Tien jaren waren er verloopen. Wij zien op een morgen Nantas weder
in het kabinet van baron Danvilliers, hetzelfde, waarin hij vroeger
zoo onvriendelijk was ontvangen. Op 't oogenblik was dit kabinet het
zijne; nadat hij zich met zijn schoonzoon en zijn dochter had verzoend,
had de baron hun het gansche huis overgelaten, voor zichzelf slechts
een klein paviljoen behoudende aan het andere einde van den tuin,
uitziende in de rue de Beauxe.
In tien jaren tijds had Nantas een der hoogste financiëele en
industriëele plaatsen weten in te nemen. Betrokken in alle mogelijke
spoorwegondernemingen en in vele financiëele operatie's, welke het
keizerrijk kenmerkten, had hij zich spoedig een onmetelijk fortuin
verworven. Zijn eerzucht bepaalde zich daarbij echter niet, hij
wenschte een rol te spelen in de politiek en hij was er in geslaagd
afgevaardigde te worden voor een departement, waarin hij vele
bezittingen had. Sinds hij in dit wetgevend lichaam was getreden,
scheen hij de aangewezen persoon om in de toekomst minister van
financiën te worden.
Door zijn buitengewone kennis van geldzaken en zijn groote
welbespraaktheid, wist hij zich meer en meer te doen gelden. Overigens
was hij een hartstochtelijk voorstander van het keizerschap en had
hij den keizer volkomen voor zich weten te winnen.
Dezen morgen was Nantas overstelpt met bezigheden. In de bureaux,
waarin hij de eerste étage van zijn kolossaal huis had herschapen,
heerschte buitengewone bedrijvigheid en drukte. Een leger van bedienden
bewoog zich achter de loketten, af en aan loopende, met de deuren
slaande; een geluid van goud, uit de zakken op de tafels leeggeschud,
vulde als de muziek der fortuin de ruimte.
In de antichambre bewoog zich een stoet sollicitanten, politieke en
gewoon burgerlijke, heel Parijs aan de voeten van den machthebber. De
invloedrijkste personen wachtten daar geduldig een uur lang. En hij
op zijn bureau zittende, zag eindelijk zijn droom van macht vervuld,
voelde zich eindelijk de verstandskracht der reusachtige machine,
die koninkrijken en keizerrijken in beweging bracht.
Nantas schelde. Hij scheen bezorgd.
"Germain," vroeg hij, "weet je ook of mevrouw al thuis is?"
Toen de man antwoordde dat hij 't niet wist, beval hij hem naar de
kamer van zijn vrouw te gaan. Germain vertrok echter niet.
"Pardon, mijnheer," fluisterde hij, "al geruimen tijd wacht de
president van den ministerraad om binnen te komen."
Hij wendde zich wrevelig tot den bediende en zei:
"Nu laat hem binnen en doe wat ik zeg."
Den vorigen dag had Nantas' redevoering op de begrootingsquaestie
zoodanigen invloed uitgeoefend, dat de betreffende statuten naar
de speciale commissie waren teruggezonden om te worden gewijzigd
in den zin als door Nantas was voorgesteld. Na afloop der zitting
was er gefluisterd dat de minister van financiën zijn ontslag
zou indienen en in de onderscheidene groepen wees men reeds den
jongen afgevaardigde als zijn opvolger aan. Hijzelf haalde echter de
schouders op; er was immers niets wat daar aanleiding toe gaf; met den
Keizer had hij slechts een onderhoud gehad over zeer ondergeschikte
aangelegenheden. De komst van den president van den ministerraad kon
echter buitengewone beteekenis hebben. Een oogenblik duizelde hij bij
de gedachte aan hetgeen geschieden kon, hij stond op om den president
de hand te schudden.
"Mijnheer de hertog," zeide hij, "ik vraag u wel pardon. Ik wist niet
dat u wachtte.... Geloof me dat ik getroffen ben door de eer welke
u mij aandoet."
Een oogenblik praatten zij op familiaren toon over allerlei
onbeteekenende feiten. Daarop deelde president hem mede, dat hij door
den Keizer gezonden was om eens te informeeren of hij de portefeuille
van financiën zou aannemen, zoo deze hem werd aangeboden en zoo ja, met
welk program? Hij stelde zijn condities. Zijn gelaat was onbeweeglijk,
maar inwendig loeide een storm van vreugde over zijn zegepraal. De
laatste sport van den ladder zou hij bestijgen. Allen zouden onder
hem zijn. De hertog zou zich aanstonds naar den keizer spoeden om
hem dit onderhoud mede te deelen, verzekerde hij.
Daar werd een kleine deur geopend en de kamenier zijner vrouw trad
binnen.
Nantas werd plotseling bleek en voleindigde den zin niet, welken hij
juist uitsprak. Hij liep naar de kamenier toe, zeggende:
"Excuseer mij, waarde hertog."
Op fluisterende toon ondervoeg hij haar. Mevrouw was dus vroeg
uitgegaan? Had zij gezegd waar zij heenging? Wanneer zou zij
terugkomen? De kamenier antwoordde op onbevredigende wijze, als
een verstandig meisje, dat er niet van houdt dingen te vertellen,
die zij beter weet te verzwijgen. Het nuttelooze van een dusdanig
verhoor inziende, zeide hij:
"Als mevrouw thuis komt, wilt gij haar zeker wel mededeelen dat ik
verlangend ben haar te spreken."
De hertog had zich verwonderd afgewend en staarde den tuin in.
Nantas naderde hem weder en vroeg hem opnieuw pardon.
Hij had echter zijn koelbloedigheid verloren, hij stotterde en
verwonderde zichzelf over zijn onhandige woorden.
"Ik heb mijn heele zaak verloren", liet hij zich hardop ontglippen,
toen de president vertrokken was. "De portefeuille gaat mij
ontsnappen".
En in een toestand van neerslachtigheid, afgewisseld door vlagen
van toorn, bleef hij achter. In de naburige bureaux klonk nog altijd
de klank van het goud. Een geluid als van een fabriek deed de muren
schudden, de werkplaats naar het scheen, waar al die goudstukken werden
vervaardigd. Hij had slechts een pen op te nemen en een telegram te
verzenden om de Beursnoteeringen in Europa te doen stijgen of te
doen dalen hij kon een oorlog verhinderen of de uitbarsting ervan
verhaasten, de leening steunende of bestrijdende, waarover men zijn
opinie had gevraagd; de begrooting van Frankrijk zelfs had hij in zijn
hand en weldra zou hij weten of hij voor of tegen het Keizerschap was.
De triomf, dat was het gewicht van zijn persoonlijkheid, die de
wisselingen der wereld in zijn macht had. En toch had hij niet zooveel
genot van zijn zegepraal, als hij zich had voorgesteld. Hij voelde een
zekere matheid en zijn zenuwen leden onder den geringsten schok. Als
een koorts van bevredigde ijverzucht naar zijn wangen steeg, voelde
hij zich plotseling verbleeken, alsof van achteren hem eensklaps een
koude hand in den nek werd gelegd.
Twee uren waren verloopen en Flavie was nog niet teruggekeerd. Nantas
schelde opnieuw Germain om hem op te dragen baron Danvilliers op te
zoeken, als hij tenminste thuis was. Alleen gebleven, liep hij zijn
cabinet op en neer, weigerde dien dag nog bezoek te ontvangen. Zijn
opgewondenheid was toegenomen. Ongetwijfeld had zijn vrouw een
rendez-vous. Misschien had ze de oude betrekkingen weer aangeknoopt met
den heer des Fondettes, die sedert vijf maanden weduwnaar was. Voor
zichzelf durfde Nantas niet te bekennen dat hij jaloersch was;
gedurende tien jaren had hij de overeenkomst met zijn vrouw aangegaan,
in geen enkel opzicht geschonden; hij hield er alleen niet van--maakte
hij zichzelven wijs--bespottelijk gemaakt te worden. Nooit zou hij zijn
vrouw veroorloven zijn maatschappelijke positie te onteeren, door hem
aan de spottende blikken van 't publiek over te leveren. Zijn kracht
begaf hem, zijn kracht die hem nooit had verlaten, zelfs niet in die
hachelijke oogenblikken toen hij, in den aanvang van zijn fortuin,
de stoutste zetten speelde.
Flavie trad, nog geheel in haar wandelcostuum, binnen. Zij had alleen
zich van haar hoed en handschoenen ontdaan. Nantas vertelde haar
met bevende stem, dat hij wel tot haar zou gegaan zijn, als zij hem
slechts had doen weten dat zij thuis was gekomen. Zij echter, zonder
te gaan zitten, als iemand die zeer gehaast is, maakte een beweging
om hem aan te sporen het gesprek zoo kort mogelijk te doen zijn.
"Mevrouw", begon hij, "ik geloof dat een verklaring tusschen ons
noodzakelijk is geworden.... Waar zijt gij vanmorgen heengegaan?"
De bevelende toon, waarop hij dit zeide en het brutale der vraag,
verrastte haar.
"Wel", antwoordde zij op ijskouden toon, "waarheen het mij goeddacht
te gaan".
"Juist dat is het, wat mij niet bevalt en gij zult u zeker nog wel
herinneren dat ik u gezegd heb niet te zullen dulden dat u misbruik
maakte van uw vrijheid, om mijn naam te onteeren".
Fiavie glimlachte verachtelijk.
"Uw naam onteeren, mijnheer, dat is iets dat u aangaat, en iets wat
ik niet meer heb te doen".
Nantas sprong op als een waanzinnige, een beweging makende als wilde
hij haar verpletteren.
"Ongelukkige, gij keert terug uit de armen van mijnheer des Fondettes
.... Gij hebt een minnaar, dat weet ik".
"Gij bedriegt u", zeide zij, zonder zich over zijn bedreiging ongerust
te maken, "ik heb mijnheer des Fondettes nimmer wedergezien .... Als
ik echter een minnaar had, stond het nog niet aan u mij dat te
verwijten. Wat gaat u dat aan? Vergeet gij onze overeenkomst?"
Een oogenblik zag hij haar met wilde oogen aan; daarna in snikken
uitbarstende van lang ingehouden hartstocht, wierp hij zich aan
haar voeten:
"O, Flavie! Ik bemin u!"
Maar zij, rechtop en koud, wendde zich terzijde omdat hij den rand
van haar rok had vastgegrepen. De ongelukkige volgde haar echter,
zich op de knieën voortslepende, de handen smeekend uitgestrekt.
"Ik bemin u, Flavie! ... Ik bemin u tot gekwordens toe. Ik weet niet
hoe het komt! Al jaren duurt die toestand voort. Langzamerhand heeft
die liefde mij geheel veroverd. Ik heb er tegen geworsteld, omdat
ik dat gevoel mijner niet waardig vond; ik herinner mij maar al te
wel ons eerste onderhoud .... Nu is mijn lijden echter te zwaar,
ik moet spreken ...."
En zoo sprak hij langen tijd voort. De man, die al zijn geloof in
eigen kracht had en die volhield dat de wil de eenigste macht was
om werelden te verzetten, lag daar vernietigd, zwak als een kind,
geheel ontwapend, aan de voeten eener vrouw. Zijn droom van rijkdom was
werkelijkheid geworden, de hoogste sporten van den maatschappelijken
ladder had hij bestegen, en dat alles had hij willen geven voor één
kus van die vrouw.... Zij bedierf zijn zegepraal. Hij luisterde
niet meer naar het goudgeklank in de naburige bureaux; hij dacht
niet meer aan de afgevaardigden, die hem kwamen complimenteeren,
hij vergat den keizer zelfs, die in dit oogenblik hem mogelijk riep
tot een der gewichtigste staatsambten.
Dat alles was niets meer voor hem.--Als Flavie hem afwees, was al
't andere hem onverschillig.
"Luister," zeide hij. "Wat ik gedaan heb, deed ik voor u.... In den
beginne, ik beken het gaarne, dacht ik niet aan u; ik werkte alleen
om mijn heerschzucht te voldoen. Daarop zijt gij het eenige doel
mijner overdenkingen en mijner krachten geworden en wilde ik zoo hoog
stijgen als ik met mogelijkheid kon, om u waardig te worden. Ik hoopte
u te vermurwen, waneer ik al mijn macht aan uw voeten kon leggen. Gij
weet op welk standpunt ik op 't oogenblik sta. Heb ik uw vergeving
verdiend? Ik bezweer u, minacht mij niet langer."
Zij had nog geen woord gezegd. Nu antwoordde zij bedaard: "Sta op,
mijnheer, er kon iemand binnenkomen".
Maar hij stond niet op. Hij eindigde met haar te smeeken. Misschien
zou hij nog gewacht hebben, als hij niet zoo jaloersch was geweest
op den heer des Fondettes. Dit was een kwelling, die hem waanzinnig
maakte. Weldra werd hij onderdanig en ootmoedig.
"Ik zie wel, dat gij mij aldoor minacht. Welnu geef uw liefde, dit
smeek ik u, tenminste niet aan een ander. Vergeef me als ik soms
brutaal ben geweest en laat mij tenminste hopen, dat gij mij ééns
zult beminnen!..."
"Nooit!" stiet zij met groote vastberadenheid uit.
Hij was verpletterd, vernietigd en zij wilde vertrekken, doch door
een woeste vlaag van halven waanzin aangegrepen, vloog hij overeind
en vatte haar bij de polsen. Een vrouw zou hem weerstaan durven,
terwijl een wereld aan zijn voeten lag!
Hij vermocht alles, hij kon staten omwerpen. Frankrijk leiden, waarheen
hij begeerde en toch was hij onmachtig de liefde te verwerven van deze
vrouw. Hij, zoo sterk, zoo machtig, wiens minste wensch een gebod was,
hij had slechts één machtige begeerte, een die nooit bevredigd worden
zou, daar een schepsel, zwak als een kind, dit weigerde. Hij schudde
haar heftig bij den arm en riep op dreigende toon:
"Ik wil .... ik wil...."
"En ik wil niet", zeide Flavie die wit geworden was als krijt.
Nog worstelden zij samen, toen baron Danvilliers de deur opende.
Nantas liet oogenblikelijk Flavie los en riep uit:
"Mijnheer, ziehier uw dochter, die de armen van haar minnaar zooeven
heeft verlaten .... Vertel haar dat een vrouw den naam van haar man
niet mag bezoedelen, zelfs al bemint zij hem niet en al is haar eigen
eergevoel zoo klein, dat dit geen beletsel voor haar is."
De baron, door den ouderdom een grijsaard geworden, stond rechtop
in de deuropening het tooneel aan te zien. 't Was een smartelijke
verrassing voor hem. Hij dacht dat de jonge lieden een gelukkig leven
leidden. Zijn schoonzoon en hij waren van geheel verschillende afkomst,
doch had hij in sommige dingen geheel andere inzichten, hij kon niet
ontkennen dat een groote wil hem bezielde en dat hij veel verstand
bezat. En nu stond hij daar plotseling voor een drama.
Toen Nantas Flavie beschuldigde van een minnaar te hebben, deed
de grijsaard, die zijn dochter nog met al de gestrengheid van de
kinderjaren behandelde, een stap voorwaarts.
"Ik zweer u dat zij juist van haar minnaar terugkomt" herhaalde Nantas,
"en u ziet het, zij weerstaat mij nog!"
Flavie had verontwaardigd het hoofd afgewend. Zij streek haar
manchetten glad, door de brutaliteit van haar man verkreukeld. Zelfs
geen blos steeg haar naar de wangen. Niettemin sprak haar vader
haar aan.
"Mijn dochter, waarom verdedigt gij u niet? Zegt uw man de
waarheid. Zoudt gij ook deze smart mijn ouderdom willen aandoen? De
schande zou ook mijn deel zijn, daar de smet, welke één lid der
familie aankleeft, ook op al de anderen overgaat."
Nu werd zij ongeduldig. Moest haar vader haar nu óók al
beschuldigen! Een oogenblik kon zij zijn verhoor ondergaan, doch
toen ook hij zich opwond en zijn toon driftig en uitdagend werd,
riep zij uit:
"Laat dien man zijn rol spelen vader.... Gij kent hem niet. Noodzaak
mij niet te spreken, laat mij zwijgen uit eerbied voor u-zelf".
"Hij is uw echtgenoot", hernam de grijsaard. "Hij is de vader van
uw kind".
Maar nu richtte Flavie zich sidderend op.
"Neen, dat is hij niet .... Welnu, het moet, gij zult alles weten. Die
man is niets eens een verleider, dan zou hij een verontschuldiging
hebben in het feit dat hij mij eens bemind had. Die man heeft
zich alleen verkocht en er in toegestemd, de fout van een ander
te bedekken".
De baron wendde zich tot Nantas, die loodkleurig achteruit week.
"Hoort gij het vader", herhaalde Flavie luider, "hij heeft zich
verkocht, verkocht voor geld .... Ik heb hem nooit bemind en nooit
heeft hij mij zelfs met zijn vingertoppen aangeraakt .... Ik heb
u de smart van die bekentenis willen besparen; ik heb hem gekocht,
om u te bedriegen .... Zie hem aan, spreek ik de waarheid niet?" ....
Nantas verborg het gelaat in de handen.
"En nu", vervolgde de jonge vrouw, "nu wil hij dat ik hem
lief zal hebben .... Hij heeft zich op de knieën geworpen en
geweend. Ongetwijfeld alles comediespel. Vergeef mij dat ik u bedrogen
heb, vader, maar zeg het zelf: 'Behoor ik aan dien man?' En nu gij
alles weet, neem mij nu met u van hier. Hij heeft geweld tegen mij
gepleegd en ik wil hier geen uur meer blijven".
De baron richtte zich op. Stilzwijgend gaf hij zijn dochter den arm
en beiden doorschreden het vertrek, zonder dat Nantas één beweging
maakte om hen te weerhouden. Aan de deur gekomen, zeide de grijsaard
niets dan:
"Vaarwel, mijnheer".
De deur viel dicht. Nantas bleef alleen, verpletterd rond starend in
de ledige ruimte om zich heen.
Germain kwam binnen en legde een brief op zijn schrijfbureau. Hij
opende hem werktuigelijk en doorliep hem vluchtig. Deze brief,
eigenhandig door den keizer geschreven, benoemde hem in complimenteuse
woorden tot minister van financiën. Ternauwernood begreep hij, wat
hij las. De vervulling van zijn stoutste wenschen liet hem koud. In de
naburige bureaux klonk nog luider het geklank der goudstukken; het was
het uur, waarop het huis Nantas diep ademhaalde, leven gevende aan de
gansche wereld. En hij te midden van deze reusachtige ondernemingen,
alles zijn werk, op het toppunt van zijn macht, de oogen starende op
het handschrift van den keizer, snikte als een kind:
"Ik ben niet gelukkig .... Ik ben niet gelukkig ...."
Met het hoofd op zijn bureau leunende weende hij, en heete tranen
vielen op de letters van den brief, die hem tot minister van financiën
benoemde.