IV.

Nantas, thans ruim achttien maanden minister van financiën, scheen

zich te willen bedwelmen door overmaat van werkzaamheden. Den dag

na het tooneel dat zich in zijn cabinet had afgespeeld, had hij een

onderhoud gehad met baron Danvilliers. Op aanraden van haar vader had

Flavie er in toegestemd in de echtelijke woning terug te keeren. De

beide echtgenooten spraken elkander echter nooit een woord toe,

behalve als de samenleving, comediespel noodzakelijk maakte. Nantas had

besloten geen bureaux buiten zijn eigen huis te betrekken. 's Avonds

deed hij zijn secretarissen komen en deelde hen mede wat zij te doen

hadden. Voor lofredenen was hij ongevoelig en men zou gemeend hebben,

dat hij werkte zonder hoop op belooning, hopende het eene werk op

het andere, als wilde hij het onmogelijke beproeven.

Telkens wanneer zijn roem steeg, raadpleegde hij in stilte het gelaat

van Flavie. Zou zij eindelijk eens getroffen worden? Zou zij hem

eindelijk zijn vroegere laagheid eens vergeven, om iets te zien van

de ontzettende ontwikkeling van zijn verstand en van zijn kracht? Maar

altijd was haar gelaat onbeweeglijk en stom.

De jalousie verteerde hem. Zijn onmacht om zich door Flavie te doen

beminnen, was vreeselijk, maar erger dan dat was het te moeten denken,

dat zij gaf aan een ander, waar hij te vergeefs om smeekte. Zij zou

instaat zijn met des Fondettes betrekkingen aan te knoopen, al was

't alleen maar om hem te doen zien, dat zij in haar vrijheid geen

belemmering duldde. Hij veinsde, zich niet om haar te bekommeren,

terwijl hij doodsangsten uitstond gedurende haar afwezigheid. Als hij

't niet te bespottelijk gevonden had, zou hij haar zelfs op straat

hebben achtervolgd. Veel beter was het iemand te vinden, die dat deed

en wiens diensten hij betaalde.

Juffrouw Chuin had Flavie steeds bij zich gehouden. De baron

was eenmaal aan haar gewoon geraakt. Bovendien wist zij te

veel, om het niet geraden te achten, haar de wijde wereld in te

zenden. Een oogenblik had de oude jongejuffrouw er aan gedacht met

de twintigduizend francs, welke Nantas haar den dag na zijn huwelijk

had uitbetaald, op zichzelf te gaan leven.

Ongetwijfeld oordeelde zij het echter beter te blijven, van meening

dat het in troebel water goed visschen is. Zij wachtte slechts op

een nieuwe gelegenheid, bij zichzelf reeds uitrekenende dat haar nog

twintigduizend francs ontbraken om te Roinville, haar geboorteplaats,

het huis van den notaris te kunnen koopen, dat altijd de droom

van haar jeugd was geweest. Voor haar behoefde Nantas zich niet

te geneeren; haar devote manieren bedrogen hem niet. Den morgen,

waarop hij haar in zijn cabinet ontbood en haar voorstelde hem op

de hoogte te houden van al de handelingen zijner vrouw, veinsde zij

echter hevige verontwaardiging en vroeg zij hem waarvoor hij haar

eigenlijk wel hield.

"Komaan, juffrouw", zeide Nantas ongeduldig, "ik heb het erg druk en

men wacht mij. Maak het dus kort, verzoek ik u".

Zij wilde echter van niets hooren, als hij zich niet bepaalder

uitdrukte. Haar principes waren, dat niets leelijk of slechts is

uit zichzelf, doch dat het leelijke en slechte alleen afhangt van de

wijze van voorstelling.

"Welnu", herhaalde hij, "het betreft een goede zaak, mejuffrouw .... Ik

geloof dat mijn vrouw een stil verdriet met zich omdraagt. Reeds weken

lang zie ik haar bedroefd en 't is van u dat ik de oorzaak van haar

leed wensch te vernemen".

"Dan kan u op mij rekenen", zeide zij op moederlijken toon. "U weet

dat ik aan mevrouw gehecht ben, ik wil alles doen voor uw geluk en voor

het hare .... Reeds morgen zal ik beginnen met over haar te waken".

Hij beloofde haar heur diensten naar waarde te zullen beloonen.

Weder werd zij boos, waar hij over beloonen sprak, doch zij was zoo

slim het toch daarheen te leiden dat hij een bepaalde som noemde: hij

zou haar tienduizend francs ter hand stellen als zij hem een bewijs

leverde van het behoorlijke of onbehoorlijke gedrag zijner vrouw.

Langzamerhand waren zij er toe gekomen de dingen te noemen zooals

zij waren.

Van dit oogenblik af waren Nantas' kwellingen minder hevig. Drie

maanden gingen voorbij: hij was overstelpt met werkzaamheden, daar de

begrooting aan de orde was. In overeenstemming met den Keizer had hij

verscheidene veranderingen bij het financiewezen ingevoerd. Hij wist,

dat hij daarvoor in de Kamer veel zou moeten hooren en hij diende dus

de noodige documenten voor zijn verdediging bijeen te brengen. Soms

bracht hij gansche nachten werkende door. Dit bedwelmende hem en

stemde hem kalmer. Zag hij juffrouw Chuin, dan ondervroeg hij haar

zoo kort mogelijk.

Wist zij iets? Had mevrouw visites gemaakt? Had zij zich in sommige

huizen lang opgehouden? En juffrouw Chuin deed een heel omstandig

verslag. Tot nog toe echter kon zij niet anders dan zeer onbeteekenende

feiten mededeelen.

Nantas stelde zich gerust, terwijl de oude jongejuffrouw geheimzinnig

knipoogde en vertelde dat zij te avond of morgen wel een meer

belangrijke ontdekking zou doen.

De waarheid was dat juffrouw Chuin over alles eens goed had

nagedacht. Tienduizend francs waren niet voldoende om haar het

huis van den notaris te doen koopen, zij kwam twintigduizend te

kort. Aanvankelijk had zij er over gedacht zich aan de vrouw te

verkoopen, waar zij zich reeds aan den man verkocht had. Zij kende

mevrouw echter te goed en vreesde weggejaagd te worden bij de geringste

zinspeling daarop.

Geruimen tijd voor dat Nantas haar die opdracht deed, had zij Flavie

reeds voor haar eigen rekening bespied, zeggende dat de ondeugden der

heeren de grondslagen dikwijls zijn voor het fortuin der bedienden,

zij was hier echter gestooten op een van die kuische en onberispelijke

levens, welken de trotsch verbiedt iets te doen wat niet edel is. Uit

haar misstap was bij Flavie een afkeer ontstaan tegen al wat man

was. Juffrouw Chuin was op dit punt wanhopig, toen zij op zekeren dag

den heer des Fondettes ontmoette. Hij informeerde met buitengewone

belangstelling naar zijn oude maîtresse en zij begreep aanstonds dat

hij niets liever zou wenschen dan haar weder te bezitten, brandend van

verlangen bij de gedachte aan het genot dat hij eens in haar armen

gesmaakt had. Haar plan was gemaakt: zij zou den echtgenoot en den

minnaar dienen, dat was een combinatie, die vernuftig mocht heeten.

Zij had op 't juiste tijdstip den heer des Fondettes gesproken. Deze

hopeloos verliefd, zou zijn fortuin opgeofferd hebben om de vrouw te

bezitten, die hem eens één oogenblik had toebehoord. Hij was het zelf

die juffrouw Chuin met het voorstel voor den dag kwam. Toen hij haar

een tweede maal zag, zwoer hij, dat hij zich dooden zou, als zij hem de

behulpzame hand niet reikte. Juffrouw Chuin nam acht dagen bedenktijd,

doch eindigde met hem te beloven te doen wat in haar vermogen was;

zij zou tienduizend francs ontvangen, als zij hem op een avond in de

kamer van Flavie verborg.

Den volgenden morgen zocht Juffrouw Chuin Nantas op.

"Wat hebt ge voor nieuws?" vroeg hij verbleekend.

Zij wilde haar doel bereiken langs een omweg.

Mevrouw had ongetwijfeld een liaison. Ook geloofde zij dat er wel

eens rendez-vous bepaald werden.

"Kom ter zake", zeide Nantas, woedend van ongeduld.

Eindelijk kwam de naam van den heer des Fondettes over hare lippen.

"Vanavond kan u hem vinden in de kamer van mevrouw".

"'t Is goed, dank je", stotterde Nantas.

Met een beweging van de hand gaf hij haar te kennen dat zij gaan

kon. Hij was bang dat hij zich zwak zou toonen tegenover haar. Dit

plotseling wegzenden vervulde haar met verwondering en blijdschap;

zij had zich op een lang verhoor voorbereid en haar antwoorden reeds

bedacht, bevreesd als zij was, zich te zullen verspreken. Zij maakte

een buiging en trok zich met geveinsd medelijdend gelaat terug.

Nantas sprong overeind. Nu hij alleen was, sprak hij hardop:

"Vanavond .... in haar kamer ...."

En hij bracht de hand aan zijn hoofd, alsof hij vreesde dat het

barsten zou. Dit rendez-vous, gegeven in de echtelijke woning was de

onbeschaamdste beleediging, welke hij zich kon denken. Zoo'n smaad kon

hij zich niet laten welgevallen. Zijn vuisten balden zich, hij zag zich

in zijn verbeelding reeds een moordenaar. Het werk, waaraan hij bezig

was, moest echter nog af. Driemaal zette hij zich voor zijn bureau,

driemaal sprong hij overeind, het werk drong hem tot kalmte doch een

wild verlangen, dat hem aanzette, oogenblikkelijk naar zijn vrouw te

gaan en haar heur laagheid voor de voeten te werpen, stond daar naast.

Hij bedwong zich zelven echter en hervatte zijn arbeid, zwerende hen

van avond beiden te dooden. Dit was de grootste overwinning ooit op

zichzelf behaald.

Dien namiddag ging Nantas den keizer het voorloopig begrootingsplan

overhandigen. Deze maakte echter eenige aanmerkingen, welke hij echter

gemakkelijk weerlegde. Hij moest echter beloven, vóór den volgenden

dag het ontwerp werd ingeleverd, verscheidene punten hier en daar

nog toe te lichten.

"Sire, ik zal den ganschen nacht doorwerken", zeide hij, terwijl

hij dacht: "ik zal hem om twaalf uur dooden, dan kan ik tot de dag

aanbreekt aan mijn werk blijven."

Dien avond aan het diner was het onderwerp van het gesprek tusschen

Nantas en baron Danvilliers het veelbesproken begrootingsplan. Hoewel

hij niet alle inzichten van zijn schoonzoon deelde, vond hij zijn

ideën groot en oorspronkelijk. Onderwijl hij den baron antwoordde,

had Nantes meenen te bespeuren dat de oogen van zijn vrouw de zijne

zochten. Zij zag hem tegenwoordig zoo dikwijls aan; er was niets

teeders in haar blik, doch zij scheen tot diep in zijn hersenen te

willen doordringen. Nantas onderstelde dat zij vreesde voor verraad,

hij veinsde zich daarom zoo opgeruimd mogelijk en sprak levendig over

zijn plannen, waarvoor hij allengs ook den baron wist te winnen.

Flavie staarde hem aldoor aan en een schemer van teederheid vloog

een oogenblik over haar gelaat.

Tot middernacht arbeidde Nantas in zijn cabinet. Hij was langzamerhand

weer geheel in zijn werk opgegaan; niets bestond meer voor hem, dan

dit ontwerp, dit financieele raderwerk, dat hij stuk voor stuk ineen

had gezet, tallooze moeielijkheden overwinnende.

Toen de pendule twaalf uur sloeg, hief hij instinktmatig het hoofd

op. Een doodsche stilte heerschte rondom hem. Plotseling herinnerde

hij zich, dat te midden van deze duisternis en deze stilte het

verraad sliep.

Met weerzin rees hij uit zijn fauteuil overeind en spijtig legde hij

de pen neer. Als zoekende naar zijn oude wilskracht, deed hij eenige

schreden door de kamer. Plotseling steeg de warmte hem echter naar

't hoofd, zijn oogen begonnen te gloeien en hij spoedde zich naar de

vertrekken zijner vrouw.

Dien avond had Flavie haar kamenier reeds vroeg weggezonden. Zij

wilde alleen zijn. Tot twaalf uur bleef zij in het kleine salon,

dat aan haar slaapkamer grensde. Lang uitgestrekt op de canapé, las

zij een boek, dat haar echter ieder oogenblik uit de hand gleed. Dan

staarde zij voor zich, vaag, droomerig. De hardheid van haar gelaat

was verdwenen; nu en dan glansde er iets op als een glimlach.

Plotseling sprong zij overeind. Men had geklopt.

"Wie is daar?"

"Open", antwoordde Nantas.

De verrassing was zoo groot, dat zij werktuigelijk de deur opende. Nog

nooit was haar man zoo bij haar binnengekomen. Hij trad de kamer in,

een woeste uitdrukking op het gelaat. Juffrouw Chuin, die hem in den

gang had bespied, had gelegenheid gevonden hem in 't oor te fluisteren

dat de heer des Fondettes zich reeds gedurende twee uren bij haar

bevond. Hij gebruikte dan ook niet den minsten omslag.

"Gij verbergt een man in uw kamer", zeide hij.

Flavie was zóó weinig met haar gedachten bij 't geen hij sprak,

dat zij hem niet dadelijk antwoordde. Eindelijk begreep zij hem.

"Gij zijt gek, mijnheer", zeide zij.

Zonder verder te redeneren wilde hij zich naar haar slaapkamer begeven,

maar met een sprong stelde zij zich voor de deur, uitroepende:

"Ik verbied u hier binnen te gaan .... Dit zijn mijne vertrekken,

waar ik meesteres ben".

Zich oprichtende in haar toorn, bewaakte zij de deur.

Een oogenblik stonden zij sprakeloos tegenover elkander, elkander

woedende blikken toeschietende. Het hoofd vooruit, de handen

uitgestrekt, stond hij gereed zich op haar te werpen, teneinde zich

een doorgang te banen.

"Ga uit den weg", stiet hij op schorren toon uit, "ik ben sterker

dan gij en ik zal binnen".

"Neen, gij zult niet binnen, omdat ik het niet wil".

Als een krankzinnige schreeuwde hij: "daar is een man, daar is een

man ...."

Zij verwaardigde zich niet hem tegen te spreken en haalde als eenig

antwoord de schouders op. Toen hij nog een pas nader kwam, zeide zij:

"Welnu, ondersteld dat daar een man is, wat gaat u dat aan? Ben ik

niet volkomen vrij te doen en te laten wat ik wil?"

Hij deinsde bij deze woorden terug, alsof hij een slag in 't gelaat

had ontvangen. Inderdaad zij was vrij. 't Was of een koud bad over hem

werd uitgestort, hij voelde dat zij in dit oogenblik de meerdere was

en dat hij zich aanstelde als een dwingerig ziek kind. Hij dacht niet

aan hun overeenkomst, zijn hartstocht maakte hem onbillijk. Waarom

was hij niet blijven werken in zijn cabinet? Een doodelijk bleek

overtoog zijn wangen. Toen Flavie zag welken verpletterenden indruk

haar woorden op hem hadden gemaakt, verwijderde zij zich van de deur,

terwijl een mildere trek over haar gelaat gleed.

"Zie!" zeide zij kortweg.

Zij trad de kamer binnen, een lamp in de hand, terwijl Nantas op den

drempel bleef staan. Met een gebaar had hij haar te kennen gegeven

dat hij niet wenschte te zien, doch thans drong zij er op aan. Toen

zij voor het bed kwam, lichtte zij de gordijnen op en des Fondettes,

daarachter verborgen, kwam te voorschijn. De schrik was zóó hevig,

dat zij een gil gaf. "'t Is waar", stamelde zij verward, "'t is waar,

daar was een man in mijn kamer .. Ik wist het echter niet, bij God,

ik wist het niet!"

Met een uiterste wilsinspanning hernam zij haar kalmte; zij scheen

er zelfs spijt van te hebben dat zij gepoogd had zich te verdedigen.

"Gij hebt gelijk, mijnheer, en ik vraag u wel pardon", zeide zij tot

Nantas, terwijl zij haar best deed zoo koud en onverschillig mogelijk

te spreken.

Des Fondettes vond zijn toestand bespottelijk. Hij zou alles hebben

willen geven als haar echtgenoot woedend was geweest.

Nantas zweeg echter. Hij was alleen zeer bleek. Toen hij zijn blikken

van des Fondettes naar Flavie had gewend, boog hij voor de laatste

en fluisterde alleen:

"Mevrouw, vergeef mij, gij zijt vrij".

Hij keerde haar den rug toe en ging. 't Was of er iets in hem was

gebroken; alleen de spieren van het zenuwstelsel werkten nog.

In zijn cabinet teruggekeerd, liep hij rechtstreeks op een lade toe,

waarin hij een revolver verborgen hield. Na het wapen te hebben

bekeken, zeide hij hardop, als sloot hij een overeenkomst met zichzelf:

"Komaan, 't is genoeg, ik zal mij aanstonds dooden".

Hij draaide de lamp, die lager was gaan branden, wat op en nam weer

plaats voor zijn bureau, stil en ijverig beginnende te werken. Zonder

de minste aarzeling, te midden der stilte, voltooide hij de straks

begonnen zin. De bladen papier hoopten zich, een voor een, naast hem

op. Twee uur later toen Flavie, die des Fondettes had weggejaagd,

blootsvoets beneden kwam en luisterde aan de deur van zijn cabinet,

hoorde zij niet anders dan het gekras der pen over 't papier, toen

boog zij zich en keek door 't sleutelgat. Nantas schreef aldoor, met

dezelfde kalmte, terwijl op zijn gelaat niet anders te lezen stond

dan kalmte en voldaanheid over zijn werk. Bij het licht der lamp zag

zij een revolver naast hem liggen.

Nantas · 第 15 / 44 题