Dien weg langs dien de Schoonheid volgen moet,
Wil ze in het hart de Liefde doen ontwaken,
Zie ik Lisette stormende genaken--
Als waar 'k een burcht--in koenen overmoed.
Maar dan, gekomen aan dier veste voet,
Wier grendels slechts de willge ziel kan slaken
Hoort zij een stem: "Wil die bestorming staken;
Keer om gij Vrouwe, liefelijk en zoet.
Een andre heeft mijn geest reeds ingenomen;
Zij kreeg en greep de heerelijke roe
Van Amor zelf, zoodra zij was gekomen."
En heeft Lisette dit bescheid vernomen,
Zoo wendt zij om, droef en beschaamd te moe,
En 'k zie het rood haar wangen overstroomen.
Sommige commentatoren meenen dat de in dit sonnet genoemde Lisette
dezelfde is als de "Vrouwe aan het Venster". De aanvangregels doen
vermoeden dat het geschreven is nà het sonnet over de Liefde in
§ XX.