Januari is een harde maand geweest. Geen werk, geen brood en geen
brandstof in huis. Het gezin Morisseau heeft aan alles gebrek
geleden. De vrouw wascht voor de lieden, de man is metselaar. Zij
wonen te Batignollis, in de rue Cardinet, in een donker huis, dat de
buurt verpest. Hun kamer, op de vijfde verdieping, is zoo onttakeld,
dat de regen door de spleten der zoldering heendringt. Zij zouden
nog niet eens klagen als hun kleine Charlot, een tienjarige knaap,
geen versterkend voedsel noodig had om ooit op te groeien.
Het kind is heel teêr, een duizeling maakt hem ziek. Toen hij naar
school ging, beloofde hij zich slechts in te spannen om in eens
alles te willen leeren, en hij keerde ongesteld terug. Daarbij heel
schrander, een alleraardigst jongske, dat als een volwassene weet
meê te praten.
Op den dag dat zij hem geen brood kunnen geven, schreiën de ouders als
ongelukkigen, en dat des te meer, daar de kinderen op alle verdiepingen
der woning als vliegen stierven, zoo ongezond als het daar is.
Men hakt de sneeuw weg op straat. Zelfs is vader er in geslaagd
zich daarvoor aan te laten nemen; hij maakt de goten weêr open met
zijne houweelslagen, en des avonds brengt hij een gulden thuis. In
afwachting van het oogenblik, dat men weêr beginnen zal te houwen,
is het toch altijd iets om niet van honger te sterven.
Maar op zekeren dag, vindt de man bij zijne thuiskomst Charlot
bedlegerig. De moeder weet niet wat hem scheelt. Zij had hem naar
Courcellis gezonden, naar zijn tante, die kleerkoopster is, om te zien
of hij geen warmer buisje zou vinden dan zijn linnen kiel, waar hij in
rilt van koude. Zijne tante had slechts oude mannenjassen, te groot
voor hem, en de kleine is bibberend teruggekeerd, met verglaasden
blik, alsof hij te veel gedronken had. Nu ligt hij daar vuurrood
op zijn peluw en spreekt wartaal; hij gelooft dat hij met knikkers
speelt en zingt straatliedjes.
De moeder heeft het overblijfsel van een omslagdoek voor het venster
gehangen, om daarmede een gebroken ruit dicht te stoppen; daarboven
blijven nog slechts twee ruiten over, die het naargeestige grauw der
lucht laten doorschemeren. De armoede heeft hun latafel geledigd, al
het linnengoed is verpand. Op een avond heeft men een tafel en twee
stoelen verkocht. Charlot sliep sedert op den grond; maar nu hij ziek
is, heeft men hem het bed afgestaan, en hij ligt daar nog zeer slecht,
want men heeft de veêren van den matras handje voor handje naar een
schachelaarster gebracht, bij halve ponden te gelijk, voor vier of
vijf stuivers. Thans zullen de vader en de moeder in een hoek slapen,
op een stroozak, waarvan geen hond gediend zou willen zijn.
Zij zitten daar beiden naar Charlot te staren, die op zijne legerstede
voortwoelt. Wat heeft de jongen toch, dat hij zoo'n beweging
maakt. Misschien heeft het een of andere dier hem gebeten of gaf
men hem iets slechts te drinken. Eene buurvrouw, juffrouw Bonnet,
is binnen getreden; en na den kleine bekeken te hebben en betast,
verzekert zij dat het koude koorts is. Zij heeft er verstand van,
zij heeft haar man aan eene dergelijke ziekte verloren.
De moeder schreit en klemt Charlot in hare armen. De vader holt als
een waanzinnige weg en gaat een dokter halen. Hij brengt er een mede,
een langen man met ijskoud gelaat, die zonder een woord te zeggen, het
oor tegen den rug van den knaap ligt en hem op de borst tikt. Daarna
moet juffrouw Bonnet in haar eigen kamer een potlood en papier gaan
halen, opdat hij zijn recept zou kunnen schrijven. Op het oogenblik
dat hij zich, nog altijd sprakeloos verwijdert, ondervraagt de moeder
hem op gesmoorden toon.
"Wat scheelt hem, mijnheer?"
"Een pleuris", antwoordt hij kortaf, zonder nadere toelichting.
Hij vraagt daarna op zijne beurt:
"Zijt gij ingeschreven bij het bestuur van Liefdadigheid?"
"Neen, mijnheer ...... Het ging ons goed, verleden zomer. Het is de
winter, die het ons heeft gedaan".
"Des te erger voor u!"
En hij belooft dat hij terug zal komen. Juffrouw Bonnet leent hem
tien stuivers om naar den apotheker te gaan. Voor Morisseau's gulden
heeft men twee pond ossenvleesch, steenkolen en waskaarsen gekocht. De
eerste nacht gaat goed voorbij. Men houdt het vuur aan. De zieke,
die door de hitte schijnt ingeslapen te zijn, spreekt niet meer. Zijn
handjes gloeien. Hem zoo tot verdooving gebracht ziende door de
koorts, stellen zijne ouders zich gerust; maar den volgenden morgen
staan zij als versuft, grijpt hun eene nieuwe ontzetting aan, als de
geneesheer hoofdschuddend voor het bed zit, met de uitdrukking van
iemand wien geen hoop meer overblijft. Vijf dagen achtereen komt er
geen verandering in den toestand. Charlot slaapt, als vernietigd op
zijn peluw. In de kamer schijnt de armoede, die nog toegenomen is,
met dien wind binnen te dringen door de gaten in het dak en in het
venster. Den tweeden avond heeft men het laatste hemd der moeder
verkocht; den derden dag heeft men weer nieuwe plukjes veêren van
onder den zieke weg moeten halen, om den apotheker te betalen. Daarna
heeft men gebrek gehad aan alles, er is niets overgebleven.
Morisseau bikt nog altijd de sneeuw; maar zijn gulden is niet
toereikend meer. Aangezien de felle koude Charlot kan dooden, verlangt
hij naar dooi, hoe bang hij er anders ook voor is. Als hij zich naar
het werk begeeft, is hij blij de straten wit te zien, maar dan denkt
hij weêr aan het kind, dat daarboven ligt te zieltogen, en wenscht
hij vurig naar een zonnestraal, naar wat lentegloed, die de sneeuw
weg zal doen smelten. Als zij maar ingeschreven waren bij het Bestuur
van Liefdadigheid, dan hadden zij dokter en apotheker voor niets. De
moeder is naar het gemeentehuis geweest, maar men heeft haar ten
antwoord gegeven dat de aanvragen te talrijk zijn en dat zij moest
wachten. Toch heeft zij eenige kaartjes voor brood gekregen en gaf
een barmhartige dame haar een rijksdaalder. Daarna is het gebrek weer
van voren af aan begonnen.
Den vijfden dag, brengt Morisseau zijn laatsten gulden thuis. De
dooi is ingevallen en men heeft hem afgedankt. Daarmede is alles
afgeloopen: de kachel blijft zonder vuur staan, men heeft geen brood,
de recepten worden niet meer naar den apotheker gebracht. In het
van vocht druipend vertrek, blijven de vader en moeder tegenover het
reutelende kind voortrillen.
Juffrouw Bonnet komt hen niet meer opzoeken, omdat zij weekhartig is
en het haar te zeer aangrijpt. De lieden uit het huis loopen haastig
hun deur voorbij. Nu en dan werpt de moeder, die in tranen uitbarst,
zich op het bed, en omhelst den knaap, als om hem verlichting te
schenken en hem te genezen. De vader, die als wezenloos is, brengt
uren achtereen aan het raam door, den ouden omslagdoek opheffende,
en starende naar het wegsmelten der sneeuw, het afsijpelen van het
water, dat in groote droppelen van het dak afvalt en de straat zwart
maakt. Misschien doet dat Charlot wel goed.
Op zekeren morgen verklaart de dokter dat hij niet wederkeeren zal. Het
kind is opgegeven.
"Het is het vochtig weder, dat hem den genadeslag heeft toegebracht,"
zegt hij.
Morisseau balt de vuisten tegen den hemel. De armen sterven dus
van alle weêr! Het vroor en dat deugde niet; nu dooit het en is
dat nog erger. Indien de vrouw er in toestemde, zouden zij een pan
met doovekoolen aansteken, en met hun drieën sterven. Dan zou alles
spoedig voorbij zijn.
Maar de moeder is naar het gemeentehuis teruggekeerd; men heeft haar
beloofd dat men onderstand zou sturen en zij wachten daarop. Het is
een vreeselijke dag; van de zoldering daalt een ijzige koude neder;
in een hoek van het vertrek loopt de regen af; men moet er een emmer
neerzetten, om de droppels op te vangen. Sedert den afgeloopen avond
hebben zij niets gegeten; het kind heeft alleen een kopje kamillen
gedronken, door de portierster naar boven gebracht. De vader zit voor
de tafel, met het hoofd in de handen verborgen, hij is versuft, zijn
ooren suizen. Bij elk gedruisch van voetstappen, snelt de moeder toe op
de deur, geloovende dat men haar de toegezegde hulp brengt. Het slaat
zes uur, en nog is er niets gekomen. Er heerscht een grauwe schemering,
die langzaam en onheilspellend als een doodstrijd nederdaalt.
Plotseling, terwijl de duisternis toeneemt, stamelt Charlot afgebroken
woorden:
"Moeke ... moeke...."
De moeder treedt op hem toe en een zware ademtocht waait haar
tegen. Zij hoort thans niets meer; zij ziet onbestemd het kind liggen,
met achterover geworpen hoofd en uitgestrekten hals. Half waanzinnig
roept zij smeekend uit:
"Licht! Dadelijk licht! Mijn Charlot.... zeg dan toch iets!"
Er is geen stukje kaars meer over. In haar haast strijkt zij lucifers
af, die tusschen hare vingers breken. Daarna betast zij, met hare
sidderende handen het gelaat van het kind.
"O! mijn God! hij is dood!.... Morisseau, luister dan toch, hij
is dood!"
Verblind door de duisternis, heft de vader het hoofd op.
"Welnu, hoe zou het ook anders kunnen? Hij is dood...... Het is
beter aldus!"
Bij het vernemen van die snikken der moeder, is juffrouw Bonnet er
toe overgegaan met hare lamp te verschijnen. En terwijl de beide
vrouwen bezig zijn met Charlot op te knappen, klopt men aan de deur
het is de beloofde bijstand, vijf gulden, kaartjes voor brood en
vleesch. Morisseau lacht met wezenlooze uitdrukking en zegt dat het
Bestuur van Liefdadigheid altijd te laat komt voor den trein.
Welk een treurig kinderlijkje, zoo mager en even licht als een
veertje! Indien men een van koude omgekomen huismusch op straat
opgeraapt, en op het bed neergelegd had, zou het diertje niet minder
plaats hebben beslagen.
Juffrouw Bonnet, die weêr heel behulpzaam is geworden, brengt hem
aan het verstand dat het Charlot niet tot het leven terugroepen kan,
of men al honger lijdt aan zijn zijde. Zij biedt zelfs aan brood
en vleesch te gaan halen, en voegt er bij dat zij meteen ook voor
kaarsen zorgen zal. Zij laten haar begaan. Zoodra zij wederkeert,
dekt zij de tafel, en zet worst op, die nog warm is. De ouders zijn
uitgehongerd en beginnen gulzig te eten naast den doode, wiens bleek
gezichtje men in het schemerlicht ontdekt. De kachel snort, het is
alles heel gezellig. Bij oogenblikken worden de oogen der moeder
vochtig, vallen er groote tranen op haar brood. Wat zou Charlot het
nu warm hebben gehad! Wat zou hij graag wat worst hebben gegeten!
Juffrouw Bonnet wil met alle geweld waken. Tegen één uur, nadat
Morisseau ten slotte, met het hoofd op het voeteneind van het bed,
in slaap is gevallen, zetten de beide vrouwen koffie. Men heeft een
andere buurvrouw, een achttienjarig naaistertje, uitgenoodigd er
van te komen drinken, en om toch ook een duit in het zakje te doen,
heeft zij een weinig brandewijn meegebracht. De drie vrouwen ledigen nu
langzaam haar kopje en spreken fluisterend met elkander over allerlei
verhalen van buitengewone sterfgevallen; van lieverlede worden hare
stemmen luider, dwalen hare gesprekken af; zij praten over hetgeen er
voorvalt in huis, in de buurt, over een misdaad, die in de rue Nollet
gepleegd werd. En nu en dan, staat de moeder op en gaat naar Charlot
kijken, als om zich te overtuigen dat hij zich niet verroerd heeft.
Aangezien men dien avond geen aangifte van den dood heeft gedaan,
moeten zij den kleine den ganschen volgenden dag bij zich behouden. Zij
bezitten slechts één vertrek en leven, eten en slapen dus bij
Charlot. Bij oogenblikken vergeten zij hem; maar, als zij hem daarna
weêr zien, is het hun alsof zij hem andermaal verloren.
Eindelijk, den tweeden morgen brengt men den lijkkist, die niet
grooter dan een speelgoeddoos is; vier slecht op elkaar passende
planken, kosteloos verstrekt door het gemeentebestuur, dank zij een
certificaat van onvermogen. En, nu vooruit! Men begeeft zich op een
draf naar de kerk. Achter Charlot loopt de vader met twee kameraden,
die hij onderweg heeft ontmoet, daarna volgen de moeder, juffrouw
Bonnet en de andere buurvrouw, het naaistertje.
Al deze brave lieden waden tot over de enkels door het slijk. Het
regent niet maar de mist is zoo vochtig dat de kleederen er van
doorweekt geraken. In de kerk wordt de plechtigheid zoo spoedig
mogelijk vervuld. En andermaal hervat men den tocht over de glibberige
steenen.
Het kerkhof ligt aan het eind der wereld, buiten de vestingwerken. Men
loopt de avenue de Saint-Ouen af, men laat den tol achter zich
liggen en ten laatste komt men aan. Het is een uitgestrekte ruimte,
een onbewerkt terrein, omsingeld met witte muren. Het gras schiet
er overal op, de omgewoelde aarde maakt er heuveltjes op, terwijl
men aan het eind daarvan een rij kwijnende boomen ziet verrijzen,
die de lucht met hunne zwarte takken verduisteren.
Langzaam treedt de stoet over het weeke zand heen. Het regent thans;
en men moet onder een stortbui wachten op een ouden priester,
die er eindelijk toe besluit uit een kleine kapel te voorschijn te
komen. Charlot moet ter ruste worden gelegd in de algemeene kuil. De
doodenakker ligt bezaaid met kruisen, die de wind omverwerpt en
kransen, door den regen verrot; het is een veld van ellende en rouw,
onttakeld, omwoeld, en vervuld van de pestwalmen van lijken, aldaar
opgestapeld door den honger en de koude der achterbuurten.
Alles is afgeloopen. Men neemt de spade op, Charlot ligt onder in
het gat, en de ouders vertrekken weêr, zonder neêr te hebben kunnen
knielen, op het vloeibare slijk, waarin zij wegzinken. Eenmaal
buiten gekomen zijnde, en ziende dat het nog altijd regent, noodigt
Morisseau die nog een daalder van de vijf gulden van het Bestuur van
Liefdadigheid overheeft, zijn kameraden en de buurvrouwen uit iets
te gaan gebruiken in een herberg. Men neemt plaats aan tafel, men
drinkt twee liters wijn en eet wat brood met een stuk Breikaas. Daarna
onthalen de makkers, op hunne beurt, op twee liters. Als het gezelschap
weêr naar Parijs terugkeert, is men heel vroolijk.