V.

Thans was het oude huis, dat grensde aan den tuin van het trotsche

gebouw, het eigendom geworden van Nantas, die het van zijn schoonvader

had gekocht. Dikwijls had hij, nadat hij zijn fortuin had gemaakt,

behoefte gevoeld er zich eenige uren af te zonderen. Dáár had hij

geleden, dáár wilde hij zijn overwinning genieten. Deed zich een

hindernis voor, dan hield hij er van dáár na te denken en plannen te

beramen. Daar werd hij weer wat hij eens geweest was. Nu hij den dood

onvermijdelijk achtte, wenschte hij ook dáár te sterven. Tegen acht

uur was Nantas 's morgens eerst met zijn taak gereed. Bevreesd dat

hij door vermoeidheid zou worden overvallen, wiesch hij zich met koud

water. Daarop riep hij zijn onderscheidene beambten om hun de noodige

orders te geven. Met zijn secretaris had hij een lang onderhoud; deze

moest onverwijld het begrootingsontwerp naar de Tuileriën brengen en

de noodige verklaringen geven, wanneer de Keizer nieuwe aanmerkingen

maakte. Toen dit afgedaan was, meende Nantas, dat hij zijn taak had

teneinde gebracht. Hij had alles geregeld, hij zou niet heengaan als

een bankroetier, alles in wanorde achterlatende. Eindelijk behoorde

hij zichzelven toe, zonder dat men hem kon beschuldigen van egoïsme

of lafhartigheid.

't Sloeg negen uur. Het was tijd. Toen hij echter zijn cabinet zou

verlaten, restte hem nog een bittere beker. Juffrouw Chuin kwam binnen

om haar tienduizend francs te ontvangen. Hij betaalde haar en moest

zich nog een laatste familiariteit van haar getroosten.

Zij veinsde een moederlijke genegenheid en behandelde hem vrijwel als

een schoolknaap. Had hij nog geaarzeld, deze laatste beleediging was

meer dan voldoende zijn besluit onherroepelijk vast te stellen. Hij

klom haastig naar boven, vergetende den sleutel uit de deur te nemen.

Niets was veranderd. Het behangselpapier was nog op evenveel plaatsen

gescheurd, het bed, de tafel en stoel bevonden zich nog steeds op

dezelfde plaats; over alles lag nog hetzelfde waas van armoede en

ellende. Een oogenblik bezag hij dit alles opmerkzaam, zich zijn

vroegere worstelingen weer voor den geest roepende. Daarna naderde

hij het venster, waardoor nog steeds hetzelfde gedeelte van Parijs

te zien was, de boomen van zijn eigen weelderig huis, de Seine, de

kaden, een stuk van den rechteroever, waar de huizenstroom heengolfde,

rijzende, zich verwarrende tot aan Père-Lachaise, heel in de verte.

Op de oude tafel, onder het bereik van zijn hand, lag de revolver. Nu

had hij geen haast meer; hij was zeker dat niemand hem zou kunnen

storen en dat hij zich dooden kon zooals hij dat wilde. Hij dacht

zich weg in het verleden en vond dat hij precies even ver was als

toen. Reeds eens, op een avond, had hij op deze zelfde plaats, zich

het hoofd willen verbrijzelen; toen was hij te arm om een revolver

te koopen en had hij niets om aan zijn ellende een einde te maken,

dan het straatplaveisel; het einde was toen echter evenals thans:

"Sterven". In zijn heele bestaan, was eigenlijk niets hem zoo trouw

gebleven als de dood, een vriend op wien hij rekenen kon en die altijd

voor hem gereed stond.

Hij vond het nu jammer, dat hij tien jaar te lang geleefd had. De

wetenschap, die hij in het leven had gekregen, al stijgende tot

rijkdom en macht, leek hem klein en nietig toe. Waartoe had hij zooveel

wilskracht vermorst, waartoe zooveel kracht verspild, daar de wil en

de kracht toch niet alles beteekenden? Een hartstocht was voldoende

geweest hem ten onder te brengen. Zijn dwaze liefde voor Flavie deed

het gebouw dat hij had opgetrokken, op zijn grondvesten schudden. 't

Was vreeselijk min en had wel iets van de straf eens schooljongen, die

op een tak is geklommen, en met tak en al naar beneden valt. Het leven

was een onding, waarin de groote geesten even ellendig ondergingen

als gekken en dwazen.

Nantas nam de revolver van de tafel en laadde hem langzaam. Een

laatste gevoel van spijt deed hem een oogenblik week worden. Wat had

hij niet kunnen volbrengen, als Flavie hem had begrepen! Den dag,

waarop zij zich aan zijn borst zou hebben geworpen, uitroepende:

"Ik heb je lief?" dien dag zou hij de kracht in zich gevoeld hebben

de wereld te verzetten. Zijn laatste gedachte was minachting voor

de kracht, waarvan hij alles had gehoopt en die niet in staat was

geweest hem de liefde van Flavie te geven. Hij hief het wapen op. De

morgen was schoon.

Door het open venster gleden de zonnestralen binnen, hun spel van

jeugd en schoonheid spelende in de kleine kamer.

In de verte begon het reuzenlichaam van Parijs zich te bewegen. Nantas

drukte den loop tegen zijn slaap. Op 't zelfde oogenblik werd echter

de deur woest opengeworpen en Flavie vloog binnen. Den revolver

wegduwen was het werk van een oogenblik, doch het schot ging af,

en de kogel in den zolder. Zij zagen elkander aan. Zij was echter

zóó zenuwachtig, dat zij niet spreken kon. Eindelijk voor het eerst

Nantas intiem aansprekende, vond zij het woord, het eenige dat hem

kon doen besluiten het leven niet te verlaten.

Zij wierp zich aan zijn hals en riep snikkend: "Ik heb je lief!" Zij

ontwrong aan haar hoogmoed deze bekentenis, die Nantas deed opspringen

van vreugde:

"Ik heb je lief, omdat je sterk bent!"

Nantas · 第 16 / 44 题