II.

Guido, ik wou dat Lapo en wij twee

Door toovermacht ons mochten saam bevinden

In 't zelfde scheepken dat op alle winden

Naar onzen wil kalm voortdreef over zee;

Zoodat geen toeval ooit stoorde onzen vree

En wind noch weder onzen tocht kon hindren;

Maar één verlangen steeds ons zou verbinden,

Sterker, hoe langer 't scheepken verder glee.

En 'k wou dat Monna Vanna en Lagia en zij

Die 't dertigst stond, voor altoos mochten varen

Met ons door zelfden goeden toovnaars macht;

En dat zij met ons spraken, dag en nacht,

Van Liefde, en dat zij even vredig waren

Als, dit geloof ik zekerlijk, ook wij.

Dit sonnet is, evenals dat in § XXIV der Vita Nuova, gericht

aan Guido Cavalcanti. Monna Lagia was de Vrouwe van den dichter

Lapo Gianni. Met "haar die 't dertigst stond"--een uitdrukking

die blijkbaar slaat op de serventese op de zestig schoonste

vrouwen der stad, waarvan in § VI wordt gesproken--is volgens

Bardi bedoeld Dante's "scherm-dame". Immers Beatrice kan zijn

uitverkorene voor dien tocht niet geweest zijn, omdat zij op

de "negende plaats" stond. Het sonnet is alweer geïnspireerd

door oudere troubadoursliederen, waarin de "goede toovenaar"

de vermaarde Merlijn is.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 21 / 48 题