III.

Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren

Heb 'k Amor onafscheidelijk behoord:

En 'k weet hoe hij ons ment en zweept en spoort

En in zijn dwang ons lust noch droefheid sparen.

Wie waant dat Deugd of Rede hem vervaren,

Is als wie meent dat hij wen 't stormt behoort

De klok te luiden, wanende dat voort

De krijg van wind en wolken zal bedaren.

Want altijd in den kring van Amor's krijt,

Is Vrije Wil dùs door zijn macht gebonden

Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;

Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden:

Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt,

De nieuwe volgt hij zoo hààr krachten zwonden.

Dit sonnet is Dante's antwoord op een sonnet van Cino da Pistoia,

waarin deze dichter hem vraagt of hij gelooft dat de dood den

ongelukkigen minnaar rust zal geven.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 22 / 48 题