I.

Van vrouwen zag 'k een liefelijke schaar

Den dag van Allerheilgen laatstverleden;

En onder de allereersten zag ik haar,

Naast wie ter rechter Amor kwam geschreden.

Uit hare oogen brak een glans zóó klaar,

Dat zij een geest geleek wien vlammen kleedden;

Toen ik den moed had op te zien, voorwaar:

Het was me als zag 'k een engel nader treden.

Aan ieder die het waard was schonk een groet

Die zoete Vrouwe van haar zeegnende oogen

En vulde van haar deugden elks gemoed.

'k Geloof dat zij den hemel is ontvlogen

Wijl ze ons op aarde ons heil reeds brengen moet:

O zalig zij, die haar nabij zijn mogen!

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 20 / 48 题