Aan Selvaggia.
De Vrouwe om wie ge peinzend mij ziet schrijden,
Toont een gelaat zòò lieflijk, dat zij doet
Ontwaken in een iegelijks gemoed
Dien eedlen Geest die daar verborgen beidde.
Zoo bang heeft mij haar lieflijkheid doen lijden,
Toen 'k in haar oogen had mijn Heere zoet
Aanschouwd in heel zijn oppermachtgen gloed,
Dit ik 't niet waag nog èèn blik haar te wijden.
Maar zoo 't gevalt dat ik haar schoone oogen
Toch schouwen moet, licht me er een heil zòò groot,
Dat ik 't niet vatten kan in mijnen geest;
En 'k voel dat al mijn kracht zoozeer me ontvlood,
Dat mijne ziel, waaruit mijn zuchten togen,
Weldra van 't hart te moeten scheiden vreest.
Lapo di Gianni Ricevuti.
(Hij was notaris en in 1284 lid van den stadsraad).
Aan Lagia.
Zoet is de zucht, verlangende gezonden
Dier vrouwe die mijn hart gevangen houdt
En die mijn ziel met eedle deugd betrouwt,
Wijl zij met Liefde zelf zich heeft verbonden.
Een beeld te vinden waarmee vergeleken
Zij waardiglijk kon worden, valt mij zwaar:
Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen;
Ze is als der Liefde zuster in haar spreken;
Een wonder is van haar ieder gebaar.
Zalig de ziel voor wie haar groet mag stralen.
Het schijnt alsof in haar kwam nederdalen
Aanvalligheid, vervuld werd Hope en Vreugd,
Of in haar bloeide iedere twijg der Deugd,
Ontsproten uit haar wezen zonder zonden.
Die eedle geest, dien 'k in mij op mocht kweeken,
Sinds deze jonge Vrouwe mij verscheen,
Heeft boven al wat laag is mij verheven.
Mij troost en sterkt, sinds ik haar dien, het spreken
Met haar in zoet-vertrouwelijke reên,
Over mijn nieuw en liefde-rijke leven.
En zooveel gunste heeft zij mij gegeven:
Nimmer versmaadde zij mijn woorden zoet;
Zoodat ik Amor innigst danken moet,
Die zulk eene eer mij waardig heeft bevonden.
Nu wil, mijn Lied, in hoofsche woorden konden,
Wat ik het Boek der Liefde heb vertrouwd,
Wanneer ge mijne Vrouwe weer aanschouwt,
Want als hààr dienaar heb ik u gezonden.