Guido, ik wou dat Lapo en wij twee
Door toovermacht ons mochten saam bevinden
In 't zelfde scheepken dat op alle winden
Naar onzen wil kalm voortdreef over zee;
Zoodat geen toeval ooit stoorde onzen vree
En wind noch weder onzen tocht kon hindren;
Maar één verlangen steeds ons zou verbinden,
Sterker, hoe langer 't scheepken verder glee.
En 'k wou dat Monna Vanna en Lagia en zij
Die 't dertigst stond, voor altoos mochten varen
Met ons door zelfden goeden toovnaars macht;
En dat zij met ons spraken, dag en nacht,
Van Liefde, en dat zij even vredig waren
Als, dit geloof ik zekerlijk, ook wij.
Dit sonnet is, evenals dat in § XXIV der Vita Nuova, gericht
aan Guido Cavalcanti. Monna Lagia was de Vrouwe van den dichter
Lapo Gianni. Met "haar die 't dertigst stond"--een uitdrukking
die blijkbaar slaat op de serventese op de zestig schoonste
vrouwen der stad, waarvan in § VI wordt gesproken--is volgens
Bardi bedoeld Dante's "scherm-dame". Immers Beatrice kan zijn
uitverkorene voor dien tocht niet geweest zijn, omdat zij op
de "negende plaats" stond. Het sonnet is alweer geïnspireerd
door oudere troubadoursliederen, waarin de "goede toovenaar"
de vermaarde Merlijn is.