III.

De heer Rousseau is op twintig jarigen leeftijd getrouwd met een

wees Adèle Lemercier, die achttien jaar telde. Den avond van hun

huwelijk bezaten zij met hun beiden zeven duizend francs. Zij zijn

begonnen onder een soort koetspoort schrijfbehoeften te verkoopen;

daarop hebben zij een winkeltje gehuurd, klein en onaanzienlijk,

waarin zij gedurende tien jaren al hun best gedaan hebben om hun zaken

uit te breiden. Op 't oogenblik hebben zij een handel in papier en

schrijfbehoeften in de rue de Clichy, die zeker een vijftigduizend

francs waard is. Adèle heeft geen sterke gezondheid. Zij heeft altijd

een beetje gehoest. De dompige winkellucht en de weinige beweging,

welke zij nam, deugden in 't geheel niet voor haar. De geneesheer,

welken zij raadpleegden, schreef haar rust voor en flinke wandelingen

als 't mooi weer was. Dat zijn echter voorschriften welke men niet na

kan komen als men het er op toelegt het nog eens zóó ver te brengen,

dat men in vrede van zijn renten kan leven. Adèle zegt dat ze later

wel rust zal nemen en wandelen, als ze hun zaak verkocht hebben en

zich in de provincie terug trekken.

De heer Rousseau zelf maakt zich echter wel eens ongerust als hij

haar soms zoo bleek ziet, met kleine vuurroode vlekjes op de wangen.

Zijn papierhandel laat hem echter geen oogenblik vrij, hij

kan onmogelijk aanhoudend op haar letten en haar verhinderen

onvoorzichtigheden te doen. Weken lang vindt hij geen minuut om met

haar over haar gezondheid te spreken. Als hij dan plotseling haar

droogen hoest hoort, maakt hij zich boos en dwingt hij haar een sjaal

om te doen en een wandeling met hem te maken in de Champs-Elysées. Zij

keert echter hoe langer hoe vermoeider terug; de drukte der zaken

maakt zich opnieuw van den heer Rousseau meester, de ziekte wordt

opnieuw vergeten, tot een nieuwe crisis zich voordoet. Zóó gaat het

in den handel, men sterft er in, zonder den tijd te vinden de noodige

zorg aan de gezondheid te besteden.

Op een goeden dag neemt de heer Rousseau den geneesheer apart en vraagt

rondweg of zijn vrouw in gevaar verkeert. De geneesheer begint met te

zeggen dat men het vertrouwen op de natuur niet moet verliezen, dat hij

wel erger zieken gezien heeft, die 't er nog weer ophaalden. Daarna,

zijn dringende vragen niet langer ontwijkend kunnende beantwoorden,

verklaart hij den heer Rousseau dat zijn vrouw de tering heeft,

zelfs in zeer gevorderden graad. De winkelier is bij deze bekentenis

doodelijk bleek geworden. Hij houdt veel van Adèle; zij hebben zoo

lang samen gewerkt en geslaafd om eens in vrede hun brood te eten. Hij

had niet alleen een vrouw in haar, doch een compagnon evenzeer, wier

activiteit en verstand hij waardeerde. Als hij haar verliest zal dat

een geweldige slag zijn èn voor zijn liefde èn voor zijn handel.

Hij moet het hoofd echter boven water houden; zijn winkel sluiten

en zich aan zijn droefheid overgeven gaat niet. Het beste is niets

te laten merken en Adèle niet te beangstigen met roodgeweende

oogen. Hij gaat zijn gewonen gang weer. Na verloop van een maand,

aan al die treurigheden denkende, eindigt hij met te gelooven dat de

geneesheeren zich dikwijls vergissen. Zijn vrouw ziet er niets ziek

uit. Ten slotte komt hij er toe haar langzaam te zien wegsterven,

zonder zelf veel te lijden, opgaande in zijn zaken, het noodlottig

oogenblik verwachtende, het in zijn verbeelding terugdringende tot

een ver afgelegen tijdstip. Adèle herhaalt dikwijls:

"O, als wij eens buiten zijn, zal je eens zien hoe ik weer

opknap...... Nog een jaar of acht maar, en die zijn gauw genoeg om".

En de heer Rousseau denkt er niet aan, dat zij reeds nù naar

buiten zouden kunnen gaan, als zij zich met iets minder tevreden

wilden stellen. Adèle zou eveneens niet willen. Heeft men een bedrag

vastgesteld, dan dient men te wachten tot men het heeft bereikt. Reeds

tweemaal echter is mevrouw Rousseau bedlegerig geweest. Zij is echter

weer opgestaan en heeft haar werkzaamheden hervat. De buren zeggen:

"Dat vrouwtje zal 't ook niet lang meer maken". En zij bedrogen

zich niet. Juist in de dagen dat de balans moest worden opgemaakt,

moest zij voor de derde maal te bed blijven. De geneesheer komt 's

morgens, praat wat met haar en schrijft verstrooid een receptje. De

heer Rousseau is gewaarschuwd dat het noodlottig oogenblik nadert. Het

opmaken der balans houdt hem echter beneden in den winkel en 't is

al mooi als hij nu en dan vijf minuten weg kan.

Indien haar man wat al te lang bij haar in de kamer blijft, zendt

zij hem weg. Het kan haar toch niet genezen of hij daar al zit en

het doet de zaken maar in de war loopen. Zij is overtuigd dat de

bedienden staan te kijken naar de voorbijgangers en herhaalt maar:

"Ga weer naar beneden, beste, ik verzeker je dat ik niets noodig

heb. En vergeet niet de noodige registers in te slaan, want de scholen

gaan weer beginnen en wij zouden er anders te kort komen".

Geruimen tijd geeft zij zich geen rekenschap van haar waren

toestand. Zij hoopt steeds den volgenden dag weder op te zullen staan

en weer hare plaats achter de toonbank in te nemen. Zij maakt zelfs

plannen, indien zij binnenkort uit mag gaan, zullen zij een Zondag te

Saint-Cloud doorbrengen. Nog nooit heeft zij zulk een groot verlangen

gekoesterd de boomen te zien. Maar eensklaps, wordt zij op zekeren

morgen ernstig gestemd. Dien nacht, terwijl zij daar geheel alleen

neêrlag, met wijd geopende oogen, heeft zij ingezien dat zij sterven

ging. Tot den avond toe zegt zij niets, ligt zij na te denken, met

den blik op de zoldering gevestigd. En dien avond, houdt zij haar

man bij zich terug, en spreekt zij hem heel rustig toe, alsof zij

hem een rekening liet nazien.

"Luister," zeide zij: "je moet morgen een notaris gaan halen. Er

woont er een hier vlak bij, in de rue Saint-Lazare".

"Waartoe dient een notaris?" roept de heer Rousseau uit: "zoo ver

zijn wij toch nog niet gekomen!"

Maar zij herneemt op haar kalmen, verstandigen toon:

"Dat kan wel zijn! Maar het zal mij gerust stellen, te weten dat onze

zaken geregeld zijn. Toen wij geen van beiden iets bezaten, zijn wij

in gemeenschap van goederen getrouwd. En nu dat wij een stuivertje

hebben verdiend, wil ik niet dat mijn familie je zou kunnen komen

uitkleeden. Zoo lief is mijn zuster Agatha ook niet, dat ik haar iets

zou nalaten. Liever nog nam ik alles met mij in het graf".

En zij houdt vol, haar man moet volstrekt den volgenden dag den notaris

gaan halen. Als deze komt raadpleegt zij hem breedvoerig, wenschende

alle maatregelen goed genomen te zien en dat men het testament niet

zou kunnen betwisten. Zoodra dit gemaakt is en de notaris weder is

vertrokken, strekt zij zich uit en mompelt:

"Nu kan ik tevreden sterven. Ik had wel verdiend naar buiten te gaan

wonen en ik kan niet zeggen dat ik het buitenleven niet betreur; maar

je moet er heengaan, jij.... Beloof mij je te zullen vestigen op het

plekje dat wij uitgekozen hadden, je weet wel, het dorp bij Melun,

waar je moeder geboren werd. Dat zal mij genoegen doen."

De heer Rousseau stort heete tranen. Zij vertroost hem en geeft hem

allerlei goeden raad. Indien hij het niet alleen kan uithouden, zal

hij wel doen met te hertrouwen, maar hij zal eene vrouw van zekeren

leeftijd moeten kiezen, omdat de jonge meisjes, die een weduwnaar

huwen, hem nemen om zijn geld. En zij noemt hem een hunner kennissen

op, die zij gaarne zou zien, dat hij tot vrouw had.

Denzelfden nacht daarop heeft zij een vreeselijken doodstrijd. Zij

voelt zich verstikken en vraagt om lucht. Françoise, de meid, is op een

stoel in slaap gezonken. De heer Rousseau, die aan het hoofdeind staat,

kan slechts de hand der stervende in de zijne nemen en haar drukken,

om haar te zeggen dat hij bij haar is en haar niet verlaat. Tegen den

morgen, gevoelt zij plotseling eene groote rust; zij is zeer bleek,

haar oogen zijn gesloten en zij haalt langzaam adem. Haar echtgenoot

meent dat hij wel met Françoise naar beneden kan gaan, om den winkel

te ontsluiten. Als hij weder boven komt, vindt hij zijne vrouw nog

altijd heel wit, in dezelfde houding uitgestrekt liggen; maar hare

oogen staan nu open. Zij is dood.

Sedert langen tijd is de heer Rousseau er op voorbereid geweest haar

te zullen verliezen. Hij weende dan ook niet, maar voelt zich alleen

als verbrijzeld van afmatting. Hij gaat weer naar beneden, ziet toe

hoe Françoise opnieuw de luiken sluit, en schrijft eigenhandig op

een blad papier: "_Wegens sterfgeval gesloten._" daarna plakt hij

met behulp van vier ouweltjes dit vel op het middelste luik. Boven,

is men den heelen morgen bezig met het schoonmaken en schikken

der kamer. Françoise neemt den vloer met een dwijl op, ruimt de

medicijnfleschjes op en plaatst bij de doode een brandende kaars en

een kopje met wijwater, want men verwacht Adèle's zuster, die Agatha,

die zulk een vergiftige tong bezit, en de dienstbode wil niet dat men

haar zou kunnen beschuldigen het huishouden te verwaarloozen. De heer

Rousseau heeft een klerk uitgezonden om de noodige formaliteiten te

vervullen. Hij zelve begeeft zich naar de kerk en dingt langen tijd

op het tarief der begrafenisplechtigheid af. Niet dat hij er over

treurt dat niet anders kan of men zal hem bestelen. Hij hield veel

van zijne vrouw, en indien zij op hem kan nederzien, is hij overtuigd

haar genoegen te doen met de priesters en de begrafenis-dienaren

te beknibbelen. Toch wil hij, met het oog op de buurt, dat de

teraardbestelling fatsoenlijk zal zijn. Hij eindigt met het eens te

worden: hij zal tachtig gulden geven aan de kerk en honderd vijftig

aan de begrafenis. Hij berekent dat hij er, met onvoorziene onkosten

meê, met minder dan tweehonderd vijftig gulden af zal komen.

Als de heer Rousseau thuiskomt, ziet hij zijne schoonzuster Agatha bij

de doode zitten. Agatha is eene lange, uitgedroogde vrouw, met roode

oogen, en dunne blauwachtige lippen. Sedert drie jaar was het gezin

kwade vrienden met haar geweest en zag men elkander niet meer. Zij

staat vol deftigheid op, en omhelst haar zwager. Tegenover den dood,

houden alle twisten op. Mijnheer Rousseau, die des ochtends niet

heeft kunnen weenen, barst nu in snikken los, want hij ziet hoe

bleek en strak zijne arme vrouw is, hoe weggetrokken haar neus is

en hoezeer haar gelaat is gekrompen; het is ternauwernood dat hij

haar herkent. Agatha stort echter geen traan. Zij heeft den besten

armstoel gekozen en laat langzaam den blik door de kamer glijden,

als maakte zij nauwkeurig een inventaris op van de meubels die er

in prijken. Tot hiertoe heeft zij nog niet over geldzaken gesproken,

maar men kan wel zien dat zij van verlangen daarnaar brandt en zich

af moet vragen of er ook een testament zou bestaan.

Op den morgen van de begrafenis, juist als men de doode zal kisten,

bemerkt men dat de begrafenisdienaren zich vergist hebben en een

te korte kist hebben gezonden. De bidders moeten een andere gaan

halen. Maar de lijkwagen staat voor de deur te wachten, en de buurt is

in rep en roer. Dit maakt eene nieuwe foltering voor den heer Rousseau

uit: Indien het zijne vrouw slechts weêr levend kon maken, dat zij

zoo lang in huis bleef! Ten laatste haalt men de arme mevrouw Rousseau

naar beneden, en blijft de doodkist maar tien minuten ten toongesteld

onder de met zwart omfloersde voordeur. Een honderdtal lieden staan op

straat te wachten, winkeliers der wijk, de huurders van het huis, de

vrienden van het gezin, eenige werklieden in zondagsche kleederen. De

stoet zet zich in beweging, mijnheer Rousseau, volgt de koets.

En op den doortocht van den stoet, maken de buurvrouwen haastig een

kruisteeken, terwijl zij voortgaan onder elkander te fluisteren. Het

is immers de vrouw uit den papierwinkel? Dat kleine, gele menschje,

dat slechts vel en been was. O? nu, dan zal zij het beter hebben onder

den grond! Wat men toch weinig van ons kan zeggen! zulke welgestelde

kooplieden, die arbeidden om er op hun ouden dag van te genieten! De

papierhandelaarster zal nu geen pleizier meer maken! En de buurvrouwen

vinden mijnheer Rousseau heel behoorlijk, omdat hij blootshoofds,

alleen en bleek, achter den lijkwagen aanloopt, terwijl zijne enkele

haren in den wind fladderen.

Binnen veertig minuten tijds, hebben de priesters in de kerk de

plechtigheid volbracht. Agatha, die op de voorste stoelen is gaan

zitten, schijnt de opgestoken kaarsen te tellen. Zij is zonder twijfel

van meening dat haar zwager er wat minder beweging van had kunnen

maken; want, alles wel beschouwd, zoo er geen testament bestaat,

en dat zij de helft van het fortuin heeft, zal zij haar aandeel in

dezen dag moeten betalen. De priesters spreken een laatste gebed uit,

de wijwaterkwast gaat van hand tot hand en men verwijdert zich. Bijna

iedereen gaat heen. Men heeft de drie volgkoetsen laten voorkomen,

waar eenige vrouwen in stijgen. Achter den lijkwagen blijft niemand

meer over dan de heer Rousseau, die nog altijd blootshoofds is, en een

dertigtal lieden, vrienden die niet durven verdwijnen. De lijkkoets

is eenvoudig versierd met eene draperie omzet met witte franjes. De

voorbijgangers nemen den hoed af en loopen haastig door.

Aangezien de heer Rousseau geen familiegraf bezit, heeft hij slechts

een graf voor vijf jaar genomen op het kerkhof van Montmartre, zich

voornemende later een blijvend graf aan te koopen en zijne vrouw te

laten opgraven, opdat zij op eigen grond zou liggen.

De lijkwagen blijft aan het einde eener laan stilstaan, en men

draagt nu de kist over laaggelegen graven, naar een kuil voort,

die in de weeke aarde gedolven is. De aanwezigen staan zwijgend te

trappelen. Daarop verwijdert de priester zich, na binnensmonds een

twintigtal woorden gepreveld te hebben. Aan alle kanten strekken

zich kleine, met hekken omzette tuintjes uit, graven versierd met

muurbloemen en groene boomen; te midden van al dat groen, schijnen de

witte steenen fonkelnieuw en heel vroolijk. De heer Rousseau wordt

getroffen door den aanblik van een gedenkteeken, een smalle kolom,

bekroond met de zinnebeeldige urn. Dien morgen is een steenhouwer hem

komen plagen met teekeningen. En hij zegt tot zichzelven dat, wanneer

hij een eigen graf zal aankoopen, hij op de laatste rustplaats zijner

vrouw zulk een zuil zal laten zetten met dezelfde mooie vaas.

Maar Agathe trekt hem mede, en als zij in den winkel zijn teruggekeerd,

gaat zij er eindelijk toe over de geldzaken aan te roeren. Zoodra

zij verneemt dat er een testament bestaat, richt zij zich loodrecht

overeind, en vertrekt, de deur achter zich dichtslaande. Nooit

zal zij weder een voet in dien rommel zetten. Mijnheer Rousseau

gevoelt nog altijd, bij oogenblikken, eene groote droefheid die hem

verstikt; maar wat hem bovenal versuft, zijn hoofd op hol brengt en

zijne ledematen doet beven, het is de gedachte dat de winkel, op een

werkdag, gesloten blijft.

Nantas · 第 28 / 44 题