III.

De Chabre's hadden te Piriac de eerste verdieping gehuurd eener

groote woning, wier vensters op zee uitzagen. Aangezien men op het

dorp slechts armoedige herbergen vond, hadden zij eene vrouw der

streek moeten huren, die voor hen kookte. Zij maakte al een heel

zonderling kostje voor hen gereed: gebraden vleesch dat bijzonder

veel op steenkool geleek en sauzen, zoo onheilspellend van kleur, dat

Estella vrij wat liever brood at. Maar, zooals mijnheer Chabre zeide,

men was daar niet gekomen om zich eens te goed te doen. Hijzelf raakte

trouwens ternauwernood vleesch of saus aan. Van ochtend tot avond

propte hij zich vol met schelpvisch, met heel de gewetenstrouw van

iemand die een geneesmiddel inneemt. Het ergste was, dat hij die hem

onbekende dieren, met hunne grillige vormen, verfoeide, gewoon als hij

altijd was aan een burgerlijken pot, en flauwe smakelooze schotels. Hij

hield kinderachtig veel van zoeten wijn. De schelpvisch deed zijn

verhemelte branden. Zij waren zoo zout, zoo gepeperd, zij hadden zulk

een gekruiden, sterken smaak, dat hij niet na kon laten gezichten te

trekken als hij ze at; maar zoo noodig zou hij zelfs schelpen hebben

verzwolgen, zoo groot was zijn verlangen vader te worden.

"Lieve gij eet er niet van!" riep hij Estella dikwijls toe.

Hij eischte van haar dat zij er evenveel van zou eten als

hijzelf. Hij beweerde dat dit noodzakelijk was om een goeden uitslag

te verkrijgen. En dan begonnen zij het oneens te worden. Estella

verklaarde dat Guirand niet van haar gesproken had, maar hij antwoordde

steeds dat het niet meer dan logisch was dat zij zich beiden aan het

voorschrift zouden onderwerpen. Een onweerstaanbare glimlach plooide

zachtjes het kuiltje in haar kin. Zij zeide echter niets, daar zij er

niet van hield iemand te kwetsen. Nadat zij een oesterbank ontdekt

had, was zij er zelfs toe overgegaan om bij elk maal een twaalftal

te eten. Het was niet omdat zij persoonlijk behoefte aan oesters had,

maar zij hield er dol veel van.

Te Piriac leidde men een eentonig leven en Estella, die aan het gewoel

van Parijs gewoon was, zou zich doodelijk verveeld hebben, indien

Hector geëindigd was met hen dagelijks te bezoeken. Ingevolge van eene

wandeling, die zij samen langs de kust maakten, was hij zeer bevriend

met mijnheer Chabre geraakt. In een oogenblik van ontboezeming,

vertrouwde mijnheer Chabre den jongen man het doel hunner reis toe,

ofschoon hij zorg droeg, de meest kiesche woorden uit te zoeken,

ten einde de reinheid van dien schuldelooze niet te kwetsen. Nadat

hij hem op wetenschappelijke wijze uitgelegd had waarom hij zooveel

schelpvisch at, zag Hector, die vergat te blozen, hem verstomd van

hoofd tot voeten aan, zonder er aan te denken zijne verbazing te

verhelen voor het feit, dat een onzer behoefte kon hebben aan een

dergelijk dieet. Den volgenden dag kwam hij echter aanzetten met een

mandje vol zeekrabbetjes, die de voormalige graanhandelaar met eene

uitdrukking van dankbaarheid aangenomen had. En zeer behendig in het

visschen zijnde, en al de rotsen der kust kennende, kwam hij, sedert

dien, nooit meer aan zonder schelpvisch mede te brengen. Hij liet

hem prachtige mosselen eten, die hij bij laag water oprapen ging;

oesters, die hij met de punt van een mes van de rotsen losmaakte;

allerhande beesten, waaraan hij uitheemsche namen gaf, en die hijzelf

nooit geproefd had. Mijnheer Chabre, die opgetogen was, dat hij geen

penning meer behoefde uit te geven, putte zich uit in dankbaarheid.

Hector vond thans altijd een voorwendsel om zich bij hen aan te

melden. Zoovaak hij met zijn mandje aankwam en Estella ontmoette,

voegde hij haar denzelfden volzin toe:

"Ik breng schelpvisch voor mijnheer Chabre."

En beiden begonnen te glimlachen, met half dichtgeknepen, glinsterende

oogen. De schelpvisch van den heer Chabre vermaakte hen. Van dit

oogenblik af, vond Estella Piriac allerliefst. Dagelijks na afloop

van haar bad, maakte zij eene wandeling met Hector. Haar echtgenoot

volgde hen op een afstand, want zijne beenen wogen zwaar als lood,

en zij liepen niet zelden te vlug voor hem. Hector hield haar staande

voor de prachtige vijgeboomen, met de breede harige leeren bladeren,

die in de tuinen groeiden en hunne takken over de lage schuttingen

uitstrekten. Zij drongen de nauwste steegjes binnen, en bogen zich

over den rand der putten heen, in de diepte waarvan zij hun eigen

lachend beeld weerkaatst zagen door het heldere water, dat even wit

als spiegelglas was; terwijl achter hen aan, mijnheer Chabre zijn

schelpvisch voortdroeg, beschut door het groene percaline van zijn

parasol, zijn onveranderlijke tochtgenoot.

Den eersten Zondag meende Estella naar de Mis te moeten gaan. In

Parijs begaf zij zich nooit naar de kerk. Maar buiten leverde de

mis een afwisseling op, en een gelegenheid om toilet te maken en

menschen te zien. Zij trof er trouwens Hector aan, die bezig was in

een reusachtig gebedenboek met versleten band te lezen. Hij hield niet

op, haar over zijn boek heen aan te staren. Zijn lippen waren ernstig

geplooid, maar zijne oogen schitterden zoo, dat men er een glimlach

in raadde. Bij het uitgaan der kerk bood hij haar den arm aan, om het

kleine kerkhof over te steken, dat het gebouw omringt. Dien middag,

na de vesper, had men een ander schouwspel, een processie naar een

Christus, dien men aan het eind van het dorp had aangebracht. Voorop

liep een boer, met een violetkleurig, goud doorstikt zijden banier,

aan een roode stok. Dan volgden twee lange reeksen van vrouwen op

behoorlijken afstand van elkander. De priesters gingen in het midden,

een pastoor, een kapelaan en de gouverneur van een naburig slot,

alle drie uit volle borst zingende. Ten slotte, achter een witte

banier, die gedragen werd door een stevig meisje met verbrande armen,

trippelde de stoet der geloovigen langzaam voort, als een ongeregelde

kudde, onder een luid geklots van klompen.

Toen de processie langs het havenhoofd heenkwam, teekenden de banieren

en de witte mutsen der vrouwen zich in de verte af tegen het schelle

blauw der zee, en nam die langzame optocht in den zonneschijn iets

zeer reins aan.

Estella voelde zich bijzonder door het kerkhof verteederd. Gewoonlijk

hield zij niet van weemoedige zaken. Den dag van haar aankomst had

het haar een rilling aangejaagd al die graven te zien, die zich onder

haar venster uitstrekten. De kerk stond op het havenhoofd, omgeven

van de kruisen, wier armen zich naar de onmetelijkheid van het water

en den hemel uitbreidden; en gedurende de stormachtige nachten woedde

de zeewind in dat woud van zwarte planken. Maar zij was spoedig gewoon

geraakt aan dien rouw, zooveel vroolijke rust ging er van dien kleinen

doodenakker uit. De afgestorvenen schenen er te glimlachen, te midden

der levenden, die hen zoo dicht omringden.

Op zekeren avond, dat Estella aan Hector's arm huiswaarts keerde,

voelde zij den lust in zich oprijzen deze verlaten plaats te

betreden. Mijnheer Chabre vond dien inval al te dichterlijk en

verzette er zich tegen door zelf den dijk over te gaan. Zij was

verplicht den arm van den jongeling los te laten, zoo smal was het

laantje. Men hoorde haar gewaad te midden van de hooge grashalmen

ruischen. De geur der bremstruiken was zoo sterk, dat de verliefde

poesjes niet op de vlucht togen, maar half bedwelmd onder het groen

bleven schuilen. Op het oogenblik dat zij in de schaduw der kerk

kwamen, voelde zij dat Hector de hand om haar middel sloeg. Zij

ontstelde en slaakte een kreet.

"Het is dwaas!" zeide zij, zoodra zij weder uit de schaduw traden,

"Ik meende dat een schim mij mede trok".

Hector begon te lachen en meende eene opheldering te moeten geven.

"O! het was zeker een tak, de eene of andere bremstruik, die uwe

japon zal hebben aangeraakt!"

Zij bleven stilstaan, wierpen een blik op de kruisen om hen heen,

verteederd door die diepe rust van den dood; en zonder meer een woord

te zeggen, verwijderden zij zich, zeer ontroerd.

"Gij zijt bang geweest, ik heb u hooren schreeuwen", zeide mijnheer

Chabre. "Dat is uw verdiende loon!"

Als het water hoog stond, ging men bij wijze van verstrooiïng de

sardineschuiten zien binnenloopen. Zoodra een schip koers naar de

haven zette, verwittigde Hector het echtpaar daarvan. Maar reeds

na het zesde vaartuig, had mijnheer Chabre verklaard dat het altijd

dezelfde vertooning was. Estella scheen daarentegen het schouwspel

niet moede te worden, en vond er steeds grooter behagen in zich naar

den zeebreker te begeven. Men moest dikwijls hard loopen. Zij sprong

over de groote, losgewoelde steenen, en liet hare rokken, die zij

met de eene hand vast hield om niet te vallen rondfladderen. Als

zij aankwam, was zij half verstikt, bracht zij de handen aan hare

borst, en wierp zij het bovenlijf achterover, om weer op adem te

komen. En Hector vond haar betooverend aldus, met de verwarde lokken,

de vermetele uitdrukking en hare jongensachtige manieren. Maar reeds

lag de schuit stil, en brachten de visschers de korven sardines naar

boven; de visschen verkregen in den zonneschijn een zilverglans,

er waren er bij die blauw schenen, anderen weer getint als safieren

of als lichtkleurige robijnen. De jonge man gaf dan steeds dezelfde

uitlegging: elke mand bevatte duizend sardines; de duizend sardines

vertegenwoordigden eene waarde, die elken morgen bepaald werd, al

naar gelang dat de vangst mee of tegen was geloopen, en de visschers

verdeelden onder elkander de koopsom, nadat zij er eerst een derde van

hadden afgestaan aan den eigenaar van den schuit. Daarna volgde het

pekelen, dat onmiddellijk plaats had, in tonnen met gaten, opdat het

water van den pekel weg zou kunnen loopen. Maar van lieverlede toch,

begonnen Estella en haar metgezel de sardines te verwaarloozen. Zij

gingen ze nog zien, maar gunden er geen blik meer aan. Zij liepen

er in allerijl heen, en keerden heel langzaam en als afgemat weder,

terwijl zij zwijgend op de zee tuurden.

"Waren de sardines mooi?" vroeg mijnheer Chabre telkens, als zij

terugkwamen.

"Ja, heel mooi", gaven zij ten antwoord.

Des Zondags had men te Piriac het schouwspel van een bal in de

open lucht. De knapen en meisjes der streek, draaiden uren lang,

met ineengestrengelde handen, in het rond, onder het herhalen van

hetzelfde lied op éénen denzelfden doffen, maar zeer gelijkmatigen

toon. Die ruwe stemmen, die zich te midden van de schemering verhieven,

namen op den langen duur eene wilde bekoorlijkheid aan. Estella, die

op het strand was gezeten en Hector aan hare voeten had, luisterde toe,

weldra geheel verdiept in droomen. De zee klom zachtjes voort, met een

luid liefkoozend gedruisch. Als de golven op het strand aanspoelden,

was het als plotseling, en stierf met het terugtrekkende water de

kreet weg in een klagend gemurmel van bedwongen liefde. De jonge

vrouw verlangde er naar aldus bemind te worden, door een reus, die

zij in een kleinen knaap zou herschapen.

"Gij moet u zeker vervelen te Piriac, liefste?" vroeg mijnheer Chabre

nu en dan aan zijn vrouw.

En zij haastte zich te antwoorden:

"Neen, waarlijk niet, dat verzeker ik u".

Na verloop van veertien dagen, wilde mijnheer Chabre, die zich

doodelijk verveelde, naar Parijs terugkeeren. Hij beweerde dat de

schelpvisch reeds moest hebben gewerkt. Maar zij kwam daartegen op.

"O! beste, gij hebt er nog niet genoeg van gegeten. Ik weet immers

wel dat gij er nog meer behoeft".

Nantas · 第 32 / 44 题