(Cavalcanti, een Florentijnsch edelman, was Dante's "grootsten
vriend", zijn "secretaris", d.w.z. zijn geheimdrager, de eenige
die, althans tijdens het leven van Beatrice, het geheim van Dante's
liefde kende. Hij schijnt op Dante een grooten moreelen invloed te
hebben gehad. Geschriften zijner tijdgenooten doen hem kennen als
wispelturig in de liefde en los in het geloof, maar tevens als een
man van groote gaven, vurig, edelmoedig, geleerd, trotsch en van
eenzame hooghartigheid. Als dichter stond hij hoog in aanzien. Zijn
metaphysische en zeer duistere canzone: "Donna mi priega" (Een
Vrouwe vraagt mij), handelende over den aard der Liefde, werd veel
bewonderd, besproken en gecommentarieerd, ook door theologen. "Een
liefdezang", zegt Rossetti hiervan, "welke zulk een vliegenvanger
blijkt voor priesters en pedanten, ziet er verdacht uit; maar het
feit dat hij geschreven werd door een man wiens leven en werken toch
zooveel impulsiefs en reëels bevatte, is teekenend voor dien tijd van
jonge scholastieke geleerdheid". Ook Dante had groote bewondering
voor zijn vriend. Op den Louteringsberg, waar hij spreekt over de
vergankelijkheid van den roem (XI. 96-99) schijnt hij Cavalcanti
boven Guinizelli te stellen, en zichzelf boven die beiden:
"Aldus heeft de eene Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en
wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.")
I
Aan Vanna.
Wie is zij, wier bewonderd nadren doet
De lucht van tintlende verwachting beven;
Die Amor met zich voert, zoodat begeven
Van alle woorden elkeen zuchten moet?
Wat zij gelijkt zoo zij met de oogen groet,
Ik zegge 't niet, laat Amor 't antwoord geven.
Vrouwe van Deemoed lijkt zij, zòò verheven,
Dat ik elke andre "Hoogmoed" heeten moet.
Onzeggelijk is harer schoonheid glans,
Wijl alle edele deugden voor haar knielen
En schoonheid zelf haar eert als een godin.
Nooit was een geest van zulk een eedlen zin,
Nooit vulde deugd zoozeer der menschen zielen,
Dat één haar ooit begreep daadlijk en gansch.