IV.

Januari is een harde maand geweest. Geen werk, geen brood en geen

brandstof in huis. Het gezin Morisseau heeft aan alles gebrek

geleden. De vrouw wascht voor de lieden, de man is metselaar. Zij

wonen te Batignollis, in de rue Cardinet, in een donker huis, dat de

buurt verpest. Hun kamer, op de vijfde verdieping, is zoo onttakeld,

dat de regen door de spleten der zoldering heendringt. Zij zouden

nog niet eens klagen als hun kleine Charlot, een tienjarige knaap,

geen versterkend voedsel noodig had om ooit op te groeien.

Het kind is heel teêr, een duizeling maakt hem ziek. Toen hij naar

school ging, beloofde hij zich slechts in te spannen om in eens

alles te willen leeren, en hij keerde ongesteld terug. Daarbij heel

schrander, een alleraardigst jongske, dat als een volwassene weet

meê te praten.

Op den dag dat zij hem geen brood kunnen geven, schreiën de ouders als

ongelukkigen, en dat des te meer, daar de kinderen op alle verdiepingen

der woning als vliegen stierven, zoo ongezond als het daar is.

Men hakt de sneeuw weg op straat. Zelfs is vader er in geslaagd

zich daarvoor aan te laten nemen; hij maakt de goten weêr open met

zijne houweelslagen, en des avonds brengt hij een gulden thuis. In

afwachting van het oogenblik, dat men weêr beginnen zal te houwen,

is het toch altijd iets om niet van honger te sterven.

Maar op zekeren dag, vindt de man bij zijne thuiskomst Charlot

bedlegerig. De moeder weet niet wat hem scheelt. Zij had hem naar

Courcellis gezonden, naar zijn tante, die kleerkoopster is, om te zien

of hij geen warmer buisje zou vinden dan zijn linnen kiel, waar hij in

rilt van koude. Zijne tante had slechts oude mannenjassen, te groot

voor hem, en de kleine is bibberend teruggekeerd, met verglaasden

blik, alsof hij te veel gedronken had. Nu ligt hij daar vuurrood

op zijn peluw en spreekt wartaal; hij gelooft dat hij met knikkers

speelt en zingt straatliedjes.

De moeder heeft het overblijfsel van een omslagdoek voor het venster

gehangen, om daarmede een gebroken ruit dicht te stoppen; daarboven

blijven nog slechts twee ruiten over, die het naargeestige grauw der

lucht laten doorschemeren. De armoede heeft hun latafel geledigd, al

het linnengoed is verpand. Op een avond heeft men een tafel en twee

stoelen verkocht. Charlot sliep sedert op den grond; maar nu hij ziek

is, heeft men hem het bed afgestaan, en hij ligt daar nog zeer slecht,

want men heeft de veêren van den matras handje voor handje naar een

schachelaarster gebracht, bij halve ponden te gelijk, voor vier of

vijf stuivers. Thans zullen de vader en de moeder in een hoek slapen,

op een stroozak, waarvan geen hond gediend zou willen zijn.

Zij zitten daar beiden naar Charlot te staren, die op zijne legerstede

voortwoelt. Wat heeft de jongen toch, dat hij zoo'n beweging

maakt. Misschien heeft het een of andere dier hem gebeten of gaf

men hem iets slechts te drinken. Eene buurvrouw, juffrouw Bonnet,

is binnen getreden; en na den kleine bekeken te hebben en betast,

verzekert zij dat het koude koorts is. Zij heeft er verstand van,

zij heeft haar man aan eene dergelijke ziekte verloren.

De moeder schreit en klemt Charlot in hare armen. De vader holt als

een waanzinnige weg en gaat een dokter halen. Hij brengt er een mede,

een langen man met ijskoud gelaat, die zonder een woord te zeggen, het

oor tegen den rug van den knaap ligt en hem op de borst tikt. Daarna

moet juffrouw Bonnet in haar eigen kamer een potlood en papier gaan

halen, opdat hij zijn recept zou kunnen schrijven. Op het oogenblik

dat hij zich, nog altijd sprakeloos verwijdert, ondervraagt de moeder

hem op gesmoorden toon.

"Wat scheelt hem, mijnheer?"

"Een pleuris", antwoordt hij kortaf, zonder nadere toelichting.

Hij vraagt daarna op zijne beurt:

"Zijt gij ingeschreven bij het bestuur van Liefdadigheid?"

"Neen, mijnheer ...... Het ging ons goed, verleden zomer. Het is de

winter, die het ons heeft gedaan".

"Des te erger voor u!"

En hij belooft dat hij terug zal komen. Juffrouw Bonnet leent hem

tien stuivers om naar den apotheker te gaan. Voor Morisseau's gulden

heeft men twee pond ossenvleesch, steenkolen en waskaarsen gekocht. De

eerste nacht gaat goed voorbij. Men houdt het vuur aan. De zieke,

die door de hitte schijnt ingeslapen te zijn, spreekt niet meer. Zijn

handjes gloeien. Hem zoo tot verdooving gebracht ziende door de

koorts, stellen zijne ouders zich gerust; maar den volgenden morgen

staan zij als versuft, grijpt hun eene nieuwe ontzetting aan, als de

geneesheer hoofdschuddend voor het bed zit, met de uitdrukking van

iemand wien geen hoop meer overblijft. Vijf dagen achtereen komt er

geen verandering in den toestand. Charlot slaapt, als vernietigd op

zijn peluw. In de kamer schijnt de armoede, die nog toegenomen is,

met dien wind binnen te dringen door de gaten in het dak en in het

venster. Den tweeden avond heeft men het laatste hemd der moeder

verkocht; den derden dag heeft men weer nieuwe plukjes veêren van

onder den zieke weg moeten halen, om den apotheker te betalen. Daarna

heeft men gebrek gehad aan alles, er is niets overgebleven.

Morisseau bikt nog altijd de sneeuw; maar zijn gulden is niet

toereikend meer. Aangezien de felle koude Charlot kan dooden, verlangt

hij naar dooi, hoe bang hij er anders ook voor is. Als hij zich naar

het werk begeeft, is hij blij de straten wit te zien, maar dan denkt

hij weêr aan het kind, dat daarboven ligt te zieltogen, en wenscht

hij vurig naar een zonnestraal, naar wat lentegloed, die de sneeuw

weg zal doen smelten. Als zij maar ingeschreven waren bij het Bestuur

van Liefdadigheid, dan hadden zij dokter en apotheker voor niets. De

moeder is naar het gemeentehuis geweest, maar men heeft haar ten

antwoord gegeven dat de aanvragen te talrijk zijn en dat zij moest

wachten. Toch heeft zij eenige kaartjes voor brood gekregen en gaf

een barmhartige dame haar een rijksdaalder. Daarna is het gebrek weer

van voren af aan begonnen.

Den vijfden dag, brengt Morisseau zijn laatsten gulden thuis. De

dooi is ingevallen en men heeft hem afgedankt. Daarmede is alles

afgeloopen: de kachel blijft zonder vuur staan, men heeft geen brood,

de recepten worden niet meer naar den apotheker gebracht. In het

van vocht druipend vertrek, blijven de vader en moeder tegenover het

reutelende kind voortrillen.

Juffrouw Bonnet komt hen niet meer opzoeken, omdat zij weekhartig is

en het haar te zeer aangrijpt. De lieden uit het huis loopen haastig

hun deur voorbij. Nu en dan werpt de moeder, die in tranen uitbarst,

zich op het bed, en omhelst den knaap, als om hem verlichting te

schenken en hem te genezen. De vader, die als wezenloos is, brengt

uren achtereen aan het raam door, den ouden omslagdoek opheffende,

en starende naar het wegsmelten der sneeuw, het afsijpelen van het

water, dat in groote droppelen van het dak afvalt en de straat zwart

maakt. Misschien doet dat Charlot wel goed.

Op zekeren morgen verklaart de dokter dat hij niet wederkeeren zal. Het

kind is opgegeven.

"Het is het vochtig weder, dat hem den genadeslag heeft toegebracht,"

zegt hij.

Morisseau balt de vuisten tegen den hemel. De armen sterven dus

van alle weêr! Het vroor en dat deugde niet; nu dooit het en is

dat nog erger. Indien de vrouw er in toestemde, zouden zij een pan

met doovekoolen aansteken, en met hun drieën sterven. Dan zou alles

spoedig voorbij zijn.

Maar de moeder is naar het gemeentehuis teruggekeerd; men heeft haar

beloofd dat men onderstand zou sturen en zij wachten daarop. Het is

een vreeselijke dag; van de zoldering daalt een ijzige koude neder;

in een hoek van het vertrek loopt de regen af; men moet er een emmer

neerzetten, om de droppels op te vangen. Sedert den afgeloopen avond

hebben zij niets gegeten; het kind heeft alleen een kopje kamillen

gedronken, door de portierster naar boven gebracht. De vader zit voor

de tafel, met het hoofd in de handen verborgen, hij is versuft, zijn

ooren suizen. Bij elk gedruisch van voetstappen, snelt de moeder toe op

de deur, geloovende dat men haar de toegezegde hulp brengt. Het slaat

zes uur, en nog is er niets gekomen. Er heerscht een grauwe schemering,

die langzaam en onheilspellend als een doodstrijd nederdaalt.

Plotseling, terwijl de duisternis toeneemt, stamelt Charlot afgebroken

woorden:

"Moeke ... moeke...."

De moeder treedt op hem toe en een zware ademtocht waait haar

tegen. Zij hoort thans niets meer; zij ziet onbestemd het kind liggen,

met achterover geworpen hoofd en uitgestrekten hals. Half waanzinnig

roept zij smeekend uit:

"Licht! Dadelijk licht! Mijn Charlot.... zeg dan toch iets!"

Er is geen stukje kaars meer over. In haar haast strijkt zij lucifers

af, die tusschen hare vingers breken. Daarna betast zij, met hare

sidderende handen het gelaat van het kind.

"O! mijn God! hij is dood!.... Morisseau, luister dan toch, hij

is dood!"

Verblind door de duisternis, heft de vader het hoofd op.

"Welnu, hoe zou het ook anders kunnen? Hij is dood...... Het is

beter aldus!"

Bij het vernemen van die snikken der moeder, is juffrouw Bonnet er

toe overgegaan met hare lamp te verschijnen. En terwijl de beide

vrouwen bezig zijn met Charlot op te knappen, klopt men aan de deur

het is de beloofde bijstand, vijf gulden, kaartjes voor brood en

vleesch. Morisseau lacht met wezenlooze uitdrukking en zegt dat het

Bestuur van Liefdadigheid altijd te laat komt voor den trein.

Welk een treurig kinderlijkje, zoo mager en even licht als een

veertje! Indien men een van koude omgekomen huismusch op straat

opgeraapt, en op het bed neergelegd had, zou het diertje niet minder

plaats hebben beslagen.

Juffrouw Bonnet, die weêr heel behulpzaam is geworden, brengt hem

aan het verstand dat het Charlot niet tot het leven terugroepen kan,

of men al honger lijdt aan zijn zijde. Zij biedt zelfs aan brood

en vleesch te gaan halen, en voegt er bij dat zij meteen ook voor

kaarsen zorgen zal. Zij laten haar begaan. Zoodra zij wederkeert,

dekt zij de tafel, en zet worst op, die nog warm is. De ouders zijn

uitgehongerd en beginnen gulzig te eten naast den doode, wiens bleek

gezichtje men in het schemerlicht ontdekt. De kachel snort, het is

alles heel gezellig. Bij oogenblikken worden de oogen der moeder

vochtig, vallen er groote tranen op haar brood. Wat zou Charlot het

nu warm hebben gehad! Wat zou hij graag wat worst hebben gegeten!

Juffrouw Bonnet wil met alle geweld waken. Tegen één uur, nadat

Morisseau ten slotte, met het hoofd op het voeteneind van het bed,

in slaap is gevallen, zetten de beide vrouwen koffie. Men heeft een

andere buurvrouw, een achttienjarig naaistertje, uitgenoodigd er

van te komen drinken, en om toch ook een duit in het zakje te doen,

heeft zij een weinig brandewijn meegebracht. De drie vrouwen ledigen nu

langzaam haar kopje en spreken fluisterend met elkander over allerlei

verhalen van buitengewone sterfgevallen; van lieverlede worden hare

stemmen luider, dwalen hare gesprekken af; zij praten over hetgeen er

voorvalt in huis, in de buurt, over een misdaad, die in de rue Nollet

gepleegd werd. En nu en dan, staat de moeder op en gaat naar Charlot

kijken, als om zich te overtuigen dat hij zich niet verroerd heeft.

Aangezien men dien avond geen aangifte van den dood heeft gedaan,

moeten zij den kleine den ganschen volgenden dag bij zich behouden. Zij

bezitten slechts één vertrek en leven, eten en slapen dus bij

Charlot. Bij oogenblikken vergeten zij hem; maar, als zij hem daarna

weêr zien, is het hun alsof zij hem andermaal verloren.

Eindelijk, den tweeden morgen brengt men den lijkkist, die niet

grooter dan een speelgoeddoos is; vier slecht op elkaar passende

planken, kosteloos verstrekt door het gemeentebestuur, dank zij een

certificaat van onvermogen. En, nu vooruit! Men begeeft zich op een

draf naar de kerk. Achter Charlot loopt de vader met twee kameraden,

die hij onderweg heeft ontmoet, daarna volgen de moeder, juffrouw

Bonnet en de andere buurvrouw, het naaistertje.

Al deze brave lieden waden tot over de enkels door het slijk. Het

regent niet maar de mist is zoo vochtig dat de kleederen er van

doorweekt geraken. In de kerk wordt de plechtigheid zoo spoedig

mogelijk vervuld. En andermaal hervat men den tocht over de glibberige

steenen.

Het kerkhof ligt aan het eind der wereld, buiten de vestingwerken. Men

loopt de avenue de Saint-Ouen af, men laat den tol achter zich

liggen en ten laatste komt men aan. Het is een uitgestrekte ruimte,

een onbewerkt terrein, omsingeld met witte muren. Het gras schiet

er overal op, de omgewoelde aarde maakt er heuveltjes op, terwijl

men aan het eind daarvan een rij kwijnende boomen ziet verrijzen,

die de lucht met hunne zwarte takken verduisteren.

Langzaam treedt de stoet over het weeke zand heen. Het regent thans;

en men moet onder een stortbui wachten op een ouden priester,

die er eindelijk toe besluit uit een kleine kapel te voorschijn te

komen. Charlot moet ter ruste worden gelegd in de algemeene kuil. De

doodenakker ligt bezaaid met kruisen, die de wind omverwerpt en

kransen, door den regen verrot; het is een veld van ellende en rouw,

onttakeld, omwoeld, en vervuld van de pestwalmen van lijken, aldaar

opgestapeld door den honger en de koude der achterbuurten.

Alles is afgeloopen. Men neemt de spade op, Charlot ligt onder in

het gat, en de ouders vertrekken weêr, zonder neêr te hebben kunnen

knielen, op het vloeibare slijk, waarin zij wegzinken. Eenmaal

buiten gekomen zijnde, en ziende dat het nog altijd regent, noodigt

Morisseau die nog een daalder van de vijf gulden van het Bestuur van

Liefdadigheid overheeft, zijn kameraden en de buurvrouwen uit iets

te gaan gebruiken in een herberg. Men neemt plaats aan tafel, men

drinkt twee liters wijn en eet wat brood met een stuk Breikaas. Daarna

onthalen de makkers, op hunne beurt, op twee liters. Als het gezelschap

weêr naar Parijs terugkeert, is men heel vroolijk.

Nantas · 第 29 / 44 题