Aan Vanna.
Schoonheid van vrouwen of vriendlijk gemoed,
De wapenpraal van eedle ridderscharen,
Gekweel van voglen, minnefluistring zoet,
Van sterke schepen 't vlug en sierlijk varen;
Zuivere lucht wanneer de daagraad groet,
De blanke sneeuw die stilkens neer komt waren,
De klare bron en aller bloemen gloed,
Sieraân die goud en flonkersteen bezwaren;
't Al overtreft de tooi der lieflijkheên
Van mijne Vrouwe en harer deugden waarde,
Zoodat dit àl gering acht wie het ziet;
Ze is zóóveel meer dan alles om zich heen
Als heel de hemel grooter is dan de aarde:
Wie is als zìj, dien mijdt Gods zegen niet.