Thans was het oude huis, dat grensde aan den tuin van het trotsche
gebouw, het eigendom geworden van Nantas, die het van zijn schoonvader
had gekocht. Dikwijls had hij, nadat hij zijn fortuin had gemaakt,
behoefte gevoeld er zich eenige uren af te zonderen. Dáár had hij
geleden, dáár wilde hij zijn overwinning genieten. Deed zich een
hindernis voor, dan hield hij er van dáár na te denken en plannen te
beramen. Daar werd hij weer wat hij eens geweest was. Nu hij den dood
onvermijdelijk achtte, wenschte hij ook dáár te sterven. Tegen acht
uur was Nantas 's morgens eerst met zijn taak gereed. Bevreesd dat
hij door vermoeidheid zou worden overvallen, wiesch hij zich met koud
water. Daarop riep hij zijn onderscheidene beambten om hun de noodige
orders te geven. Met zijn secretaris had hij een lang onderhoud; deze
moest onverwijld het begrootingsontwerp naar de Tuileriën brengen en
de noodige verklaringen geven, wanneer de Keizer nieuwe aanmerkingen
maakte. Toen dit afgedaan was, meende Nantas, dat hij zijn taak had
teneinde gebracht. Hij had alles geregeld, hij zou niet heengaan als
een bankroetier, alles in wanorde achterlatende. Eindelijk behoorde
hij zichzelven toe, zonder dat men hem kon beschuldigen van egoïsme
of lafhartigheid.
't Sloeg negen uur. Het was tijd. Toen hij echter zijn cabinet zou
verlaten, restte hem nog een bittere beker. Juffrouw Chuin kwam binnen
om haar tienduizend francs te ontvangen. Hij betaalde haar en moest
zich nog een laatste familiariteit van haar getroosten.
Zij veinsde een moederlijke genegenheid en behandelde hem vrijwel als
een schoolknaap. Had hij nog geaarzeld, deze laatste beleediging was
meer dan voldoende zijn besluit onherroepelijk vast te stellen. Hij
klom haastig naar boven, vergetende den sleutel uit de deur te nemen.
Niets was veranderd. Het behangselpapier was nog op evenveel plaatsen
gescheurd, het bed, de tafel en stoel bevonden zich nog steeds op
dezelfde plaats; over alles lag nog hetzelfde waas van armoede en
ellende. Een oogenblik bezag hij dit alles opmerkzaam, zich zijn
vroegere worstelingen weer voor den geest roepende. Daarna naderde
hij het venster, waardoor nog steeds hetzelfde gedeelte van Parijs
te zien was, de boomen van zijn eigen weelderig huis, de Seine, de
kaden, een stuk van den rechteroever, waar de huizenstroom heengolfde,
rijzende, zich verwarrende tot aan Père-Lachaise, heel in de verte.
Op de oude tafel, onder het bereik van zijn hand, lag de revolver. Nu
had hij geen haast meer; hij was zeker dat niemand hem zou kunnen
storen en dat hij zich dooden kon zooals hij dat wilde. Hij dacht
zich weg in het verleden en vond dat hij precies even ver was als
toen. Reeds eens, op een avond, had hij op deze zelfde plaats, zich
het hoofd willen verbrijzelen; toen was hij te arm om een revolver
te koopen en had hij niets om aan zijn ellende een einde te maken,
dan het straatplaveisel; het einde was toen echter evenals thans:
"Sterven". In zijn heele bestaan, was eigenlijk niets hem zoo trouw
gebleven als de dood, een vriend op wien hij rekenen kon en die altijd
voor hem gereed stond.
Hij vond het nu jammer, dat hij tien jaar te lang geleefd had. De
wetenschap, die hij in het leven had gekregen, al stijgende tot
rijkdom en macht, leek hem klein en nietig toe. Waartoe had hij zooveel
wilskracht vermorst, waartoe zooveel kracht verspild, daar de wil en
de kracht toch niet alles beteekenden? Een hartstocht was voldoende
geweest hem ten onder te brengen. Zijn dwaze liefde voor Flavie deed
het gebouw dat hij had opgetrokken, op zijn grondvesten schudden. 't
Was vreeselijk min en had wel iets van de straf eens schooljongen, die
op een tak is geklommen, en met tak en al naar beneden valt. Het leven
was een onding, waarin de groote geesten even ellendig ondergingen
als gekken en dwazen.
Nantas nam de revolver van de tafel en laadde hem langzaam. Een
laatste gevoel van spijt deed hem een oogenblik week worden. Wat had
hij niet kunnen volbrengen, als Flavie hem had begrepen! Den dag,
waarop zij zich aan zijn borst zou hebben geworpen, uitroepende:
"Ik heb je lief?" dien dag zou hij de kracht in zich gevoeld hebben
de wereld te verzetten. Zijn laatste gedachte was minachting voor
de kracht, waarvan hij alles had gehoopt en die niet in staat was
geweest hem de liefde van Flavie te geven. Hij hief het wapen op. De
morgen was schoon.
Door het open venster gleden de zonnestralen binnen, hun spel van
jeugd en schoonheid spelende in de kleine kamer.
In de verte begon het reuzenlichaam van Parijs zich te bewegen. Nantas
drukte den loop tegen zijn slaap. Op 't zelfde oogenblik werd echter
de deur woest opengeworpen en Flavie vloog binnen. Den revolver
wegduwen was het werk van een oogenblik, doch het schot ging af,
en de kogel in den zolder. Zij zagen elkander aan. Zij was echter
zóó zenuwachtig, dat zij niet spreken kon. Eindelijk voor het eerst
Nantas intiem aansprekende, vond zij het woord, het eenige dat hem
kon doen besluiten het leven niet te verlaten.
Zij wierp zich aan zijn hals en riep snikkend: "Ik heb je lief!" Zij
ontwrong aan haar hoogmoed deze bekentenis, die Nantas deed opspringen
van vreugde:
"Ik heb je lief, omdat je sterk bent!"