III.

Tien jaren waren er verloopen. Wij zien op een morgen Nantas weder

in het kabinet van baron Danvilliers, hetzelfde, waarin hij vroeger

zoo onvriendelijk was ontvangen. Op 't oogenblik was dit kabinet het

zijne; nadat hij zich met zijn schoonzoon en zijn dochter had verzoend,

had de baron hun het gansche huis overgelaten, voor zichzelf slechts

een klein paviljoen behoudende aan het andere einde van den tuin,

uitziende in de rue de Beauxe.

In tien jaren tijds had Nantas een der hoogste financiëele en

industriëele plaatsen weten in te nemen. Betrokken in alle mogelijke

spoorwegondernemingen en in vele financiëele operatie's, welke het

keizerrijk kenmerkten, had hij zich spoedig een onmetelijk fortuin

verworven. Zijn eerzucht bepaalde zich daarbij echter niet, hij

wenschte een rol te spelen in de politiek en hij was er in geslaagd

afgevaardigde te worden voor een departement, waarin hij vele

bezittingen had. Sinds hij in dit wetgevend lichaam was getreden,

scheen hij de aangewezen persoon om in de toekomst minister van

financiën te worden.

Door zijn buitengewone kennis van geldzaken en zijn groote

welbespraaktheid, wist hij zich meer en meer te doen gelden. Overigens

was hij een hartstochtelijk voorstander van het keizerschap en had

hij den keizer volkomen voor zich weten te winnen.

Dezen morgen was Nantas overstelpt met bezigheden. In de bureaux,

waarin hij de eerste étage van zijn kolossaal huis had herschapen,

heerschte buitengewone bedrijvigheid en drukte. Een leger van bedienden

bewoog zich achter de loketten, af en aan loopende, met de deuren

slaande; een geluid van goud, uit de zakken op de tafels leeggeschud,

vulde als de muziek der fortuin de ruimte.

In de antichambre bewoog zich een stoet sollicitanten, politieke en

gewoon burgerlijke, heel Parijs aan de voeten van den machthebber. De

invloedrijkste personen wachtten daar geduldig een uur lang. En hij

op zijn bureau zittende, zag eindelijk zijn droom van macht vervuld,

voelde zich eindelijk de verstandskracht der reusachtige machine,

die koninkrijken en keizerrijken in beweging bracht.

Nantas schelde. Hij scheen bezorgd.

"Germain," vroeg hij, "weet je ook of mevrouw al thuis is?"

Toen de man antwoordde dat hij 't niet wist, beval hij hem naar de

kamer van zijn vrouw te gaan. Germain vertrok echter niet.

"Pardon, mijnheer," fluisterde hij, "al geruimen tijd wacht de

president van den ministerraad om binnen te komen."

Hij wendde zich wrevelig tot den bediende en zei:

"Nu laat hem binnen en doe wat ik zeg."

Den vorigen dag had Nantas' redevoering op de begrootingsquaestie

zoodanigen invloed uitgeoefend, dat de betreffende statuten naar

de speciale commissie waren teruggezonden om te worden gewijzigd

in den zin als door Nantas was voorgesteld. Na afloop der zitting

was er gefluisterd dat de minister van financiën zijn ontslag

zou indienen en in de onderscheidene groepen wees men reeds den

jongen afgevaardigde als zijn opvolger aan. Hijzelf haalde echter de

schouders op; er was immers niets wat daar aanleiding toe gaf; met den

Keizer had hij slechts een onderhoud gehad over zeer ondergeschikte

aangelegenheden. De komst van den president van den ministerraad kon

echter buitengewone beteekenis hebben. Een oogenblik duizelde hij bij

de gedachte aan hetgeen geschieden kon, hij stond op om den president

de hand te schudden.

"Mijnheer de hertog," zeide hij, "ik vraag u wel pardon. Ik wist niet

dat u wachtte.... Geloof me dat ik getroffen ben door de eer welke

u mij aandoet."

Een oogenblik praatten zij op familiaren toon over allerlei

onbeteekenende feiten. Daarop deelde president hem mede, dat hij door

den Keizer gezonden was om eens te informeeren of hij de portefeuille

van financiën zou aannemen, zoo deze hem werd aangeboden en zoo ja, met

welk program? Hij stelde zijn condities. Zijn gelaat was onbeweeglijk,

maar inwendig loeide een storm van vreugde over zijn zegepraal. De

laatste sport van den ladder zou hij bestijgen. Allen zouden onder

hem zijn. De hertog zou zich aanstonds naar den keizer spoeden om

hem dit onderhoud mede te deelen, verzekerde hij.

Daar werd een kleine deur geopend en de kamenier zijner vrouw trad

binnen.

Nantas werd plotseling bleek en voleindigde den zin niet, welken hij

juist uitsprak. Hij liep naar de kamenier toe, zeggende:

"Excuseer mij, waarde hertog."

Op fluisterende toon ondervoeg hij haar. Mevrouw was dus vroeg

uitgegaan? Had zij gezegd waar zij heenging? Wanneer zou zij

terugkomen? De kamenier antwoordde op onbevredigende wijze, als

een verstandig meisje, dat er niet van houdt dingen te vertellen,

die zij beter weet te verzwijgen. Het nuttelooze van een dusdanig

verhoor inziende, zeide hij:

"Als mevrouw thuis komt, wilt gij haar zeker wel mededeelen dat ik

verlangend ben haar te spreken."

De hertog had zich verwonderd afgewend en staarde den tuin in.

Nantas naderde hem weder en vroeg hem opnieuw pardon.

Hij had echter zijn koelbloedigheid verloren, hij stotterde en

verwonderde zichzelf over zijn onhandige woorden.

"Ik heb mijn heele zaak verloren", liet hij zich hardop ontglippen,

toen de president vertrokken was. "De portefeuille gaat mij

ontsnappen".

En in een toestand van neerslachtigheid, afgewisseld door vlagen

van toorn, bleef hij achter. In de naburige bureaux klonk nog altijd

de klank van het goud. Een geluid als van een fabriek deed de muren

schudden, de werkplaats naar het scheen, waar al die goudstukken werden

vervaardigd. Hij had slechts een pen op te nemen en een telegram te

verzenden om de Beursnoteeringen in Europa te doen stijgen of te

doen dalen hij kon een oorlog verhinderen of de uitbarsting ervan

verhaasten, de leening steunende of bestrijdende, waarover men zijn

opinie had gevraagd; de begrooting van Frankrijk zelfs had hij in zijn

hand en weldra zou hij weten of hij voor of tegen het Keizerschap was.

De triomf, dat was het gewicht van zijn persoonlijkheid, die de

wisselingen der wereld in zijn macht had. En toch had hij niet zooveel

genot van zijn zegepraal, als hij zich had voorgesteld. Hij voelde een

zekere matheid en zijn zenuwen leden onder den geringsten schok. Als

een koorts van bevredigde ijverzucht naar zijn wangen steeg, voelde

hij zich plotseling verbleeken, alsof van achteren hem eensklaps een

koude hand in den nek werd gelegd.

Twee uren waren verloopen en Flavie was nog niet teruggekeerd. Nantas

schelde opnieuw Germain om hem op te dragen baron Danvilliers op te

zoeken, als hij tenminste thuis was. Alleen gebleven, liep hij zijn

cabinet op en neer, weigerde dien dag nog bezoek te ontvangen. Zijn

opgewondenheid was toegenomen. Ongetwijfeld had zijn vrouw een

rendez-vous. Misschien had ze de oude betrekkingen weer aangeknoopt met

den heer des Fondettes, die sedert vijf maanden weduwnaar was. Voor

zichzelf durfde Nantas niet te bekennen dat hij jaloersch was;

gedurende tien jaren had hij de overeenkomst met zijn vrouw aangegaan,

in geen enkel opzicht geschonden; hij hield er alleen niet van--maakte

hij zichzelven wijs--bespottelijk gemaakt te worden. Nooit zou hij zijn

vrouw veroorloven zijn maatschappelijke positie te onteeren, door hem

aan de spottende blikken van 't publiek over te leveren. Zijn kracht

begaf hem, zijn kracht die hem nooit had verlaten, zelfs niet in die

hachelijke oogenblikken toen hij, in den aanvang van zijn fortuin,

de stoutste zetten speelde.

Flavie trad, nog geheel in haar wandelcostuum, binnen. Zij had alleen

zich van haar hoed en handschoenen ontdaan. Nantas vertelde haar

met bevende stem, dat hij wel tot haar zou gegaan zijn, als zij hem

slechts had doen weten dat zij thuis was gekomen. Zij echter, zonder

te gaan zitten, als iemand die zeer gehaast is, maakte een beweging

om hem aan te sporen het gesprek zoo kort mogelijk te doen zijn.

"Mevrouw", begon hij, "ik geloof dat een verklaring tusschen ons

noodzakelijk is geworden.... Waar zijt gij vanmorgen heengegaan?"

De bevelende toon, waarop hij dit zeide en het brutale der vraag,

verrastte haar.

"Wel", antwoordde zij op ijskouden toon, "waarheen het mij goeddacht

te gaan".

"Juist dat is het, wat mij niet bevalt en gij zult u zeker nog wel

herinneren dat ik u gezegd heb niet te zullen dulden dat u misbruik

maakte van uw vrijheid, om mijn naam te onteeren".

Fiavie glimlachte verachtelijk.

"Uw naam onteeren, mijnheer, dat is iets dat u aangaat, en iets wat

ik niet meer heb te doen".

Nantas sprong op als een waanzinnige, een beweging makende als wilde

hij haar verpletteren.

"Ongelukkige, gij keert terug uit de armen van mijnheer des Fondettes

.... Gij hebt een minnaar, dat weet ik".

"Gij bedriegt u", zeide zij, zonder zich over zijn bedreiging ongerust

te maken, "ik heb mijnheer des Fondettes nimmer wedergezien .... Als

ik echter een minnaar had, stond het nog niet aan u mij dat te

verwijten. Wat gaat u dat aan? Vergeet gij onze overeenkomst?"

Een oogenblik zag hij haar met wilde oogen aan; daarna in snikken

uitbarstende van lang ingehouden hartstocht, wierp hij zich aan

haar voeten:

"O, Flavie! Ik bemin u!"

Maar zij, rechtop en koud, wendde zich terzijde omdat hij den rand

van haar rok had vastgegrepen. De ongelukkige volgde haar echter,

zich op de knieën voortslepende, de handen smeekend uitgestrekt.

"Ik bemin u, Flavie! ... Ik bemin u tot gekwordens toe. Ik weet niet

hoe het komt! Al jaren duurt die toestand voort. Langzamerhand heeft

die liefde mij geheel veroverd. Ik heb er tegen geworsteld, omdat

ik dat gevoel mijner niet waardig vond; ik herinner mij maar al te

wel ons eerste onderhoud .... Nu is mijn lijden echter te zwaar,

ik moet spreken ...."

En zoo sprak hij langen tijd voort. De man, die al zijn geloof in

eigen kracht had en die volhield dat de wil de eenigste macht was

om werelden te verzetten, lag daar vernietigd, zwak als een kind,

geheel ontwapend, aan de voeten eener vrouw. Zijn droom van rijkdom was

werkelijkheid geworden, de hoogste sporten van den maatschappelijken

ladder had hij bestegen, en dat alles had hij willen geven voor één

kus van die vrouw.... Zij bedierf zijn zegepraal. Hij luisterde

niet meer naar het goudgeklank in de naburige bureaux; hij dacht

niet meer aan de afgevaardigden, die hem kwamen complimenteeren,

hij vergat den keizer zelfs, die in dit oogenblik hem mogelijk riep

tot een der gewichtigste staatsambten.

Dat alles was niets meer voor hem.--Als Flavie hem afwees, was al

't andere hem onverschillig.

"Luister," zeide hij. "Wat ik gedaan heb, deed ik voor u.... In den

beginne, ik beken het gaarne, dacht ik niet aan u; ik werkte alleen

om mijn heerschzucht te voldoen. Daarop zijt gij het eenige doel

mijner overdenkingen en mijner krachten geworden en wilde ik zoo hoog

stijgen als ik met mogelijkheid kon, om u waardig te worden. Ik hoopte

u te vermurwen, waneer ik al mijn macht aan uw voeten kon leggen. Gij

weet op welk standpunt ik op 't oogenblik sta. Heb ik uw vergeving

verdiend? Ik bezweer u, minacht mij niet langer."

Zij had nog geen woord gezegd. Nu antwoordde zij bedaard: "Sta op,

mijnheer, er kon iemand binnenkomen".

Maar hij stond niet op. Hij eindigde met haar te smeeken. Misschien

zou hij nog gewacht hebben, als hij niet zoo jaloersch was geweest

op den heer des Fondettes. Dit was een kwelling, die hem waanzinnig

maakte. Weldra werd hij onderdanig en ootmoedig.

"Ik zie wel, dat gij mij aldoor minacht. Welnu geef uw liefde, dit

smeek ik u, tenminste niet aan een ander. Vergeef me als ik soms

brutaal ben geweest en laat mij tenminste hopen, dat gij mij ééns

zult beminnen!..."

"Nooit!" stiet zij met groote vastberadenheid uit.

Hij was verpletterd, vernietigd en zij wilde vertrekken, doch door

een woeste vlaag van halven waanzin aangegrepen, vloog hij overeind

en vatte haar bij de polsen. Een vrouw zou hem weerstaan durven,

terwijl een wereld aan zijn voeten lag!

Hij vermocht alles, hij kon staten omwerpen. Frankrijk leiden, waarheen

hij begeerde en toch was hij onmachtig de liefde te verwerven van deze

vrouw. Hij, zoo sterk, zoo machtig, wiens minste wensch een gebod was,

hij had slechts één machtige begeerte, een die nooit bevredigd worden

zou, daar een schepsel, zwak als een kind, dit weigerde. Hij schudde

haar heftig bij den arm en riep op dreigende toon:

"Ik wil .... ik wil...."

"En ik wil niet", zeide Flavie die wit geworden was als krijt.

Nog worstelden zij samen, toen baron Danvilliers de deur opende.

Nantas liet oogenblikelijk Flavie los en riep uit:

"Mijnheer, ziehier uw dochter, die de armen van haar minnaar zooeven

heeft verlaten .... Vertel haar dat een vrouw den naam van haar man

niet mag bezoedelen, zelfs al bemint zij hem niet en al is haar eigen

eergevoel zoo klein, dat dit geen beletsel voor haar is."

De baron, door den ouderdom een grijsaard geworden, stond rechtop

in de deuropening het tooneel aan te zien. 't Was een smartelijke

verrassing voor hem. Hij dacht dat de jonge lieden een gelukkig leven

leidden. Zijn schoonzoon en hij waren van geheel verschillende afkomst,

doch had hij in sommige dingen geheel andere inzichten, hij kon niet

ontkennen dat een groote wil hem bezielde en dat hij veel verstand

bezat. En nu stond hij daar plotseling voor een drama.

Toen Nantas Flavie beschuldigde van een minnaar te hebben, deed

de grijsaard, die zijn dochter nog met al de gestrengheid van de

kinderjaren behandelde, een stap voorwaarts.

"Ik zweer u dat zij juist van haar minnaar terugkomt" herhaalde Nantas,

"en u ziet het, zij weerstaat mij nog!"

Flavie had verontwaardigd het hoofd afgewend. Zij streek haar

manchetten glad, door de brutaliteit van haar man verkreukeld. Zelfs

geen blos steeg haar naar de wangen. Niettemin sprak haar vader

haar aan.

"Mijn dochter, waarom verdedigt gij u niet? Zegt uw man de

waarheid. Zoudt gij ook deze smart mijn ouderdom willen aandoen? De

schande zou ook mijn deel zijn, daar de smet, welke één lid der

familie aankleeft, ook op al de anderen overgaat."

Nu werd zij ongeduldig. Moest haar vader haar nu óók al

beschuldigen! Een oogenblik kon zij zijn verhoor ondergaan, doch

toen ook hij zich opwond en zijn toon driftig en uitdagend werd,

riep zij uit:

"Laat dien man zijn rol spelen vader.... Gij kent hem niet. Noodzaak

mij niet te spreken, laat mij zwijgen uit eerbied voor u-zelf".

"Hij is uw echtgenoot", hernam de grijsaard. "Hij is de vader van

uw kind".

Maar nu richtte Flavie zich sidderend op.

"Neen, dat is hij niet .... Welnu, het moet, gij zult alles weten. Die

man is niets eens een verleider, dan zou hij een verontschuldiging

hebben in het feit dat hij mij eens bemind had. Die man heeft

zich alleen verkocht en er in toegestemd, de fout van een ander

te bedekken".

De baron wendde zich tot Nantas, die loodkleurig achteruit week.

"Hoort gij het vader", herhaalde Flavie luider, "hij heeft zich

verkocht, verkocht voor geld .... Ik heb hem nooit bemind en nooit

heeft hij mij zelfs met zijn vingertoppen aangeraakt .... Ik heb

u de smart van die bekentenis willen besparen; ik heb hem gekocht,

om u te bedriegen .... Zie hem aan, spreek ik de waarheid niet?" ....

Nantas verborg het gelaat in de handen.

"En nu", vervolgde de jonge vrouw, "nu wil hij dat ik hem

lief zal hebben .... Hij heeft zich op de knieën geworpen en

geweend. Ongetwijfeld alles comediespel. Vergeef mij dat ik u bedrogen

heb, vader, maar zeg het zelf: 'Behoor ik aan dien man?' En nu gij

alles weet, neem mij nu met u van hier. Hij heeft geweld tegen mij

gepleegd en ik wil hier geen uur meer blijven".

De baron richtte zich op. Stilzwijgend gaf hij zijn dochter den arm

en beiden doorschreden het vertrek, zonder dat Nantas één beweging

maakte om hen te weerhouden. Aan de deur gekomen, zeide de grijsaard

niets dan:

"Vaarwel, mijnheer".

De deur viel dicht. Nantas bleef alleen, verpletterd rond starend in

de ledige ruimte om zich heen.

Germain kwam binnen en legde een brief op zijn schrijfbureau. Hij

opende hem werktuigelijk en doorliep hem vluchtig. Deze brief,

eigenhandig door den keizer geschreven, benoemde hem in complimenteuse

woorden tot minister van financiën. Ternauwernood begreep hij, wat

hij las. De vervulling van zijn stoutste wenschen liet hem koud. In de

naburige bureaux klonk nog luider het geklank der goudstukken; het was

het uur, waarop het huis Nantas diep ademhaalde, leven gevende aan de

gansche wereld. En hij te midden van deze reusachtige ondernemingen,

alles zijn werk, op het toppunt van zijn macht, de oogen starende op

het handschrift van den keizer, snikte als een kind:

"Ik ben niet gelukkig .... Ik ben niet gelukkig ...."

Met het hoofd op zijn bureau leunende weende hij, en heete tranen

vielen op de letters van den brief, die hem tot minister van financiën

benoemde.

Nantas · 第 14 / 44 题