Aan Dante, naar aanleiding van diens lichtzinnige levenswijze
na den dood van Beatrice.
Ik kom tot u daaglijks ontelbren keer,
Doch te veel laagheid leeft in uw gedachten.
Diep droeft mij dit om al die eedle krachten
Die woonden in uw hoogen geest weleer.
Te schuwen placht gij eens elk laag verkeer
En liên, verslaafd aan slechtheid te verachten.
Dies heb 'k de verzen die me uw vriendschap brachten,
Als kostbren schat gehouden steeds in eer.
Maar 'k durf niet meer, om uw verwerplijk leven,
Zeggen hoe nòg bekoort me uw zoete taal--
En 't slag van liên dat gìj kent, ken ìk niet--
Lees dit sonnet, ik smeek 't u, menig maal:
Totdat de Booze, die ons scheidt, verdreven,
Ten laatste uit uw onteerde ziele vliedt.
V
Ballade.
'k Zag in een boschje een herderinne dwalen,
Als sterrepralen stralend wijd en zijd,
Heur blonde haren krulden langs de slapen;
Vol liefde de oogen, rozerood de wangen,
Hoedde zij met een twijg de makke schapen,
De voeten blank van dauw. En als bevangen
Van jonge liefde zong ze in zoet verlangen;
Zij was omhangen van àl minlijkheid.
Ik groette dadlijk haar in liefde ontstoken
En vroeg of 'k haar zou vergezellen mogen.
En teeder sprak zij, de oogen half geloken:
Heel, héél alleen kwam zij door 't bosch getogen,
En: "hoort ge er ooit het lokken van de vooglen,
Dàn zal 'k gedoogen dat ge ook mìjn hart vrijt"....
Maar nauw had ik die voorwaarde vernomen,
Of 'k hoorde luid de vooglen fluiten tusschen
't Geblaart. Nu is de tijd, zeide ik, gekomen,
Om in haar arm mijn minnebrand te blusschen.
En 'k dankte haar wijl zij met teedre kussen
Mijn hart te sussen was zòò rasch bereid.
Zij nam mijn hand en boog zich tot mij over;
Zei dat zij nu haar hart mij had geschonken.
Toen bracht zij me in de schauw van 't frissche loover,
Waar allerhande bonte bloemen blonken:
Zij was 't, van zooveel zoete vreugden dronken,
Als zag 'k daar lonken Venus' heerlijkheid.
Cino da Pistoia (1270-1336).
(Hij was een der "vermaarde troubadours" die antwoordden op Dante's
eerste sonnet. In "De vulgari Eloquio" zegt Dante: "Zij die het zoetst
en schoonst gedicht hebben in het nieuwe Italië zijn Cino da Pistoia
en een vriend van hem." Uit het feit dat Dante enkele gedichten,
aan Cino opgedragen, onderteekent met "amicus ejus (zijn vriend)
blijkt dat Dante met dien vriend zichzelf bedoelde).
I
Aan Dante over den dood van Beatrice.
Schoon ik niet eerder richtte reeds mijn smeeken
Tot Liefde en Medelij om uwentwil,
Dat zij vertroosten mochten uw droef leven
Is toch de tijd niet zoolang reeds verstreken
Dat niet mijn woorden zouden vinden stil-
zuchtend uw ziel en hart die achterbleven:
"O zaalge Vreugd, ik zag u opwaarts zweven,
Gelijk uw naam verlangt, ten hemel toe!"
Eilaas, wanneer en hoe
Zal ik van oog tot oog u mogen zien
En in persoon u biên
De hulp die u mijn troost zou kunnen geven
Zoo luister naar deez' woorden: Liefde gaf
Mij ze in, en laat van klacht en zuchten af.
Ge weet: in zorg en vreezen allerwegen
Op deze blinde wereld elkeen leeft,
Wijl hij de grillen der fortuin moet duchten;
Zalig de ziel, die zulk een last ontstegen,
Ten hemel, waar àl vreugd vervuld is, streeft;
Heil 't hart dat toorn en laagheid kan ontvluchten!
Waarom dan hoor ik ùw hart aldoor zuchten?
Terwijl het zich verheugen moest veeleer:
Verhoord heeft onze Heer
De bede door dien engel eens geslaakt, [97]
En door haar ziel volmaakt.
Den hemel met een ongekend genuchte.
Voor des Verlossers aanschijn mag zij staan,
Omstuwd door al Gods engelen voortaan.
Hoe foltren dan vertwijfeling en weenen
Uw hart dat vol moest zijn van liefde en vreugd
Wijl heel uw geest nu toeft in 's hemels vrede!
Al uw gedachten stijgen op daarhenen
Van nu af aan door hare hooge deugd,
En Liefde drijft daartoe hen hier beneden.
Hoe ligt ge dan zoo jammerlijk vertreden,
Gij, die zoo wijs waart, in uw droefheid neer
'k Bid u om Godes eer:
Weer uit uw kranken geest zoo bittre smart;
Draag niet den dood in 't hart,
Noch toon, als hadt ge hem alreeds geleden,
Zoo bleek gelaat. God riep haar, maar juist nu,
Is ze eindlijk, en van uur tot uur, bij u.
"Troost, troost u", roept de Liefde in haar genade,
"Om Gods wil, staak dit weenen" Meelij spreekt.
"Schenkt aan zoo zoete beden nu vertrouwen,
"Leg af dan eindelijk dier droefheid wade",
't Is Rede zelf die aldus tot u spreekt.
Ten doode leidt u zulk wanhopig rouwen;
En hoe zoudt ge ooit haar schoon gelaat aanschouwen
Zoo Dood u trof in zinnelooze smart!
O schut uw droevend hart
Voor zulk een zonde; ik bid om Godswil, duld
Niet dat zoo zware schuld
Uw ziel belemmre die nog hoopt haar Vrouwe
Te zullen wederzien en in haar arm
Te rusten eens. Ach, dat die troost u warm'.
Schouw in die klare Vreugde waar nu veilig
Uw Vrouwe toeft, met hemelglans bekroond.
Het paradijs bereikte uw diepst verlangen,
Waar 't in een liefde ganschlijk rein en heilig
Leeft sinds bij hààr heel uw gedachte woont.
Hoe is uw hart dan dùs van strijd bevangen,
Nu 't zulk een zaalgen aanblik mocht erlangen!
Gelijk ze op aarde als wonder eens verscheen,
Zoo straalt ze ook ginds, alleen,
Wijl meer erkend, in een nog schooner gloed.
Hoe zij er werd begroet
Door de engelen met blijden lach en zangen,
Hebben uw geesten u genoeg verkond,
Zoo dikwijls gij hen op die reize zond.
En tot de zaalge zielen ginds vergaard
Spreekt ze over u: "Hij heeft mij eer bewezen,
Wijl hij mij prees in rijmen hoog geprezen,
Altijd, zoolang ik leefde nog op aard."
En zij bidt God, den allerhoogsten Heere,
Dat hij u trooste en blij berusten leere.