TWEEDE GEDEELTE

(1287-1290).

§ XVIII.

Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden

begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars

gezelschap te vermaken, mijn hart zeer goed, want elke van hen was

getuige geweest van vele mijner nederlagen. En terwijl ik, als geleid

door het geluk, dicht aan hen voorbij ging, werd ik door eene dier

beminnelijke dames aangeroepen; en zij die mij had aangeroepen was eene

dame die zeer bekorend wist te spreken. Zoodat ik, toen ik bij hen was

gekomen en mij er van overtuigd had dat mijne allerlieflijkste Vrouwe

zich niet onder hen bevond, hen gerustgesteld begroette en vroeg wat

er van haren dienst was. De dames waren talrijk en er waren onder hen

die onder elkander lachten. Maar er waren andere die mij aanzagen,

als in verwachting van wat ik zou zeggen. Weer andere spraken onder

elkaar, van welke eene [50], hare oogen op mij richtende en mij bij

den naam aansprekende, zeide: "Waarom bemint gij deze uwe Vrouwe,

als ge toch haren aanblik niet kunt verdragen? Vertel ons dit,

want het doel van zulk een liefde moet voorzeker wel buitengewoon

zijn." En toen zij mij dit had gevraagd, trachtte niet alleen zij,

maar alle anderen het antwoord uit mijn aangezicht te lezen. Daarop

zeide ik tot hen deze woorden: "Edele dames, het doel mijner liefde was

reeds vroeger de groet dier Vrouwe, van wie gij misschien bedoelt te

spreken; en hierin bestond de gelukzaligheid welke het doel is van al

mijne verlangens. Maar sedert het haar behaagde mij dien te weigeren,

heeft Amor, mijn Heer, in zijne genade heel mijne gelukzaligheid

gesteld in datgene, wat mij niet kan ontnomen worden." Daarop begonnen

deze dames onder elkaar te spreken; en zooals men wel eens regen,

vermengd met schoone sneeuw ziet vallen, zoo scheen het mij dat

ik hunne woorden zag uitgaan vermengd met zuchten [51]. En nadat

zij eene wijle met elkaar gesproken hadden, zeide de dame die het

eerst tot mij gesproken had: "Wanneer gij waarheid spreekt, dan hebt

ge toch de woorden waarin gij uwen toestand bekend maakt, met eene

andere bedoeling gesproken?" Waarop ik, peinzende over deze woorden,

als beschaamd van hen heenging; en nog wandelend zeide ik in mijzelf:

"Wanneer er zoo groote gelukzaligheid ligt in de woorden welke mijne

Vrouwe prijzen, waarom heb ik dan anders over haar gesproken?" En ik

nam mij hierop voor tot stof voor mijn rijmen nooit iets anders dan den

lof dier Allerlieflijkste te kiezen; en veel hierover nadenkend, scheen

het mij dat ik eene al te hooge stof gekozen had voor mijne krachten,

zoodat ik niet waagde te beginnen; en zoo weifelde ik verscheidene

dagen tusschen verlangen om te rijmen en vrees om te beginnen.

§ XIX.

Het geviel toen, dat, terwijl ik wandelde langs eenen weg, waarnaast

eene zeer heldere rivier stroomde, mij een zoo groot verlangen om te

rijmen overviel, dat ik begon er over te denken hoe ik het aan zou

leggen; en ik overwoog dat het niet passend ware over haar te spreken

tenzij tot andere vrouwen in de tweede persoon; en dat wel niet tot

alle vrouwen, maar alleenlijk tot diegene die lieflijk en edel waren

en niet slechts vrouw [52]. Daarop, zegge ik, sprak mijne tong, als

vanzelf bewogen: "Gij vrouwen edel, die de Liefde kent". Deze woorden

bewaarde ik met groote blijdschap in mijnen geest, mij voornemend

ze tot begin te nemen; waarop ik, teruggekeerd in bovenbedoelde

stad en na eenige dagen te hebben nagedacht, deze canzone begon met

den bedoelden aanhef en in de volgorde welke men hieronder in hare

verdeeling zal zien. De canzone [53] begint aldus:

Gij vrouwen edel, die de Liefde kent,

Tot ù wil ik van mijn Meestresse spreken;

Niet wijl 'k haar lof ooit te voleinden reken,

Maar te verlichten 't overvol gemoed.

Wen ik bepeins haar deugden zonder end.

Brandt dus mijn hart dat 'k door mijn enkel spreken,

Elk die me aanhoorde in liefde zou ontsteken,

Hadde ik niet alle driestheid ingeboet.

Niet zòò verheven dat ik vreezen moet

Machtloos tot lager stijl te zullen dalen,

Maar zòò zal 'k van haar lieflijkheên verhalen

Als het bij hààr past: gracelijk en zoet.

En slechts tot u, minlijke maagde en vrouwen;

Want gij alleen zijt waardig zulk vertrouwen.

Een engel roept, gekeerd naar 't goddlijk licht:

"O Heer, een wonder waarlijk zien wij dwalen

Op aarde, een ziel zóó lieflijk dat zij stralen

Moge in der zaalgen midden nu weldra!

De hemel mist niets dan haar aangezicht

En smeekt u zijnen hoogsten glans te halen."

En alle heilgen juichen op die tale.

Slechts medelijden vraagt voor mij genâ;

En God spreekt: "Dat men dit van haar versta:

Geliefden, duldt dat nog uw Hope in vrede,

Zoolang het mij behaagt, blijve beneden,

Waar één in vreeze is dat zij van hem ga,

En die ééns spreken zal tot de verdoemden:

'k Zag haar, die de Engelen hun hope noemden." [54]

In 't hemelsch rijk wordt mijn Meestres begeerd:

Dus wil 'k u van haar englendeugd doen weten.

En 'k zegge: Wie een eedle vrouw wil heeten,

Die ga met hààr, wijl ovral waar zij gaat,

Amor elk hart dat zijnen gloed ontbeert,

Bevriezen doet en alle heil vergeten.

Sterven moet elk, of zich gelouterd weten,

Die haren blik te dragen onderstaat.

Wie zich voor waardig houdt haar in 't gelaat

Te schouwen, moog' zijn hooge deugd betoonen,

En zorg' wie hoopt dat hem heur groet beloone,

Door deemoed dat al zonde hem verlaat.

Want zulk een macht werd haar door God beschoren.

Dat slecht niet einden kan wie hààr mocht hooren.

Spreekt Amor van mijn Vrouwe: "Hoe ware ooit

Zoo zuiver en zoo schoon een sterflijk wezen?"

"God heeft", dus denkt hij, "met een nooit volprezen

En gansch nieuw wonderwerk de aarde verrijkt."

Geen parel werd met blanker tint getooid,

Heel haar van schoonheên evenwichtig wezen

Vormde Natuur van stoffen uitgelezen;

Dus heete schoon alleen wat hààr gelijkt.

Wen open harer blikken poorte wijkt,

Tijgt er een stoet van minnelijke geesten

Om de oogen die haar schouwen te vermeestren

En dra heeft elk van hen het hart bereikt;

En geen kan haren mond, teeder omtogen

Van Liefde's lach, bewondren onbewogen.

Mijn Lied, ik weet, wanneer ge mij verlaat,

Zult ge op uw dool tot vele vrouwen spreken.

Maak, dat ze in u, die 'k zoo schoon op mocht kweeken,

Der Liefde jonge en teedre dochter zien.

Wilt, waar ge ook zijt en waar ge ook henen gaat,

"Wijst mij den weg tot hààr" bescheiden smeeken,

"Van welker deugd mijn tooi is taal en teeken".

En dat ge mij niet slecht en ijdlijk dien',

Zult nimmer toeven ge onder lage liên;

En nimmer schenken zult ge uw zoet vertrouwen,

Dan slechts aan eedle manne' en eedle vrouwen:

Die zeker zullen snelle hulpe u biên.

Nu ga, en zoo gij Amor bij hen vindt,

Breng hem mijn groet, zoo 't voegt voor Amor's kind.

Deze canzone zal ik, opdat zij beter begrepen worde, kunstiger

verdeelen dan het andere hierboven staande. En daarom maak ik

allereerst drie gedeelten: het eerste gedeelte is de voorrede van

de volgende woorden; het tweede is het behandelde onderwerp; het

derde is als eene dienstmaagd van de voorgaande woorden. Het tweede

begint hier: "Een engel roept...."; het derde hier: "Mijn Lied,

ik weet...." Het eerste is te verdeelen in vieren; in het eerste

zeg ik tot wie ik van mijne Vrouwe wil spreken en waarom ik spreken

wil; in het tweede zeg ik hoedanig ik mijzelf voorkom wanneer ik

aan hare deugd denk en hoe ik zou kunnen spreken wanneer ik den

moed niet verloor; in het derde zeg ik hoe ik geloof over haar te

kunnen spreken zonder door mijne blooheid belemmerd te worden;

in het vierde zeg ik, herhalend tot wie ik bedoel te spreken,

de reden waarom ik tot hen spreek. Het tweede begint hier:

"Wen ik bepeins...."; het derde hier: "Niet zoo verheven....";

het vierde: "En slechts tot u....". Vervolgens wanneer ik zeg:

"Een engel roept....", begin ik over mijne Vrouwe te spreken. En

dit gedeelte is in tweeën te verdeelen: in het eerste zeg ik wat

men over haar in den hemel zegt; in het tweede zeg ik wat men over

haar op aarde zegt, en wel hier: "In 't hemelsch rijk...." Dit

tweede gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste

spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid harer

ziel, een en ander verhalend van de uitwerking harer deugden,

welke uit hare ziel voortkomen; in het tweede gedeelte spreek ik

over haar met betrekking tot de edelaardigheid van haar lichaam,

een en ander van hare schoonheden verhalend, en wel hier: "Spreekt

Amor van mijn Vrouwe".... Dit gedeelte is in tweeën te verdeelen,

want in het eerste spreek ik van zekere schoonheden welke tot haar

geheele persoon behooren, en wel hier: "Wen open...." Dit gedeelte

is te tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van oogen,

welke het begin der liefde zijn; in het tweede spreek ik van

den mond, welke het einde der liefde is. En opdat hier iedere

lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest,

dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke

eene werking van haren mond was, het doel mijner wenschen was,

waar ik dit bereiken kon. Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn Lied,

ik weet...." voeg ik nog eene stanza toe bijwijze van dienstmaagd

der andere, in welke ik zeg wat ik van deze mijne canzone verlang:

en aangezien dit laatste gedeelte gemakkelijk te begrijpen is,

vermoei ik mij niet met nog meer verdeelingen. Wel zeg ik dat,

om de bedoeling van deze canzone nog beter te openbaren, nog

nauwkeuriger verdeelingen zouden moeten aangewend worden; maar

in elk geval, wie niet voldoenden geest bezit om haar te kunnen

begrijpen door de wel toegepaste, mishaagt mij niet wanneer hij het

er bij laat; want waarlijk, ik vrees dat ik hare bedoeling door de

gemaakte verdeelingen reeds te duidelijk gemaakt heb voor maar al

te velen, indien het mocht gebeuren dat velen haar konden hooren.

§ XX.

Nadat deze canzone eenigszins bekend was geworden onder de menschen en

dientengevolge ook een mijner vrienden haar had gehoord, voelde deze

behoefte mij te verzoeken hem te zeggen wat Liefde is; wellicht omdat

hij door de gehoorde rijmen meer verwachting omtrent mij koesterde

dan ik verdiende. Waarop ik, overwegende dat het, na eene zoodanige

behandeling (der stof als in de voorgaande canzone) wel voegzaam

ware iets over de Liefde zelf te zeggen, en overwegende dat ik mijnen

vriend gaarne eenen dienst bewees, mij voornam in enkele woorden over

de Liefde te spreken; en ik schreef toen dit sonnet hetwelk begint:

Liefde en een edel hart zijn ganschlijk één,

Zooals de wijze dichter [55] heeft geschreven;

Geen kan bestaan slechts op zichzelf alleen,

Zoomin als 't hoofd kan zonder rede leven.

Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen

En heeft het hem tot vaste woon gegeven;

En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een,

Bij d'ander lang, den dag van 't nieuwe leven,

Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt,

En zoozeer 't oog bekoort dat 't in 't gemoed

Een hoog verlangen tot haar wordt geboren,

Dat zoolang roept, door hunkering gepijnd,

Tot het dien geest der Liefde ontwaken doet.

Zoo zal ook d'eedle man een vrouw bekoren.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten: in het eerste

spreek ik van de Liefde voor zoover zij is in vermogen; in het

tweede spreek ik van haar voorzoover zij van vermogen tot daad

wordt. Het tweede begint hier: "Wen Schoonheid...." Het eerste kan

worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik in welk voorwerp

dit vermogen zich bevindt; in het tweede zeg ik hoe dit voorwerp

en dit vermogen tot bestaan zijn gebracht en hoe het eene zich

tot het andere verhoudt als vorm tot materie. Het tweede begint

hier: "Natuur bestemde...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Wen

Schoonheid....", zeg ik hoe dit vermogen zich tot daad omzet:

en wel eerst hoe het zich omzet in den man, vervolgens hoe het

zich omzet in de vrouw, namelijk hier: "Zoo zal...."

§ XXI.

Nadat ik de bovenstaande rijmen over de Liefde had geschreven, gevoelde

ik een verlangen om ook ter verheerlijking der Allerlieflijkste

woorden te zeggen in welke ik zou kunnen toonen hoe door hààr deze

geest der Liefde in mij ontwaakte en hoe hij niet alleen ontwaakte

waar hij sliep, maar hoe zij hem door hare wonderbare macht ook deed

komen daar, waar hij nog niet in vermogen was. En ik schreef toen

dit sonnet, hetwelk begint:

Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen,

Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt;

Waar zij voorbij schrijdt wendt zich jong en oud,

En wien zij groet voelt dus zijn hart bewogen

Dat hij verbleekt en 't hoofd omneer gebogen,

Zuchtend zijn kleinste zonde nog berouwt;

Want toorn noch trots zich voor haar staande houdt.

Helpt, Vrouwen, dan mij haren lof verhoogen!

In 't hart dat haar hoort spreken wordt geboren

Zoetste verteedring en een deemoed zacht;

Zaalg zij, wie voor het eerst haar ziet, geprezen!

Onzeglijk is 't, onvatlijk, op wat wezen

Zij lijkt wanneer haar mond slechts even lacht:

Een wonder is ze, als nooit aanschouwd tevoren.

Dit sonnet heeft drie gedeelten. In het eerste zeg ik hoe mijne

Vrouwe dit vermogen in daad omzet door middel van het zeer

edele werktuig harer oogen; en in het derde zeg ik hetzelfde

omtrent dit zeer edele werktuig van haren mond; en tusschen

deze twee gedeelten is er nog een kleiner dat als om hulp vraagt

aan het voorgaande en het volgende, en dit begint hier: "Helpt

Vrouwen...." Het derde begint hier: "In 't hart...." Het eerste

kan worden verdeeld in drieën; want in het eerste zeg ik hoe

zij door hare deugden alles lieflijk maakt wat zij aanschouwt,

hetgeen zooveel zeggen wil dat zij de Liefde wekt tot vermogen

waar zij nog niet is; in het tweede zeg ik hoe zij de Liefde

in het hart van allen die zij aanziet tot daad omzet; in het

derde zeg ik vervolgens wat zij door hare deugd in hunne harten

uitwerkt. Het tweede begint hier: "Waar zij voorbij schrijdt....";

het derde hier "En wien zij groet...." Vervolgens, wanneer ik

zeg: "Helpt Vrouwen...." geef ik te verstaan aan diegenen, tot

wie het mijne bedoeling is te spreken, de vrouwen aanroepende,

dat zij helpen mogen haar te eeren. Vervolgens, wanneer ik zeg:

"In 't hart...." zeg ik hetzelfde wat in het eerste gedeelte

gezegd is met betrekking tot twee werkingen van haren mond:

van welke de eene is haar allerzoetste spreken en de andere haar

wonderbare glimlach, behalve dat ik van dezen laatsten niet zeg

hoe hij in de harten werkt, omdat de herinnering noch hem noch

zijne uitwerkingen kan vast houden.

§ XXII.

Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan--aldus behaagde het

den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde--verliet hij,

die de verwekker [56] geweest was van dit groote wonder als hetwelk de

alleredelste Beatrice zich vertoonde, dit leven om zekerlijk in te gaan

tot de eeuwige zaligheid. Zoodat het--aangezien zulk een verscheiden

smartelijk is voor hen die achterblijven en die bevriend waren met

dengene die stierf; en geene vriendschap zoo innig is als die van eenen

goeden vader tot een goed kind of van een goed kind tot eenen goeden

vader; en deze Vrouwe den hoogsten graad van goedheid bezat en haar

vader, gelijk velen zulks getuigen en ook waar is, in hooge mate goed

was,--zeer begrijpelijk is dat deze Vrouwe op het bitterst vervuld

was van smart. En aangezien, volgens gebruik [57] in bovenbedoelde

stad, de vrouwen met de vrouwen en de mannen met de mannen zich

vereenigen bij eene dergelijke treurnis, waren er vele vrouwen bijeen

ter plaatse waar de allerlieflijkste Beatrice erbarmelijk weende;

zoodat ik, enkele dier vrouwen van haar ziende terugkeeren, hen

hoorde spreken over de Allerlieflijkste, hoe zij jammerde. Onder

andere woorden hoorde ik er die zeiden: "Waarlijk, zij weent zòò,

dat wie haar ziet van medelijden zou kunnen sterven." Hierop gingen

deze dames voorbij; en ik bleef in eene zoo groote droefheid achter,

dat nu en dan tranen mijn gelaat baadden, zoodat ik het herhaaldelijk

bedekte door mijne handen naar de oogen te heffen. En als het niet

geweest ware dat ik nog meer omtrent haar verwachtte te hooren, daar

ik mij bevond op eene plek waar het grootste gedeelte der dames die

van haar heengingen, langs kwam, zou ik mij verborgen hebben zoodra

de tranen mij overmanden. En terwijl ik dus bleef op dezelfde plek,

kwamen er opnieuw eenige dames dicht langs mij, die onder het gaan

tot elkaar spraken: "Wie van ons zal ooit weer vroolijk kunnen zijn,

nu wij deze Vrouwe zoo klagelijk hoorden spreken?" En na deze kwamen

weer anderen voorbij die zeiden: "Hij die daar zit klaagt niet meer

of minder dan als had hij haar gezien evenals wij". Weer anderen

zeiden van mij: "Ziet toch dezen, die zichzelf niet meer gelijkt,

zoozeer is hij veranderd." En terwijl aldus deze dames voorbij

gingen, hoorde ik op de wijze welke ik verhaald heb, spreken over

haar en mijzelf. Waarop ik, hierover peinzende, mij voornam iets te

zeggen--omdat ik hierin eene waardige stof vond--waarin ik alles zou

opsluiten wat ik van deze dames gehoord had. En omdat ik hen gaarne

gevraagd zou hebben wanneer ik dit zonder onbescheiden te zijn had

kunnen doen, maakte ik mijne rijmen aldus alsof ik hen werkelijk

had gevraagd en alsof zij mij hadden geantwoord. En ik maakte twee

sonnetten; in het eerste vroeg ik op de wijze waarop ik vragen wilde;

in het tweede vermeld ik hun antwoord, datgene wat ik van hen verstond

gebruikende als hadden zij het tot mijzelf gesproken. En ik begon het

eerste: "Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen...." en het tweede:

"Zij gij het die zoo dikwijls hebt gesproken."

Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen,

Die de oogen, bloô van droefnis, nederslaat;

Vanwaar komt ge met zòò ontverfd gelaat

Dat ik in u waan Meelij zelf te aanschouwen?

Zaagt ge wellicht hoe Liefde mijner Vrouwe

Liefelijk aangezicht in tranen baadt?

Mijn hart zegt mij dat 'k om geen eigen daad

Noch eigen droefenis u dus zie rouwen.

En komt ge waarlijk van zoo diep verdriet,

Wilt dan een pooze, ik bid u, bij mij toeven;

En hoe zij lijdt, verberg 't mijn smeeken niet;

Schoon 'k zie hoe langs de smartgemerkte groeven

Van uw gelaat een stroom van tranen vliet

En 't hart mij beeft nu 't zoozeer u ziet droeven.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten; in het eerste

roep ik de vrouwen aan en vraag ik hen of zij van hààr komen,

zeggende dat ik zulks geloof omdat zij zachter schijnen terug te

keeren; in het tweede bid ik hen mij over haar te spreken. Het

tweede begint hier: "En komt ge waarlijk...." Hierop volgt dan

het andere sonnet, gelijk wij hierboven reeds verhaald hebben.

Zijt gij het, die zoo dikwijls hebt gesproken

Over uw Vrouwe, schoon tot ons alleen?

Uw stem gelijkt de zijne, doch in een

Gansch ander aanschijn lijkt uw ziel gestoken.

Ach, waarom klaagt ge als ware u 't hart gebroken!

Met jammer vult een elk uw droef gesteen;

Zaagt ge dan hààr en hoordet hààr geween,

Dat ge u dus toont in wanhoop neergedoken?

Laat weenen ons en weenend verder schrijden;

Slecht ware wie getroost kon huiswaarts gaan

Nadat wij hààr zoo droevig zagen lijden.

Smart zelve staart uit haar gelaat u aan;

Zòò dat wie van deez' aanblik niet zou scheiden,

Van droefnis aan haar voeten moest vergaan.

Dit sonnet heeft vier gedeelten, aangezien de vrouwen voor wie ik

antwoord vier wijzen van spreken hadden. En omdat deze hierboven

voldoende duidelijk zijn gemaakt, zal ik mij niet ophouden met

den zin dezer gedeelten te verhalen; zoodat ik ze alleen maar

aanwijs. Het tweede begint hier: "Ach, waarom klaagt ge....";

het derde: "Laat weenen ons...."; het vierde: "Smart zelve...."

§ XXIII.

Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een

gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang

voortdurend de bitterste pijnen leed en welke mij zoo zwak maakte dat

ik werd als diegenen die zich niet kunnen bewegen. Ik zeg nu dat op

den negenden dag, terwijl ik eene ondragelijke pijn gevoelde, eene

gedachte in mij opkwam, welke van mijne Vrouwe was. En toen ik een

wijle aan haar gedacht had, keerden mijne gedachten tot mijn zwakke

leven terug; en ziende hoe vluchtig zijn duur was, zelfs wanneer het

gezond is, begon ik in mijzelf over zoovele ellende te weenen. Waarop

ik, zwaar zuchtende, in mijzelf zeide: "Noodwendiglijk moet het

eens gebeuren dat de allerlieflijkste Beatrice sterft". En hierop

greep eene zoo hevige verbijstering mij aan, dat ik de oogen sloot

en begon te dwalen als een krankzinnige en op deze wijze te ijlen:

in het begin des dwalens mijner verbeelding leek het mij dat ik

gezichten zag van vrouwen met loshangende haren, die tot mij zeiden:

"Ook gij moet sterven." En vervolgens, na deze vrouwen, verschenen

andere, vreemde gezichten, schrikkelijk om te aanschouwen, welke

tot mij zeiden: "Ge zijt gestorven". En mijne verbeelding, aldus

beginnende te dolen, kwam op eene plaats, in welke ik niet wist waar

ik mij bevond; en het leek mij dat ik wederom vrouwen met loshangende

haren weenende langs den weg zag waren in verwonderlijke droefenis;

en het scheen mij dat ik de zon zag verduisteren, zóó dat de sterren

zich vertoonden in eene kleur, welke mij deed denken dat zij treurden;

en het leek mij dat de vogels in hunne vlucht dood neder vielen en

dat er geweldige aardbevingen waren. En mij verbazende in dusdanige

verbeelding en zeer ontzet, zag ik een vriend op mij afkomen die

zeide: "Weet ge het niet? Uwe wonderbare Vrouwe is uit het leven

verscheiden." Toen begon ik opnieuw en erbarmelijk te weenen; en

ik weende niet alleen in mijne verbeelding, maar ik weende, mijne

oogen in werkelijke tranen badend. Ik verbeeldde mij naar den hemel

op te zien en het scheen mij dat ik eene menigte engelen zag die

naar den hooge terugkeerden en die vòòr zich hadden een zuiver wit

wolkje; en het scheen mij dat deze engelen triomfantelijk zongen en

als de woorden van hunnen zang scheen ik deze te hooren: "Osanna in

excelsis!" [58], en iets anders hoorde ik niet. Toen scheen het mij

dat mijn hart, waarin zooveel liefde woonde, mij zeide: "Waarlijk,

het is wel zeker dat onze Vrouwe gestorven is". En hierop scheen

het mij dat ik ergens heen ging om het lichaam te zien in hetwelk

deze edelste en gelukzalige ziel had gehuisd. En zòò sterk was deze

dwalende verbeelding dat zij mij werkelijk de doode Vrouwe liet zien;

en het scheen mij dat vrouwen haar bedekten, dat wil zeggen haar

hoofd, met een witten sluier; en het scheen mij dat haar gelaat eene

uitdrukking had van zòò diepen deemoed, dat het scheen te zeggen: "Ik

zie het begin van allen Vrede". In deze verbeelding overkwam mij eene

zoo groote ootmoedigheid door haren aanblik, dat ik den Dood aanriep

en zeide: "O zoetste Dood! kom tot mij en wees niet hard jegens mij;

want wèl moet ge lieflijk zijn nu ge bij haar geweest zijt. Kom nu tot

mij, die zoozeer naar u verlang: ge ziet het, dat ik reeds uwe kleur

draag". En nadat ik had zien vervullen al de droevige diensten welke

men den lichamen der gestorvenen pleegt te bewijzen, scheen het mij

dat ik naar mijne kamer terugkeerde en aldaar naar den hemel opzag;

en zòò sterk was mijne verbeelding dat ik weenende begon te spreken

met eene werkelijke stem: "O schoonste ziel, hoe gelukzalig is hij die

u aanschouwt". En terwijl ik deze woorden sprak onder een smartelijk

gesnik van jammer en den Dood aanroepend tot mij te komen, begon een

jong en lieflijk meisje, dat naast mijn bed zat, geloovende dat mijn

weenen en mijne woorden eene klacht waren om de pijn mijner ziekte,

in groote vreeze eveneens te weenen. Waarop de andere vrouwen die in

het vertrek waren, bemerkten dat ik weende, doordat zij dit meisje

zagen weenen: waarop zij haar, die door zeer nauwe verwantschap aan mij

verbonden was [59], deden heengaan en, meenende dat ik droomde, zich

tot mij wendden om mij te wekken, zeggende: "Slaap niet langer en wees

niet zoo ontroostbaar". En terwijl zij aldus spraken, brak mijne sterke

verbeelding af op het oogenblik dat ik zeggen wilde: "O Beatrice,

gezegend zijt ge". En reeds had ik gezegd: "O Beatrice" toen ik,

opschrikkende, de oogen opende en zag dat ik geijld had. En ofschoon

ik haren naam geroepen had, was mijne stem zoo gebroken geweest door

snikken, dat die vrouwen mij niet hadden kunnen verstaan. En ofschoon

ik mij zeer schaamde, wendde ik mij toch, door de Liefde aangespoord,

tot hen. En toen zij mij zagen begonnen zij te spreken: "Hij gelijkt

eenen doode" en onder elkaar te zeggen: "Laten wij toch trachten

hem te troosten". Waarop zij vele woorden tot mij spraken om mij te

troosten, en telkens vroegen zij mij waarvoor ik zulk eene vrees gehad

had. Waarop ik, na eenigszins te zijn bijgekomen en de bedriegelijkheid

van mijne waanvoorstelling te hebben ingezien, hen antwoordde: "Ik zal

u zeggen wat mij gebeurd is". Hierop begon ik met het begin, en tot

aan het einde toe verhaalde ik hen al wat ik gezien had, slechts den

naam dier Allerlieflijkste verzwijgend. Waarop ik vervolgens, genezen

van deze ziekte, mij voornam iets te zeggen over wat mij gebeurd was,

omdat het mij lieflijk scheen om te zeggen en om te hooren; en ik

schreef deze canzone: "Een lieflijk meisje, jong en teer van hart",

in de volgorde als blijkt uit de er onder staande verdeeling:

Een lieflijk meisje, jong en teer van hart,

Aan deernis rijk, was aan het bed gezeten

Waarop 'k den Dood dikwijls om redding vroeg.

Zij zag mijn oogen overvol van smart.

En luistrend naar mijn waanverwarde kreten,

Verschrok zij dus, dat zij luidsnikkend kloeg,

Meenend dat ik mijn pijn niet meer verdroeg.

En de andre vrouwen, die haar hoorden weenen,

Leidden haar zachtkens henen

En susten me, om tot rust mij te doen komen.

Een zeide er: "Niet meer droomen!"

En: "Waarom zoo ontroostbaar?" de andre vroeg.

Toen riep ik met een stem, verstikt door 't weenen,

Mijn Vrouwe.... en 't vreemde droombeeld was verdwenen.

Zòò had de smart mijn zwakke stem geschaad,

En zòò mijn jammrend snikken haar gebroken,

Dat ik dien naam hoorde in mijn hart alleen.

Maar schoon ik 't liefst mijn gansch beschaamd gelaat

Voor hun nieuwsgierge blikken had verstoken,

Dwong Liefde mij 't te wenden tot hen heen.

Het zag zoo vaal dat zij als over een

Die sterven ging van mij schenen te spreken;

Ik hoorde elkaar hen smeeken:

"Ach, konden wij verzachten toch zijn lijden!"

En telkenkeer zij zeiden:

"Wat zaagt ge toch, dat dus uw kracht verdween?

En 'k sprak, toen weer mijn wanhoop was geweken:

"Hoort, vrouwen, 'k zal u van mijn droombeeld spreken."

Terwijl ik peinsde over ons broos bestaan,

En hoe zoo schielijk 't leven weer moet vluchten,

Weende in mijn hart Amor in droefnis groot;

Waardoor ik, van verbijstering ontdaan,

In mijn gedachten klagelijk verzuchtte:

"Ook voor mijn Vrouwe komt toch ééns de Dood."

Toen werd mijn smart zoo hevig dat ik sloot

Van pijnen moe mijn oogleên, zwaar van tranen;

En als verwarde wanen,

Gingen mijn geesten dwalen door mijn droomen;

Tot ze, eindelijk gekomen

Waar alle werklijkheid gansch van hen vlood,

Zagen een stoet van vrouwen jammrend gaan en

Roepend: "Ook gij zult sterven!" door hun tranen.

'k Zag teekens, vreemd en vreeslijk, onheilzwaar,

Ontstellen mijn verdwalende gedachten

In 't naamloos oord waar 'k mij in droom bevond,

'k Zag vrouwen zwermen met ontbonden haar,

Stil weenend of in jammerluide klachten,

Die als een brand droegen hun droefnis rond.

Toen leek het of de zonne langzaam zwond

In duisternis en bleeke sterren schenen:

't Was of ik hen zag weenen;

En vogels vielen neder onder 't zweven;

En de aard begon te beven;

Tot plotseling een bleek man voor mij stond,

Die sprak: "Deed u de tijding nog niet weenen?

Dood voerde uw Vrouwe, die zoo schoon was, henen!"

Ik sloeg mijn blikken, tranenblank, omhoog

En zag--een regen leek 't van hemelsch manna--

Een rij van englen keeren tot hun Heer.

Een teeder wolkje zwevend vòòr hen toog,

En allen zongen juichende: "Hosanna!"

Niets hoorde ik dan dien jubel keer op keer.

En Amor sprak: "Nu zwijge ook ik niet meer;

Kom, waar uw Vrouwe neerligt, met mij mede,"

En leidde mij ter stede

Waar ik haar doode lichaam mocht aanschouwen,

Ik zag: toen spreidden vrouwen

Een witte wade over haar aanzicht neer,

Dat, diepdeemoedig, als in stille bede,

Niets scheen te zeggen als "Ik ben in Vrede!"

En zulk een deemoed lenigde mijn pijn

Toen 'k hààr zag wie de Deemoed zelf verklaarde,

Dat 'k sprak: "O Dood, hoe lijkt ge mij zóó zoet!

Hoe zacht en lieflijk moet uw wezen zijn

Sinds ge mijn Vrouwe medenaamt van de aarde.

Meelij, geen haat is 't wat u komen doet.

'k Geloof dat ik u reeds gelijken moet,

Zoozeer verlangt mijn harte, moe van rouwen,

Aan ù zich te vertrouwen!"

Ik ging, en niets was van mijn smart gebleven;

En hemelwaarts geheven

Mijn blikken, zeide ik als ten laatsten groet:

"O schoone Ziel, zaalg wie u mag aanschouwen!"

Toen wektet gij me, dank uw zorg, o vrouwen.

Deze canzone heeft twee gedeelten: in het eerste zeg ik, sprekende

tot een onbepaald persoon, hoe ik door zekere vrouwen uit eene

ijdele droomverbeelding werd gewekt en beloofde hen deze te

verhalen; in het tweede zeg ik hoe ik hen dit verhaalde. Het

tweede begint: "Terwijl ik peinsde...." Het eerste gedeelte

kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik wat zekere

vrouwen en wat eene enkele zeiden en deden naar aanleiding van

mijnen droom, d. w. z. éér ik weder tot de werkelijkheid was

teruggekeerd; in het tweede zeg ik wat deze vrouwen zeiden,

nadat ik had opgehouden te ijlen; en dit gedeelte begint hier:

"Zoo had de smart...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Terwijl ik

peinsde...." zeg ik hoe ik hen dit mijn droombeeld verhaalde. En

hieromtrent maakte ik twee gedeelten: in het eerste verhaal

ik geregeld mijn droombeeld; in het tweede, zeggende op welk

oogenblik zij mij riepen, dank ik hen kortelijks; en dit gedeelte

begint hier: "Toen wektet gij me...."

§ XXIV.

Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl

ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen

alsof ik in tegenwoordigheid mijner Vrouwe ware geweest. En toen,

zegge ik, kwam tot mij eene verbeelding der Liefde; het scheen mij

namelijk dat ik Amor zag komen van dien kant waar mijne Vrouwe woonde;

en het scheen mij dat hij vroolijk tot mij zeide in mijn hart: "Denk

steeds den dag te zegenen waarop ik bezit van u nam, want wèl behoort

ge zulks te doen." En inderdaad scheen mijn hart zòò verblijd te zijn

dat het mij leek alsof het mijn eigen hart niet ware door zijnen

zoo nieuwen toestand. En kort na deze woorden, welke mijn hart mij

zeide met de stem der Liefde, zag ik op mij afkomen eene edele dame,

die van eene vermaarde schoonheid was en die reeds lang de Vrouwe

was van mijnen reeds vroeger bedoelden grootsten vriend. En de naam

dezer dame was Giovanna, behalve dat men haar--wegens hare schoonheid,

naar sommigen meenden--den bijnaam had gegeven van Primavera (dat is

de Lente) en aldus werd zij dan ook genoemd. En toeziende, zag ik

achter haar de wondere Beatrice komen. Deze beide vrouwen schreden

aldus tot dicht bij mij, de eene achter de andere en het scheen mij

dat de Liefde tot mij sprak in mijn hart en zeide: "Deze eerste werd

Primavera geheeten alleen terwille van hare komst op heden; want ik

bewoog hem die haar dien naam gaf haar Primavera te noemen, dat wil

zeggen: prima verrà, omdat "zij het éérst zou komen" op dien dag dat

Beatrice zich aan haren getrouwe zal vertoonen na het droomgezicht. En

indien ge het nog nader wilt beschouwen, beteekent ook haar werkelijke

naam hetzelfde als Primavera, omdat haar naam Giovanna [60] is afgeleid

van dien Johannes, die het waarachtige Licht voorspelde, zeggende:

"Ego vox clamantis in deserto: parate viam Domini" [61]. En het scheen

mij dat hij mij, na dit, nog andere woorden zeide, namelijk: "Wie het

zeer nauwkeurig overweegt, zoude Beatrice eigenlijk "Liefde" moeten

noemen, wegens de groote gelijkenis welke zij met mij heeft." Waarop

ik, wederom aan het peinzen rakende, mij voornam er op rijm over

te schrijven tot dien grootsten vriend, zekere woorden verzwijgend

welke het mij gepast scheen te verzwijgen [62], daar ik in de meening

was dat zijn hart nog steeds de schoonheid dier lieflijke Primavera

bewonderde. En ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint:

Ik voelde siddrend in mijn hart ontwaken,

Verlangen, dat lang sluimerde ongestoord,

En opziend zag van verre ik Amor naken,

Zoo blijde als ik hem nimmer had gehoord.

"Nu zorg" riep hij "mij niet te schand te maken".

En lachen, lachen luidde in ieder woord.

En nog terwijl zijn lippen aldus spraken,

Turend dien kant vanwaar hij kwam, zag 'k voort

Madonna Vanna en Monna Bice [63] komen

En schrijden, als twee wondren, de een na de aâr,

De plek waar ik in beven stond voorbij.

En Amor sprak--wél beeft mijn geest 't vernomen--

Déze is de Lente, en Liefde noem ik hààr,

Die op haar volgt, zoozeer gelijk ze mij.

Dit sonnet heeft vele gedeelten; het eerste van hen zegt hoe

ik de gewende siddering in mijn hart voel ontwaken, en hoe het

schijnt dat de Liefde mij vroolijk verscheen, van verre komend;

het tweede zegt hoe het mij scheen dat de Liefde in mijn hart

tot mij sprak en hoedanig hij mij verscheen; het derde zegt hoe,

nadat hij eene wijle naast mij gestaan had, ik zekere dingen zag en

hoorde. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu zorg riep hij...." het

derde hier: "En nog terwijl...." Het derde gedeelte kan worden

verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik datgene wat ik zag; in

het tweede zeg ik datgene wat ik hoorde. Het tweede begint hier:

"En Amor sprak...."

§ XXV.

Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen

te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen

kunnen maken dat ik spreek over de Liefde alsof deze iets ware op

zichzelf en niet slechts eene denkbeeldige zelfstandigheid, maar

eene lichamelijke. Hetgeen, strikt naar waarheid, niet juist is,

daar de Liefde niet gelijk eene zelfstandigheid op zichzelf bestaat,

maar een toestand der zelfstandigheid is. En dat ik van den geest der

Liefde spreek als ware hij lichaam, ja zelfs een menschelijk wezen,

blijkt uit drie dingen welke ik van hem zeg. Ik zeg dat ik hem van

verre zag komen; waaruit, aangezien "komen" eene ruimtelijke beweging

aanduidt, en volgens den filosoof [64] uitteraard alleen een lichaam

ruimtelijk beweegbaar is; blijkt dat ik de Liefde als een lichaam

voorstel. Voorts zeg ik van hem dat hij lachte en ook dat hij sprak;

welke zaken menschelijke eigenschappen schijnen te zijn, vooral het

lachen, en het blijkt dus dat ik hem voorstel als een mensch. Om dit

te verklaren, gelijk het op het oogenblik van pas schijnt, moet men

ten eerste weten, dat er eertijds geen minnezangers waren die in de

volkstaal schreven; maar zij die van liefde spraken waren dichters in

de Latijnsche taal. Bij òns, zeg ik--ofschoon het misschien wel bij

andere volken het geval was en nog is, zooals in Griekenland--waren

het dus geen volksdichters, maar geletterde dichters die deze stof

behandelden. En het is nog niet vele jaren geleden dat voor het eerst

volksdichters verschenen, want rijmen in de volkstaal beteekent

zooveel als spreken in verzen volgens eene bepaalde maat in het

Latijn. En het bewijs dat het eerst sinds korten tijd geschiedt, is,

dat wanneer wij zoeken in de taal van "oc" en in de taal van "si"

[65], wij in deze talen geene gedichten vinden ouder dan honderd en

vijftig jaren voor dezen [66]. En de reden waarom sommige onbeschaafde

lieden vermaard werden als dichters is, dat zij ongeveer de eersten

waren die in de taal van "si" schreven. En de eerste die begon te

dichten als een volksdichter deed zulks omdat hij zijne woorden wilde

doen verstaan door eene vrouwe, aan wie het moeilijk viel Latijnsche

verzen te begrijpen. En dit is gericht tot diegenen die rijmen over

andere zaken dan welke de Liefde betreffen; aangezien deze wijze van

dichten aanvankelijk werd uitgevonden om van de Liefde te spreken

[67]. Zoodat het, aangezien den dichters eene grootere vrijheid van

spreken is veroorloofd dan den prozaschrijvers, en de bedoelde rijmers

niets anders zijn dan dichters in de volkstaal, gepast en redelijk is

dat ook aan hen eene grootere vrijheid van spreken worde toegestaan

dan aan andere schrijvers in de volkstaal; zoodat, wanneer een of

andere beeldspraak of rhetorische wending den dichters is toegestaan,

zij ook den rijmers moet worden toegestaan. En dus, wanneer wij zien

dat de dichters tot onbezielde dingen gesproken hebben alsof zij

gevoel en verstand hadden, en hen ook met elkaar lieten spreken;

en niet slechts werkelijke dingen, maar ook zelfs onwerkelijke

(ik bedoel, dat zij gezegd hebben dat zelfs eigenschappen spraken

alsof het lichamen en menschen waren) zoo past het dat de rijmer dit

eveneens moge doen; niet zonder reden, maar met een reden, welke het

mogelijk is in proza te verduidelijken. Dat de dichters gesproken

hebben zooals ik hier zeide, blijkt aan Virgilius [68], die zegt dat

Juno, eene godin die den Trojaners vijandig was, sprak tot Aeolus,

den god der winden, op deze plaats in het eerste boek der Aenëide:

"Aeole, namque tibi" [69] en dat deze god antwoordde: "Tuus, o regina,

quid optes" [70]. Bij dezen zelfden dichter spreekt in het derde

boek der Aenëide een onbezield ding tot een bezield op deze plaats:

"Dardanidae duri" [71]. Bij Lucanus spreekt een bezield ding tot een

onbezield op deze plaats: "Multum, Roma, tamen debes civilibus armis"

[72]. Bij Horatius spreekt de mensch tot zijne eigene wetenschap als

tot een ander persoon en dit zijn niet slechts woorden van Horatius

zelf, maar hij ontleent ze aan den goeden Homerus op deze plaats

zijner Boetria: "Dic mihi, Musa virum" [73]. Bij Ovidius spreekt

de Liefde alsof zij een menschelijk wezen is in het begin van het

boek hetwelk den naam draagt "Remedia Amoris" [74] op deze plaats:

"Bella mihi, video, bella parantur, ait" [75]. En hiermede zal

dit duidelijk gemaakt zijn voor dengene die tegen eenig gedeelte

van dit mijn boekske bezwaar mocht hebben. En opdat niet een of

ander onbeschaafd man hieraan eenigen overmoed ontleene, zeg ik, dat

evenmin als de dichters aldus zonder reden spreken, evenmin de rijmers

aldus spreken moeten zonder eenige reden te hebben voor hetgeen zij

zeggen: want ten zeerste behoort zich diegene te schamen die iets

samenstelt in het kleed van een rhetorisch beeld of wending en die,

hierom aangezocht, zijne woorden niet zou weten te ontdoen van zulk

een kleed, opdat men hem waarlijk kon verstaan. En deze mijn grootste

vriend en ik kennen genoeg van zulke dwazelijk rijmenden.

§ XXVI.

De allerlieflijkste Vrouwe, over wie in de voorgaande woorden werd

gesproken, kwam in zoodanige gunst bij iedereen, dat wanneer zij over

straat ging de menschen uitliepen om haar te zien; waarover ik eene

wonderbare vreugde gevoelde. En wanneer zij in iemands nabijheid

gekomen was, kwam zulk eene eerzaamheid in diens hart, dat hij het

niet waagde de oogen op te slaan, noch haren groet te beantwoorden;

en dit zouden velen, die zulks ondervonden hebben kunnen getuigen

voor wie het niet wilden gelooven. Zij schreed voort, gekroond en

bekleed met deemoed, niet den minsten trots toonend over wat zij

zag of hoorde. Velen zeiden wanneer zij voorbijgegaan was: "Deze

is geene vrouw, maar een der schoonste engelen uit den hemel". En

anderen zeiden: "Deze is een wonder; gezegend zij de Heer, die iets

zoo wonderbaarlijks weet te scheppen!" Ik zegge, dat zij zich zoo

lieflijk en zoo vol van alle bekoorlijkheden betoonde dat diegenen

die haar bewonderden zulk eene eerzame en zoete verrukking in zich

gevoelden, dat zij haar niet konden uitspreken; noch was er iemand die

haar kon bewonderen zonder dat hij al dadelijk moest zuchten. Deze

en nog meer verwonderlijke zaken bracht zij te weeg door de werking

harer deugd. Waardoor ik, hierover nadenkende en wenschende den stijl

van haren lof wederom te hervatten, mij voornam woorden te zeggen in

welke ik hare wonderbare en uitnemende werkingen te verstaan gaf;

opdat niet alleen zij die haar zintuigelijk konden zien, maar ook

anderen van haar zouden weten wat woorden ervan konden kenbaar

maken. Daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:

Zoo zuiver en zoo zedig ingetogen

Is mijner Vrouwe minnelijke groet,

Dat ze ieders tong siddrend verstommen doet

En géén waagt tot haar op te slaan zijn oogen.

Zoo schrijdt zij voort en hoort haar lof verhoogen,

Verheerelijkt in deemoeds blanken gloed;

De Hemel zond tot de aarde een engel zoet,

Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.

Wie haar zoo zacht en nederig ziet gaan,

Voelt in zijn hart een innigheid ontbloeien,

Die geen bevat zoo hij 't niet ondervond;

En 't is of van haar teerbewogen mond

Een adem als van Liefde zelf komt vloeien,

Die zucht: Verlangen zij uw deel voortaan.

Dit sonnet is zoo gemakkelijk te begrijpen, door hetgeen hierboven

is verhaald, dat het geenerlei verdeeling behoeft; en dit derhalve

nalatend.

zeg ik, dat deze mijne Vrouwe in zoo groote gunst kwam dat niet alleen

zìj geëerd en geprezen werd; maar tengevolge van haren invloed ook

vele anderen geëerd en geprezen werden. Waarop ik, dit ziende en het

willende openbaren aan hen die het niet zien konden, mij voornam

ook woorden te spreken, waarin dit werd aangeduid; en ik schreef

toen dit sonnet, hetwelk begint: "Het hoogste heil moet ieder hart

verblijden....", hetwelk verhaalt van haar, hoe hare deugd werkte in

anderen; gelijk blijkt in zijne verdeeling.

Het hoogste heil moet ieder hart verblijden

Dat schouwt mijn Vrouwe in andrer vrouwen kring;

Wel voegt dat wie haar ooit mocht begeleiden,

God danke in diepe verootmoediging.

Zòò zedig is haar schoonheid en bescheiden,

Dat nimmer nijd der andren hart beving;

Maar ze ook om hen een glorie schijnt te spreiden

Van hoop, van liefde en van verteedering.

Haar blik maakt alles nederig en goed,

En niet haarzelve alleen, maar allen schenken

Haar lieflijkheên een glans van heiligheid.

En heel heur wezen is zoo wonderzoet,

Dat niemand die haar zag aan haar kan denken

Zonder een zucht om Liefde's zaligheid.

Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste zeg ik onder welke

lieden mijne Vrouwe het bewonderenswaardigst verscheen; in het

tweede zeg ik hoe dankbaar haar gezelschap was; in het derde

spreek ik van de dingen welke zij door hare deugd in anderen

te weeg bracht. Het tweede gedeelte begint hier: "Wel voegt het

dat...."; Het derde hier: "Zoo zedig is...." Dit laatste gedeelte

kan verdeeld worden in drieën: in het eerste zeg ik wat zij werkte

in deze vrouwen, dat wil zeggen voor henzelf; in het tweede zeg ik

hoe zij niet alleen verwonderlijk werkte in deze vrouwen, maar in

alle menschen, en niet alleen tijdens hare aanwezigheid, maar ook

wanneer men slechts aan haar dacht. Het tweede begint hier: "Haar

blik maakt alles...."; het derde hier: "En heel haar wezen...."

§ XXVII.

Hierna begon ik op eenen dag te denken over datgene wat ik van mijne

Vrouwe gezegd had, dat wil zeggen in de beide voorgaande sonnetten;

en ziende in mijne overweging dat ik niets gezegd had van datgene

wat zij op het oogenblik in mijzelf uitwerkte, scheen het mij dat ik

gebrekkiglijk gesproken had; en dus nam ik mij voor woorden te zeggen

in welke ik zeide op welke wijze ik ontvankelijk scheen te zijn voor

haren invloed en hoe hare deugd in mij werkte. En meenende zulks niet

in de beknoptheid van een sonnet te kunnen verhalen, begon ik toen

eene canzone [76], welke begint:

Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht

En mij gewend aan zijne heerschappij,

Dat even hard als eerst mijn slavernij

Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht.

En zoo, wanneer hij ganschelijk mijn kracht

Mij rooft en mijn gedachten jaagt uit mij,

Gevoelt mijn zwijmelende ziel zòò blij,

Dat mijn gelaat, ofschoon verbleekend, lacht.

Dan voel ik hem zoo hevig in mijn leven,

Dat hij mijn zuchten dolend roepen doet

Om mijne Vrouwe zoet,

Of zij nog hooger heil mij konde geven.

Dus ondervinde ik, wààr mijn oog haar ziet,

Zòò zacht is zij: maar woorden zeggen 't niet.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 14 / 48 题