De Chabre's hadden te Piriac de eerste verdieping gehuurd eener
groote woning, wier vensters op zee uitzagen. Aangezien men op het
dorp slechts armoedige herbergen vond, hadden zij eene vrouw der
streek moeten huren, die voor hen kookte. Zij maakte al een heel
zonderling kostje voor hen gereed: gebraden vleesch dat bijzonder
veel op steenkool geleek en sauzen, zoo onheilspellend van kleur, dat
Estella vrij wat liever brood at. Maar, zooals mijnheer Chabre zeide,
men was daar niet gekomen om zich eens te goed te doen. Hijzelf raakte
trouwens ternauwernood vleesch of saus aan. Van ochtend tot avond
propte hij zich vol met schelpvisch, met heel de gewetenstrouw van
iemand die een geneesmiddel inneemt. Het ergste was, dat hij die hem
onbekende dieren, met hunne grillige vormen, verfoeide, gewoon als hij
altijd was aan een burgerlijken pot, en flauwe smakelooze schotels. Hij
hield kinderachtig veel van zoeten wijn. De schelpvisch deed zijn
verhemelte branden. Zij waren zoo zout, zoo gepeperd, zij hadden zulk
een gekruiden, sterken smaak, dat hij niet na kon laten gezichten te
trekken als hij ze at; maar zoo noodig zou hij zelfs schelpen hebben
verzwolgen, zoo groot was zijn verlangen vader te worden.
"Lieve gij eet er niet van!" riep hij Estella dikwijls toe.
Hij eischte van haar dat zij er evenveel van zou eten als
hijzelf. Hij beweerde dat dit noodzakelijk was om een goeden uitslag
te verkrijgen. En dan begonnen zij het oneens te worden. Estella
verklaarde dat Guirand niet van haar gesproken had, maar hij antwoordde
steeds dat het niet meer dan logisch was dat zij zich beiden aan het
voorschrift zouden onderwerpen. Een onweerstaanbare glimlach plooide
zachtjes het kuiltje in haar kin. Zij zeide echter niets, daar zij er
niet van hield iemand te kwetsen. Nadat zij een oesterbank ontdekt
had, was zij er zelfs toe overgegaan om bij elk maal een twaalftal
te eten. Het was niet omdat zij persoonlijk behoefte aan oesters had,
maar zij hield er dol veel van.
Te Piriac leidde men een eentonig leven en Estella, die aan het gewoel
van Parijs gewoon was, zou zich doodelijk verveeld hebben, indien
Hector geëindigd was met hen dagelijks te bezoeken. Ingevolge van eene
wandeling, die zij samen langs de kust maakten, was hij zeer bevriend
met mijnheer Chabre geraakt. In een oogenblik van ontboezeming,
vertrouwde mijnheer Chabre den jongen man het doel hunner reis toe,
ofschoon hij zorg droeg, de meest kiesche woorden uit te zoeken,
ten einde de reinheid van dien schuldelooze niet te kwetsen. Nadat
hij hem op wetenschappelijke wijze uitgelegd had waarom hij zooveel
schelpvisch at, zag Hector, die vergat te blozen, hem verstomd van
hoofd tot voeten aan, zonder er aan te denken zijne verbazing te
verhelen voor het feit, dat een onzer behoefte kon hebben aan een
dergelijk dieet. Den volgenden dag kwam hij echter aanzetten met een
mandje vol zeekrabbetjes, die de voormalige graanhandelaar met eene
uitdrukking van dankbaarheid aangenomen had. En zeer behendig in het
visschen zijnde, en al de rotsen der kust kennende, kwam hij, sedert
dien, nooit meer aan zonder schelpvisch mede te brengen. Hij liet
hem prachtige mosselen eten, die hij bij laag water oprapen ging;
oesters, die hij met de punt van een mes van de rotsen losmaakte;
allerhande beesten, waaraan hij uitheemsche namen gaf, en die hijzelf
nooit geproefd had. Mijnheer Chabre, die opgetogen was, dat hij geen
penning meer behoefde uit te geven, putte zich uit in dankbaarheid.
Hector vond thans altijd een voorwendsel om zich bij hen aan te
melden. Zoovaak hij met zijn mandje aankwam en Estella ontmoette,
voegde hij haar denzelfden volzin toe:
"Ik breng schelpvisch voor mijnheer Chabre."
En beiden begonnen te glimlachen, met half dichtgeknepen, glinsterende
oogen. De schelpvisch van den heer Chabre vermaakte hen. Van dit
oogenblik af, vond Estella Piriac allerliefst. Dagelijks na afloop
van haar bad, maakte zij eene wandeling met Hector. Haar echtgenoot
volgde hen op een afstand, want zijne beenen wogen zwaar als lood,
en zij liepen niet zelden te vlug voor hem. Hector hield haar staande
voor de prachtige vijgeboomen, met de breede harige leeren bladeren,
die in de tuinen groeiden en hunne takken over de lage schuttingen
uitstrekten. Zij drongen de nauwste steegjes binnen, en bogen zich
over den rand der putten heen, in de diepte waarvan zij hun eigen
lachend beeld weerkaatst zagen door het heldere water, dat even wit
als spiegelglas was; terwijl achter hen aan, mijnheer Chabre zijn
schelpvisch voortdroeg, beschut door het groene percaline van zijn
parasol, zijn onveranderlijke tochtgenoot.
Den eersten Zondag meende Estella naar de Mis te moeten gaan. In
Parijs begaf zij zich nooit naar de kerk. Maar buiten leverde de
mis een afwisseling op, en een gelegenheid om toilet te maken en
menschen te zien. Zij trof er trouwens Hector aan, die bezig was in
een reusachtig gebedenboek met versleten band te lezen. Hij hield niet
op, haar over zijn boek heen aan te staren. Zijn lippen waren ernstig
geplooid, maar zijne oogen schitterden zoo, dat men er een glimlach
in raadde. Bij het uitgaan der kerk bood hij haar den arm aan, om het
kleine kerkhof over te steken, dat het gebouw omringt. Dien middag,
na de vesper, had men een ander schouwspel, een processie naar een
Christus, dien men aan het eind van het dorp had aangebracht. Voorop
liep een boer, met een violetkleurig, goud doorstikt zijden banier,
aan een roode stok. Dan volgden twee lange reeksen van vrouwen op
behoorlijken afstand van elkander. De priesters gingen in het midden,
een pastoor, een kapelaan en de gouverneur van een naburig slot,
alle drie uit volle borst zingende. Ten slotte, achter een witte
banier, die gedragen werd door een stevig meisje met verbrande armen,
trippelde de stoet der geloovigen langzaam voort, als een ongeregelde
kudde, onder een luid geklots van klompen.
Toen de processie langs het havenhoofd heenkwam, teekenden de banieren
en de witte mutsen der vrouwen zich in de verte af tegen het schelle
blauw der zee, en nam die langzame optocht in den zonneschijn iets
zeer reins aan.
Estella voelde zich bijzonder door het kerkhof verteederd. Gewoonlijk
hield zij niet van weemoedige zaken. Den dag van haar aankomst had
het haar een rilling aangejaagd al die graven te zien, die zich onder
haar venster uitstrekten. De kerk stond op het havenhoofd, omgeven
van de kruisen, wier armen zich naar de onmetelijkheid van het water
en den hemel uitbreidden; en gedurende de stormachtige nachten woedde
de zeewind in dat woud van zwarte planken. Maar zij was spoedig gewoon
geraakt aan dien rouw, zooveel vroolijke rust ging er van dien kleinen
doodenakker uit. De afgestorvenen schenen er te glimlachen, te midden
der levenden, die hen zoo dicht omringden.
Op zekeren avond, dat Estella aan Hector's arm huiswaarts keerde,
voelde zij den lust in zich oprijzen deze verlaten plaats te
betreden. Mijnheer Chabre vond dien inval al te dichterlijk en
verzette er zich tegen door zelf den dijk over te gaan. Zij was
verplicht den arm van den jongeling los te laten, zoo smal was het
laantje. Men hoorde haar gewaad te midden van de hooge grashalmen
ruischen. De geur der bremstruiken was zoo sterk, dat de verliefde
poesjes niet op de vlucht togen, maar half bedwelmd onder het groen
bleven schuilen. Op het oogenblik dat zij in de schaduw der kerk
kwamen, voelde zij dat Hector de hand om haar middel sloeg. Zij
ontstelde en slaakte een kreet.
"Het is dwaas!" zeide zij, zoodra zij weder uit de schaduw traden,
"Ik meende dat een schim mij mede trok".
Hector begon te lachen en meende eene opheldering te moeten geven.
"O! het was zeker een tak, de eene of andere bremstruik, die uwe
japon zal hebben aangeraakt!"
Zij bleven stilstaan, wierpen een blik op de kruisen om hen heen,
verteederd door die diepe rust van den dood; en zonder meer een woord
te zeggen, verwijderden zij zich, zeer ontroerd.
"Gij zijt bang geweest, ik heb u hooren schreeuwen", zeide mijnheer
Chabre. "Dat is uw verdiende loon!"
Als het water hoog stond, ging men bij wijze van verstrooiïng de
sardineschuiten zien binnenloopen. Zoodra een schip koers naar de
haven zette, verwittigde Hector het echtpaar daarvan. Maar reeds
na het zesde vaartuig, had mijnheer Chabre verklaard dat het altijd
dezelfde vertooning was. Estella scheen daarentegen het schouwspel
niet moede te worden, en vond er steeds grooter behagen in zich naar
den zeebreker te begeven. Men moest dikwijls hard loopen. Zij sprong
over de groote, losgewoelde steenen, en liet hare rokken, die zij
met de eene hand vast hield om niet te vallen rondfladderen. Als
zij aankwam, was zij half verstikt, bracht zij de handen aan hare
borst, en wierp zij het bovenlijf achterover, om weer op adem te
komen. En Hector vond haar betooverend aldus, met de verwarde lokken,
de vermetele uitdrukking en hare jongensachtige manieren. Maar reeds
lag de schuit stil, en brachten de visschers de korven sardines naar
boven; de visschen verkregen in den zonneschijn een zilverglans,
er waren er bij die blauw schenen, anderen weer getint als safieren
of als lichtkleurige robijnen. De jonge man gaf dan steeds dezelfde
uitlegging: elke mand bevatte duizend sardines; de duizend sardines
vertegenwoordigden eene waarde, die elken morgen bepaald werd, al
naar gelang dat de vangst mee of tegen was geloopen, en de visschers
verdeelden onder elkander de koopsom, nadat zij er eerst een derde van
hadden afgestaan aan den eigenaar van den schuit. Daarna volgde het
pekelen, dat onmiddellijk plaats had, in tonnen met gaten, opdat het
water van den pekel weg zou kunnen loopen. Maar van lieverlede toch,
begonnen Estella en haar metgezel de sardines te verwaarloozen. Zij
gingen ze nog zien, maar gunden er geen blik meer aan. Zij liepen
er in allerijl heen, en keerden heel langzaam en als afgemat weder,
terwijl zij zwijgend op de zee tuurden.
"Waren de sardines mooi?" vroeg mijnheer Chabre telkens, als zij
terugkwamen.
"Ja, heel mooi", gaven zij ten antwoord.
Des Zondags had men te Piriac het schouwspel van een bal in de
open lucht. De knapen en meisjes der streek, draaiden uren lang,
met ineengestrengelde handen, in het rond, onder het herhalen van
hetzelfde lied op éénen denzelfden doffen, maar zeer gelijkmatigen
toon. Die ruwe stemmen, die zich te midden van de schemering verhieven,
namen op den langen duur eene wilde bekoorlijkheid aan. Estella, die
op het strand was gezeten en Hector aan hare voeten had, luisterde toe,
weldra geheel verdiept in droomen. De zee klom zachtjes voort, met een
luid liefkoozend gedruisch. Als de golven op het strand aanspoelden,
was het als plotseling, en stierf met het terugtrekkende water de
kreet weg in een klagend gemurmel van bedwongen liefde. De jonge
vrouw verlangde er naar aldus bemind te worden, door een reus, die
zij in een kleinen knaap zou herschapen.
"Gij moet u zeker vervelen te Piriac, liefste?" vroeg mijnheer Chabre
nu en dan aan zijn vrouw.
En zij haastte zich te antwoorden:
"Neen, waarlijk niet, dat verzeker ik u".
Na verloop van veertien dagen, wilde mijnheer Chabre, die zich
doodelijk verveelde, naar Parijs terugkeeren. Hij beweerde dat de
schelpvisch reeds moest hebben gewerkt. Maar zij kwam daartegen op.
"O! beste, gij hebt er nog niet genoeg van gegeten. Ik weet immers
wel dat gij er nog meer behoeft".