Fra Guittone d'Arezzo († 1294)

(Aanvankelijk schreef hij alleen minnepoëzie, maar op zijn 35ste jaar

bekeerde hij zich, werd "broeder" van de religieus-militaire orde

der Cavalieri gaudenti (vroolijke ridders) en wijdde zich sindsdien

uitsluitend aan het boetedicht. Hij stond in hoog aanzien, ofschoon

Dante deze bewondering niet deelt. In een gesprek met den grooten

dichter Guinizelli (Louteringsberg XXVI, 124-126) zegt Dante over hem:

"Aldus (nl. voorbarig prijzen) deden vele ouden met Guittone, de een

den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meer personen

de waarheid hem heeft overwonnen.")

Aan de heilige Maagd Maria.

Vrouwe des Heils, wier glorie nooit kan enden,

Moeder van Jezus zoet, wiens heilge dood,

Ons te verlossen van der helle nood,

Den doem van 's eersten vaders val mocht wenden;

Zie hoe mij Amor's wreede knechten schenden

Met schichten scherp, aanschouw mijn foltring groot;

Moeder vol deernis, zachte bondgenoot,

Schut mij voor de vervolging zijner benden!

Vul van die ééne Liefde heel mijn wezen,

Die trekt de ziel naar haren oorsprong puur,

Zoodat der lusten strik mij niet weerhoudt;

Zulk middel slechts kan zulk een koorts genezen,

Zulk water slechts bluscht zulk een gloeiend vuur;

Met spijkers drijft met spijkers uit het hout.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 29 / 48 题