(Een Florentijnsch dichter, wiens werk valt tusschen 1260 en 1280)
Wanneer het stralend licht zijn glans komt spreiden
Zendt het zijn klaarheid tot in versten nacht;
De bleeke sterren dooven en verscheiden
Voor zijner schichten ùitblinkende kracht.
Zoo schenkt mijn Vrouwe met haar blik verblijden
Aan ieder die in donkre smarten smacht
En doet in vreugd verkeeren al hun lijden:
Zoo overgroot is harer deugden macht.
En als een stoet van dienende getrouwen
Volgen haar als der Hoofschheid keizerin,
Wijl ze aller licht is, alle andere vrouwen.
De schilders staren met verrukten zin
Haar aan wijl ze in haar schoon gelaat aanschouwen
Wat zij te schildren hopen tot een elks gewin.