Op Mandetta, wier oogen geleken op die van zijn Vrouwe,
Monna Vanna.
Een jonge en schoone Tolosaansche Vrouwe,
Vol eerzame bevalligheden, straalt
Gelijkenis zòò treffend en bepaald
Uit haar schoone oogen met mijn eigen Vrouwe,
Dat mijne ziel, verlangend haar te aanschouwen,
Mijn hart verlaat en tot haar henen dwaalt;
Doch zoo verward, dat zij het niet verhaalt
Wie haar te schenden drijft haar eerste trouwe.
De Schoone aanschouwt haar met een blik zoo teer,
Dat in mijn ziel de Liefde rasch ontwaakt,
Wijl 't is of zij haar ware Vrouwe ziet,
Maar zuchtend keert ze in 't harte weer, geraakt
Ten doode door de scherpgepunte speer
Die haar de Schoone nawerpt zoo zij vliedt.