnheer Chabre bevond zich op de hoogte juist boven de grot,

en riep zegevierend uit, zoodra de jonge man aangekondigd had dat

zij opgesloten zaten:

"Wat heb ik u gezegd? Maar gij wilt ook nooit naar mij

luisteren!...... Bestaat er eenig gevaar?"

"Hoegenaamd geen", antwoordde Hector. "De zee dringt niet verder dan

vijf of zes meter de grot binnen. Maak u maar niet bang, want wij

kunnen er in de eerste twee uren niet uitkomen".

Mijnheer Chabre werd boos. Zou men dan niet kunnen eten? Hij was

hongerig, hij! En het was al een heel vervelende grap!

Al brommende, ging hij op het korte gras zitten, en plaatste zijn

parasol aan zijn linker- en zijn mandje aan zijn rechterhand.

"Ik zal wachten, er valt niets anders aan te doen!" riep hij. "Keer

tot mijne vrouw terug, en zorg dat zij geen kou vat".

In de grot ging Hector naast Estella zitten. Na een tijdlang gezwegen

te hebben durfde hij het wagen hare hand te grijpen en zij trok deze

niet terug. Zij staarde voor zich uit. De schemering viel in, een stof

van schaduw deed langzaam aan de wegstervende zon verbleeken. Aan

den horizon nam de hemel een teerkleur aan, zacht violet getint, en

de zee strekte zich, van lieverlede donker wordende, uit, zonder een

enkel zeil. Meer en meer drong het water de grot binnen, met zacht

gedruisch de doorschijnende kiezelsteentjes voorrollende. Het bracht

heel de weelde der zee mede, een streelende stem, een doordringende

geur, beladen met verlangens.

"Estella, ik heb u lief", herhaalde Hector, en hij bedekte hare handen

met kussen.

Zij antwoordde niet, zij was als verstikt, zij gevoelde zich als

opgeheven door die aanwassende zee. Thans half uitgestrekt op het

fijne zand, geleek zij eene dochter der wateren, die overvallen en

reeds weerloos zou zijn. En eensklaps drong de stem van mijnheer

Chabre vroolijk en luchtig tot hen door.

"Hebt gij geen honger? Ik kom er van om!... Gelukkig heb ik mijn

mes bij mij. Ik neem reeds een voorproefje, weet gij, ik eet de

krabben op".

"Ik heb u lief Estella", herhaalde Hector, die haar in zijne armen

gestrengeld hield.

De avond was zeer donker, de witte zee verlichtte den hemel. Aan den

ingang der grot, slaakte het water een lange klacht, terwijl onder

het gewelf een laatste schemering van daglicht was weggestorven. Een

geur van vruchtbaarheid steeg uit de levende golven op. Estella liet

langzaam het hoofd op Hector's schouder neerzinken. En de avondwind nam

hunne zuchten mede. Daarboven, bij het licht der sterren, at mijnheer

Chabre werktuigelijk zijne schelpvisch op. Hij at er zich ziek aan,

en slikte alles, zonder brood naar binnen.

Het was negen maanden na haar terugkeer te Parijs, dat de mooie

mevrouw Chabre het levenslicht aan een jongen schonk. Mijnheer Chabre

nam verrukt dokter Guiraud ter zijde en herhaalde vol trots:

"Het zijn de krabben, ik durf er de hand voor in het vuur

steken!.... Ja, een mand vol krabben, die ik op zekeren avond heb

gegeten, o! onder zeer bijzondere omstandigheden...... Maar toch had ik

nooit gedacht, dokter, dat schelpvisch zulk eene kracht zou bezitten".

Nantas · 第 34 / 44 题