Jean Louis Lacour is zeventig jaar oud. Hij werd geboren te la
Corteille, een gehucht van honderd vijftig zielen, dat in een door
wolven bevolkte streek gelegen is. In zijn leven, is hij ééne enkele
maal naar Angers geweest, op vijftien mijlen afstands van daar; maar
hij was toen nog zoo jong, dat hij het zich niet meer herinnert. Hij
heeft drie kinderen gehad, twee zoons, Anton en Jozef, en eene dochter,
Catharina. De laatste trouwde; daarna is haar man gestorven, en keerde
zij tot haar vader terug met Jacquinet, een twaalfjarigen knaap. Het
gezin leeft van vijf of zes bunders grond, juist genoeg om een stuk
te eten en niet zonder kleêren rond te loopen. Wanneer zij eens een
glas wijn drinken, dan hebben zij daarvoor gezwoegd.
La Courteille ligt in de diepte van een dal, van alle zijden omgeven
door bosschen, die het dorpje omsluiten en verbergen. Eene kerk is
er niet, daartoe is de gemeente te arm. De pastoor van Cormiers komt
er de Mis lezen, en aangezien hij daarvoor meer dan twee mijlen af
te leggen heeft, komt hij slechts eenmaal in de veertien dagen. De
huizen, een twintigtal bouwvallige spelonken, liggen langs den
straatweg verspreid. Voor de deuren daarvan morrelen de kippen in
den mesthoop. Als er een vreemdeling voorbij komt, rekken de vrouwen
den hals uit, terwijl de kinderen, die bezig zijn zich in de zon te
koesteren te midden van een zwerm verschrikte ganzen wegstuiven.
Jean Louis is nooit ziek geweest. Hij is even lang en knokelig
als een eik. De zon heeft hem uitgedroogd, zijn huid geblakerd en
doorbarsten, en hij heeft de kleur, het ruwe en de rust der boomen
overgenomen. Onder het veranderen is hij stilzwijgend geworden. Hij
spreekt niet meer, dat nutteloos achtende. Hij loopt voort met groote,
gelijkmatige passen en heeft daarbij de kalme kracht der trekossen.
Het jaar te voren, was hij nog sterker dan zijn zoons, behield hij
den zwaren arbeid voor zich, altijd zwijgend aan het werk op zijn
veld, dat hem scheen te kennen en voor hem te beven. Maar, op zekeren
dag, nu twee maanden geleden, hebben zijne ledematen hem plotseling
begeven, en hij is twee uren in een wagenspoor blijven liggen, als
een neêrgevelde stam. Den volgenden morgen wilde hij weêr aan het werk
gaan; doch zijne armen weigerden hem den dienst, de aarde gehoorzaamde
hem niet langer. Zijn zoons schudden het hoofd, zijne dochter poogt hem
binnenshuis te houden. Hij blijft echter stijfhoofdig, en men geeft
Jacquinet met hem mede, opdat het kind om hulp zou kunnen roepen,
als grootvader weer eens vallen mocht.
"Wat doe-je daar, luiaard?" vraagt Jean Louis aan den knaap, die hem
geen oogenblik verlaat: "Op jou leeftijd verdiende ik mijn brood."
"Ik pas op u, grootvader," antwoordt het kind.
Dat woord brengt den grijsaard een schok toe. Hij vraagt niet
verder. Dien avond, gaat hij liggen en hij staat niet weder op. Als
de zoons en dochter zich den volgenden morgen naar het veld begeven,
gaan zij eerst omzien naar hun vader, dien zij niet hebben hooren
bewegen. Zij vinden hem op zijn bed uitgestrekt, met wijdgeopende
oogen en een uitdrukking alsof hij over iets nadenkt. Zijn huid is
zoo hard en zoo verbrand, dat men niet eens kan zien of de ziekte
hem verbleekt heeft.
"Nu, vader, gaat het niet goed?"
Hij bromt iets, en schudt ontkennend het hoofd.
"Dus kunt gij niet mede? Moeten wij gaan zonder u?"
Ja, hij geeft hun een wenk dat zij zonder hem moeten gaan. Men is aan
den oogst begonnen en heeft alle handen noodig. Als men een morgen
verloren liet gaan, zou er wel eens een onweder kunnen opzetten dat
alles op het veld vernielde. Zelfs Jacquinet volgt zijne moeder en
zijn ooms. Vader Louis blijft alleen achter. Als de kinderen dien
avond wederkeeren, ligt hij nog op dezelfde plaats, nog altijd op den
rug uitgestrekt, met wijdgeopende oogen en die peinzende uitdrukking.
"Dus gaat het niet beter, vader?"
Neen, het gaat niet beter. Hij bromt en schudt het hoofd. Wat zou men
wel voor hem kunnen doen? Catharina komt op den inval wat kruiden met
wijn voor hem te koken; maar dat blijkt te straf voor hem te zijn
en doodt hem bijna. Jozef zegt dat men den volgenden dag zal zien,
en iedereen gaat ter ruste.
Den volgenden morgen, voordat zij weer naar het veld gaan, blijven
de zoons en dochter een oogenblik staan kijken bij het bed. Het lijdt
geen twijfel meer of de oude is ziek. Nooit nog is hij zoo op zijn rug
blijven liggen. Misschien zou men toch, alles wel beschouwd, maar beter
doen met den dokter te laten komen. Het ergste is dat men daartoe naar
Rougemont moet gaan; zes mijlen heen en zes mijlen terug, dat maakt er
twaalf. Men zal er een heelen dag bij verliezen. De oude, die zijne
kinderen aanhoort, wordt gejaagd en schijnt zich boos te maken. Hij
heeft geen dokter noodig, dat dient tot niets en 't kost geld.
"Dus wilt gij het niet?" vraagt Anton: "Dan gaan wij aan den arbeid".
Natuurlijk, dat zij aan het werk gaan. Het zou hem toch niet helpen,
of zij daar al bij hem bleven. De grond heeft vrijwat meer behoefte
aan zorgen dan hij. En er verloopen drie dagen, en de kinderen gaan nog
elken morgen naar het veld. Jean Louis verroert zich niet, hij blijft
geheel alleen en drinkt uit een kruik als hij dorst heeft. Hij is als
een dier oude paarden, die van vermoeienis in een hoek neervallen,
en die men rustig sterven laat. Hij heeft zestig jaar lang gearbeid
en kan thans wel heengaan, nu hij tot niets anders meer dient dan om
plaats te beslaan en den menschen tot last te wezen.
De kinderen zelf zijn niet bijzonder verdrietig. De aarde heeft hen
met dergelijke zaken verzoend; zij leven dicht bij haar, om boos
op haar te zijn dat zij den oude wegneemt. Een blik des ochtends,
een blik des avonds, meer kunnen zij ook niet doen. Als de vader er
toch weer eens boven op kwam, zou dat bewijzen dat hij al heel stevig
gebouwd is. Zoo hij er aan sterft, dan komt het omdat hij den dood
in het lijf draagt, niets hem daaruit verjaagt, noch alle mogelijke
teekens des kruises, noch de medicijnen.
Was het nog een koe, dan kon men het dier oppassen.
Des avonds ondervraagt Jean Louis, met een blik, zijne kinderen naar
den oogst. Als hij hoort hoe zij de schoven tellen en roemen over
het mooie weder dat hunne taak begunstigt schittert er vreugde in
zijn oogen. Nog eenmaal, spreekt men er van den geneesheer te gaan
halen; maar de grijsaard maakt zich driftig, en men vreest hem nog
eerder te dooden, indien men tegen zijn zin in handelt. Hij laat
alleen vragen om den veldwachter, een zijner oude kameraden. Vader
Nicolaas is ouder dan hij, want hij is met Maria Lichtmis vijf en
zeventig jaren geworden. Hij komt en gaat, met ernstig gelaat, bij
Jean Louis zitten. Jean Louis, die niet meer spreken kan staart hem
aan met de kleine verbleekte oogen. Vader Nicolaas, die niets tot
hem te zeggen heeft, ziet ook hem aan. En de beide grijsaards blijven
een uur lang tegenover elkander, zonder een woord te uiten, tevreden
elkaar weder te zien, zich waarschijnlijk allerlei herinnerende,
dat heel ver af ligt, in de dagen van weleer. Dienzelfden avond,
als de kinderen huiswaarts keeren, vinden zij Jean Louis dood, op
den rug uitgestrekt, reeds verstijfd en de oogen omhoog geslagen.
Ja, de oude is gestorven, zonder een lid te verroeren. Hij heeft zijn
laatste ademtocht recht voor zich uitgeblazen, als een zucht te meer
over het uitgestrekte land. Evenals de dieren, die zich verbergen en
zich onderwerpen, heeft hij zelfs geen der buren last veroorzaakt,
maar heel alleen alles afgehandeld.
"Vader is dood", zegt Jozef, als hij de anderen roept.
En allen op hun beurt, Anton, Catharina en Jacquinet, herhalen:
"Vader is dood".
Het verwondert hun niet. Jacquinet rekt nieuwsgierig zijn hals uit,
de vrouw haalt haar zakdoek te voorschijn, de beide mannen loopen
zonder iets te zeggen op en neer, hun verbrand gelaat is ernstig en
bleek. Alles wel beschouwd heeft hij het toch lang uitgehouden, hij
was wat stevig die oude vader! Deze gedachte vertroost de kinderen,
zij zijn trotsch op de lichaamskracht der hunnen.
Dien nacht, blijft men tot elf uur bij den vader waken, daarna geven
allen aan den slaap toe; en Jean Louis rust daar weer alleen, met
zijn ondoordringbaar gelaat, dat nog altijd schijnt na te denken.
Bij het aanbreken van den dageraad, begeeft Jozef zich op weg
naar Cormiers, om den pastoor te verwittigen. Aangezien er echter
nog korenschoven zijn binnen te halen, begeven Anton en Catharina
zich niettemin dien morgen naar het veld, het lijk aan Jacquniet's
hoede overlatende. De kleine verveelt zich bij den oude, die zich
geen enkele maal beweegt, en nu en dan gaat hij den weg op, gooit
hij de huismuschjes met steenen of kijkt hij naar een marskramer,
die gekleurde zakdoeken voor twee buurvrouwen uitspreidt. Als hij
dan weder aan zijn grootvader denkt, loopt hij haastig naar binnen,
kijkt eens of hij zich niet verroerd heeft, en ontvlucht dan weer om
te gaan zien naar twee vechtende honden.
Aangezien de deur is open blijven staan, komen de kippen binnen,
en loopen rustig rond, voortdurend met den bek in den versleten
vloer pikkende. Een roode haan heft zich zoo hoog mogelijk op zijn
pooten omhoog, rekt den hals uit en spalkt de flonkerende oogen
open, verontrust door dat lijk, waarvan hij niets begrijpt; het is
een voorzichtige, schrandere haan, die zonder twijfel weet dat de
grijsaard niet gewoon is ooit na zonsopgang te bed te blijven, en
hij eindigt met zijn luiden heraut-kreet te doen schallen, aldus den
dood van den oude bezingende, terwijl de kippen weer een voor een,
al kukelende en voortpikkende, heengaan.
De pastoor van Cormiers kan eerst om vijf uur komen. Sedert den
vroegen morgenstond hoort men de wagenmaker bezig met houtzagen en
het inslaan van spijkers. De lieden, die het nieuws nog niet weten,
zeggen: "Wel, daar is Jean Louis gestorven!" Want de inwoners van la
Courteille kennen die geluiden maar al te goed.
Anton en Catharina zijn weder thuis gekomen, de oogst is binnen;
zij kunnen niet klagen dat zij ontevreden zijn, want in geen tien
jaren heeft het koren zoo mooi gestaan.
Het gansche gezin wacht den pastoor op; men houdt zich met allerlei
bezig om geduld te oefenen: Catharina zet de soep op het vuur, Jozef
gaat water putten, men zendt Jacquinet uit om te zien of men op het
kerkhof wel een gat heeft gegraven. Pas tegen zes uur komt de pastoor
eindelijk aan. Hij zit in een karretje, met een jongen bij zich,
die hem tot koorknaap dient. Voor de deur der Lacours stijgt hij
uit, haalt zijn stola en zijn rochet uit een courant te voorschijn,
en begint zich aan te kleeden, terwijl hij zegt:
"Laat ons voortmaken, ik moet om zeven uur weer thuis zijn".
Niemand denkt er echter aan zich te haasten. Men is genoodzaakt de
twee boeren te gaan halen, die den overledene op een ouden zwarthouten
draagbaar moeten wegbrengen. Als men zich tenslotte op weg zal begeven,
komt Jacquinet aanhollen en roept hen toe dat het gat nog niet klaar
is, maar dat men toch wel komen kan.
De priester loopt nu het eerst vooruit, een boek in de handen
houdende, waarin hij latijn leest. De kleine koorknaap, die achter
hem aantreedt, draagt een oud gedeukt wijwatervat van koper, waarin de
kwast hangt. Eerst als men halverwege het dorp is gekomen, treedt een
andere jongen uit de schuur te voorschijn, waar alle veertiendagen de
mis gelezen wordt, en plaatst hij zich aan het hoofd van den stoet met
een op een langen stok gestoken kruis. De bloedverwanten gaan achter
het lijk; van lieverlede voegen al de dorpsbewoners zich bij hen;
een heele reeks van in lompen gehulde bengels, sluit blootshoofds en
zonder schoenen, den optocht.
Het kerkhof is aan het andere uiteinde van la Courteille gelegen. De
beide boeren zetten dan ook tot driemaal toe de draagbaar neêr; zij
staan uit te blazen, terwijl de stoet stilhoudt, en daarna begeeft
men zich opnieuw opweg. Men hoort het geklots der klompen over den
harden grond. Als men aankomt is de kuil inderdaad niet gereed; de
doodgraver staat er nog in en met elke spade aarde die hij omhoog
werpt ziet men hem regelmatig bovenkomen en weer neerduiken.
De doodenakker is omringd van eene eenvoudige heg. Er zijn
struiken tegenaan gegroeid, waarvan de dorpsjongens gedurende de
Septemberavonden braambeziën komen eten. Het is een tuin in het open
veld. In de diepte ziet men reusachtige bessenboompjes; in een der
hoeken is een perzikboom even hoog opgeschoten als een eik; in het
midden werpt een korte laan van lindenboomen haar schaduwen af, het
is een lommerrijk plekje, waar de ouden van dagen in den zomer hun
pijp komen rooken. De zon is brandend, de sprinkhanen schrikken op,
gouden vliegen gonzen vol vreugde in de warme lucht. De stilte is
vervuld van leven, het sap dier vette aarde vermengt zich met het
roode bloed der klaproozen.
Men heeft de lijkkist bij het gat nedergezet. De knaap, die het kruis
draagt, plaatst het thans aan de voeten van den doode, terwijl de
priester, die aan het hoofdeind heeft post gevat, voortgaat met in
zijn boek te lezen. Maar de toeschouwers stellen vooral belang in
den arbeid van den doodgraver. Zij scharen zich om de kuil heen, en
kijken voortdurend naar de spade. Als zij zich ten slotte omwenden, is
de pastoor met de beide kinderen verdwenen; alleen de familie blijft
nog over en wacht met eene uitdrukking van geduld af tot alles klaar
zal zijn.
Eindelijk is de kuil gegraven.
"Wel! het is diep genoeg!" roept een der boeren, die het lijk heeft
helpen dragen.
En iedereen spant zich in om de lijkkist naar omlaag te laten. Vader
Lacour zal het goed hebben in dat gat. Hij kent de aarde, en de aarde
kent hem. Zij zullen het best met elkaar kunnen vinden. Al sedert bijna
zestig jaar, van den dag af waarop hij haar het eerst met zijne spade
aanraakte heeft zij hem toegeroepen dat zij op hem wachtte. Hunne
liefde moest hierop uitloopen, de aarde kon niet anders dan hem tot
zich nemen en hem bij zich behouden. En welk een heerlijke rust! Hij
zal niets anders vernemen dan de lichte pootjes der vogelen, die de
grashalmen doen nederbuigen. Niemand zal over zijn hoofd heenloopen,
hij zal jaren achtereen in zijne laatste woning blijven, zonder dat
een sterveling hem daar storen komt. Het is de dood vol zonneschijn,
de eindelooze slaap te midden van den vrede der natuur.
De kinderen zijn het graf genaderd. Catharina, Anton en Jozef rapen een
handjevol zand op en werpen het op den oude. Jacquinet, die onderwijl
klaprozen geplukt heeft, strooit er zijne bloemen op neer. Daarna keert
het gezin huiswaarts om soep te eten; de koebeesten komen terug van
de weiden, de zon gaat onder. Een warme nacht wiegt het dorp in slaap.
DE OESTERS VAN DEN HEER CHABRE
OF
HET MIDDEL VAN DEN DOKTER
door EMILE ZOLA
Mejuffrouw Catinot, de blonde Estella, een mooi, slank achttienjarig
meisje was gehuwd met den heer Chabre. Hun huwelijk was tot groot
verdriet van den heer Chabre kinderloos gebleven. Vier bange jaren
wachtte hij reeds, teleurgesteld, lijdende onder het vergeefsche van
zijn pogingen.
De heer Chabre was vroeger graanhandelaar, en bezat een groot
vermogen. Hoewel hij het kalme leven geleid had van een burger,
die vast van plan is millionair te worden, sleepte hij op zijn vijf
en veertigste jaar zijn beenen mede, als een grijsaard. Zijn bleek
gelaat, waarop geldzorgen hunne sporen hadden geteekend, was even
plat en onbeteekenend als een keisteen. En hij gevoelde zich wanhopig,
want iemand, die vijf en twintig duizend gulden rente verdiend heeft,
mag zich er zeker wel over verbazen dat het moeilijker gaat vader te
worden dan rijk te worden.
De schoone mevrouw Chabre was destijds twee en twintig jaar oud. Zij
zag er betooverend uit met haar perzikkleurig gelaat en hare lokken
die de tinten der zon droegen en in haar hals krulden. Haar groenachtig
blauwe oogen schenen een onbekend meer, in welks diepte men niet licht
doordringen kon. Zoo vaak haar man over hun kinderloozen echt klaagde,
richte zij haar lenige gestalte op, deed zij de omvang van haar heupen
en van haar hals uitkomen, en zeide de glimlach die om een hoek harer
lippen speelde, heel duidelijk: "Is het mijn schuld?" Mevrouw Chabre
werd trouwens, in den kring harer kennissen, beschouwd als iemand
van eene uitstekende opvoeding, met teveel tact om over zichzelve
te laten babbelen, juist vroom genoeg, in 't kort doortrokken van
de goede burgerlijke beginselen, haar door eene strenge moeder
ingeprent. De fijne vleugels van haar wit neusje trilden alleen nu
en dan zoo zenuwachtig, dat iederen anderen graankooper zich zou
hebben verontrust.
De geneesheer der familie, dokter Guisand, een dikke slimme,
glimlachende man, had reeds menig geheim onderhoud met mijnheer
Chabre gehad. Hij bracht hem onder het oog hoezeer de wetenschap nog
ten achteren is. Genadige hemel! neen, men kon nu maar eenmaal geen
kind planten gelijk een eikenboom. Daar hij echter nooit iemand tot
wanhoop wilde drijven, had hij hem beloofd na te zullen denken over
zijn geval. En op een Julimorgen, kwam hij tot hem met de woorden:
"Gij moest naar een zeeplaats gaan, mijn beste mijnheer Chabre. Ja,
dat is uitstekend, gebruik vooral veel oesters, eet niets dan oesters".
Mijnheer Chabre, die weer nieuwen moed kreeg, vroeg op levendigen toon:
"Oesters, dokter? Gelooft gij dat oesters......?"
"Zeer zeker. Men heeft dit middel zien slagen. Luister wel, alle
dagen oesters, mosselen, garnalen, krabben, zelfs kreeften".
En, op het oogenblik dat hij wegging, voegde hij er, reeds op den
drempel staande, bij:
"Gij moet u niet gaan begraven. Mevrouw Chabre is jong en heeft
afleiding noodig. Begeef u naar Trouville. De lucht is daar heel goed".
Drie dagen later, begaf het gezin zich op reis. Maar de voormalige
graankoopman was van oordeel geweest, dat het geheel overbodig zou
zijn naar Trouville te begeven, waar men hem de dolste prijzen af zou
vragen. Men kan immers even goed op eene andere plaats oesters eten;
in eene afgelegen streek moesten de oesters zelfs veel beter voorhanden
en goedkooper zijn. Het was ook geen pleizierreisje dat zij maakten.
Een vriend had mijnheer Chabre attent gemaakt op de kleine badplaats
Pouligeun, niet ver van Saint-Nazaire. Na twaalf uur doorgespoord te
hebben, verveelde mevrouw Chabre zich schromelijk, gedurende den dag,
dien zij te Saint-Nazaire doorbrachten. De stad was pas in haar opkomst
en vertoonde slechts nieuw aangelegde straten, nog vol van onvoltooide
huizen. Zij gingen de haven bezichtigen en wandelden de verschillende
wijken door, waar de winkels het midden hielden tusschen de donkere
kruidenierswinkels der dorpen en de groote magazijnen der steden. Te
Pouliguen stond geen enkele woning te huur. De kleine huisjes van
hout en pleister die het water schijnen te omgeven als bontgeverfde
kermiskramen, waren reeds zonder onderscheid in beslag genomen door
Engelschen, zoowel als door de rijken kooplieden uit Nantes. Estella
trok bovendien den neus op voor die dwergachtige woningen, door
kunstlievende burgers met de vruchten hunner verbeelding opgesierd.
Men raadde den reizigers aan te Guérande te overnachten. Het was
Zondag. Toen zij daar omstreeks twaalf uur aankwamen, gevoelde mijnheer
Chabre zich ondanks heel zijn gemis aan poëzie, getroffen. De aanblik
van Guérande, dat zoo goed bewaarde juweel uit de riddertijden,
met zijne versterkte vestingwallen; en zijne diepe poorten waarop
nog torens prijken, vervulde hem van verbazing. Estella beschouwde
de zwijgende stad, omringd van de groote boomen harer wandelwegen;
en in het stille water harer oogen, scheen zich een droom af te
spiegelen. Maar het rijtuig voerde hen nog altijd verder, het paard
reed in vaart onder een poort door, en de wielen hosten over de
puntige keisteenen der nauwe straten. De Chabre's hadden geen woord
met elkander gewisseld.
"Een echt gat!" mompelde eindelijk de vroegere graanhandelaar. "De
dorpen, die om Parijs heen liggen, zijn nog beter gebouwd."
Op het oogenblik dat het echtpaar voor het Hotel du Commerce, uit het
rijtuig steeg, juist in het midden der stad, naast de kerk gelegen,
ging de Hoogmis uit. Terwijl haar man bezig was met hun koffers,
wandelde Estella eenige passen door, vol belangstelling naar de
vele geloovigen kijkende, onder wie er waren die in schilderachtige
kleeding waren gehuld. Men zag onder hen in witte kielen en wijden
broek gestoken zoutvisschers, die op de zilte moerassen leven. Ook
waren er pachters van een geheel verschillend ras, met korte lakensche
buis en den breeden ronden hoed. Maar Estella voelde zich voornamelijk
opgetogen over het rijke costuum van een jong meisje. Haar mutsje
klemde zich op de slapen vast en liep puntig uit. Op haar rood
keurslijf met wijde omslagmouwen versierd, hechtte zich een zijden
halsdoek met veelkleurige bloemen. Een van goud- en zilver borduursel
voorziene gordel hield hare drie op elkaar volgende rokken van blauw
laken omsloten, die aan kleine vouwtjes waren geplooid, en waaruit
hare roode wollen kousen en hare met kleine gele muiltjes geschoeide
voeten te voorschijn kwamen.
"Wel; Wel!" riep mijnheer Chabre die zich bij zijne vrouw had gevoegd:
"Men moet wel naar Bretagne komen, om zulk een carneval te zien".
Estella gaf geen antwoord. Een twintigjarige jongeling van hooge
gestalte, een zeer blank gelaat, trotsche houding en goudblonde lokken
trad de kerk uit en gaf den arm aan eene oude vrouw. Men kon hem
voor een reus houden, zoo breed waren zijne schouders, zoo gespierd
schenen reeds zijne ledematen, en toch iets zoo teeders, zoo fijns,
dat zijn gezicht aan dat van een meisje zou doen denken, indien hij
niet een opkomende baard had gehad. Toen Estella hem strak aanstaarde,
verrast door zijn groote schoonheid, wendde hij juist het hoofd om,
ontmoette een seconde haar blik en kreeg een kleur.
"Ziedaar ten minste iemand, die er uitziet als een gewoon mensch. Hij
zou een mooie dragonder worden", mompelde Chabre.
"Het is mijn heer Hector", zei de dienstbode uit het logement, die
zijn woorden opgevangen had: "Hij vergezelt zijne mama, mevrouw de
Plougastel.... O! een heel zachte, heel goede jongen!"
Onder het koffiedrinken in hun hotel woonden de Chabre's eene hevige
woordenwisseling bij. De hypotheekbewaarder, die altijd zijne diners in
het Hotel du Commerce gebruikte, roemde de aartsvaderlijke levenswijze
te Guérande en vooral de goede zeden der jeugd aldaar. Volgens hem,
was het de godsdienstige opvoeding, welke de inwoners zoo onschuldig
hield, en gaf hij daarbij voorbeelden aan en noemde feiten op. Maar
een handelsreiziger, die pas dienzelfden morgen, met kisten vol
valsche edelgesteenten, aangekomen was, lachte hem uit en vertelde,
dat hij langs den weg jongens en meisjes gezien had, die elkander
achter de heggen omhelsden. Hij had de jongen mannen wel eens willen
zien, als men hen tegenover mooie vrouwen had geplaatst. En hij
eindigde met den spot te drijven met godsdienst, pastoor en vrouwen,
totdat de hypotheekbewaarder, woedend zijn servet op tafel slingerde
en heenging. De heer Chabre had sprakeloos voortgegeten; hij was
verbolgen over hetgeen men aan een table d'hôte moet aanhooren; en
mevrouw bleef rustig en glimlachend, als had zij er niets van verstaan.
Om den middag door te brengen, ging het echtpaar Guérande bezoeken. In
de kerk van Saint-Aubin heerschte eene heerlijke koelte en zij liepen
er langzaam rond onder de hooge gewelven, en bleven stilstaan voor de
zonderlinge beeldhouwwerken in de nissen, waarop men beulen aanschouwt,
die hunne slachtoffers doormidden zagen of op roosters braadden,
terwijl zij het vuur met groote blaasbalgen aanwakkeren. Daarna
doolden zij door de vijf of zes eenzame straten der stad. De puntige
daken, die veel op peperbussen geleken en bedekt waren met lei; de
hoekige torentjes en het overgebleven, door den tijd afgebrokkelde
beeldhouwwerk, herschiepen enkele stille plekken in museums, welke
in den zonneschijn schenen te slapen. Estella, die zich sedert
haar huwelijk in romans verdiepte, wierp een smachtenden blik op de
vensters met hunne kleine in lood gevatte ruitjes. Zij dacht aan de
roman van Scott.
"Ik heb tien torens geteld!" riep mijnheer Chabre, toen zij tot hun
uitgangspunt waren teruggekeerd.
Zij bevonden zich nu op de Mail, een grooten opgehoogden wandelweg, die
een kwartcirkel vormt van de Oostpoort naar de Zuidpoort. Tegenover
een heerlijken horizon, die zich mijlen ver, over de daken der
buitenwijk uitstrekte, bleef Estella in gepeins verzonken. Men zag
allereerst een grootsch landschap van door den zeewind gekromde
pijnboomen, dooreen gestrengelde heesters, en een gansche schat
van zwartgroene planten. Terwijl zich verderop de woestijn der
zoutmoerassen uitstrekte de eindelooze naakte vlakte, met hare
spiegels der vierkante waterkommen en de witte zouthoopjes, die lagen
te flikkeren op het grijze laken van het zand. En nog verderop, aan
het uiteinde des hemels, vertoonde de oceaan zijn blauwe diepte. Drie
schepen, die over het blauw heengleden schenen drie witte zwaluwen.
"Daar is het jonge mensch van dezen morgen, vrouwlief", zeide
plotseling mijnheer Chabre, "vindt gij niet dat hij op den kleinen
Larivière gelijkt? Als hij gebocheld was, zou hij voor hem kunnen
doorgaan".
Estella had zich langzaam omgekeerd. Maar Hector die aan den
zoom van den wandelweg stond en eveneens verdiept scheen in den
aanblik van de verwijderde zee, hield zich als bemerkte hij niet
dat men hem gadesloeg. De jonge vrouw hervatte thans langzaam haar
tocht. Nauwelijks was zij tien passen verder gekomen of de strik
van haar parasol ging los en de Chabre's vernamen eene stem die hen
achterna riep:
"Mevrouw, mevrouw...."
Het was Hector, die haar strik had opgeraapt.
"Duizendmaal dank mijnheer", sprak Estella met rustigen glimlach.
Het was een zeer zachte, zeer brave jongen. Hij viel aanstonds in
den smaak van mijnheer Chabre, die hem toevertrouwde hoezeer hij
verlegen zat met de keus eener badplaats, en hem zelfs om inlichtingen
vroeg. Hector begon, geheel verlegen, te stamelen:
"Ik geloof niet dat gij hetgeen gij zoekt te Croisie of ook te Batz
zult vinden", zeide hij, de kerktorens der beide kleine steden in de
verte aanwijzende. "Ik zou u aanraden naar Piriac te gaan". Hector
verschafte hem allerlei bijzonderheden, Piriac was op op drie mijlen
afstands van daar gelegen. Een zijner ooms woonde in den omtrek. En,
op een vraag van mijnheer Chabre, verzekerde hij dat men daar een
overvloed van oesters vond.
De jonge vrouw tikte met de punt van haar parasol tegen het gras
aan. Hector waagde het niet de oogen naar haar op te slaan, als maakte
haar tegenwoordigheid hem beschroomd.
"Guérande is al een heel mooi stadje", eindigde Estella met op haar
welluidende toon te zeggen.
"O heel mooi", stotterde Hector, haar plotseling met den blik
verslindende.