II.

Op zekeren morgen, drie dagen nadat het gezin zijn intrek te Piriac

had genomen, sloeg mijnheer Chabre van den zeebreker af, die de kleine

haven beschermt, rustig Estella gade, die juist bezig was te baden

en op den rug dreef. Het was reeds zeer warm; en keurig gekleed in

een zwarte jas, met een vilten hoed op het hoofd, had hij een parasol

met groene voering opgestoken, om zich te beschermen.

"Is de zee goed?" vroeg hij, om den schijn aan te nemen alsof hij

eenig belang stelde in het baden zijner vrouw.

"Heel goed", antwoordde Estella zich weer voorover wentelende.

Mijnheer Chabre baadde nooit. Het water boezemde hem een grooten

afschrik in, en hij verborg dit slechts door te zeggen dat de

geneesheeren hem ten strengste het gebruik van zeebaden verboden

hadden. Zoodra er op het strand een golf tot aan zijne schoenen kwam

spoelen, deinsde hij met eene rilling achteruit, als had een gevaarlijk

dier hem de tanden laten zien. Het water zou trouwens zijne aangeboren

deftigheid hebben geschaad, hij vond het vuil en onbetamelijk.

"Dus is het goed?" herhaalde hij, duizelig wordende in de hitte en zich

door een onrustige slaperigheid op dien zeebreker aangegrepen voelende.

Estella antwoordde niet, maar sloeg de armen om zich heen door het

water en zwom als een poedel. Even vermetel als een jongen, baadde zij

uren lang, wat haar man erg verveelde, want hij oordeelde het gepast

haar in de nabijheid op te wachten. In Piriac had Estella juist de

zee gevonden, waarvan zij hield. Zij had een afkeer van een hellend

strand, dat men heel ver af moet loopen, aleer men het water tot

aan het middel heeft. Gewikkeld in haar ochtendjapon van wit molton,

liep zij tot aan het uiterste eindje van den zeebreker, liet daar het

gewaad van de schouders glijden en sprong rustig de golven in. Zij

had zes meters diepte noodig, beweerde zij, om niet tegen de rotsen

aan te stooten. Haar bad-costuum, dat aan één stuk en zonder rok was,

deed haar hooge gestalte uitkomen, en de lange blauwe ceintuur welke

hare lendenen omgordde, gleed haar met gelijkmatige bewegingen langs

de heupen neer. In het heldere water, met de lokken in een caoutchouc

mutsje verborgen, waaruit kleine lokken te voorschijn kwamen, had zij

heel de lenigheid van een blauwachtigen visch met een raadselachtig,

rooskleurig vrouwengelaat.

Mijnheer Chabre stond daar reeds een kwartier lang in de felle zon

te blaken. Tot duizendmaal toe had hij op zijn horloge gekeken,

en hij eindigde met te wagen op beschroomden toon te zeggen:

"Gij blijft al heel lang in het water, lieve. Gij moest er

uitkomen. Dat gerekte baden zal u vermoeien".

"Maar ik ben er pas in!" riep de jonge vrouw. "Het is alsof men in

melk baadt".

En wederom op den rug gaande liggen, voegde zij er bij:

"Gij kunt wel heengaan als het u verveelt...... Ik heb u niet noodig".

Daar kwam hij hoofdschuddend tegen op, met de verzekering hoe gauw er

een ongeluk kon plaats vinden. Estella glimlachte bij het denkbeeld

van hoeveel hulp haar echtgenoot haar zou zijn, indien zij eens door

kramp werd aangegrepen. Maar plotseling wierp zij een blik naar de

andere zijde van den zeebreker, op den inham, die langs van het dorp

door het water gegraven werd.

"Wel!" zeide zij, "wat is dat daarginds? Ik ga eens even kijken".

En zij verwijderde zich snel, met lange, regelmatige slagen.

"Estella! Estella!" riep Chabre: "Wilt ge wel eens hier blijven? Gij

weet dat ik alle onvoorzichtigheden haat".

Maar Estella luisterde niet naar hem, en hij was gedwongen zich te

onderwerpen. Zoo hoog mogelijk op de punten zijner voeten gaande staan

om de witte vlek te volgen, welke de hoed zijner vrouw op het water

wierp, vergenoegde hij zich met zijn parasol waaronder de verzengende

lucht hem meer en meer verstikte van hand te verwisselen.

"Wat heeft zij dan toch gezien!" mompelde hij: "O! ja, dat voorwerp,

dat daar ginds drijft...... Zeker iets vuils. Een pak zeewier, zonder

twijfel, of wel een vat.... Maar neen, het beweegt zich".

En, eensklaps, herkende hij het voorwerp.

"Neen, het is een heer, die ook zwemt."

Intusschen had ook Estella, reeds na enkele slagen, zeer goed gezien,

dat het een heer was. Zij hield toen op in zijne richting voort

te zwemmen, wel voelende dat dit onbehoorlijk zou zijn. Maar uit

behaagzucht, blij als ze was haar moed aan den dag te kunnen leggen,

zette zij haar weg voort naar de volle zee. Zij vorderde langzaam,

en deed alsof zij den zwemmer niet opmerkte. Als werd hij door den

stroom medegevoerd, dreef deze naar haar toe, en op het oogenblik dat

zij zich omwendde om naar den zeebreker terug te keeren, had er eene

blijkbaar geheel onverwachte ontmoeting plaats.

"Maakt gij het goed, mevrouw?" vroeg de mijnheer beleefd.

"Wel! zijt gij het mijnheer!" sprak Estella vroolijk.

En zij voegde er met een opgeruimd lachje bij:

"Hoe men elkander toch wedervind!"

Het was de jonge Hector de Plougastel. Hij was zeer verlegen, heel

gespierd en rooskleurig in het water. Een oogenblik zwommen zij

sprakeloos, op behoorlijken afstand van elkander voort. Estella meende

zich echter voorkomend te moeten betoonen.

"Wij zijn u heel dankbaar dat gij ons Piriac aangeraden hebt. Mijn

man is er zoo mede ingenomen".

"Die mijnheer, daar ginds geheel alleen op den zeebreker, is uw man

niet waar?" vroeg Hector.

Een andermaal bewaarde zij het stilzwijgen. Zij blikten de echtgenoot

aan, die niet grooter dan een zwart insekt boven de zee uitstak.

Mijnheer Chabre rekte zich heel nieuwsgierig nog meer uit, om toch

te ontdekken welke bekenden zijn vrouw wel in volle zee had kunnen

ontmoeten. Hij kon er niet meer aan twijfelen of Estella praatte met

dien mijnheer.

"Ja", vertelde Hector aan die mooie vrouw Chabre, "Ik ben eenige

dagen komen doorbrengen bij mijn oom, wiens kasteel gij daar ginds

halverwege de kust, kunt zien. Elken morgen ga ik, om mijn bad te

nemen, van die punt tegenover het terras, af en zwem ik tot aan den

zeebreker. Dan keer ik weer terug. Het is twee kilometer in het geheel

en eene uitstekende beweging. Maar gij, mevrouw, zijt heel dapper. Nog

nooit heb ik zulk een moedige vrouw gezien".

"O!" antwoordde Estella, "ik heb al als een heel klein meisje

rondgesparteld. Het water is met mij vertrouwd. Wij zijn goede oude

kennissen".

Van lieverlede kwamen zij dichter bij elkander, om niet zoo hard te

moeten schreeuwen. Op dien warmen morgen deinde de zee, evenals een

groot veld van zijde. Satijnen plekken breidden zich daarover uit, en

verderop weer had men strepen, die op eene gerimpelde stof geleken en

zich uitstrekten, zich vergrootten om de zachte trilling der stroomen

voort te dragen. Zoodra zij elkaar genaderd waren, nam het gesprek

meer een vertrouwelijk karakter aan.

Het was een heerlijke dag! Hij wees Estella verscheidene punten der

kust aan en bij elke aanwijzing, volgde Estella de richting van Hectors

vinger, en hield zij een oogenblik stil om toe te kijken. Het vermaakte

haar die verre kusten te zien, met de oogen even boven het water, op

een doorschijnende onmetelijkheid gevestigd. Zoodra zij den blik naar

de zon wendde, werd zij als verblind, de zee scheen herschapen te zijn

in eene grenzelooze Sahara, terwijl de schitterende weerkaatsing van

het daglicht op de kleurlooze uitgestrektheid van het strand flikkerde.

"Hoe mooi!" mompelde zij, "hoe mooi!"

Zij ging op den rug liggen om uit te rusten. Zij bewoog zich niet meer,

hare handen waren op de borst gekruist, haar hoofd achterovergeworpen,

zij gaf zich aan het water over. En haar blanke armen en beenen

dreven boven.

"Gij zijt dus te Guérande geboren, mijnheer?" vroeg zij.

Ten einde gemakkelijk te kunnen praten, ging Hector eveneens op den

rug liggen.

"Ja, mevrouw," gaf hij ten antwoord. "Ik ben nog slechts eenmaal naar

Nantes geweest".

Hij deelde haar de bijzonderheden omtrent zijne opvoeding mede. Hij

was opgegroeid aan de zijde zijner moeder, die erg vroom was, en

de overlevering van den ouden adel ongeschonden had bewaard. Zijn

leermeester, een priester, had hem ongeveer alles medegedeeld wat

men op kostscholen leert, maar er veel godsdienst en wapenkunde

bijgevoegd. Hij reed paard, kon schermen en hield zich veel met

alle mogelijke lichaamsoefeningen bezig. Daarenboven, scheen hij

even onschuldig als een maagd te zijn, want wekelijks ging hij ter

communie. Hij las nooit romans en zou, zoodra hij meerderjarig werd,

een leelijk nichtje trouwen.

"Hoe! Zijt gij nauwelijks twintig jaar oud!" riep Estella, en wierp

dien reusachtigen knaap een verbaasden blik toe.

En zij werd moederlijk jegens hem gestemd. Zij stelde belang in dien

bloem van het krachtige ras van Bretagne. Maar terwijl beiden zoo op

den rug bleven liggen, met de oogen gewend naar den doorschijnenden

hemel, zonder meer eenigszins acht op de aarde te slaan, waren zij

zoo dicht tegen elkander aangedrongen dat hij haar even aanraakte.

"O, ik vraag u om verschooning!" zeide hij.

Zij dook weg en kwam vier meter ver weder boven. Zij begon weer te

zwemmen en lachte hartelijk.

"Dat was een aanvaring", zeide zij.

Hijzelf was vuurrood geworden. Hij naderde haar en zag haar afhangende

hoed. Men zag slechts haar gelaat, haar met putjes versierde kin

raakte het water aan. Eenige droppels neervallende uit de blonde

vlokken, welke aan het mutsje ontsnapt waren, wierpen paarlen op het

dons harer wangen. En niets kon bekoorlijker zijn dan haar glimlach,

door dat mooie vrouwenhoofd, dat met zacht geruisch voortgleed,

slechts een zilveren spoor achterlatende.

Hector bloosde nog meer, toen hij bemerkte dat Estella zeer goed

inzag dat hij haar gadesloeg en zich vermaakte met het zonderlinge

figuur dat hij moest slaan.

"Mijnheer uw echtgenoot schijnt ongeduldig te worden", zeide hij om

het gesprek weder aan te knoopen.

"O! neen", gaf zij rustig ten antwoord, "hij is gewoon mij op te

wachten als ik baad".

Om de waarheid te zeggen, was mijnheer Chabre verre van bedaard. Hij

deed vier passen vooruit, keerde dan op zijn schreden terug, om opnieuw

zijne wandeling te hervatten, zijn parasol steeds sneller rond latende

draaien, in de hoop dat hij daardoor wat lucht verkrijgen zou. Het

onderhoud zijner vrouw met den onbekenden zwemmer begon hem verbazing

in te boezemen.

Estella kwam op den inval dat hij Hector misschien niet had herkend.

"Ik zal hem toeroepen dat gij het zijt", sprak zij.

En zoodra zij van den zeebreker af verstaan kon worden verhief zij

de stem.

"Weet gij beste, het is die mijnheer van Guérande, die zoo vriendelijk

voor ons is geweest".

"O! zeer goed, zeer goed", riep mijnheer Chabre op zijn beurt. Hij

nam zijn hoed af en groette.

"Is de zee naar uw zin, mijnheer!" vroeg hij beleefd.

"Uitstekend, mijnheer", antwoordde Hector.

En het bad wordt voortgezet onder de oogen van den echtgenoot, die

zich niet meer durfde beklagen. Aan het uiteinde van den zeebreker

was het water heerlijk doorschijnend en kon men duidelijk tot op den

bodem zien. Estella voelde zich verrukt door die heldere diepte. Zij

zwom zachtjes voort, om de oppervlakte niet al te zeer te rimpelen,

en voorover gebogen, met den neus bijna in de golfjes, keek zij naar

het zand en de steentjes onder haar in den geheimzinnigen nevelachtigen

afgrond. Vooral de halmen joegen haar eene huivering aan, wanneer zij

voor hen heenkwam. Het waren groenachtige planten, die schenen te

leven en langwerpige bladeren bewogen, geheel gelijk aan een zwerm

kreeftenpooten, enkele kort, ineengedrongen, vastgeklemd tusschen

twee steenen: anderen weer rijzig, hoog opgeschoten en lenig als

slangen. Zij slaakte telkens een zachten kreet om haar ontdekkingen

aan te geven.

"O! welk een groote steen! men zou zeggen dat hij zich

verroert...... En kijk eens, dien boom, een waren boom met

takken!... O! en daar hebt gij een visch! Hij zwemt pijlsnel door".

Maar eensklaps riep zij uit:

"Wat is dat toch? Een bruidbouquet! Hoe! bruidsbouquetten? Zie slechts,

of men niet zou zeggen dat het witte bloemen zijn. Het is heel,

heel mooi".

Hector dook aanstonds weg, en kwam weder boven met een handjevol

witachtige halmen, die zoodra zij uit het water kwamen weer gingen

hangen en verwelken.

"Ik dank u zeer", sprak Estella. "Gij hadt u die moeite niet moeten

getroosten. Luister eens beste, bewaar dat voor mij". En zij wierp

de geplukte grashalmen voor de voeten van mijnheer Chabre. Nog

een oogenblik lang, bleven de jonge vrouw en haar tochtgenoot

doorzwemmen. Zij lieten eerst het schuim om zich heen spatten en

namen snelle, kort afgebroken slagen. Dan weder schenen hun bewegingen

plotseling in te sluimeren, gleden zij langzaam voort, alleen kringen

om zich heen beschrijvende, die even trilden en dan wegstierven. Er lag

een soort geheime, weelderige vertrouwelijkheid in, aldus omwikkeld

te worden door dezelfde golf. Naar gelang dat het water zich over

Estella's heenvluchtend lichaam, sloot, poogde Hector het spoor door

haar achtergelaten binnen te glijden, de plaats en de warmte harer

ledematen te hervinden. De zee om hen heen was nog stiller geworden

en zoo lichtblauw, dat zij daarbij een bleekrooden tint verkreeg.

"Gij zult kou vatten, lieve", mompelde mijnheer Chabre, wien de groote

zweetdruppels van het gelaat vielen.

"Ik zal het water uitkomen, beste", gaf zij ten antwoord.

Zij deed dit inderdaad, en liep haastig met behulp van een ketting

langs de hellende steenen van den zeebreker op. Hector had zich

voorgenomen haar daarbij gade te siaan. Maar toen hij het gedruisch

der van haar afstervende regendroppelen vernam, en het hoofd ophief,

bevond zij zich reeds boven, in hare ochtendjapon gewikkeld. Hij droeg

zulk een verbaasde uitdrukking van teleurstelling, dat zij glimlachte

en even rilde; zij rilde alleen, omdat zij wel wist hoe betooverend

zij was, zooals zij daar huiverend, lang als zij was en terwijl hare

sierlijk gedrapeerde gestalte tegen den hemel uitkwam.

De jonge man was wel verplicht afscheid te nemen.

"Tot het genoegen u weer te zien, mijnheer", zeide de echtgenoot.

Nantas · 第 31 / 44 题