(1274-1287).
§ I.
Negen malen welhaast na mijne geboorte was de hemel des lichts
[5] tot hetzelfde punt weergekeerd, voor zoover zijn eigen omloop
betreft, toen mijnen oogen voor het eerst verscheen de glorierijke
Vrouwe mijner Gedachte, die door velen, die niet wisten hoe haar te
moeten noemen, Beatrice werd geheeten [6]. Zij had reeds zoolang in
dit leven verwijld, dat zich gedurende haren tijd de bestarde hemel
het twaalfde gedeelte van eenen graad naar het oosten bewogen had [7]:
zoodat zij mij verscheen ongeveer in het begin van haar negende jaar
en ik haar aanschouwde ongeveer aan het einde van het mijne. En zij
verscheen mij omkleed met de edelste kleur, een bescheiden en eerzaam
rood, omgord en getooid naar den trant welke haren zeer jeugdigen
leeftijd betaamde. Op dit oogenblik, zegge ik naar waarheid, begon
de geest des levens [8], die in de verborgenste kamer des harten
woont, zoo sterk te beven, dat hij tot in de geringste aderen zich
schrikkelijk deed gevoelen; en bevende sprak hij deze woorden:
"Ecce Deus fortior me, qui veniens dominabitur mihi" [9]. Toen begon
de dierlijke geest, die woont in die hooge kamer, waarheen alle
zinnelijke geesten hunne waarnemingen dragen, zich zeer te verbazen,
en sprekende tot de geesten des gezichts, zeide hij deze woorden:
"Apparuit jam beatitudo vestra" [10]. Toen begon de natuurlijke
geest, die woont in dat deel des lichaams, waar voor onze voeding
wordt zorg gedragen, te jammeren en zeide weenende: "Heu miser, quia
frequenter impeditus ero deinceps!" [11]. Van toen af, zegge ik,
heeft Amor [12] mijnen geest, die zoo schielijk met hem gehuwd was,
beheerscht en begon hij eene zoo groote en zekere macht over mij te
verkrijgen, door de kracht welke mijne verbeelding hem schonk, dat
ik genoodzaakt was geheel en al naar het hèm beviel te handelen. Zeer
dikwijls beval hij mij den aanblik van die jeugdige engel te zoeken;
zoo dat ik in mijne jonkheid haar ook herhaaldelijk zocht; en ik zag
haar van een zoo ongekend en lofwaardig wezen, dat men zekerlijk van
haar kon zeggen die woorden van den dichter Homeros: "Zij scheen niet
de dochter van een sterfelijk mensch, doch van eenen god." [13] En
het geviel dat haar beeld, hetwelk voortdurend in mij was, ofschoon
het mij met de koenheid der Liefde regeerde, ganschelijk was van eene
zòò edele deugdzaamheid, dat het nimmer gedoogde dat de Liefde mij
beheerschte zonder den trouwen raad der rede, in die zaken waar zulk
een raad nuttig was te hooren. Doch daar een te lang vertoeven bij
de hartstochten en handelingen eener zoo prille jeugd, eenigszins zou
kunnen gelijken op verzinsel, zal ik daarvan afscheid nemen; en vele
zaken overslaande, welke ik evenals het volgende zou kunnen verhalen,
wil ik overgaan tot die woorden, welke in mijn geheugen in grooter
paragrafen staan geschreven.
§ II.
Toen er zoovele dagen waren voorbij gegaan, dat juist negen jaren
vervuld waren [14] sedert de bovenbeschreven verschijning dier
Allerlieflijkste [15], gebeurde het op den laatste dezer dagen dat
deze bewonderenswaardige Vrouwe mij verscheen, gekleed in zuiver-witte
kleur, temidden van twee edele dames, die van ouderen leeftijd waren;
en voorbij schrijdend door eene straat, wendde zij de oogen naar
dien kant waar ik, vol vreeze, stond: en in hare onuitsprekelijke
hoofschheid [16], welke nu in de Eeuwigheid vergolden wordt,
groette zij mij met een blik zoo vol van deugden [17], dat het mij
toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid. Het uur waarop
haar allerzoetste groet mij gewerd, was juist het negende van dien
dag: en omdat het de eerste reize was dat hare woorden zich tot
mijne ooren bewogen, werd ik door zulk eene verteedering bevangen,
dat ik mij als dronken van de menigte afzonderde. En ik vlood naar
de eenzaamheid mijner kamer en zette mij daar tot peinzen over deze
zeer hoofsche Vrouwe.
§ III.
En terwijl ik over haar peinsde overviel mij een zoete sluimer,
in welken mij een wonderbaar gezicht verscheen: het leek mij dat ik
in mijne kamer eenen vuurkleurigen nevel zag, binnen welken ik de
gedaante onderscheidde van eenen man van vreeswekkend aanschijn voor
wie hem aanschouwden: maar toch scheen hij, wat hemzelf betrof, zoo
vroolijk dat het verwonderlijk was: en sprekende zeide hij vele dingen,
waarvan ik slechts weinig verstond, waaronder echter deze woorden:
"Ego Dominus tuus" [18]. In zijne armen meende ik eene slapende
gestalte te zien, naakt [19], behalve dat zij mij gehuld leek in
een kleed van teeder rood; welke gestalte ik na zeer aandachtige
beschouwing herkende als die Vrouwe des Heils [20], die mij den
vorigen dag eenen groet had waardig geacht. En het leek mij dat de
verschijning in de eene hand iets hield dat geheel en al brandde
en het leek mij dat hij deze woorden tot mij sprak: "Vide cor tuum"
[21]. En nadat hij eene pooze aldus gestaan had, leek het mij dat hij
de slapende wekte, en zòò sterk was hij door de kracht van zijnen
geest, dat hij haar dit voorwerp, dat brandde in zijne hand, deed
eten; hetwelk zij weifelend at [22]. Hierna, kort daarop, veranderde
zijne vreugde in bitterst geklag: en aldus klagend, nam hij de Vrouwe
opnieuw in zijne armen en het scheen mij dat hij met haar hemelwaarts
vlood: waarover ik in zulk eenen hevigen angst geraakte dat mijn
lichte sluimer het niet kon verduren, maar afbrak en ik ontwaakte. En
onmiddellijk begon ik te peinzen; en ik vond dat het uur waarop het
gezicht mij verschenen was, het vierde uur geweest was van dien nacht:
zoodat het duidelijk blijkt dat het het eerste uur was van de negen
laatste uren des nachts. En steeds peinzend over wat mij verschenen
was, nam ik mij voor het aan velen bekend te maken, die in dien tijd
vermaarde troubadours waren: en omdat ik reeds uit mijzelf de kunst
geleerd had in rijmen te spreken [23], nam ik mij voor een sonnet te
maken, in hetwelk ik eenen groet bracht aan alle Getrouwen der Liefde
[24]; en hen verzoekend om hun oordeel over mijn gezicht, beschreef
ik hen wat ik in mijnen slaap gezien had. En ik begon toen dit sonnet:
Elk edel hart, [25] dat juist der Liefde gloed,
Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen--
Opdat het mij zijn meening moog' verhalen--
In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!
Reeds henen was dra 't derde deel gespoed
Der uren waarin alle sterren stralen,
Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen,
Zòò, dat herinnring nòg mij beven doet.
Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen
Droegen mijn hart, en in zijn armen had
Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;
Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde,
Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....
En klagend vlood hij als in bitter leed.
Dit sonnet bestaat uit twee gedeelten: in het eerste gedeelte breng
ik mijnen groet en vraag ik antwoord; in het tweede duid ik aan
waarop geantwoord moet worden. Het tweede gedeelte begint hier:
"Reeds henen was...."
Op dit sonnet werd door velen en in verschillenden zin geantwoord, en
onder hen die antwoordden bevond zich hij, dien ik mijnen grootsten
vriend noem [26]. Deze schreef toen een sonnet, hetwelk begint:
"Ge zaagt, naar het mij schijnt, het hoogste goed" [27]. En het was
zoo te zeggen het begin der vriendschap tusschen hem en mij toen
hij vernam dat ik degene was die hem zulks had gezonden. De ware
beteekenis van den droom werd toen door niemand gezien, maar thans
is zij zelfs den meest onnoozelen duidelijk [28].
§ IV.
Van dit gezicht af begon mijn natuurlijke geest belemmerd te worden
in zijne werking, wijl mijne ziel geheel was overgegeven aan de
bepeinzing dier Allerlieflijkste, zoodat ik binnen korten tijd van
eenen zoo broozen en zwakken staat werd, dat het vele vrienden bij
mijnen aanblik bekommerde; en velen, die vol nieuwsgierigheid waren,
gaven zich moeite van mij te weten te komen wat ik van alle dingen
het liefste voor anderen wilde verbergen. En ik, hun lastig aandringen
bemerkend, antwoordde hen door den wil der Liefde, die mij zulks beval
volgens den raad der Rede, dat Liefde degeen was die mij dus had doen
worden: ik zeide Liefde, omdat ik in mijn gelaat zoovele harer teekenen
droeg, dat ik het niet kon verbergen. En wanneer zij mij vroegen:
"Om welke is het dat de Liefde u dus heeft verteerd?" dan zag ik hen
glimlachende aan en zeide niets.
§ V.
Op eenen dag gebeurde het dat deze Allerlieflijkste gezeten was dààr,
waar gesproken wordt over de Koningin der Glorie [29], en ik bevond
mij op eene plaats, van welke ik mijne gelukzaligheid kon zien:
en midden tusschen haar en mij, in rechte lijn, zat eene edele
dame van zeer bekoorlijk aanschijn, die mij dikwijls aanzag, zich
verwonderend over mijn staren, hetwelk bij haar scheen te eindigen;
zoodat velen eveneens zich verwonderden. En zoo machtig werd mijne
ziel aangegrepen, dat, toen ik die plaats verliet, ik achter mij hoorde
zeggen: "Ziet, hoe gindsche dame het uiterlijk van dezen ontstelt". En
toen zij haren naam noemden, begreep ik dat zij dit zeiden van haar
die in het midden gezeten had van de rechte lijn, welke uitging van
de lieflijke Beatrice en eindigde in mijne oogen. Dit vertroostte
mij ten zeerste, omdat het mij de zekerheid gaf dat mijn geheim
dien dag niet door mijne blikken aan anderen bekend was geworden:
onmiddellijk bedacht ik deze edele dame tot een scherm der waarheid
te maken [30]; en zoo vaardig betoonde ik mij hierin binnen korten
tijd, dat de meeste lieden die over mij spraken, waanden mijn geheim
te weten. Achter deze dame verborg ik mij eenige jaren en maanden; en
om den anderen het eerder te doen gelooven, maakte ik voor haar zekere
gedichtjes, welke het niet mijne bedoeling is hier neer te schrijven,
tenzij dan voorzoover zij betrekking hebben op de lieflijke Beatrice;
en daarom laat ik ze allen terzijde, behalve dat ik iets er van zal
over schrijven dat haren lof schijnt te bevatten.
§ VI.
Ik zeg dan dat in dien tijd, toen deze dame een scherm was voor mijne
zoo groote liefde, voorzoover althans mijzelf betrof, de begeerte
in mij opkwam den naam der Allerlieflijkste uit te spreken en hem te
doen vergezellen van vele namen van vrouwen, in het bijzonder van den
naam dier edele dame; en ik nam de namen van zestig der schoonste
vrouwen uit die stad, alwaar mijne Vrouwe door den allerhoogsten
Koning geplaatst was, en ik stelde eenen brief samen in den vorm eener
serventese [31], welke ik niet zal opschrijven; en ik zoude hiervan
geen melding gemaakt hebben, ware het niet om aldus te zeggen wat,
terwijl ik hem samenstelde, wonderbaarlijkerwijze geviel, namelijk
dat de naam mijner Vrouwe op geen enkele andere plaats kon komen te
staan tusschen de namen dier vrouwen dan op de negende.
§ VII.
Het geschiedde dat de dame, door middel van welke ik zoo langen
tijd mijne begeerte had verborgen, uit bovenbedoelde stad vertrok en
zich begaf naar eene zeer verre streek: waarover ik, als verbijsterd
door het verlies mijner schoone bescherming, mij meer bedroefde dan
ikzelf tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden. En bedenkende dat,
wanneer ik niet het een of ander droevigs zeide over haar vertrek,
de lieden al spoedig mijn geveins zouden bemerken, nam ik mij voor
er ietwat over te klagen in een sonnet, hetwelk ik wil opschrijven,
omdat mijne Vrouwe de onmiddellijke aanleiding voor zekere woorden was,
welke in het sonnet staan, gelijk duidelijk is voor wie het begrijpt:
en ik schreef toen dit sonnet [32], hetwelk begint:
Gij, die 'k voorbij langs Amor's weg zie schrijden,
Nu wilt aandachtig beiden:
Zaagt ge ooit een smart gelijk de mijne groot?
O wilt mijn klacht niet ongeduldig mijden:
Hoort, hoe aan alle lijden
Mijn ledig hart sleutel en toevlucht bood.
Niet naar gering verdienst mij te onderscheiden,
Maar uit genâ bereidde
Amor me een leven, zoet als geen genoot;
En dikwijls hoorde ik heimlijk mij benijden:
Wat deugd kon zulk verblijden
Schenken een hart dat vreugde vroeger vlood!
Maar 't lot kwam mij den overmoed ontstelen,
Dien 'k zelf ontnam aan Liefde's schoonen schat;
En zòò arm bleef ik, dat
Ik zelfs den moed mis 't andren mee te deelen
En--als uit schaamt' 't gebrek dat hij bezat,
Zoo menigeen der wereld wou verhelen--
Des blijden rol blijf spelen,
Terwijl mijn hart smelt in der tranen nat.
Dit sonnet heeft twee hoofdgedeelten: in het eerste namelijk is
het mijne bedoeling den Getrouwen der Liefde deze woorden van den
profeet Jeremia toe te roepen: "O vos omnes, qui transitis per
viam, attendite et videte, si est dolor sicut dolor meus [33];
en hen te smeeken naar mij te willen luisteren. In het tweede
verhaal ik in hoedanig een leven de Liefde mij geplaatst had,
in eenen anderen zin evenwel dan de laatste gedeelten van het
sonnet aanwijzen [34] en zeg ik wat ik verloren heb. Het tweede
gedeelte begint hier: "Niet naar gering verdienst...."
§ VIII.
Na het vertrek van deze edele dame behaagde het den Heer der Engelen
tot zijne glorie te roepen eene jonkvrouw, jeugdig en van lieflijk
aanschijn, die zeer bemind was in bovenbedoelde stad; wier lichaam
ik ontzield zag liggen te midden van vele vrouwen, die erbarmelijk
weenden. Toen, mij herinnerend dat ik haar wel gezien had in gezelschap
der Allerlieflijkste, kon ik enkele tranen niet weerhouden; en nog
weenende nam ik mij voor eenige woorden te zeggen over haren dood,
ter vergelding daarvan dat ik haar enkele malen samen met mijne Vrouwe
gezien had. En hierop zinspeelde ik ietwat in het laatste deel der
woorden welke ik erover schreef, hetgeen duidelijk blijkt aan dengene,
die het begrijpt [35]; en ik schreef toen deze twee sonnetten, van
welke het eerste begint: "Klaagt, al wie mint...." en het tweede:
"O lage Dood...." [36].
Klaagt, al wie mint, nu ge Amor zelf hoort klagen,
Vernemend zijner diepe droefnis reên:
Veel vrouwen zag hij jammerend bijeen,
Wier bitter leed erbarmen scheen te vragen,
Omdat de lage Dood wreed heeft verslagen
Een edel hart, vol zoete lieflijkheên,
Verwoestend wat het meest, na de eer, in een
Minlijke maagd der wereld moet behagen.
Nu hoort wat laatste eer Amor haar bewees:
Over der doode lieflijk beeld gebogen
Zag 'k weenen hem in tastbare gedaant',
En dikwijls hief hij zijn gelaat, betraand
Omhoog, tot waar de ziel reeds was getogen
Van haar, wier blijde schoonheid men ééns prees.--
Dit eerste sonnet bestaat uit drie gedeelten. In het eerste
roep ik de Getrouwen der Liefde aan en wek ik hen op te weenen;
en ik zeg dat hun Heer weent, en ik zeg dit opdat zij, vernemend
de reden waarom hij weent, meer geneigd zullen zijn naar mij te
luisteren. In het tweede verhaal ik deze reden; in het derde
spreek ik van een eerbewijs dat de Liefde aan deze jonkvrouw
betoonde. Het tweede gedeelte begint hier: "Veel vrouwen....",
het derde hier: "Nu hoort...."
O lage Dood! vijand der teedre harten,
Oervader aller smarten,
Doemsprake wreed en onafwentelbaar!
Nu 'k met een hart van zorg en weedom zwaar,
Droef-peinzend ommewaar,
Blijve in uw blaam mijn tong vermoeinis tarten!
Om nog uw lage snoodheid te verzwarten,
Roepe ik langs weg en markten,
Uw ergste arglist uit; schoon ze openbaar
Voor elk reeds is, opdat door deze maar
Toorn moge ontbranden waar
Anders slechts Liefde ontgloeien doet de harten.
Nu moet wel de aarde om haar ontluistring rouwen;
Want wat er 't hoogst te prijzen valt: de deugd,
Bloeiend in blijde jeugd,
Ontnaamt ge haar in deze hoofsche vrouwe.
Haar naam wil ik u verder niet ontvouwen:
Elk kent hem wien haar schoonheid heeft verheugd.
Nooit hope hij, wiens deugd
't Hoogst heil niet heeft verdiend, haar weer te aanschouwen.
Dit sonnet bestaat uit vier gedeelten: in het eerste gedeelte roep
ik den Dood aan met enkele zijner toepasselijke benamingen; in
het tweede zeg ik, tot hem sprekende, de reden welke mij beweegt
hem te smaden; in het derde gisp ik hem: in het vierde wend ik
mij tot een onbepaald persoon, ofschoon deze in mijne bedoeling
wèl bepaald is. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu 'k met een
hart...."; het derde hier: "Om nog uwe lage...."; het vierde hier:
"Nooit hope hij...."
§ IX.
Eenige dagen na den dood dezer jonkvrouw gebeurde er iets [37],
tengevolge waarvan ik de bovenbedoelde stad moest verlaten en mij
begeven in de richting dier streek waar de edele dame vertoefde,
die mijne bescherming geweest was, ofschoon het doel mijner reis
niet zoo verwijderd was als zij. En niettegenstaande ik in gezelschap
van vele anderen was, mishaagde mij deze tocht, naar mijn uiterlijk
deed blijken, zoozeer, dat mijne zuchten nauw bij machte waren
de beklemming uiting te geven welke mijn hart gevoelde, omdat ik
mij van mijne gelukzaligheid verwijderde. En toen verscheen mij in
mijne verbeelding mijn allerzoetste Heer, die mij beheerschte door de
deugd dier allerlieflijkste Vrouwe, als een pelgrim gekleed, licht en
onaanzienlijk. Hij leek mij verbijsterd en zag ter aarde, behalve dat
het mij nu en dan scheen dat zijne oogen zich wendden tot eene schoone
stroomende en heldere rivier, welke vloeide langs den weg, waarop
ik mij bevond. Het leek mij dat Amor mij riep en deze woorden zeide:
"Ik kom van die dame, die langen tijd uwe bescherming is geweest en ik
weet dat zij niet zal terugkeeren; en daarom heb ik dat hart, hetwelk
ik u bij haar deed hebben, nu bij mij en breng het naar eene dame,
die nu voortaan uwe bescherming zal zijn gelijk deze het was"; en
hij noemde haar mij, zòò, dat ik haar goed kende. "Maar in elk geval,
indien ge iets zegt van de woorden welke ik nu tot u heb gesproken,
zoo doe het geheel op zulk eene wijze dat uit hen niet blijke de
voorgewende liefde welke gij voor deze betoond hebt en welke gij nu
aan eene andere zult moeten betoonen." En deze woorden gezegd hebbende,
verdween de verschijning geheel plotseling, tengevolge van het groote
aandeel dat, naar het mij scheen, de Liefde mij van zich gaf: en,
als veranderd in mijn uiterlijk, reed ik dien dag zeer zwijgzaam en
vergezeld van vele zuchten. Toen de dag voorbij was begon ik hierover
dit sonnet, hetwelk begint:
Onlangs, terwijl ik mijmerende reed,
Moede en misnoegd om mijnen langen tocht,
Zag 'k, halfweegs, vòòr mij doemen wie mij docht
Amor, in pelgrim's licht gewaad gekleed.
Zijn aanschijn was als van een man die leed:
't Leek of hij tegen eigen wenschen vocht,
Wijl, 't hoofd omlaag, of hij te mijden zocht
Der menschen blik, hij zuchtend verder schreed.
Hij zag me, en bij den naam riep hij mij toe,
Zeggend: "Ik ben uit dit ver oord gekomen,
Waar door mijn wil de Liefde uw harte bindt;
En 'k peins waar 'k nieuwe vreugden voor u vind."
Toen vulden zòò mij Liefde's zoete droomen,
Dat hij verdween en 'k niet bemerkte hoe.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste gedeelte zeg
ik hoe ik de Liefde ontmoette en hoe hij mij verscheen; in het
tweede zeg ik wat hij mij zeide, ofschoon niet geheel en al, uit
vreeze mijn geheim te zullen verraden; in het derde zeg ik hoe
hij verdween. Het begint hier: "Hij zag me...."; het derde hier:
"Toen vulden zòò...."
§ X.
Na mijne terugkomst zette ik mij er toe de dame te zoeken, die
mijn Heer mij genoemd had op den weg der zuchten. En opdat mijne
woorden korter zijn mogen, zeg ik dat ik in weinig tijds haar
zoodanig tot mijne bescherming maakte, dat maar al te vele lieden
er over spraken op eene wijze, welke de hoofschheid te buiten ging,
waardoor ik mij dikwijls zeer hard bedrukt gevoelde. En om deze reden,
dat wil zeggen om dit overdreven gerucht, hetwelk mij schandelijk
scheen te belasteren, gebeurde het dat de Allerlieflijkste, die de
vernietigster is van alle kwaad en Koningin der deugd, langs eenen
weg mij voorbij schrijdende, mij haren zoeten groet, in welken gansch
mijne gelukzaligheid was gelegen, ontzegde. En, eenigszins van mijn
voorgenomen plan afwijkend, wil ik trachten te doen verstaan wat haar
groet door zijne deugd in mij verrichtte.
§ XI.
Zoo zegge ik dan, dat wanneer zij van ergens verscheen, door de hoop op
haren wonderen groet, niemand meer mijn vijand bleef, maar een brand
van liefde mij vervulde, welke mij iedereen die mij gedeerd had deed
vergeven: en wanneer iemand mij dan iets gevraagd hadde, zou mijn
antwoord alleen geweest zijn: "Liefde", met een gelaat, omkleed van
deemoed. En wanneer zij een weinig nader was aan het groeten, drong
een geest van Liefde, alle andere zinnelijke geesten overwinnend,
de zwakke geesten des gezichts naar buiten en zeide tot hen: "Gaat
henen uwe Vrouwe te begroeten", en hij bleef in hunne plaats. En wie de
Liefde had willen kennen, hadde zulks gekund door de siddering mijner
oogen te bestaren. En wanneer dit Allerlieflijkste Heil mij groette,
was de Liefde niet zulk een hindernis dat zij mijne niet te bevatten
gelukzaligheid verduisterde, maar als door eene overmaat van zoetheid
werd zij zoodanig, dat mijn lichaam, hetwelk dan geheel en al onder
hare heerschappij was, zich dikwijls slechts bewoog als een zwaar
en onbezield ding. Zoodat het duidelijk blijkt dat in haren groet
mijne gelukzaligheid woonde, welke dikwijls mijn bevattingsvermogen
te buiten ging en overgolfde.
§ XII.
Thans tot mijn onderwerp terugkeerend, zegge ik, dat toen mijne
gelukzaligheid mij werd ontzegd, eene zoo groote smart mij overkwam,
dat ik mij van de menschen afzonderde en mij naar eene eenzame plek
begaf om daar den grond met bittere tranen te baden: en nadat ik mij
door dit weenen eenigszins had verlicht, zette ik mij in mijne kamer,
alwaar ik kon klagen zonder gehoord te worden. En hier riep ik om
erbarmen tot de Vrouwe der Hoofschheid, en zeggende: "O Liefde, help
uwen Getrouwe", sliep ik weenende in als een geslagen knaapje. Het
geviel omstreeks het midden van mijnen slaap dat het mij toescheen
als zage ik in mijne kamer naast mij zitten eenen jongeling, gehuld
in een sneeuwblank gewaad; en zeer nadenkend, naar zijn aanschijn te
oordeelen, keek hij naar mij waar ik lag; en toen hij mij eene pooze
had aangekeken, scheen het mij dat hij mij zuchtende riep, en hij zeide
mij deze woorden: "Fili mi, tempus est ut praetermittantur simulacra
nostra". [38] Toen scheen het mij dat ik hem herkende, omdat hij mij
aldus riep als hij reeds herhaalde malen mij in mijne zuchten geroepen
had. En hem aanziende scheen het mij dat hij erbarmelijk weende en
het leek als verwachtte hij van mij eenig antwoord; waarop ik, mij
beheerschend, aldus tot hem begon te spreken: "Heer der Edelmoedigheid,
waarom weent ge?" En hij zeide mij deze woorden: "Ego tamquam centrum
circuli, cui simili modo se habent circumferentiae partes; tu autem non
sic" [39] [40]. Hierop peinzende over zijne woorden, scheen het mij dat
hij zeer duister gesproken had, zoodat ik mij dwong tot spreken, en ik
zeide hem deze woorden: "Wat is dit, o Heer, hetwelk ge tot mij spreekt
met zoo groote duisterheid?" En hij zeide tot mij in de volkstaal
[41]: "Vraag niet meer dan u nuttig is". En hierop begon ik met hem
te spreken over den groet, welke mij geweigerd was; en ik vroeg hem
de reden hiervan, waarop mij door hem op deze wijze werd geantwoord:
"Onze Beatrice vernam van zekere lieden die over u spraken, dat de
dame, die ik noemde op den weg der zuchten, door u eenigen overlast
ondervond. En daarom heeft de Allerlieflijkste, die eene vijandin is
van allen aanstoot, zich niet verwaardigd u te groeten, vreezende
dat ook zij gelegenheid tot aanstoot zoude geven. Vandaar dat ik,
wijl zij werkelijk uw geheim door lange gewoonte eenigszins kent,
wensch dat ge enkele woorden op rijm zult zeggen in welke gij samenvat
de macht, welke ik door haar over u bezit, en hoe gij de hare waart,
dadelijk van uwe kindsheid af. En roep hieromtrent tot getuige dengene
die het weet en zeg hoe ge hem bidt dat hij haar dit moge mededeelen:
en ik, die zelf diegene ben, zal het gaarne verklaren; en daardoor
zal zij uwen wensch gevoelen, en dezen gevoelende, zal zij de woorden
der bedrogenen begrijpen. Maar zorg dat uwe woorden als het ware
bemiddelaars zijn, zòò dat ge niet onmiddellijk tot hààr spreekt,
hetgeen niet betaamt. En zend hen nergens, waar zij door haar vernomen
kunnen worden, zonder mij; maar tooi hen met zoete harmonie [42], in
welke ik aanwezig zijn zal telkenkeer zulks noodig is." En deze woorden
gezegd hebbende verdween hij, en mijn slaap werd afgebroken. Waarop ik,
mij bezinnend, bevond dat dit gezicht mij verschenen was in het negende
uur van dien dag; en nog eer ik deze kamer verliet nam ik mij voor eene
ballade te maken, in welke ik datgene wat mijn Heer mij had opgelegd,
zou uitvoeren, en ik schreef daarop deze ballade, welke aldus begint:
Mijn Lied, nu ga, en bid met zoetste zangen
Amor, mijn Heer, dat hij u begeleid'
Naar mijn Meestres en zòò mijn zaak bepleit'
Dat ge vergeving voor mij moogt erlangen.
Mijn Lied, wel zijt ge hoofsch en zoo bescheiden
Dat gij u onbevreesd
Ook onverzeld zoudt ov'ral kunnen wagen;
Doch om gansch zeker elk gevaar te mijden,
Zult ge dien goeden geest,
Amor, om zijn geleide en bijstand vragen;
Wijl zij die luistren moet naar al uw klagen--
Wen, als 'k geloof, haar hart zich van mij keert
En Amor zelf u niet te spreken leert--
Onvriendelijk wellicht u zoude ontvangen.
Hebt ge aldus mijn Gebiedster dan gevonden
En medelij gevraagd,
Spreek dan tot haar met zoete stem deez' woorden;
"Meestres, hij die mij tot u heeft gezonden,
Wenscht, zoo het u behaagt,
Dat ge uit mijn mond zijn verontschuldging hoorde.
Liefde is 't die zijn gezicht zoozeer verstoorde,
Dat hij ùw schoon in andren waant te zien,
En zoo zijn blik hèn hulde schijnt te biên,
Toch in zijn hart naar ù slechts blijft verlangen."
Zeg haar: "Meestres, zòò wankloos en volkomen
Heeft hij u lief gehad,
Dat ù getrouw te dienen al zijn dagen,
Van aanvang af 't hoogst doel was zijner droomen."
En zoo zij twijfelt, dat
Zij 't Amor, die de Waarheid zelf is, vrage.
En smeek tenslotte dat het haar behage--
Wanneer vergeving schenken haar verdriet--
Dat zij voor haar te sterven mij gebied',
En dankbaar zal ik dit bevel ontvangen.
Maar zeg tot Hem, wien 'k al mijn heil moet danken,
Vòòrdat hij henen gaat,
Opdat hij haar mijn onschuld moog' verzeekren:
"'k Bid u terwille van mijn zoete klanken,
Dat gij haar niet verlaat,
Maar van uw trouwen slaaf tot haar blijft spreken.
En mocht zij hem vergeven door ùw smeeken,
Dat hem haar blik dien schoonen vree dan meld'".
Mijn lieflijk Lied, van Liefde zelf verzeld,
Ga nu tot haar om eere en troost te erlangen.
Deze ballade bestaat uit drie gedeelten: in het eerste zeg ik haar
waarheen zij gaan moet en spreek ik haar moed in opdat zij met te
meer vertrouwen gaan moge; en ik zeg onder wiens geleide zij zich
stellen moet indien zij veilig en zonder eenig gevaar gaan wil;
in het tweede zeg ik datgene wat zij behoort te doen verstaan;
in het derde geef ik haar verlof te gaan wanneer zij wil, haren
gang aanbevelend in de hoede der fortuin. Het tweede gedeelte
begint hier: "Hebt ge aldus...."; het derde hier: "Mijn lieflijk
Lied...." Een of ander zoude hier kunnen tegenwerpen dat hij niet
begreep tot wien mijne aanspraak in de tweede persoon zich richtte,
aangezien de ballade niets anders is dan de woorden zelf welke
ik spreek: en ik zeg daarom dat ik van zins ben dit bezwaar op
te lossen en te verklaren in ditzelfde boekske op eene andere,
nog twijfelachtiger plaats; en dan zal diegene die hier mocht
twijfelen of op deze wijze bezwaar mocht maken, het wel begrijpen.
§ XIII.
Na het bovenbeschreven gezicht, reeds de woorden geschreven
hebbende, welke Amor mij bevolen had te spreken, begonnen vele
en vreemde gedachten mij te bestoken en te verzoeken, elke haast
onwederstaanbaar: onder welke gedachten vier mij het meest de rust
des levens verstoorden. De eerste van hen was deze: "Goed is de
heerschappij der Liefde omdat zij het streven van haren getrouwe
aftrekt van al wat laag is". De tweede was deze: "Niet goed is de
heerschappij der Liefde, omdat, hoe meer geloof haar getrouwe in haar
stelt, hoe zwaarder en smartelijker weg hij moet gaan". De derde was
deze: "Het woord liefde is zòò zoet te hooren, dat het mij onmogelijk
schijnt dat hare eigen werking in de meeste dingen anders dan zoet
zoude zijn, aangezien de namen zich richten naar de genoemde dingen,
gelijk geschreven staat: 'Nomina sunt consequentia rerum'" [43]
[44]. De vierde was deze: "De Vrouwe, de liefde tot wie u aldus in
het nauw brengt, is niet als andere vrouwen, zoodat zij gemakkelijk
het hart zoude kunnen verlaten". En elk dezer gedachten bestookte
mij zoozeer, dat zij mij deed staan als een die niet weet langs
welken weg zijne reis leidt, zoodat hij wil voortgaan, doch niet weet
waarhenen. En als ik er over peinsde eenen gemeenschappelijken weg
voor hen te zoeken, dat wil zeggen eenen, waarover zij het allen eens
waren, bleek deze weg mij zeer tegen den zin: namelijk Medelijden aan
te roepen en mij in hare armen te werpen. En verblijvend in dezen
staat, kwam de begeerte in mij op er in rijmen over te schrijven;
en ik schreef vervolgens dit sonnet, hetwelk begint:
Van Liefde spreken nu al mijn gedachten,
Doch zòò verward is hun verscheidenheid,
Dat de eene fel haar heerschappij bestrijdt,
Terwijl mij de andre staag naar haar doet smachten;
D'een telkens weer mij drijft tot wilde klachten,
En de aâr mij stilt met hoop van zaligheid;
En dààrin slechts hoor ik eenstemmigheid,
Dat zij alleen van Meelij heul verwachten.
Dus weet ik niet naar welke ik luistren moet;
En wil ik spreken: 'k weet niet hoe of wat;
Zoozeer ben 'k in der Liefde dool gevangen.
En wèl zie ik, dat wil 'k ooit rust erlangen,
'k Vrouw Meelij, die met mij nooit meelij had,
Mijn vijandin, ter hulpe roepen moet.
Dit sonnet kan in vier gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg
ik en zet ik uiteen, dat al mijne gedachten over de Liefde zijn;
in het tweede zeg ik dat zij uiteenloopend zijn en verhaal ik
van hunne verscheidenheid; in het derde zeg ik in welk opzicht
allen het eens schijnen te zijn; in het vierde zeg ik dat ik,
willende spreken over de Liefde, niet weet vanwaar mijne stof
te nemen, en dat wanneer ik haar van hen allen nemen wil, ik
mijne vijandin, Vrouwe Medelijden, moet te hulp roepen. Ik zeg
"Vrouwe" bedoelende op eene schampere wijze te spreken. Het tweede
gedeelte begint hier: "Doch zòò verward...."; het derde hier:
"En daarin slechts...." het vierde: "Dus weet ik niet...."
§ XIV.
Na den krijg dier verschillende gedachten geviel het dat de
Allerlieflijkste ergens kwam, waar vele edele dames vereenigd waren;
naar welke plaats ik werd medegenomen [45] door eenen vriend, die
geloofde mij een groot genoegen te bereiden door mij te brengen waar
zoo vele vrouwen hunne schoonheid toonden. Waarop ik, ternauwernood
wetende waarhenen ik geleid werd, mij toevertrouwende [46] aan
dien man--die intusschen zijnen vriend aan de uiterste grens des
levens bracht--tot hem zeide: "Waarom zijn wij tot deze vrouwen
gegaan?" Daarop antwoordde hij: "Om te zorgen dat zij waardiglijk
gediend worden". En de waarheid is dat zij daar bijeen waren om eene
edele dame gezelschap te houden, die dien dag gehuwd was; aangezien
het, volgens gebruik [47] in de bovenbedoelde stad, betaamde dat men
haar gezelschap hield bij den eersten maaltijd dien zij nuttigde in
de woning van haren jongen echtgenoot. Zoodat ik, geloovende mijnen
vriend een genoegen te doen, mij voornam dezen vrouwen, die haar
gezelschap hielden, van dienst te zijn. En toen ik dit juist besloten
had, leek het mij als voelde ik eene vreemde siddering beginnen in
de linker zijde van mijne borst en zich plotseling over alle deelen
mijns lichaam uitbreiden. Toen, zegge ik, leunde ik mij onmiddellijk
tegen eene muurschildering, welke de zaal omgaf; en vreezende dat
anderen mijne siddering zouden hebben opgemerkt, sloeg ik de oogen
op en naar de vrouwen ziende, ontwaarde ik onder hen de lieflijke
Beatrice. Toen werden mijne geesten zoodanig overweldigd door de
kracht welke de Liefde verkreeg, ziende zich in zoo groote nabijheid
dier allerlieflijkste Vrouwe, dat geen meer in mij leven bleven dan
alleen de geesten des gezichts; en zelfs deze bleven nog buiten hunne
werktuigen, omdat de Liefde in hunne verheven plaats wilde huizen,
ten einde die wonderbare Vrouwe te kunnen zien. En ofschoon ik een
ander was dan eerst, bedroefde ik mij toch zeer over die geestjes,
die luide jammerden en zeiden: "Als deze ons niet aldus uit onze
plaats gebliksemd had, zouden wij nu daar het wonder dier Vrouwe
kunnen aanzien, zooals de anderen, onze gelijken, doen". Ik zeg
dat vele dier dames, mijne verandering hebbende opgemerkt, zich
begonnen te verwonderen; en pratende spotteden zij over mij met de
Allerlieflijkste [48], waarop mijn argelooze vriend, dit bemerkende,
mij bij de hand nam en, mij leidend uit het gezicht dier dames, mij
vroeg wat ik had. Hierop rustte ik eene pooze, en nadat mijne doode
geesten weder waren herrezen en de verdrevene weder tot hunne plaatsen
waren teruggekeerd, zeide ik tot mijnen vriend deze woorden: "Ik heb
mijne voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet weder
kan terugkeeren, al wilde men." En ik nam afscheid van hem en trok
mij terug in de kamer der tranen, in welke ik, weenende en beschaamd,
tot mijzelven zeide: "Als deze Vrouwe mijnen toestand kende, ik geloof
niet dat zij aldus mijn uiterlijk zou bespotten, maar ik geloof veeleer
dat zij diep medelijden er mede hebben zou." En aldus klagen blijvend,
nam ik mij voor woorden te spreken waardoor ik, mij tot hààr richtend,
haar de oorzaak mijner verandering zou verklaren en zou zeggen dat ik
wel wist dat men die niet kende en dat, indien men haar gekend had,
ik geloofde dat elkeen medelijden gevoeld zou hebben: en ik nam mij
voor dit te zeggen, hopende dat het bij toeval haar ter oore zou komen;
en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk aldus begint:
Bespotten zie ik u met de andre vrouwen
Mijn aanschijn, want de reden kent ge niet
Waarom het dus verandert en verschiet
Telkens wanneer 'k uw schoonheid mag aanschouwen.
Zoo ge het wist: wèl zoude 't u berouwen
Dat ge mij niets dan die bespotting biedt.
't Is wijl, wen Amor mij dicht bij u ziet,
Hem vult zulk overmoedig zelfvertrouwen,
Dat, woedend onder mijn ontstelde zinnen,
Hij deze doodt en gene gansch verdrijft,
Om veilig, in hùn plaats naar u te staren.
Maar zòò niet is de Liefde in mij gevaren,
Dat niet mijn hart toch tevens pijnen blijft
Om mijn gemartelde en verdreven zinnen.
Dit sonnet verdeel ik niet in gedeelten, omdat eene verdeeling
alleen gemaakt wordt om den zin der verdeelde zaak open te leggen;
zoodat dit, aangezien het door zijne verhaalde aanleiding voldoende
duidelijk is, geene verdeeling behoeft. Weliswaar bevinden zich
onder de woorden, waarin de aanleiding tot dit sonnet verhaald
wordt, eenige twijfelachtige woorden, namelijk waar ik zeg dat de
Liefde al mijne geesten doodt en alleen die des gezichts in leven
blijven, ofschoon dan buiten hunne werktuigen. En deze moeilijkheid
is onmogelijk op te lossen voor wie niet in dezelfde mate der
Liefde plichtig is; en voor hen die zulks zijn, is datgene wat
die moeilijkheid zou oplossen duidelijk; en daarom is het niet
goed voor mij deze moeilijkheid te verklaren, aangezien mijne
woorden òf vergeefs zouden zijn òf overbodig.
§ XV.
Na deze nieuwe verandering werd ik sterk vervuld van eene gedachte
welke mij zelden meer verliet, maar mij voortdurend weer hernam
en aldus tot mij sprak: "Daar ge zulk een spotwaardig uiterlijk
aanneemt wanneer ge in de nabijheid dier Vrouwe zijt, waarom dan
zoekt ge haar te zien? Wanneer zij u daarnaar vroeg, wat zoudt ge
hebben te antwoorden? aangenomen dat ge het vrije gebruik van al uwe
vermogens hadt wanneer ge haar toespreken moest." En eene andere,
schuchtere gedachte, antwoordde op deze en zeide: "Wanneer ik mijne
vermogens niet verloor en zoo vrij ware dat ik kon antwoorden, zoude
ik haar zeggen dat, zoodra ik mij hare wonderbare schoonheid verbeeld,
dadelijk ook een verlangen in mij opkomt om haar te zien, hetwelk van
zoo groote kracht is, dat het doodt en verwoest in mijne herinnering
al wat er tegen op zoude kunnen staan; en daardoor weerhouden mij de
geleden smarten niet om opnieuw haren aanblik te zoeken." Waarop ik,
bewogen door deze gedachten, mij voornam eenige woorden te zeggen,
in welke ik, mij tegenover haar verontschuldigend over mijn gedrag,
ook zou verhalen van wat mij in hare nabijheid overkwam; en ik schreef
dit sonnet, hetwelk aldus begint:
Al wat weerstreeft in mijnen geest moet sterven,
Wanneer 'k, o Schoone Vreugd, tot u wil gaan.
Maar "Vlucht" spreekt Amor, "wilt ge u niet verderven",
Als hij mij vindt in uw nabijheid staan.
Mijn aanschijn toont in wisselende verven
Des harten strijd en zwijmend leune ik aan
't Gemuurde, en 't is of ik de steenen "sterven!"
Hoor zuchten in dier wanhoop dronken waan.
Wie dus mij ziet bevlekt zijn ziel van zonde,
Zoo mijn verbijstering hem niet verweekt
Tot droeve deernis en een zachte klacht
Om Meelij, dat uw spot zòò diep verwondde
Dat uit mijn brekende oogen het slechts smeekt
Den Dood, van wien alleen 't nog troost verwacht.
Dit sonnet kan in twee gedeelten worden verdeeld; in het eerste
zeg ik de reden waarom ik mij niet houden kan naar mijne Vrouwe te
gaan; in het tweede zeg ik wat mij overkomt doordat ik tot haar ga;
en dit gedeelte begint hier: "Maar: Vlucht, spreekt Amor...." En
dit tweede gedeelte is nog verder te verdeelen in vijven, volgens
vijf verschillende mededeelingen: want in het eerste zeg ik wat
de Liefde, geraden door de Rede, mij zegt wanneer ik in hare
nabijheid ben; in het tweede zet ik den toestand van mijn hart
uiteen naar het voorbeeld van mijn gelaat; in het derde zeg ik
hoe alle zekerheid mij ontvalt; in het vierde zeg ik dat degeen
die geen medelijden met mij betoont zondigt, omdat zulks mij
eenigermate zou hebben getroost; in het laatste zeg ik waaròm men
medelijden moet hebben, namelijk wegens den deerniswaardigen blik
welke mij in de oogen komt; want deze deerniswaardige blik is
verwoest, dat wil zeggen is voor een ander niet meer zichtbaar
tengevolge van de spot mijner Vrouwe, welke tot een dergelijk
gedragen diegenen medesleept die misschien zulk medelijden hadden
kunnen betoonen. Het tweede gedeelte begint hier: "Mijn aanschijn
toont...."; het derde hier: "En 't is of ik...."; het vierde:
"Wie dus mij ziet...."; het vijfde: "Om Meelij...."
§ XVI.
Nadat ik dit geschreven had, wekte dit sonnet het verlangen in mij
op om ook eenige woorden te zeggen over vier andere zaken mijnen
toestand betreffende, welke mij schenen door mij nog niet duidelijk
te zijn gemaakt. De eerste van deze was aldus: dat ik mij dikwijls
bedroefde wanneer mijn geheugen mijne verbeelding bewoog zich voor
te stellen hoedanig Amor mij gemaakt had. De tweede was aldus: dat de
Liefde mij herhaaldelijk plotseling zoo hevig besprong, dat er in mij
niets anders levends bleef dan slechts ééne gedachte, welke van mijne
Vrouwe sprak. De derde was aldus: dat wanneer die strijd der Liefde
mij aldus bestookte, ik mij, bijna geheel ontkleurd, opmaakte om mijne
Vrouwe te gaan zien, geloovende dat haar aanblik mij in dien strijd
zou verdedigen, en vergetende wat mij door het naderen tot hare zoo
groote lieflijkheid overkwam. De vierde was aldus: dat deze aanblik mij
niet alleen niet verdedigde, maar zelfs de laatste rest mijns levens
nog uit mij verdreef; en daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:
Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen
Waartoe mij Amor dwingt, wil 't hart mij breken
Van medelijden en ik hoor het klagen:
"Ach, kon ooit smart een ander dus verweeken?"
Wen Amor mij bespringt om te verjagen
Mijn zinnen en haast allen voor hem weken,
Ontkomt er slechts ééne enkele aan zijn slagen,
En die blijft, om van ù alleen te spreken.
En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht,
Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven,
Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.
Maar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht,
Begint nog smartlijker mijn hart te beven
En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt.
Dit sonnet kan worden verdeeld in vier gedeelten, volgens de vier
zaken welke er in verhaald worden; en omdat deze zaken hierboven
reeds uiteengezet zijn, houd ik mij niet op dan slechts om deze
gedeelten door hunne beginwoorden aan te duiden; zoodat ik zeg dat
het tweede gedeelte begint hier: "Wen Amor...."; het derde hier:
"En dan, wijl ik...."; het vierde hier: "Maar zoo ik opzie...."
§ XVII.
Nadat ik deze drie sonnetten had geschreven, waarin ik sprak tot mijne
Vrouwe, geloovende nu te moeten zwijgen [49], omdat zij ongeveer heel
mijnen toestand verhaalden en het mij voorkwam dat ik duidelijk genoeg
over mijzelf had gesproken, gebeurde het toch--ofschoon ik mij daarna
nooit meer onmiddellijk tot hààr gericht heb--dat ik eene nieuwe en
edeler stof dan de voorgaande opnam. En omdat de aanleiding daartoe
aangenaam is om te hooren, zal ik haar zoo kort ik kan mededeelen.