II

Aan Vanna.

Schoonheid van vrouwen of vriendlijk gemoed,

De wapenpraal van eedle ridderscharen,

Gekweel van voglen, minnefluistring zoet,

Van sterke schepen 't vlug en sierlijk varen;

Zuivere lucht wanneer de daagraad groet,

De blanke sneeuw die stilkens neer komt waren,

De klare bron en aller bloemen gloed,

Sieraân die goud en flonkersteen bezwaren;

't Al overtreft de tooi der lieflijkheên

Van mijne Vrouwe en harer deugden waarde,

Zoodat dit àl gering acht wie het ziet;

Ze is zóóveel meer dan alles om zich heen

Als heel de hemel grooter is dan de aarde:

Wie is als zìj, dien mijdt Gods zegen niet.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 36 / 48 题